Op den vroegen morgen van den derden dag werd de ontslapene ter aarde
besteld. Slechts Maria, de gravin, Lodoiska en vrouw Holder waren
tegenwoordig, toen men haar neerliet in den somberen grafkuil. Maria
toonde zich ernstig, bedaard; zij rechtvaardigde de vrees der gravin
niet, die haar dringend gesmeekt had, de treurige plechtigheid niet
bij te wonen. Hare even standvastige als zachte ziel wist zich aan het
gebeurde, aan het onvermijdelijke weldra met kalmte te onderwerpen;
alleen de twijfel, de zorg, de vrees voor het komende schokten haar zoo
hevig. Voor de dreigend opgeheven hand van het lot sidderde zij; was
de verpletterende slag echter gevallen, dan kampte zij met zedelijke
sterkte, met onwrikbaar christelijk geloof tegen het vernietigend
geweld.
Ofschoon den ganschen dag ernstig en somber, nam zij toch met stille
vriendelijkheid aandeel in het gesprek. Eerst toen de zon reeds in haar
roodachtigen gloed achter de blauwe bergen stond en de weemoed der
avondstilte zich over het landschap verbreidde, toen eerst werd ook
zij week en vergoot zij bittere tranen. Zij kon den aandrang, die haar
naar de moederlijke rustplaats dreef, niet langer weerstand bieden; de
troostende vriendinnen wilden haar verzellen, maar zij smeekte, dat men
haar alleen zoude laten gaan. „Gelooft niet, dat deze gang mij dieper
zal neerbuigen, neen, hij zal mijn hart opbeuren, mijne beklemde borst
door tranen verlichten. Mijne wonden moeten vrij uitbloeden; wellicht
zijn zij doodelijk; zij worden het echter zeker en sneller, wanneer gij
de pijn er van gewelddadig in mijn binnenste wilt terugpersen. O, ik
zal troost vinden op het graf mijner moeder!” Zij ging.
Het graf was met frissche zoden bedekt; nog had het geen ander
versiersel. Het kerkhof lag eenzaam, vredig, door hoog geboomte
overschaduwd. Maria zette zich op den kleinen terp neder en zag
peinzend voor zich neer, terwijl stille tranen langs hare wangen
neervloeiden. Eensklaps deed het naderen van een mannelijken tred haar
opzien; zij ontwaarde St. Luces, die recht op haar toetrad.
Onaangenaam, bijna hatelijk door zijne nabijheid gestoord, rees zij
op, beantwoordde zijn eerbiedigen groet met eene lichte, angstvallige
buiging en wilde het kerkhof verlaten. Hij volgde haar echter met
rassche schreden en sprak haar aan.
„Vergeef mij, wanneer ik uwen rouw gestoord heb;—het toeval voerde mij
herwaarts, ik had u niet vroeger herkend, anders zou ik mij eerbiedig
verwijderd hebben.”
St. Luces loog met tong en oog even behendig; even geveinsd toch
als deze woorden, waren ook zijne schijnbaar verlegen blikken en de
kunstig gehuichelde droefheid op zijn gelaat. Reeds sinds drie dragen
bespiedde hij namelijk op elke mogelijke wijze eene gelegenheid,
om Maria te spreken. Het bericht van den dood der moeder was hem
uiterst welkom; want deze begunstigde zijne misdadige plannen. Maria's
betooverende schoonheid had, zoodra hij haar de eerste maal zag,
zijn ontaarden, lagen hartstocht doen ontvlammen. Op de aan alle
ellendelingen zoo eigen kunstgreep steunende, om, door van den benarden
toestand van anderen gebruik te maken, hun het uiterste af te persen,
ontwierp hij dadelijk het helsche plan, om eerst den angst der zuster
door de voorstelling van het gevaar, dat den broeder bedreigde, ten top
te voeren, ten einde zich vervolgens door het beloven van redding—aan
het nakomen was hem weinig gelegen—van hare gunst te kunnen
verzekeren. Uit dien hoofde stond Beaucaire's hebzuchtige regelrecht
op het doel uitloopende list hem zoo hevig tegen de borst. Nog meer
verbitterd zou hij geweest zijn, wanneer hij vermoed had, dat deze zijn
medeminnaar was en met meer stoutheid, maar juist daarom ook met min
kunstig verfijnde boosheid hetzelfde doel nastreefde.
St. Luces wilde een heimelijken minnehandel aanknoopen; hij berekende,
dat het verteederde hart eener treurende het meest vatbaar is voor den
troost, die eene gehuichelde deelneming aanbiedt; met één woord: hij
wilde Maria doen vallen, maar niet zonder haar gelegenheid te geven, om
hare zwakheid door eene soort van heiligen schijn te verhullen, daar
hij aan hare gunst de redding des broeders dacht te verbinden.
