Bij het aanbreken van den dag was het gansche leger der Franschen reeds
weder op marsch.
Rasinski had bevel bekomen, zich bij de voorhoede onder den koning
van Napels aan te sluiten. Op een zijweg, dien Isaäk aanwees, won hij
zooveel grond, dat hij de lange colonne infanterie, die de maarschalk
Davoust aanvoerde, voorbijtrekken en zonder verdere hindernissen het
punt zijner bescherming bereiken kon. Hier vond men den prins Murat
reeds door verschillende stafofficieren omgeven, en bezig het voor hem
uitgestrekt liggende terrein met rassche blikken te monsteren. Rasinski
reed op hem toe, ten einde zich te melden en den koning te berichten,
dat hij aan Isaäk verschuldigd was, mede te deelen, zonder echter zijne
vrees te bewimpelen, dat de spion zich van een dubbel masker bediend
had en den vijand wellicht meer tot nut was geweest dan het leger van
den keizer.
„Wanneer slechts dat waarheid is,” antwoordde de prins, „wat de Jood u
heeft opgegeven, dan kan een onverwijld handelen nog alles redden. Wij
moeten het korps van den generaal Newerowskoi afsnijden, vernietigen
en Smolensko op die wijze vroeger bereiken dan hij. Het hoofdleger
des vijands kan de vesting uit zijne standkwartieren onmogelijk zoo
snel naderen, dat wij hem nog niet zouden kunnen voorkomen. Dit is
het oogenblik, waarin wij den veldtocht van het geheele jaar kunnen
beslissen. Snelheid is thans onze eerste plicht; laat ons dien
vervullen.”
Deze woorden waren ook het teeken tot oprukken.
De hoofdarmee zette haren marsch langs den Dnieper voort, zoo echter,
dat tusschen den stroom en de groote heirbaan nog eene aanmerkelijke
ruimte bleef. Rasinski marcheerde met zijn regiment het naast aan den
vloed; hij zond eene patrouille vooruit, welke Jaromir, een andere op
de rechterflank, die een jonger officier aanvoerde; ter linkerzijde
verleende de stroom genoegzame zekerheid.
„Een verdrietig werk,” wendde Rasinski zich tot Lodewijk, „zoo altijd
den vluchtenden vijand na te trekken, zonder hem ooit te kunnen
bereiken. Hier moeten zeer onlangs kozakken geweest zijn; zie slechts,
de sporen zijn nog versch en duiden onbeslagen paarden met kleine
hoeven aan. Aan hen hebben wij het vermoedelijk te danken, dat alle
bruggen en vlonders zijn afgebroken, zoodat wij gestadig door het water
kunnen rijden. Maar wat gebeurt daar! Jaromir zendt bericht.”
Men zag een lansier naderen; Rasinski galoppeerde op hem toe, om het
naricht des te spoediger te ontvangen. Jaromir liet weten, dat hij zoo
even, bij het beklimmen eener hoogte, twee kozakken ontdekt had, die
dadelijk in een vooruit gelegen boschje verdwenen waren en vermoedelijk
tot een sterken troep behoorden.
„Hadden wij hen eindelijk!” riep Rasinski met van vreugde fonkelende
oogen en beval in draf voort te rukken. Het regiment stoof den heuvel
op, van wiens kruin men een uitgestrekt, vlak terrein voor zich zag,
dat slechts door het gemelde boschje, dat nauwelijks een paar honderd
schreden diep en ook niet veel breeder scheen, doorsneden werd. De
patrouilles werden ingetrokken en men rukte in gesloten gelederen met
allen spoed voorwaarts. Het hout genaderd, deelde Rasinski het regiment
af en liet een escadron rechts, een ander links omrijden, terwijl hij
zelf met de overigen den rechten weg, midden door het bosch, vervolgde,
en iets langzamer reed, opdat men te zelfder tijd de ruimte weder
bereiken mocht. Nog dampende paardenmest, die men op den weg ontdekte,
alsook de vele sporen van hoeven zonder ijzers bewezen met zekerheid,
dat eerst eenige minuten te voren een sterke troep kozakken door het
bosch moest gekomen zijn. Thans opende het zich en had men het vrije
veld voor oogen.
„Waarachtig, daar zijn zij!” riep Rasinski en duidde met den vinger
op een korenveld, boven hetwelk men vele lansspitsen en pieken zag
uitblinken; „nu zullen zij ons niet weder ontsnappen. Blaast ten
aanval!”
