HOOFDSTUK II.

Bij het aanbreken van den dag was het gansche leger der Franschen reeds

weder op marsch.

Rasinski had bevel bekomen, zich bij de voorhoede onder den koning

van Napels aan te sluiten. Op een zijweg, dien Isaäk aanwees, won hij

zooveel grond, dat hij de lange colonne infanterie, die de maarschalk

Davoust aanvoerde, voorbijtrekken en zonder verdere hindernissen het

punt zijner bescherming bereiken kon. Hier vond men den prins Murat

reeds door verschillende stafofficieren omgeven, en bezig het voor hem

uitgestrekt liggende terrein met rassche blikken te monsteren. Rasinski

reed op hem toe, ten einde zich te melden en den koning te berichten,

dat hij aan Isaäk verschuldigd was, mede te deelen, zonder echter zijne

vrees te bewimpelen, dat de spion zich van een dubbel masker bediend

had en den vijand wellicht meer tot nut was geweest dan het leger van

den keizer.

„Wanneer slechts dat waarheid is,” antwoordde de prins, „wat de Jood u

heeft opgegeven, dan kan een onverwijld handelen nog alles redden. Wij

moeten het korps van den generaal Newerowskoi afsnijden, vernietigen

en Smolensko op die wijze vroeger bereiken dan hij. Het hoofdleger

des vijands kan de vesting uit zijne standkwartieren onmogelijk zoo

snel naderen, dat wij hem nog niet zouden kunnen voorkomen. Dit is

het oogenblik, waarin wij den veldtocht van het geheele jaar kunnen

beslissen. Snelheid is thans onze eerste plicht; laat ons dien

vervullen.”

Deze woorden waren ook het teeken tot oprukken.

De hoofdarmee zette haren marsch langs den Dnieper voort, zoo echter,

dat tusschen den stroom en de groote heirbaan nog eene aanmerkelijke

ruimte bleef. Rasinski marcheerde met zijn regiment het naast aan den

vloed; hij zond eene patrouille vooruit, welke Jaromir, een andere op

de rechterflank, die een jonger officier aanvoerde; ter linkerzijde

verleende de stroom genoegzame zekerheid.

„Een verdrietig werk,” wendde Rasinski zich tot Lodewijk, „zoo altijd

den vluchtenden vijand na te trekken, zonder hem ooit te kunnen

bereiken. Hier moeten zeer onlangs kozakken geweest zijn; zie slechts,

de sporen zijn nog versch en duiden onbeslagen paarden met kleine

hoeven aan. Aan hen hebben wij het vermoedelijk te danken, dat alle

bruggen en vlonders zijn afgebroken, zoodat wij gestadig door het water

kunnen rijden. Maar wat gebeurt daar! Jaromir zendt bericht.”

Men zag een lansier naderen; Rasinski galoppeerde op hem toe, om het

naricht des te spoediger te ontvangen. Jaromir liet weten, dat hij zoo

even, bij het beklimmen eener hoogte, twee kozakken ontdekt had, die

dadelijk in een vooruit gelegen boschje verdwenen waren en vermoedelijk

tot een sterken troep behoorden.

„Hadden wij hen eindelijk!” riep Rasinski met van vreugde fonkelende

oogen en beval in draf voort te rukken. Het regiment stoof den heuvel

op, van wiens kruin men een uitgestrekt, vlak terrein voor zich zag,

dat slechts door het gemelde boschje, dat nauwelijks een paar honderd

schreden diep en ook niet veel breeder scheen, doorsneden werd. De

patrouilles werden ingetrokken en men rukte in gesloten gelederen met

allen spoed voorwaarts. Het hout genaderd, deelde Rasinski het regiment

af en liet een escadron rechts, een ander links omrijden, terwijl hij

zelf met de overigen den rechten weg, midden door het bosch, vervolgde,

en iets langzamer reed, opdat men te zelfder tijd de ruimte weder

bereiken mocht. Nog dampende paardenmest, die men op den weg ontdekte,

alsook de vele sporen van hoeven zonder ijzers bewezen met zekerheid,

dat eerst eenige minuten te voren een sterke troep kozakken door het

bosch moest gekomen zijn. Thans opende het zich en had men het vrije

veld voor oogen.

„Waarachtig, daar zijn zij!” riep Rasinski en duidde met den vinger

op een korenveld, boven hetwelk men vele lansspitsen en pieken zag

uitblinken; „nu zullen zij ons niet weder ontsnappen. Blaast ten

aanval!”

