HOOFDSTUK I.

„Bij den satan, wat is 't nu weer?” Met deze woorden stoof Bernard, die

in zijn mantel gewikkeld, aan het bivaksvuur lag, verdrietig op, toen

eene mannelijke hand hem uit den slaap schudde, waarin hij eerst voor

eenige minuten verzonken was. „Ach, zijt gij 't Lodewijk?” voegde hij

er dadelijk zachter bij, toen hij den vriend herkende. „Al terug?....

Nu, welke avonturen hebt gij in Witepsk gehad?”

„Van verschillenden aard,” antwoordde Lodewijk; „maar gij zijt toch

niet boos, dat ik u zoo laat nog stoor?”

„Zoo moe ben ik niet, of ik kan nog wel een uurtje met u keuvelen.

Vertel op dan.”

„Raad eerst wie ik in Witepsk gezien heb.”

„Wie, den grooten mogol, of den paus, of den koning van Engeland?”

„Neen, in ernst, Bernard!”

„Dat zeg ik u; hoe zal ik van de tienduizend mogelijkheden de

werkelijkheid treffen, wanneer mijn raden niet eene scherts zal zijn.

Dus wien zaagt gij?”

„Ik ging een klein huisje in eene dwarsstraat voorbij, toen ik eene

vrouwenstem hoorde zingen. Verwonderd keerde ik mij om en zag in een

half met bloemen bezet venster de jonge zangeres uit Warschau.”

„Françoise Alisette?” riep Bernard, met de uiterste verbazing.

„Dezelfde.”

„Zijt gij er wel zeker van? Hebt gij haar gesproken?”

„Dat niet, want zij sprong verschrikt terug, toen zij mij ontdekte.

Echter ben ik zeker van wat ik gezien heb.”

„Hm!” mompelde Bernard en beet zich in den knevel, „zou alles zoo naar

mijn vermoeden uitkomen? Hoor, Lodewijk, ik zou durven wedden, dat de

overste Regnard ook met zijn regiment in de stad ligt.”

„Gij vergist u; ik heb hem er wel ontmoet, doch weet, dat zijn regiment

in Ostrowno staat.”

„Pah!” riep Bernard, „dat zijn vijf kleine uren en dood op zijn gemak

rijdt men ze in twee. Maar, weet gij wat het zal best zijn, dat wij er

Jaromir niets van zeggen, zoo hij het niet al weet.”

„Dat denk ik niet; maar waarom?” vroeg Lodewijk verwonderd.

„Uit menigerlei gronden. Vooreerst geloof ik, dat Regnard jaloersch op

hem is, en dat kon aanleiding tot eene onaangename ontmoeting geven;

vervolgens vermoed ik half en half, dat de overste niet zoo geheel

en al ongelijk heeft, ten minste voor zoover de schoone Alisette het

verantwoorden moet. Te Warschau reeds keek zij Jaromir met blikken aan,

die voor een jong, onervaren mensch als hij, licht gevaarlijk konden

worden; dus is zwijgen hier zeker goed.”

„Naar gij wilt,” antwoordde Lodewijk.

Eensklaps brak een pistoolschot in de nabijheid het gesprek der

vrienden af. De in het rond gelegerde lieden sprongen, want men

bevond zich op de uiterste voorposten, haastig op en grepen naar de

wapens, den wenk verwachtende, om zich tot het gevecht te regelen. Men

luisterde of zich een nieuw geraas vernemen liet, doch alles bleef

stil; slechts in de verte, aan de zijde der postenketen, hoorde men

eenige stemmen driftig spreken. Boleslaw, die de veldwacht had, zond

den wachtmeester Petrowski met eene patrouille af, om bericht wegens

het voorgevallene in te winnen. Deze keerde na eenige minuten terug

en voerde een jongen man en eene jeugdige vrouw, naar hare kleeding

eene Russin, als gevangenen mede. Het meisje klemde zich angstig aan

haren geleider vast en zocht de blikken der nieuwsgierig toedringende

soldaten beschaamd te ontwijken.

„Waarachtig, een aardig kind!” riep Bernard zijnen vriend toe, toen

zij nader gebracht werden en de weerschijn van het vuur de groep

verlichtte; maar nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of de jonge

man stond stil en sprak hem aan: „O, mijnheer, gij zijt een Duitscher,

help gij een landsman die in groote verlegenheid is, daar hij alleen

duitsch en russisch spreekt, dat deze Polen niet verstaan of niet

willen verstaan.”

