HOOFDSTUK IV.

De aanvallen op Smolensko werden den ganschen dag door onophoudelijk

vernieuwd. De Russen verdedigden zich koelbloedig, maar vreeselijk.

Duizende krijgers zonken op het veld des doods neder, en nog immer was

de prijs voor deze offers niet gewonnen, toen de zon reeds begon te

dalen en achter grauwe wolken verdween.

Thans was de gunstige tijd voor Rasinski's plan gekomen. Hij liet

opzitten en trok met zijn regiment langs den Dnieper voort, maar hield

zich zoo ver van den oever verwijderd, dat men hem van de overzijde

niet ontdekken konde. Nadat men een uur had afgelegd, werd deze

voorzorg overbodig, daar het geheel donker was geworden.

„Ieder houde zich doodstil! Niemand mag rooken of vuur slaan!” luidde

het bevel dat de overste van rot tot rot liet voortloopen. Hij had

een jongeling uit den omtrek bij zich, die hem tot gids diende. Met

dezen onderhield hij zich in het russisch, zoodat niemand der overigen

verstaan konde, waarover hij met hem sprak. De gansche tocht werd als

een geheim behandeld.

Men bevond zich in een vrij dicht kreupelhout, toen Rasinski halt

liet houden. Hij zelf reed, enkel door zijn geleider verzeld, verder

voorwaarts en beval het regiment, zijne terugkomst af te wachten.

Eene hooggespannen verwachting heerschte in de gelederen. Rondom

ademlooze stilte; de donder van den slag, dien men nog lang in de verte

gehoord had, was verstomd. De vallende avond had aan den bloedigen

moord een einde gemaakt. Slechts de wind ruischte in de toppen der

berken en dennen, van tijd tot tijd hoorde men het geroep van den

roerdomp. Een half uur bracht men op deze wijze door. Eindelijk kwam

Rasinski terug en gebood stapvoets voort te rukken. Men moest eenige

woeste heuvels, die met bramen en varenkruiden bedekt waren, op en

af; hierop stond men onverhoeds aan eene steile helling en hoorde de

Dnieper ruischen, in wiens golven de zwarte, nachtelijke hemel zich

donker afspiegelde. „Bij tweeën afgebroken en mij gevolgd!” fluisterde

Rasinski den vleugelman toe; en met dof gemompel liep dit bevel door

de gelederen voort. Hij liet daarop zijn paard behoedzaam bij de

helling afklauteren en reed door de, hier nauwelijks drie voet diepe

stroombedding. Boleslaw volgde met zijn escadron. De overigen moesten,

daar die overtocht zich slechts langzaam liet bewerkstelligen, een

geruimen tijd op de hoogte wachten.

Bernard, die zich altijd met de plaatselijkheid nauwkeurig zocht bekend

te maken, stiet Lodewijk zachtkens aan en fluisterde, met den vinger

naar den anderen oever wijzende: „Zie ik daar ginds in de hoogte niet

flauw verlichte vensters? Mij dunkt, ik moest mij zeer bedriegen, zoo

wij ons hier niet zeer in de nabijheid van het slot bevinden, dat ons

dezen morgen reeds zoo in het oog viel.”

„Mogelijk,” antwoordde Lodewijk. „Maar zie eens dien helderen schijn

daar achter ons. Wat mag dat beduiden? Boven de boomtoppen is de hemel

gloeiend rood.”

„Het zal de opkomende maan zijn,” sprak Jaromir, die zich intusschen

bij hen gevoegd had.

„Dat kan niet zijn,” meende Bernard; want die komt eerst tegen

middernacht op.

Daar lichtte eensklaps een roode bliksemstraal door den nachtelijken

hemel en een bloedigen weerschijn werd op de golven van den vloed

zichtbaar.

„Dat is brand,” riep Jaromir met eene gesmoorde stem. „Ziet, ziet! Nu

breekt het uit;—de vlammen slaan wild omhoog. Het is Smolensko, dat in

brand staat.”