De trompetten klonken. Met bliksemsnelheid braken de strijdmassa's uit
het bosch te voorschijn. Rasinski beval in front op te marcheeren en de
diepe colonne vormde zich tot eene breede linie. De beide escadrons,
die het hout waren omgereden, werden thans ook aan den zoom daarvan
weder zichtbaar en sloten zich in gestrekten galop bij het hoofdkorps
aan.
Het gedruisch, door eene op deze wijze aanrukkende ruiterij te weeg
gebracht, moest de kozakken, die vreedzaam voortreden en den vijand
niet zoo nabij waanden, dadelijk opmerkzaam maken. Een gevecht scheen
met hunne bedoeling niet te strooken; zij zetten hunne paarden aan en
renden met lossen teugel voort, tot zij in de door struiken en heuvels
begrensde verte verdwenen.
Toen het stof, door de vluchtelingen veroorzaakt, gevallen was, werd
men eene kleine stad gewaar, die geen uur meer verwijderd scheen. „Dat
zal Krasnoi zijn,” sprak Rasinski. „Waar is de Jood Isaäk? Hij moet het
weten.” Isaäk had tot hier toe, met geknevelde handen op een pakpaard
gezeten, het regiment met den trein en wagenknechten moeten volgen.
Hier zocht men hem ook thans, doch te vergeefs; in het gewoel van den
aanval was het hem gelukt te ontkomen.
„Dus hebben de kozakken ons toch nog schade toegebracht,” riep
Rasinski; „dien Jood had ik met hart en ziel de galg gegund.”
Intusschen was toch een gedeelte der infanterie en eenige lichte
ruiterij met het korps van den generaal Newerowskoi slaags geraakt,
die na dappere tegenweer terug geworpen werd.—Tegen het ondergaan der
zon sloeg Rasinski's regiment het nachtleger op. Juist had men zich om
het helder vlammend vuur in een kring geschaard, toen de donder der
kanonnen zich eensklaps liet hooren.
Alles geraakte in beweging, doch spoedig vernam men, dat het
vreugdeschoten, ter eere van het zegenrijk gevecht met de Russen en van
den geboortedag des keizers waren.
„Waarlijk!” riep Rasinski uit, „bijna zou ik vergeten hebben, dat wij
heden den 15 Augustus schrijven. Dit salvo is iets waard, want het
wordt met russisch, heden buit gemaakt kruit gelost. Laat ons dan ook
den dag niet vergeten, mijne vrienden, maar in een vroolijken kring op
het welzijn des keizers drinken.”
Deze uitnoodiging werd met blijdschap aangenomen. Het vuur vlamde
spoedig helder op; daar omheen legerden zich de officieren van het
regiment en de beide vrienden, die steeds door Rasinski als tot zijn
staf behoorende beschouwd werden.
„Onze drinkschalen zijn wel niet van de glansrijkste,” sprak Rasinski,
toen ieder het glas, den beker, of wat anders bij de hand was, gevuld
had, „de tafel is wel niet te rijk bezet, maar de gasten zijn,
vertrouw ik, zoo edel, als zij ooit in eene pronkzaal bijeen zaten. Zoo
heet ik u dan welkom, mijne kameraden!”
Eensklaps werden zijne trekken ernstig; met waardigheid trad hij voor
den kring der gelegerde broeders, steunde met den linkerarm op de sabel
en hield met den rechter den gevulden beker omhoog.
„Vrienden!” begon hij op plechtigen toon, „na lange jaren betreden wij
heden, door den grooten keizer der Franschen aangevoerd, het gebied van
oud-Rusland voor het eerst weder met de wapens in de vuist! Wij staan
op den bodem, waar onze vaderen eertijds zoo menigen roemrijken kamp
met den gehaten nabuur gestreden hebben. Herinnert u, broeders, hoe er
een tijd was, dat Polens vanen in Moskou van het Kremlin waaiden, dat
onze waiwoden den Russen hunnen czaar gaven. De czaar Boris Godunow,
die de oude stad Smolensko, welke daar achter gindsche heuvels door het
duister van den nacht bedekt wordt, grondvestte en de muren met hunne
torens bouwde, die wij morgen wellicht in stormloop beklimmen—die
czaar Boris Godunow verloor den troon door de dapperheid onzer
voorvaders. Dat waren Polens glansrijke dagen! Maar zij keeren weder!