De trompetten klonken. Met bliksemsnelheid braken de strijdmassa's uit

het bosch te voorschijn. Rasinski beval in front op te marcheeren en de

diepe colonne vormde zich tot eene breede linie. De beide escadrons,

die het hout waren omgereden, werden thans ook aan den zoom daarvan

weder zichtbaar en sloten zich in gestrekten galop bij het hoofdkorps

aan.

Het gedruisch, door eene op deze wijze aanrukkende ruiterij te weeg

gebracht, moest de kozakken, die vreedzaam voortreden en den vijand

niet zoo nabij waanden, dadelijk opmerkzaam maken. Een gevecht scheen

met hunne bedoeling niet te strooken; zij zetten hunne paarden aan en

renden met lossen teugel voort, tot zij in de door struiken en heuvels

begrensde verte verdwenen.

Toen het stof, door de vluchtelingen veroorzaakt, gevallen was, werd

men eene kleine stad gewaar, die geen uur meer verwijderd scheen. „Dat

zal Krasnoi zijn,” sprak Rasinski. „Waar is de Jood Isaäk? Hij moet het

weten.” Isaäk had tot hier toe, met geknevelde handen op een pakpaard

gezeten, het regiment met den trein en wagenknechten moeten volgen.

Hier zocht men hem ook thans, doch te vergeefs; in het gewoel van den

aanval was het hem gelukt te ontkomen.

„Dus hebben de kozakken ons toch nog schade toegebracht,” riep

Rasinski; „dien Jood had ik met hart en ziel de galg gegund.”

Intusschen was toch een gedeelte der infanterie en eenige lichte

ruiterij met het korps van den generaal Newerowskoi slaags geraakt,

die na dappere tegenweer terug geworpen werd.—Tegen het ondergaan der

zon sloeg Rasinski's regiment het nachtleger op. Juist had men zich om

het helder vlammend vuur in een kring geschaard, toen de donder der

kanonnen zich eensklaps liet hooren.

Alles geraakte in beweging, doch spoedig vernam men, dat het

vreugdeschoten, ter eere van het zegenrijk gevecht met de Russen en van

den geboortedag des keizers waren.

„Waarlijk!” riep Rasinski uit, „bijna zou ik vergeten hebben, dat wij

heden den 15 Augustus schrijven. Dit salvo is iets waard, want het

wordt met russisch, heden buit gemaakt kruit gelost. Laat ons dan ook

den dag niet vergeten, mijne vrienden, maar in een vroolijken kring op

het welzijn des keizers drinken.”

Deze uitnoodiging werd met blijdschap aangenomen. Het vuur vlamde

spoedig helder op; daar omheen legerden zich de officieren van het

regiment en de beide vrienden, die steeds door Rasinski als tot zijn

staf behoorende beschouwd werden.

„Onze drinkschalen zijn wel niet van de glansrijkste,” sprak Rasinski,

toen ieder het glas, den beker, of wat anders bij de hand was, gevuld

had, „de tafel is wel niet te rijk bezet, maar de gasten zijn,

vertrouw ik, zoo edel, als zij ooit in eene pronkzaal bijeen zaten. Zoo

heet ik u dan welkom, mijne kameraden!”

Eensklaps werden zijne trekken ernstig; met waardigheid trad hij voor

den kring der gelegerde broeders, steunde met den linkerarm op de sabel

en hield met den rechter den gevulden beker omhoog.

„Vrienden!” begon hij op plechtigen toon, „na lange jaren betreden wij

heden, door den grooten keizer der Franschen aangevoerd, het gebied van

oud-Rusland voor het eerst weder met de wapens in de vuist! Wij staan

op den bodem, waar onze vaderen eertijds zoo menigen roemrijken kamp

met den gehaten nabuur gestreden hebben. Herinnert u, broeders, hoe er

een tijd was, dat Polens vanen in Moskou van het Kremlin waaiden, dat

onze waiwoden den Russen hunnen czaar gaven. De czaar Boris Godunow,

die de oude stad Smolensko, welke daar achter gindsche heuvels door het

duister van den nacht bedekt wordt, grondvestte en de muren met hunne

torens bouwde, die wij morgen wellicht in stormloop beklimmen—die

czaar Boris Godunow verloor den troon door de dapperheid onzer

voorvaders. Dat waren Polens glansrijke dagen! Maar zij keeren weder!