„Gaarne,” hernam Bernard, „ik zal u verzellen.”

Inmiddels was ook Boleslaw nader getreden en vroeg den wachtmeester,

wie die lieden waren en wat zij wilden.

„Zij zijn,” sprak Petrowski, „zoo even met eene slede aangehouden. Toen

wij hen aanriepen, gaven zij geen antwoord, maar wilden ras omwenden;

eerst toen de schildwacht het pistool afschoot, hielden zij stil. Het

zijn denkelijk spions.”

Bernard mengde zich in het gesprek en vroeg Boleslaw verlof, om de

lieden in het Duitsch te ondervragen. „Vanwaar komt gij?” sprak hij hen

aan; „hoe is uw naam? wat het doel uwer reis?”

„O, mijnheer,” antwoordde de gevangene, „geen ander, dan in vrede

naar Duitschland te trekken, vanwaar ik geboortig ben. Ik heet Paul,

en dit is mijne jonge vrouw, Axinia, eene Russin. Tot hiertoe was ik

als tuinier in dienst van den graaf Dolgorow; daar de oorlog alles in

verwarring brengt, heeft hij mij laten gaan, om naar mijn vaderland

terug te keeren.”

„Hebt gij papieren, goede vriend, die uw voorgeven bevestigen?” vroeg

Bernard verder.

„O, in de beste orde, mijnheer!” antwoordde Paul en kreeg eene

brieventasch, waaruit hij zijn doopcedel, zijne dienstgetuigenis en een

in Smolensko uitgereikten pas aan Bernard overgaf.

[Illustratie: „Wat gebeurt hier?” vroeg eensklaps eene stem.]

„Deze papieren mogen volkomen in orde zijn, mijn vriend,” hervatte

deze; „maar russische passen, begrijpt gij licht, geven u geen toegang

in het fransche leger. Schoon het mij van harte leed doet, zal men u

toch moeten afwijzen.”

„O, mijn hemel, dan ben ik verloren!” riep Paul uit, „want slechts

door een wonder is het mij tot hiertoe gelukt, met mijne kleine

bezitting aan de zwermen van rondstroopende kozakken te ontsnappen. Ik

bid u, beste heer, wanneer gij eenigszins kunt, help ons door, want

waarachtig, wij zijn eerlijke lieden en begeeren niets, dan ongestoord

verder te kunnen reizen.”

„Waarom hebt gij niet de rechte lijn naar Witepsk genomen? En waarom

kiest gij den nacht tot de reis? Dat verwekt kwaad vermoeden.”

„Enkel om de kozakken te vermijden, en bovendien zeide men ons, dat

wij hier den linkervleugel der armee konden voorbijkomen en dan zonder

verdere hindernis over Boiszikowo de rechte straat naar Wilna bereiken.”

„Ja nu, stroopers zult gij daar ook nog in menigte aantreffen,” merkte

Bernard op en dacht na, hoe hij de lieden het best konde voorthelpen.

„Zij schijnen mij eerlijk en onverdacht toe,” sprak hij tot Boleslaw;

„maar al liet gij hen ook door, zoo zou het hun nog niet veel baten,

daar men hen, waar zij komen, opnieuw zal aanhouden. Vooral is deze

jonge vrouw eene waar, voor welke ik de verzekering niet gaarne op mij

zou nemen op de verwoeste wegen van hier naar Wilna, waar nog altijd

naloopers omzwerven en joden en boeren rooven, wat die overlaten.”

„Wat gebeurt hier?” vroeg eensklaps eene stem. Het was Rasinski,

die met omgeworpen mantel, eene veldmuts diep in de oogen gedrukt,

onverhoeds onder de sprekenden trad. Bernard berichtte hem het voorval.

„Bij wien stondt gij in dienst?” richtte de overste zijne vraag aan

Paul.

„Bij graaf Dolgorow,” antwoordde deze.

„Uwe papieren?”

Paul vertoonde ze.

Rasinski doorliep ze met snellen blik. „Zij zijn richtig; dat is de

handteekening van den graaf. Ik zal u tot uwe verdere reis behulpzaam

zijn. Dezen nacht moet gij in het leger doorbrengen; morgen gaat een

transport zieken naar Wilna terug, daar kunt gij u bijvoegen. Ik zal u

de gevorderde passen bezorgen.”

