De aanvallen op Smolensko werden den ganschen dag door onophoudelijk
vernieuwd. De Russen verdedigden zich koelbloedig, maar vreeselijk.
Duizende krijgers zonken op het veld des doods neder, en nog immer was
de prijs voor deze offers niet gewonnen, toen de zon reeds begon te
dalen en achter grauwe wolken verdween.
Thans was de gunstige tijd voor Rasinski's plan gekomen. Hij liet
opzitten en trok met zijn regiment langs den Dnieper voort, maar hield
zich zoo ver van den oever verwijderd, dat men hem van de overzijde
niet ontdekken konde. Nadat men een uur had afgelegd, werd deze
voorzorg overbodig, daar het geheel donker was geworden.
„Ieder houde zich doodstil! Niemand mag rooken of vuur slaan!” luidde
het bevel dat de overste van rot tot rot liet voortloopen. Hij had
een jongeling uit den omtrek bij zich, die hem tot gids diende. Met
dezen onderhield hij zich in het russisch, zoodat niemand der overigen
verstaan konde, waarover hij met hem sprak. De gansche tocht werd als
een geheim behandeld.
Men bevond zich in een vrij dicht kreupelhout, toen Rasinski halt
liet houden. Hij zelf reed, enkel door zijn geleider verzeld, verder
voorwaarts en beval het regiment, zijne terugkomst af te wachten.
Eene hooggespannen verwachting heerschte in de gelederen. Rondom
ademlooze stilte; de donder van den slag, dien men nog lang in de verte
gehoord had, was verstomd. De vallende avond had aan den bloedigen
moord een einde gemaakt. Slechts de wind ruischte in de toppen der
berken en dennen, van tijd tot tijd hoorde men het geroep van den
roerdomp. Een half uur bracht men op deze wijze door. Eindelijk kwam
Rasinski terug en gebood stapvoets voort te rukken. Men moest eenige
woeste heuvels, die met bramen en varenkruiden bedekt waren, op en
af; hierop stond men onverhoeds aan eene steile helling en hoorde de
Dnieper ruischen, in wiens golven de zwarte, nachtelijke hemel zich
donker afspiegelde. „Bij tweeën afgebroken en mij gevolgd!” fluisterde
Rasinski den vleugelman toe; en met dof gemompel liep dit bevel door
de gelederen voort. Hij liet daarop zijn paard behoedzaam bij de
helling afklauteren en reed door de, hier nauwelijks drie voet diepe
stroombedding. Boleslaw volgde met zijn escadron. De overigen moesten,
daar die overtocht zich slechts langzaam liet bewerkstelligen, een
geruimen tijd op de hoogte wachten.
Bernard, die zich altijd met de plaatselijkheid nauwkeurig zocht bekend
te maken, stiet Lodewijk zachtkens aan en fluisterde, met den vinger
naar den anderen oever wijzende: „Zie ik daar ginds in de hoogte niet
flauw verlichte vensters? Mij dunkt, ik moest mij zeer bedriegen, zoo
wij ons hier niet zeer in de nabijheid van het slot bevinden, dat ons
dezen morgen reeds zoo in het oog viel.”
„Mogelijk,” antwoordde Lodewijk. „Maar zie eens dien helderen schijn
daar achter ons. Wat mag dat beduiden? Boven de boomtoppen is de hemel
gloeiend rood.”
„Het zal de opkomende maan zijn,” sprak Jaromir, die zich intusschen
bij hen gevoegd had.
„Dat kan niet zijn,” meende Bernard; want die komt eerst tegen
middernacht op.
Daar lichtte eensklaps een roode bliksemstraal door den nachtelijken
hemel en een bloedigen weerschijn werd op de golven van den vloed
zichtbaar.
„Dat is brand,” riep Jaromir met eene gesmoorde stem. „Ziet, ziet! Nu
breekt het uit;—de vlammen slaan wild omhoog. Het is Smolensko, dat in
brand staat.”