Als een feniks uit de asch zal de witte arend zich uit het rookend puin

verheffen, waaronder ons vaderland bedolven ligt, sinds verraad en

overmacht de brandfakkels in onze steden en velden slingerden. In de

diepte smeulde de vonk voort; in de borst van elken Pool blaakt nog de

machtige vlam van den ouden heldenmoed, van de oude vaderlandsliefde.

De dag der vergelding, der verzoening, der gerechtigheid is daar!—De

wereldgeschiedenis heeft den grooten man aan het licht gebracht, die

dezen dag doet aanbreken. Zijne banieren volgende, stormen wij ter zege

over onze vijanden! Op dan, ledigt op hem dezen beker. Leve de keizer,

leve Polen, leve de vrijheid!”

Gelijk een stormwind de losgebarsten vlammen opjaagt, drongen de

vurige woorden van Rasinski in het hart zijner van vaderlandsliefde

en heldenmoed gloeiende strijdgenooten. Tot marmerbeelden versteend,

hadden zij elk woord van zijne lippen opgevangen; slechts het vurige

oog verried het leven in hunne borst. Thans sprongen zij op. Onder

tranen en gejuich herhaalden zij den kreet: „Leve de keizer, Polen, de

vrijheid!” Met duizendvoudige echo's klonk de juichtoon verder, want

de kring had zich door de van alle zijden toedringende krijgers tot in

het onafzienbare uitgestrekt. Toen Rasinski zijn beker geledigd had,

slingerde hij dien hoog in de lucht, breidde de armen uit en sloot

den naasten makker onstuimig aan de borst. De vrienden omringden hem,

wierpen zich aan zijne voeten, grepen zijne handen, bedekten ze met

kussen en tranen. Eene bijna waanzinnige geestvervoering had zich van

allen bemachtigd; luid weenend hielden jongelingen en mannen elkander

omstrengeld. Diepe smart en namelooze verrukking welden tegelijk met

machtige golven in de ziel op en dreigden de geschokte gemoederen

geheel te overstelpen. De ouden van dagen gevoelden zich verjongd en

over den grijzen knevelbaard van Petrowski rolden even heldere tranen,

als over Jaromirs bloeiende wangen.

Lang duurde het eer de hevig opbruisende vloed weder in de kalmere

bedding terugkeerde. Een milde, zachte ernst vervulde hierop de

gemoederen. Vertrouwelijk bleef men om de vlam gelegerd en gaf zich

aan het zoet gevoel van hartelijke, broederlijke gemeenschap over.

Al langzamerhand nam de gloed der legervuren af; de vermoeide natuur

gevoelde na de verdubbelde inspanning eene verdubbelde afmatting. De

zachte slaap deed de krijgers den een na den ander nederzijgen. Jaromir

legde het blonde hoofd op Bernards schouder, die dien last gewillig

droeg en eindelijk, zelfs door den sluimer overmand, met hem op het

gras terugzonk. Lodewijk bleef nog lang wakende. Alles zweeg om hem

heen; de verteerde denneblokken braken doormidden; de vlam verdoofde;

de nachtelijke hemel welfde zich donker over het leger; door den in

breede dwarlende zuilen langzaam opstijgenden rook schemerden matte

sterren. Een ernstig, somber beeld!

En donker werd het in de ziel van den jongeling. Het hopeloos

treurend vaderland, de verre geliefden, het dierbare beeld van een

onbekend, spoorloos verdwenen wezen, dat zijn hart nog altijd geheel

vervulde—dat waren de treurige gestalten, die zich op den somberen

achtergrond van den nacht voor hem afteekenden.

Die diepe, onuitsprekelijke angst beklemde zijne borst; het was hem

eensklaps, alsof hij aan de smart niet langer weerstand kon bieden,

alsof hij onder deze bezwijken moest. Met al de innerlijke kracht

zijner ziel moest hij zich wapenen, om niet moedeloos neer te zinken

onder den last, die op zijn hart drukte. Zijn oog viel op Bernard, die,

door den matten glans van het vuur bestraald, nevens hem sluimerde.

Toen hij in dat trouwe, edele gelaat blikte, waarop fierheid en kracht

zich met welwillende zachtheid innig paarden, waaruit de liefde hem uit

broederlijke, hartelijke trekken vriendelijk toelachte, toen keerde

eene vertroostende kalmte in zijn geschokten boezem terug, en hij

dacht: „Neen, hij mag zich nog niet ongelukkig noemen, die aan de zijde

van zulk een vriend insluimert!”

En rustiger vlijde ook hij thans het hoofd aan de borst van den vriend

neder, hulde zich in den mantel en sliep in.

1812: Historische roman · 第 62 / 154 题