Beaucaire had hetzelfde plan, doch ruwer; met het zwaard des beuls
boven het hoofd van den broeder wilde hij de radelooze zuster in zijne
armen drijven. Hem was het slechts om zinnelijk genot te doen, en aan
den afschuw, dien hij zijn offer inboezemde was hem hoegenaamd niets
gelegen.
St. Luces meer beschaafd en door vele dergelijke ontmoetingen zijns
levens, waarbij hem zijn zeer innemend voorkomen, want in zijne jeugd
was hij inderdaad een schoon man geweest, steeds grootelijks te stade
was gekomen, in eene hooge mate verfijnd en geslepen, berekende, dat
de waarde van eene zoodanige verbintenis door de wederkeerige neiging
van het vrouwelijke gemoed oneindig verhoogd werd. Hij wilde daarom
zijn masker eerst dan afwerpen, wanneer volkomen verzadiging en
bevrediging zijner driften hem het voorwerp, dat die thans zoo hevig
deed ontvlammen, ten eenenmale onverschillig deden zijn. Beaucaire
en St. Luces hielden deze plannen natuurlijk allerzorgvuldigst voor
elkander verborgen; en inderdaad, geen hunner vermoedde het opzet des
mededingers, deels dewijl zij een geheel verschillenden weg insloegen,
deels ook, wijl de een den ander niet voor sluw of boosaardig genoeg
hield, om zich den ingewikkelden toestand der zaken zoo dadelijk ten
nutte te maken. Beaucaire deed onvermoeide nasporingen, om het verblijf
van Lodewijk bij de armee, en den naam, dien hij thans voerde, met
zekerheid te weten te komen. Zich als de mierenleeuw in zijn duister
hol schuil houdende, loerde hij slechts op een brief van Maria aan
haren broeder, om dien met zijne uitgestrekte grijptangen naar zich toe
te sleepen. Dan wil hij der ongelukkige onder de oogen treden, haar
door het Medusahoofd zijner ontdekking versteenen en zoo de machtelooze
aan zijne driften opofferen. De dood der moeder was dus ook hem welkom
geweest, daar hij met grond vermoeden kon, dat Maria den broeder
dadelijk of ten minste binnen weinige dagen van dit voorval bericht zou
toezenden. Hij had derhalve geen geld ontzien, om den schurkachtigen
postbeambte opmerkzaam te maken. Ditmaal echter had hij het vruchteloos
verspild, wijl Maria's brief reeds lang door de gravin was verzonden,
die hem aan een naar Dresden vertrekkenden landsman had medegegeven,
om hem daar op de post te doen. Van het opzet van St. Luces, die hem
met vleierijen en vriendschapsbetuigingen overlaadde en daardoor te
meer in zijn ijdel, licht te misleiden zelfvertrouwen versterkte,
vermoedde Beaucaire niet het geringste en sloeg dus ook weinig acht op
de wandelingen, welke deze, òf onder eenig waarschijnlijk voorwendsel
òf geheel buiten zijn weten, dagelijks ondernam.
Het was thans de eerste maal, dat St. Luces Maria alleen vond. Op
zijne verontschuldiging, voegde zij hem eenige koele woorden toe
en wilde zich verwijderen; doch hij hield zich, alsof hij zulks
niet bemerkte, en dwong haar te blijven door haastig het gesprek te
hervatten. „Hoe arglistig weet het lot ons somwijlen te treffen! Wie
had kunnen vermoeden, dat gij, van het genoegelijk uitstapje vroolijk
terugkeerende, zóóveel ongeluk en jammer in uwe woning zoudt vinden! O
geloof mij, de slag die u trof, heeft geen hart ongeroerd gelaten; nog
keert de gedachte, het gesprek telkens weder daarop terug, en er is
zeker geen oog in deze, met vreemdelingen vervulde plaats, dat u niet
een stillen traan van medelijden heeft gewijd.”
Maria rilde; daar zij wist, welken invloed St. Luces op het lot haars
broeders had uitgeoefend, vervulde zijne nabijheid haar met eenige
huiverige angstvalligheid. Echter trachtte zij bedaard te blijven.
„Ik weet het,” sprak zij na eenige minuten, „dat de plotselinge dood
mijner moeder opzien heeft verwekt, te meer, daar deze met een voorval
in verband stond, dat velen verschrikt heeft. Doch juist dat opzien
moet mij smartelijk zijn, daar de treurende het liefst de ongestoorde
eenzaamheid opzoekt.”
St. Luces verstond de bedoeling der laatste woorden zeer goed; slechts
wilde hij ze niet verstaan en wist zijn innerlijken spijt volkomen te
beheerschen. „Voorzeker,” sprak hij; „echter is niet altijd dat, wat
de kranke begeert, hem heilzaam; eenige oogenblikken moest gij toch
afzonderen voor hen, die waarlijk uwe vrienden zijn.”