Als een feniks uit de asch zal de witte arend zich uit het rookend puin
verheffen, waaronder ons vaderland bedolven ligt, sinds verraad en
overmacht de brandfakkels in onze steden en velden slingerden. In de
diepte smeulde de vonk voort; in de borst van elken Pool blaakt nog de
machtige vlam van den ouden heldenmoed, van de oude vaderlandsliefde.
De dag der vergelding, der verzoening, der gerechtigheid is daar!—De
wereldgeschiedenis heeft den grooten man aan het licht gebracht, die
dezen dag doet aanbreken. Zijne banieren volgende, stormen wij ter zege
over onze vijanden! Op dan, ledigt op hem dezen beker. Leve de keizer,
leve Polen, leve de vrijheid!”
Gelijk een stormwind de losgebarsten vlammen opjaagt, drongen de
vurige woorden van Rasinski in het hart zijner van vaderlandsliefde
en heldenmoed gloeiende strijdgenooten. Tot marmerbeelden versteend,
hadden zij elk woord van zijne lippen opgevangen; slechts het vurige
oog verried het leven in hunne borst. Thans sprongen zij op. Onder
tranen en gejuich herhaalden zij den kreet: „Leve de keizer, Polen, de
vrijheid!” Met duizendvoudige echo's klonk de juichtoon verder, want
de kring had zich door de van alle zijden toedringende krijgers tot in
het onafzienbare uitgestrekt. Toen Rasinski zijn beker geledigd had,
slingerde hij dien hoog in de lucht, breidde de armen uit en sloot
den naasten makker onstuimig aan de borst. De vrienden omringden hem,
wierpen zich aan zijne voeten, grepen zijne handen, bedekten ze met
kussen en tranen. Eene bijna waanzinnige geestvervoering had zich van
allen bemachtigd; luid weenend hielden jongelingen en mannen elkander
omstrengeld. Diepe smart en namelooze verrukking welden tegelijk met
machtige golven in de ziel op en dreigden de geschokte gemoederen
geheel te overstelpen. De ouden van dagen gevoelden zich verjongd en
over den grijzen knevelbaard van Petrowski rolden even heldere tranen,
als over Jaromirs bloeiende wangen.
Lang duurde het eer de hevig opbruisende vloed weder in de kalmere
bedding terugkeerde. Een milde, zachte ernst vervulde hierop de
gemoederen. Vertrouwelijk bleef men om de vlam gelegerd en gaf zich
aan het zoet gevoel van hartelijke, broederlijke gemeenschap over.
Al langzamerhand nam de gloed der legervuren af; de vermoeide natuur
gevoelde na de verdubbelde inspanning eene verdubbelde afmatting. De
zachte slaap deed de krijgers den een na den ander nederzijgen. Jaromir
legde het blonde hoofd op Bernards schouder, die dien last gewillig
droeg en eindelijk, zelfs door den sluimer overmand, met hem op het
gras terugzonk. Lodewijk bleef nog lang wakende. Alles zweeg om hem
heen; de verteerde denneblokken braken doormidden; de vlam verdoofde;
de nachtelijke hemel welfde zich donker over het leger; door den in
breede dwarlende zuilen langzaam opstijgenden rook schemerden matte
sterren. Een ernstig, somber beeld!
En donker werd het in de ziel van den jongeling. Het hopeloos
treurend vaderland, de verre geliefden, het dierbare beeld van een
onbekend, spoorloos verdwenen wezen, dat zijn hart nog altijd geheel
vervulde—dat waren de treurige gestalten, die zich op den somberen
achtergrond van den nacht voor hem afteekenden.
Die diepe, onuitsprekelijke angst beklemde zijne borst; het was hem
eensklaps, alsof hij aan de smart niet langer weerstand kon bieden,
alsof hij onder deze bezwijken moest. Met al de innerlijke kracht
zijner ziel moest hij zich wapenen, om niet moedeloos neer te zinken
onder den last, die op zijn hart drukte. Zijn oog viel op Bernard, die,
door den matten glans van het vuur bestraald, nevens hem sluimerde.
Toen hij in dat trouwe, edele gelaat blikte, waarop fierheid en kracht
zich met welwillende zachtheid innig paarden, waaruit de liefde hem uit
broederlijke, hartelijke trekken vriendelijk toelachte, toen keerde
eene vertroostende kalmte in zijn geschokten boezem terug, en hij
dacht: „Neen, hij mag zich nog niet ongelukkig noemen, die aan de zijde
van zulk een vriend insluimert!”
En rustiger vlijde ook hij thans het hoofd aan de borst van den vriend
neder, hulde zich in den mantel en sliep in.