Paul dankte met blijde woorden en nog vroolijker blikken; op Axinia's

bezorgde gelaatstrekken keerde de gerustheid terug. Thans eerst scheen

Rasinski haar gewaar te worden. Vriendelijk trad hij op haar toe en

vroeg haar in hare moedertaal: „En ook gij wilt naar Duitschland

trekken en zijt toch eene dochter uit Ruriks rijk, gelijk ik uit uwe

kleeding opmaak?”

Axinia bloosde en sloeg de oogen voor zich neder. „Het was de wil der

jonge gravin Feodorowna,” stamelde zij.

„En waarom zond de jonge gravin u naar Duitschland?” vervolgde hij na

eenig nadenken.

„Wij zouden, meende zij, daar gelukkiger zijn.”

„Thans? Dat is de vraag; dat land is ook niet bovenmate rijk in

geluk.—Is de gravin Feodorowna de dochter van graaf Dolgorow?”

„Zoo is het, genadige heer!” hervatte Axinia, terwijl zij ter

bevestiging en met de uitdrukking van deemoed het hoofd boog. „In mijne

kindsheid werd ik als gespele der gravin met haar opgevoed; ik ben haar

alles verschuldigd.” Hier scheen zij zoo ontroerd, dat zij niet in

staat was verder te spreken.

„Wanneer gij zoo aan haar gehecht zijt, waarom verliet gij haar dan of

zond zij u weg?”

Axinia bloosde en zweeg.

„Ik versta u,” vervolgde Rasinski met een weemoedigen glimlach; „wel

nu, het is de plicht der vrouw den man te volgen. Gij hebt welgedaan.

Wijst dezen lieden eene plaats op zijde van den heuvel aan, waar zij

veilig kunnen overnachten,” sprak hij, het gesprek afbrekend, en wenkte

met de hand.

„Nu vrienden,” begon hij, toen de nieuwe gasten zich verwijderd hadden,

„morgen zetten wij onzen marsch voort; dat had ik u nog niet gezegd.

Ik verwacht Jaromir elk oogenblik met orders uit Witepsk terug; bij

zijne terugkomst zal ik u kunnen zeggen, werwaarts wij onzen weg nemen

moeten. Dat wij bij het gros der armee blijven, geloof ik niet. Het

wordt eindelijk tijd, dat wij aan het handelen komen.”

„Waarlijk,” riep Bernard, „wanneer de Rus slechts stand wil houden.

Tot hiertoe hebben wij met een schaduwbeeld gevochten. Wanneer wij

den vijand dicht voor oogen hadden en hem eindelijk als Achilles aan

Hector, konden toeroepen: Sta en kamp!.... dan verdween de verschijning

weder in den donkeren nacht. Ik beken, dat deze wijze van oorlogvoeren

mij tusschenbeiden eene bijna angstige huivering verwekt heeft. De

grootste veldheer moet toch een tegenstander hebben, om hem te kunnen

overwinnen.”

„Dit is nu eenmaal de vorm van den verdedigingskrijg, wanneer het

terrein den aanvaller door zijne uitgestrektheid ongunstig is; reeds

de eerste scythische bewoners dezer gewesten voerden op die wijze den

oorlog tegen de perzische koningen,” antwoordde Rasinski. „Ik was van

den beginne daarop voorbereid, want ik ken de Russen en hun land.

Maar dat juist is mijn troost. Hier is de plaats nog niet, waar dit

rijk het hart slaat; half vochten wij nog op eigen grond en bodem,

op oud-poolschen; ook Littauwen behoorde eertijds aan den stam van

Jagello. Deze bodem is den Rus geen heiligdom. Thans eerst raken wij

zijne grenzen: hier begint zijn vaderland, zijne kerk. Geeft acht, hier

zullen Ruriks zonen hunne haardsteden en altaren verdedigen; naar mate

wij verder op den zetel des heiligen Iwans, de eerwaardige stad Moskou,

aanrukken, zal ook het volk zich met meer geestdrift tegen ons wapenen.

Niet alle bewoners van het russische gebied hebben één vaderland. De

grensprovinciën zijn bij voorhoven en buitenzalen te vergelijken, waar

het heir der zonder vaste bezitting omdolende slaven gelegerd is. Deze

geeft men licht prijs, doch in het binnenste des huizes wonen de zonen

en zij zullen altaren en heiligdommen met bloed en leven verdedigen.

Dan zal het aan veldslagen en ik hoop ook aan overwinningen niet

ontbreken.”