Men kon er niet meer aan twijfelen, want de donkere gloed, met lichter

vuurstrepen doortinteld, breidde zich verder en verder over den

gezichteinder uit en begon zijn helder schijnsel tot zelfs op de plaats

neer te werpen, waar de ruiters zich opeendrongen. Thans werden ook

de zwarte torenspitsen van den stadsmuur op den blakenden achtergrond

zichtbaar, en de boomkruinen in den omtrek schenen als door de late

avondschemering roodachtig verlicht te worden.

„Ziet gij wel, dat ik gelijk had?” met deze woorden wendde Bernard zich

nu weder tot Lodewijk en wees naar den anderen oever. „Herkent gij nu

het slot in den flikkerenden weerglans der vlammen? Hoor de klok van

het dorp. Ik geloof, men luidt storm!”

Inderdaad lag het oude gebouw duidelijk en nauwelijks een vierde uur

verwijderd voor hunne oogen. Eene zonderlinge gewaarwording maakte zich

van Lodewijks ziel meester. Zou de in scherts gesproken voorzegging

bewaarheid worden? Zouden moord en brand ook hier woeden?

Doch de tijd tot verdere bespiegelingen werd hem benomen, daar het rot,

waartoe hij behoorde, zich juist in beweging zette, om door de rivier

te rijden. Bernard sloot dicht nevens hem aan; toen de hoeven hunner

paarden in het water plasten, zeide hij half in scherts, half ernstig:

„Rijden wij door den Phlegethon, door den Styx of Cocytus? Men weet

waarlijk niet, of het een zwarte, dan een vurige, helsche stroom is!”

De bloedige weerschijn der vlammen, die zich ver over de wentelende

golven uitstrekte, gaf hem aanleiding tot deze vergelijking. „Ten

minste,” vervolgde hij, „is het voor ons de Rubicon, dien wij

overtrekken. _Jacta est alea!_ Wij weten nauwelijks, of wij de

overzijde bereiken, veel minder of wij dezen weg terug zullen rijden.

In allen gevalle maak ik hiernevens mijn testament, broertje. Als de

visschen in den Dnieper of de raven van oud-Rusland mij buit mochten

maken, zijt gij mijn eenige erfgenaam. Maar mijn hart—ik begeer daarom

niet, dat gij mij den kouden vleeschklomp uit de borst snijdt—breng

dat aan uwe zuster Maria en deel het in vrede.”

„Hoe komt gij thans op mijne zuster?” vroeg Lodewijk geroerd.

„Zij is een kostelijk meisje, een engelachtig, braaf kind en verdiende

een betere broeder, dan gij zijt. Waarom zij echter juist in dit

oogenblik voor mijne ziel staat, als had ik haar zelf zoo trouw als

haar spiegelbeeld geportretteert, dat weet ik niet; wij zien onze

gedachten wel bloeien, maar weten niet, waar zij gezaaid zijn. Genoeg,

schoon mijne gedachten dagelijks een twintig-, dertigmaal naar Dresden

en Teplitz reizen, zijn zij toch in deze minuut met buitengewoon

driftige vlucht derwaarts heengetrokken; zij vliegen als zwaluwen naar

het huisdak. Het moet zijne oorzaak hebben, want alles in de wijde

schepping steunt op goede gronden; ik wil het echter nauwkeurig in

gedachtenis houden, dat ik op den 17 Augustus, 's avonds te tien uur,

aan Maria gedacht heb, en dat zij mij juist in deze minuut nog tienmaal

liever is geworden dan te voren.”