Men kon er niet meer aan twijfelen, want de donkere gloed, met lichter
vuurstrepen doortinteld, breidde zich verder en verder over den
gezichteinder uit en begon zijn helder schijnsel tot zelfs op de plaats
neer te werpen, waar de ruiters zich opeendrongen. Thans werden ook
de zwarte torenspitsen van den stadsmuur op den blakenden achtergrond
zichtbaar, en de boomkruinen in den omtrek schenen als door de late
avondschemering roodachtig verlicht te worden.
„Ziet gij wel, dat ik gelijk had?” met deze woorden wendde Bernard zich
nu weder tot Lodewijk en wees naar den anderen oever. „Herkent gij nu
het slot in den flikkerenden weerglans der vlammen? Hoor de klok van
het dorp. Ik geloof, men luidt storm!”
Inderdaad lag het oude gebouw duidelijk en nauwelijks een vierde uur
verwijderd voor hunne oogen. Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich
van Lodewijks ziel meester. Zou de in scherts gesproken voorzegging
bewaarheid worden? Zouden moord en brand ook hier woeden?
Doch de tijd tot verdere bespiegelingen werd hem benomen, daar het rot,
waartoe hij behoorde, zich juist in beweging zette, om door de rivier
te rijden. Bernard sloot dicht nevens hem aan; toen de hoeven hunner
paarden in het water plasten, zeide hij half in scherts, half ernstig:
„Rijden wij door den Phlegethon, door den Styx of Cocytus? Men weet
waarlijk niet, of het een zwarte, dan een vurige, helsche stroom is!”
De bloedige weerschijn der vlammen, die zich ver over de wentelende
golven uitstrekte, gaf hem aanleiding tot deze vergelijking. „Ten
minste,” vervolgde hij, „is het voor ons de Rubicon, dien wij
overtrekken. _Jacta est alea!_ Wij weten nauwelijks, of wij de
overzijde bereiken, veel minder of wij dezen weg terug zullen rijden.
In allen gevalle maak ik hiernevens mijn testament, broertje. Als de
visschen in den Dnieper of de raven van oud-Rusland mij buit mochten
maken, zijt gij mijn eenige erfgenaam. Maar mijn hart—ik begeer daarom
niet, dat gij mij den kouden vleeschklomp uit de borst snijdt—breng
dat aan uwe zuster Maria en deel het in vrede.”
„Hoe komt gij thans op mijne zuster?” vroeg Lodewijk geroerd.
„Zij is een kostelijk meisje, een engelachtig, braaf kind en verdiende
een betere broeder, dan gij zijt. Waarom zij echter juist in dit
oogenblik voor mijne ziel staat, als had ik haar zelf zoo trouw als
haar spiegelbeeld geportretteert, dat weet ik niet; wij zien onze
gedachten wel bloeien, maar weten niet, waar zij gezaaid zijn. Genoeg,
schoon mijne gedachten dagelijks een twintig-, dertigmaal naar Dresden
en Teplitz reizen, zijn zij toch in deze minuut met buitengewoon
driftige vlucht derwaarts heengetrokken; zij vliegen als zwaluwen naar
het huisdak. Het moet zijne oorzaak hebben, want alles in de wijde
schepping steunt op goede gronden; ik wil het echter nauwkeurig in
gedachtenis houden, dat ik op den 17 Augustus, 's avonds te tien uur,
aan Maria gedacht heb, en dat zij mij juist in deze minuut nog tienmaal
liever is geworden dan te voren.”