Men hoorde een ruiter in galop naderen. Het was Jaromir. Vlug uit den

zadel springend, reikte hij Rasinski zijne orders over, die deze bij

den schijn der vlammen doorliep terwijl de jongeling zijne vrienden

begroette.

„Morgen tegen vier uur breken wij op. Goeden nacht dan; gebruikt den

tijd die ons blijft tot rusten, want de dag van morgen vordert wellicht

uwe krachten.” Met deze woorden keerde Rasinski naar zijne tent terug,

en de overigen legerden zich weder om het wachtvuur, waar zij spoedig

in vasten slaap verzonken.

Toen de dag aanbrak, bevond Rasinski zich met zijn regiment reeds op

marsch. Hij trok op eene uitgestrekte hoogte voort, langs den zoom van

een dennenwoud, dat aan zijne rechterzijde tot diep in de landstreek

voorttrok, terwijl links eene heuvelachtige, met kreupelhout en laag

struikgewas doorsneden wildernis het uitzicht begrensde. Boleslaw,

Jaromir, Lodewijk en Bernard reden aan zijne zijde. „De keizer heeft

een stout ontwerp beraamd,” dus brak hij het eerst de stilte af;

„gelijk gij ziet, nemen wij eene richting, die ons van den vijand, die

ver links bij Rudnia en Inkowo zijn hoofdkwartier heeft opgeslagen,

verwijdert. Wij zullen over den Dnieper gaan, dan, op de linkerflank

door den stroom gedekt, tot Smolensko voortdringen, de russische armee

omtrekken, ons midden tusschen haar en Moskou inwerpen. Waarlijk eene

kolossale onderneming, die, wanneer zij gelukt, den ganschen veldtocht

op eenmaal beslissen moet. Wat de maarschalk Davoust door den misslag

van den koning van Westfalen tegen Bagration te vergeefs beproefde,

zal thans hoop ik, tegen Barclay en Bagration tegelijk gelukken. Onze

taak daarbij is, de zwermen lichte cavalerie, die zich nog op onze

rechterflank bevinden konden, te verjagen en op zulk een afstand te

houden, dat zij de bewegingen onzer hoofdarmee niet te vroeg bespeuren.”

De zon was thans opgegaan en wierp hare stralen op het uitgestrekte

landschap, dat men van de hoogte kon overzien. „Ziet gij die massa's te

voorschijn komen?” sprak Rasinski met den vinger links wijzende. „Hier,

aan deze zijde van den zwarten stroom, is alles nabij en duidelijk;

maar op gindschen oever ontdekt men enkel aan de stofwolken, dat

cavalerie oprukt, en achter genen heuvel, die te ver verwijderd is, om

de troepen zelve te onderscheiden, ziet men toch de wapens blinken.

Dezer dagen kan veel beslist worden!”

Lodewijk overzag de vlakte, waarover de zwarte stroomen der volkeren

voortgolfden met een zonderling gevoel.

„Wat hier voorbereid en beslist wordt,” vroeg hij zich zelf ernstig

af, „zal het der wereld tot heil of ten verderve strekken? Wanneer de

geweldige geest, die deze duizendtallen in beweging zet, hier eens,

als weleer Alexander in Indië, den eindpaal zijner daden vond? Wanneer

de kolossale, ruwe macht van Rusland haar overwicht in Europa geldend

maakte?—Of als, omgekeerd, de stroom der overwinning voortbruiste

tot in het hart van het oude Rusland en Frankrijks vanen ook op den

zetel der czaren neergeplant, van de trotsche tinnen van het Kremlin

wapperden?—Ware het dan niet gedaan met Duitschlands zelfstandigheid?

Moest dan niet alles voor den franschen overmoed bukken? Zou de naam

„vaderland” dan niet een ijdele klank, een ledig niets voor ons worden?”

Uit deze mijmeringen deed Bernard hem oprijzen, die, als schilder,

alle uitwendige verschijningen uit het oogpunt eener schilderij

opvatte. „Wat kunnen toch ook doode landschappen niet eene eigenaardige

schoonheid hebben,” sprak hij zijn vriend aan; „zie slechts hoe fijn

deze blauwachtig zwarte woudzoom zich met zijne zachte spitsen tegen

den hemel afteekent, deze treurige eenvormigheid heeft iets treffends,

gelijk ook de woestijn een eigenaardigen indruk maakt. En de breede

boschstreken, die daar beneden door het land kruisen, de naakte heuvels

daartusschen, waarop het roode heidekruid schemert, de vervelooze

hemel, de lange grauwe wolkstrepen,—bij tijd en wijle zou ik iets

dergelijks liever schilderen, dan zwitsersche landschappen.—Zoo lag

ik ook in Schotland bij stille, heldere herfstdagen gaarne op de barre

heiden van het Hoogland en liet de wolken over mij heentrekken.”