Lodewijk drukte den vriend met warmte de hand. Reeds meermalen had

hij gemeend te bespeuren, en zich daarover in stilte verheugd, dat in

Bernards borst eene zachte warme liefde voor de zuster woonde, doch de

zonderlinge mensch liet zelfs den vriend bijna nooit anders, dan door

de misvormende, gekleurde glazen van schertsende luim in het binnenste

van zijn hart blikken. Daarenboven had Lodewijk steeds het gevoel,

alsof Bernards ziel door zoo velerlei grootere gewaarwordingen en

diepere, meer woeste hartstochten, zelfs dezulke waaronder zich eene

vrouwelijke gestalte verborgen hield, bewogen werd, dat de stille

bloem eener liefde voor de zachte, vriendelijke Maria in dien woeligen

chaos onmogelijk wortel kon vatten. Er lag iets in zijne natuur, dat

scheen aan te duiden: ik zou wel gaarne onder de schaduw dezer boomen

vertoeven, deze vrucht plukken, in deze hut vreedzaam wonen, maar ik

kan niet, ik mag niet, eene onbekende, overmachtige kracht drijft mij

tegen mijn wil voorwaarts. Als de stroom, moet ik de vriendelijke

oevers voorbijsnellen, en spiegel ik al somtijds den blauwen, lachenden

hemel op mijne vlakte af, ras zwellen de woest schuimende golven met

vernieuwde drift op en vernielen het zachte, liefelijke beeld weder.

Hoe vurig deze borst ook naar een vreemd hart verlangt, ik durf er geen

aan mij verbinden, want ik zou het in den woelenden maalstroom van mijn

lot moeten medeslepen. Eene teedere bloem zoude ik, door haar aan deze

gloeiende borst te drukken, slechts verzengen, zoodat zij ras verdord

neerzonk,—ik zou haar vernietigen, al was zij mij dierbaarder dan mijn

leven. Semele sterft aan de borst van Jupiter; zelfs de vader der goden

vermag hare bestemming niet te keeren, hoe diep ook de wonde in zijn

eigen onsterfelijk hart dringt.—Deze ééne warme ontboezeming echter,

die zoo even van Bernards lippen vloeide, verdreef eensklaps al deze

gewaarwordingen en twijfelingen; op den hartelijksten toon antwoordde

hij: „Het is wel natuurlijk, dat gij aan haar denkt. In ernstige

oogenblikken onzes levens treden de beelden onzer geliefden te lichter

te voorschijn, naarmate de grond, waarop zij zich afteekenen duisterder

is. Ook ik....”

„Ja, ja, gij hebt gelijk,” sprak Bernard, als om het gesprek af te

wenden, „het beeld hier heeft een verduiveld zwarten grond; maar er

vallen reeds lichttinten in, want de pekfakkels daar beneden branden in

lichtelaaien gloed. Dra kan men de muizen over het veld zien loopen.

Maar mij dunkt, de Dnieper is verwenscht koud, en uw knol heeft mij nog

daarenboven een ganschen bek water over de lendenen gespogen. Gij moet

beter op uw paard passen, als gij een goed kameraad wilt zijn.—Den

hemel zij dank! Land! Ik ben nooit een liefhebber van zeereizen

geweest.”

Zoodra het regiment op den anderen oever verzameld was, rukte Rasinski

in de hoogst mogelijke stilte op het recht vóór hen gelegen slot aan.

Toen men nog eenige honderden schreden daarvan verwijderd was, liet hij

halt houden. „Vrienden,” sprak hij, „wij zijn aan het doel. Daar in

het slot zijn, naar ik met zekerheid onderricht ben, eenige russische

generaals en voornamen op een bruiloftsfeest bijeen. Hen op te lichten,

is het oogmerk onzer gewaagde onderneming. Thans langzaam voort, tot

wij een vlakken bodem voor ons zien en geenerlei beletsel ons meer kan

ophouden. Dan echter als de bliksem er op in! Nu voorwaarts, vrienden,

houdt u wakker, zijt vlug, koen, doch behoedzaam! Voorwaarts!”

Zij rukten voort, tot aan eene zachte helling. Thans liet Rasinski

stormloop blazen, en in den vollen ren der snuivende rossen stoof de

schaar den weg naar slot en dorp op.

1812: Historische roman · 第 64 / 154 题