Lodewijk drukte den vriend met warmte de hand. Reeds meermalen had
hij gemeend te bespeuren, en zich daarover in stilte verheugd, dat in
Bernards borst eene zachte warme liefde voor de zuster woonde, doch de
zonderlinge mensch liet zelfs den vriend bijna nooit anders, dan door
de misvormende, gekleurde glazen van schertsende luim in het binnenste
van zijn hart blikken. Daarenboven had Lodewijk steeds het gevoel,
alsof Bernards ziel door zoo velerlei grootere gewaarwordingen en
diepere, meer woeste hartstochten, zelfs dezulke waaronder zich eene
vrouwelijke gestalte verborgen hield, bewogen werd, dat de stille
bloem eener liefde voor de zachte, vriendelijke Maria in dien woeligen
chaos onmogelijk wortel kon vatten. Er lag iets in zijne natuur, dat
scheen aan te duiden: ik zou wel gaarne onder de schaduw dezer boomen
vertoeven, deze vrucht plukken, in deze hut vreedzaam wonen, maar ik
kan niet, ik mag niet, eene onbekende, overmachtige kracht drijft mij
tegen mijn wil voorwaarts. Als de stroom, moet ik de vriendelijke
oevers voorbijsnellen, en spiegel ik al somtijds den blauwen, lachenden
hemel op mijne vlakte af, ras zwellen de woest schuimende golven met
vernieuwde drift op en vernielen het zachte, liefelijke beeld weder.
Hoe vurig deze borst ook naar een vreemd hart verlangt, ik durf er geen
aan mij verbinden, want ik zou het in den woelenden maalstroom van mijn
lot moeten medeslepen. Eene teedere bloem zoude ik, door haar aan deze
gloeiende borst te drukken, slechts verzengen, zoodat zij ras verdord
neerzonk,—ik zou haar vernietigen, al was zij mij dierbaarder dan mijn
leven. Semele sterft aan de borst van Jupiter; zelfs de vader der goden
vermag hare bestemming niet te keeren, hoe diep ook de wonde in zijn
eigen onsterfelijk hart dringt.—Deze ééne warme ontboezeming echter,
die zoo even van Bernards lippen vloeide, verdreef eensklaps al deze
gewaarwordingen en twijfelingen; op den hartelijksten toon antwoordde
hij: „Het is wel natuurlijk, dat gij aan haar denkt. In ernstige
oogenblikken onzes levens treden de beelden onzer geliefden te lichter
te voorschijn, naarmate de grond, waarop zij zich afteekenen duisterder
is. Ook ik....”
„Ja, ja, gij hebt gelijk,” sprak Bernard, als om het gesprek af te
wenden, „het beeld hier heeft een verduiveld zwarten grond; maar er
vallen reeds lichttinten in, want de pekfakkels daar beneden branden in
lichtelaaien gloed. Dra kan men de muizen over het veld zien loopen.
Maar mij dunkt, de Dnieper is verwenscht koud, en uw knol heeft mij nog
daarenboven een ganschen bek water over de lendenen gespogen. Gij moet
beter op uw paard passen, als gij een goed kameraad wilt zijn.—Den
hemel zij dank! Land! Ik ben nooit een liefhebber van zeereizen
geweest.”
Zoodra het regiment op den anderen oever verzameld was, rukte Rasinski
in de hoogst mogelijke stilte op het recht vóór hen gelegen slot aan.
Toen men nog eenige honderden schreden daarvan verwijderd was, liet hij
halt houden. „Vrienden,” sprak hij, „wij zijn aan het doel. Daar in
het slot zijn, naar ik met zekerheid onderricht ben, eenige russische
generaals en voornamen op een bruiloftsfeest bijeen. Hen op te lichten,
is het oogmerk onzer gewaagde onderneming. Thans langzaam voort, tot
wij een vlakken bodem voor ons zien en geenerlei beletsel ons meer kan
ophouden. Dan echter als de bliksem er op in! Nu voorwaarts, vrienden,
houdt u wakker, zijt vlug, koen, doch behoedzaam! Voorwaarts!”
Zij rukten voort, tot aan eene zachte helling. Thans liet Rasinski
stormloop blazen, en in den vollen ren der snuivende rossen stoof de
schaar den weg naar slot en dorp op.