„Zoo lang de mensch met het huiveringwekkende en sombere vrij speelt

en het van zich af kan wijzen, wanneer hij wil,” antwoordde Lodewijk,

„zoo lang vindt hij er ook een bijzonder welbehagen in, de meer

heldere zijden des levens voorbij te zien; doch wanneer de strenge

noodzakelijkheid ons hare ernstige paden doet bewandelen, dan zien wij

het duister voorkomen van het lot met geheel andere oogen aan.—Maar

wat ik zeggen wilde,” dus brak hij eensklaps af, „ja, wat dunkt u?

Boleslaw schijnt zeer droefgeestig; sinds wij Warschau verlaten hebben,

wordt hij dagelijks somberder.”

„En dagelijks schooner,” hernam Bernard. „Zie eens, hoe edel die bleeke

trekken zijn, hoe trotsch dat voorhoofd, waarop de sombere schaduwen

der zwaarmoedigheid rondzweven! En het zwarte haar, de donkere gloed

van het oog, de fijne mond!—Hij is de Orestes bij den zorgeloozen

Pylades Jaromir, het romantische nachtstuk bij een zonsopgang, of

immers het herfsttafereel bij diens lentelandschap.”

Men was onder deze gesprekken aan een kruisweg gekomen; links daalde

de heuvelreeks naar de vlakte van Liozna af, rechts boog zij het woud

in, naar Babinowiczi en Orsza. Rasinski sloeg den laatsten weg in en

achtte het, daar hij het terrein vóór zich niet meer kon overzien,

noodzakelijk, eene voorspits en zijpatrouilles uit te zenden. Jaromir

ontving het bevel over de eerste, Boleslaw moest de laatste verdeelen,

Lodewijk en Bernard bleven in Rasinski's nabijheid, die zich van hen

als adjudanten bediende, om bevelen aan de verspreide troepen over te

brengen. Men marcheerde intusschen tot aan den avond, zonder op den

vijand te stooten. Des nachts bivouakeerde men deels in, deels buiten

een ellendig dorp, dat door de inwoners geheel was verlaten. Met de

morgenschemering rukte het regiment weder op en trok op Rasasna aan,

waar de armee den overtocht over den Dnieper bewerkstelligen wilde.

De keizer was reeds met de afdeeling van Davoust aangekomen; de bruggen

bij Rasasna, die haastig in goeden staat waren gebracht, wemelde

bereids van troepen, die in lange zwarte massa's overtrokken. Ook

Rasinski sloot zich daar achter aan en betrok zijne legerplaats aan

de overzijde van den stroom, boven Rasasna, waar ook de tent van den

keizer werd opgeslagen. Een littauwsche Jood, die zich aan Rasinski

tot spion had aangeboden, nam tegen eene goede belooning op zich, nog

eenige uren verder voorwaarts te gaan, ten einde uit te vorschen, of

de vijand van de aannadering der armee onderricht en misschien ook

voornemens was, krachtdadig wederstand te bieden.

Tegen drie uren in den morgen, toen het nog volkomen duister was,

keerde de spion terug. Bernard was juist ontwaakt en had het vuur

opgestookt, toen de zonderlinge gedaante van den Israëliet, die, daar

schuwe bedachtzaamheid hem reeds tot eene tweede natuur was geworden,

zonder het minste geruisch nadersloop, in den weerschijn der vlammen

zichtbaar werd. Een boosaardig toovenaar scheen hij den verschrikten

Bernard toe, toen hij zoo eensklaps uit den donkeren nacht in den

hellen lichtkring van het vuur trad. Een lang, zwart opperkleed, om

de middel door een lederen gordel vastgesnoerd, omhulde de gestalte;

de spitse, roode baard hing tot op de borst neder, het smalle, bleeke

gezicht stak loerend uit de wildernis der verwarde haarlokken te

voorschijn, en de scherpe, grijze oogen vlamden listig, maar tegelijk

boosaardig, uit hunne diepe holen. Een grijnzend lachje vertrok zijne

lippen, toen hij Bernard in zijn joodschen tongval aansprak:

„Jongeheer! zeg mij dan gezwind, waar de heer overste slaapt! Ik heb

hem toch noodwendig te spreken, hoort gij, jongeheer?”

„De vent ziet er uit, als de duivel in een vossenvel gekropen,”

mompelde Bernard. „Hebben zij u niet opgeknoopt, Isaäk?” vroeg hij den

Jood.

„Vader Abraham, wat de jongeheer voor vragen doet! Zou de oude Isaäk

zoo lang geleefd hebben, om niet te weten, hoe men ontsnapt aan een

hennipstrik? Maar breng mij gezwind bij den heer overste, het heeft

haast!”

„Kom, zone Abrahams, zet uwe zolen op de sporen mijner voetstappen,

zoo zult gij komen, waar gij hem vindt, wiens geld gij zoekt.

Voorwaarts!” Met deze spotachtige woorden ging Bernard voor en geleidde

den ouden sluwkop door de groepen der rondom de vuren gelegerde ruiters

naar de plaats, waar Rasinski, in zijn mantel gehuld, op een bos stroo

sliep. Bij de aannadering der schreden richtte deze zich dadelijk op en

zag scherp rond. „Zijt gij het, vriend Isaäk?” riep hij, de komenden

herkennende. „Nu? Brengt gij nieuws van belang?”

De Jood wenkte met geheimzinnige gebaren en trok hem ter zijde. Bernard

wilde zich verwijderen, doch Rasinski gebood hem te blijven. Inmiddels

sprak deze lang en heimelijk met den Jood en hoorde, naar het scheen,

met toenemende belangstelling diens berichten aan. De trekken van den

spion werden gestadig levendiger; het grijnzend boosaardige lachje

straalde van minuut tot minuut duidelijker door, naarmate Rasinski met

de narichten meer en meer tevreden scheen te zijn.

„Vervloekte Judas!” mompelde Bernard. „Ik zou die tronie niet

vertrouwen, al bezwoer de vent op ziel en zaligheid, mij regelrecht

naar het paradijs te brengen. Doch Rasinski kent dat volk!”

Isaäks bericht was ten einde; deemoedig stond hij voor den overste en

scheen met diepen eerbied diens verdere bevelen te willen afwachten.

Rasinski trok zijne beurs; het gelaat van den Jood glansde van vreugde,

de begeerte naar het metaal flonkerde in zijne oogen, en toen hij

eindelijk in de gierig uitgestrekte hand een aantal goudstukken voelde,

barstte hij in de uitbundigste dankbetuigingen los.

„God Abrahams!” riep hij, terwijl hij zich beijverde Rasinski's handen

te kussen; „bescherm mijn weldoener, die mij niet laat omkomen in den

tijd van ellende en gevaar. De honger zou verscheuren mijne ingewanden,

dat ik huilde als de wolf in den winter, als gij niet waart mijn

grootmoedige redder, edele heer!”

Rasinski wenkte met de hand en gebood hem te zwijgen. De Jood wilde

zich verwijderen en trok onder het gaan een kleinen lederen buidel

te voorschijn, om de goudstukken te bergen. Doch tegelijk trok hij

onvoorziens eene tweede, aanmerkelijk zwaardere beurs, waaraan de koord

der eerste moest zijn vastgehaakt, uit den gordel op en liet ze voor

zijne voeten neervallen. Isaäk schrikte kennelijk en wilde toegrijpen,

maar Bernard, die het gezicht van den Jood in den weerschijn der

vlammen bespied had, kreeg dadelijk argwaan en sprong eveneens toe, om

den buidel meester te worden. Daar het gras hoog en de grond niet door

het vuur verlicht was, tastten beiden eene poos tevergeefs in het rond,

tot eindelijk Bernard met zijn vond opsprong.

„Geef hier, mijn lieve jongeheer,” riep Isaäk haastig, „het is mijn

zuur verworven goed. Wat men thans niet bij zich draagt, is niet zeker!

Ik bid u, geef.”

De angstige toon, waarop hij deze woorden sprak, en zijne driftige

gebaren versterkten niet alleen Bernards achterdocht, maar maakten ook

Rasinski's opmerkzaamheid gaande.

„Hm! zwaar, zeer zwaar,” sprak Bernard opzettelijk overluid;

„vermoedelijk enkel goud?”

Rasinski trad nader.

„Ei, beware!” riep Isaäk, „een weinig zilver en koper, met een paar

oude dukaten daarbij.” Tevens strekte hij den arm driftig naar de beurs

uit en wilde haar grijpen. Bernard trok echter de hand terug, hield den

schat tegen het schijnsel der vlammen, en sprak nog luider: „Zilver?

koper? Wat ik bij het licht van 't vuur door de reten glinsteren zie,

schijnt mij zuiver goud te zijn.”

„Laat eens zien!” sprak thans Rasinski en kwam haastig nader. Lachend

gaf Bernard hem de beurs over; de Jood waagde niet iets in te brengen,

doch sprak sidderend en op een deemoedig smeekenden toon: „Grootmoedige

heer! Het is het weinige, dat ik heb gered uit den nood. Gij zult de

bezitting van een ouden hulpeloozen man niet rooven.”

„Rooven?” sprak Rasinski verachtelijk. „Ben ik een strooper? Maar,”

ging hij op dreigenden toon voort, „gij zult mij niet wijs maken, dat

dit geld reeds lang uw eigendom geweest is. Denkt gij, dat ik niet

beter weet, wat een Jood van uws gelijken in Littauwen besparen kan?

Ik zou gelooven, dat gij met dezen schat bij u van het eene leger in

het andere als spion zoudt rondsluipen? Tien voeten onder de aarde, in

het dichtste bosch zoudt gij uw geld nog niet veilig achten. En waarom

ontkent gij, dat het goud is. Waar is het zilver en koper onder deze

nieuwe dukaten? Beken, Jood, van waar hebt gij het goud?”

Isaäk rilde over al zijne leden; eindelijk stotterde hij met moeite:

„Wat kunt gij denken, genadige heer overste? Hoe zou de oude Isaäk

bezitten ander goud, dan wat hij in de zestig jaren van zijn leven

bespaard heeft? Waar zou hij het begraven? Welke grond is zijn, dat

hij kon weervinden den schat? En daar ik het verbergen wou, dat ik

ettelijke dukaten bespaard heb, zoo zeg mij toch, wanneer is het

raadzaam met zijn geld openlijk te loopen te pronk?”

„Ellendige uitvluchten!” riep Rasinski. „Hier neem uw geld terug, ik

verlang het niet. Dit echter zeg ik u, smelten laat ik het en gloeiend

zult gij het doorslikken, als uwe tong mij leugenachtig bedrogen heeft!

Deze dukaten schijnen mij het Judasloon voor gewichtiger narichten, dan

gij mij gebracht hebt. Hebt gij den vijand iets verraden, mislukt het

plan dat wij voorhebben, dan sidder, want gij zult weten, met wien gij

te doen hebt!”

De Jood wierd bleek als de dood; zijne knieën knikten; plotseling

wierp hij zich aan Rasinski's voeten neder en kermde op den toon der

vertwijfeling: „Genade, barmhartigheid!”

„Recht!” donderde Rasinski hem toe. „Onderzoekt hem dadelijk ten

strengste, of hij papieren of iets dergelijks bij zich draagt.”

Een onderofficier en twee soldaten maakten zich terstond van den

jammerende meester, sleepten hem naar het naaste vuur en bevalen hem

zich dadelijk tot op het hemd te ontkleeden.

Zulks was weldra geschied. Men doorzocht het opperkleed, de broek, den

lijfgordel, de kousen en schoenen, zonder iets te vinden; zelfs eene

snede door de schoenzolen bracht tot geene ontdekking. Isaäk stond

inmiddels in het bloote hemd en volgde met angstige blikken de beweging

der soldaten. Zijne trekken helderden nochtans op en werden rustiger,

toen het eene stuk zijner kleeding na het andere onverdacht bevonden

en ter zijde gelegd was. „Zoo waar God Jehova boven mij leeft,” riep

hij uit, „ik ben een onschuldig oud man. Geef mij, ik bid u, het mijne

terug, en mijne kleedingstukken, en laat mij in vrede heentrekken naar

mijne hut!”

„Daar, trek den rommel aan,” riep een onderofficier en wierp hem de

broek toe. Isaäk ving haar met beide handen op; maar in hetzelfde

oogenblik wierp een soldaat hem ook het opperkleed op dezelfde wijze

toe. Daar de Jood juist naar het eerste stuk gegrepen had, kwam het

tweede hem, eer hij het afweren konde, op het hoofd te land, zoodat hij

zich een oogenblik in de plooien verwarde. Dit gaf den moedwilligen

soldaten aanleiding hem te sarren, daar zij hem het wijde kleed al

verder over het hoofd neertrokken, tot hij geheel daarin verwikkeld

werd en als verbijsterd, maar toch met luid gekerm en driftigen

tegenstand heen en weer tuimelde.

Juist wilde Rasinski aan dit woeste spel een einde maken, toen de

Jood, door een soldaat met kracht voortgesleurd, struikelde en op den

grond viel, zoodat het kleed in de handen der krijgers bleef. Doch

tegelijk met het gewaad, was den gevallene ook de valsche haarpruik,

die tot nog toe door niemand was opgemerkt, ontrukt geworden, en zijn

kale schedel werd voor aller oog zichtbaar. Niets kwaads vermoedend,

lachten de soldaten over dit nieuwe onheil dat den Jood bejegende,

toen Bernards scherpziend oog een strookje papier ontdekte, dat de

Jood tusschen schedel en pruik verborgen gehad en zoo even verloren

moest hebben. Hij wilde het oprapen, maar Isaäk, zich zelf niets goeds

bewust, kwam hem voor, greep het aan en slingerde het, eer Bernard zijn

arm kon tegenhouden, in den gloed van het helder vlammend wachtvuur,

waar het oogenblikkelijk tot asch verbrandde. Deze omstandigheid

gaf aanleiding tot een nieuw onderzoek. De Jood lochende alles; hij

zwoer bij den God zijner vaderen, dat hem van een papier niets bewust

was, en dat hij niets in het vuur geworpen, maar slechts zijn witten

doek van den grond opgeraapt had. Rasinski liet hem dadelijk den

schedel nauwkeuriger onderzoeken, en men ontdekte, dat het haar eerst

onlangs was afgeschoren en Isaäk dus geen pruik had noodig gehad.

Met loosheid bracht hij tot zijne verdediging in: „God der genade!

wat ik gedaan heb, om u te kunnen dienen, dat zal thans worden bij

u mijn verderf? Toen ik mij aanbood, uit honger en nood, om voor u

te wagen het gevaarlijk werk, moest ik toen niet bedenken, hoe ik

u nuttig kon worden, zonder u te verraden? Wist ik, wat ik voor u

zou te doen hebben? Heb ik niet altijd gehoord, dat men brieven,

berichten en andere papieren voorzichtig moest overbrengen? Daarom

heb ik—en nu treft mij de straf!—geschonden de heilige wet, en een

scheermes gebracht aan mijn hoofd! Moet gij mij straffen, wijl ik

gezondigd heb, om u te dienen? Spreek, en neem tot getuige uw God, heer

overste, als gij mij hadt gezegd: Isaäk, hier is een brief, ga heen,

breng hem aan den vijandelijken generaal, doch laat hem niet vallen

in vreemde handen! zoudt gij dan hebben gevraagd wat de oude Isaäk

had aangevangen, om te doen naar uw woord? Hadden zij mij gesnapt en

gehangen, zoudt gij niet geroepen hebben: hem geschiedt naar recht;

waarom is hij niet voorzichtig en slim, als een kondschapper past?

Is het mijne schuld, dat gij mij niets anders dan eene mondelinge

boodschap gegeven hebt?”

Op dezen toon ging de Jood, door doodsangst gefolterd, met toenemende

welsprekendheid voort, en inderdaad, zijne gronden waren bezwaarlijk te

wederleggen. Echter gelukte het hem niet Rasinski van zijne onschuld

te overtuigen, die beval, hem zorgvuldig te binden en, wanneer men

oprukken mocht, op een pakpaard mede te voeren.

„Bespeur ik aan de bewegingen van den vijand,” riep hij den Jood toe,

toen deze werd weggeleid, „dat hij gewaarschuwd is, dan zijt gij rijp

voor de galg en zult haar niet ontgaan. Hebt gij niets verraden of

kunnen verraden, loopt dan waarheen gij wilt, tot anderen u hangen:

achter Liady zijt gij toch niet te gebruiken, daar de Rus uw, bloed

en merg der armen uitzuigend geslacht op zijn bodem niet duldt; het

eenige, wat ik in dat volk prijzen kan. Nu marsch! Bewaakt hem wel!”

De luid jammerende en weeklagende Jood werd onder den hoon en den spot

der moedwillige soldaten in hechtenis gebracht; zoo veracht toch is het

snoode, maar helaas onontbeerlijke handwerk van den spion, dat zelfs

zij, wie hij van nut is, hem liever mishandeld dan beloond zien.

1812: Historische roman · 第 61 / 154 题