Hij zweeg; ook Maria deed zulks.
„Het is bijna donker geworden!—Het schijnt mij plicht, u te
herinneren, dat gij in dit uur nauwelijks alleen naar de stad kunt
terugkeeren,” begon St. Luces opnieuw.
„Gij hebt gelijk, ik had reeds moeten gaan,” sprak Maria beleefd,
groette en ging.
Nauwelijks had zij het hek van de begraafplaats bereikt, of zij hoorde
zijne schreden opnieuw achter zich.
„Ik ben in tweestrijd geweest,” sprak hij haastig, „of het mijn
plicht was, u ongevraagd de volle waarheid te zeggen, of ik gronden
heb, die dringend genoeg zijn om mijne tusschenkomst in de zaken van
geheel vreemde personen te rechtvaardigen. De beslissing luidt: ik
moet spreken. Weet dan, ik kwam niet bij toeval hier; ik zocht u op.
Ik weet, dat iemand, die u hoogst dierbaar is, in gevaar verkeert,
dat men op het punt is van zijne verblijfplaats te ontdekken, die
op dit oogenblik wellicht reeds ontdekt heeft. Gij kondt door
onvoorzichtigheid in de droevigste onaangenaamheden gewikkeld
worden—een gevoel,” hier sloeg hij het oog als verward ter aarde,
„dat slechts jongeren plegen te kennen, dat mij echter van het eerste
oogenblik, dat ik u zag, doordrong, waarvan ik geen meester ben....
dwong mij.... ik vrees tot eene schending van mijn plicht. Meer mag ik
niet doen.... wees op uwe hoede!”
Met deze woorden keerde hij zich om en wilde haastig voortsnellen.
Maria, die hem met angstige verbazing had aangehoord, riep hem na: „Om
Gods wil, verklaar u duidelijk. Ik smeek u dringend!”
St. Luces stond stil; hij scheen met zich zelf te kampen. Eindelijk
keerde hij terug. „Duidelijker? Is het niet genoeg, dat gij mij
verstaat? ik kom aan mijne plichten te kort .... en toch, als ik uwe
tranen zie, hoe kan ik weerstand bieden!” Hij trad nader op Maria toe
en greep hare hand, die zij hem noch toereikte, noch waagde terug te
trekken.
Op hetzelfde oogenblik ruischte het in de struiken dicht nevens hen en
Benno trad te voorschijn. Maria's bleek gelaat werd door een donkeren
schaamteblos overgoten, daar zij op deze eenzame plaats alleen en in
eene zoo vertrouwelijke houding met den vreemde verrast werd. Zij
vermoedde niet, dat Benno haar goede engel zijn zoude; want in de
verrassing ware het St. Luces wellicht gelukt, haar vertrouwen te
winnen en haar daardoor nog dieper in het verderf te storten.
Benno was zelf nog te jong en onschuldig, om uit dezen lichten schijn
eenigen krenkenden argwaan op te vatten. Zijne dichterlijke droomen
hadden hem naar de rustplaats gevoerd, waar zoo menig vroeg ontslapen
vriend den eeuwigen morgen verbeidde. Toen hij Maria gewaar werd,
van wier treurig verlies ook hij reeds onderricht was, trad hij met
diepe aandoening op haar toe en sprak haar aan. „O dat ik u hier moet
wedervinden na dien schoonen, onvergetelijken dag; wie had dat kunnen
denken!” Ook hij greep, zijne ontroering geen meester, hare hand en
drukte ze met warmte aan zijne lippen. Het was Maria, of haar een
sluier van de oogen en een zware last van het hart zonk, toen zij
Benno's natuurlijk medelijden met St. Luces' geveinsde deelneming, de
heilige, eenvoudige trekken der waarheid met het gekunstelde masker
der huichelachtige logen vergelijken kon. Het onderscheid tusschen
beiden was niet meer te miskennen. Een zachte handdruk was het eenige
antwoord, dat zij geven konde, het dankte den jongen vriend voor zijne
deelneming en zijne argeloosheid tevens. Een enkele blik toch op zijn
open gelaat had haar ten volle overtuigd, dat niet de geringste schijn
van achterdocht in zijne schuldelooze ziel was opgerezen.
„Het is laat.... ik moet gaan,” sprak zij na eenige oogenblikken en
wilde zich verwijderen.
„Het is zoo laat, dat ik u onmogelijk alleen kan laten gaan,” riep
St. Luces, en Benno voegde er met de zuiverste welwillendheid bij:
„Voorzeker, wij willen u geleiden.”
Maria voelde zich verruimd, toen deze liefderijke beschermengel haar
op zijde trad; op St. Luces trekken werd de vroeger reeds met moeite
verheelde spijt over des jongelings tusschenkomst zoo duidelijk
zichtbaar, dat het meisje gedurig meer recht meende te hebben, om aan
de zuiverheid zijner bedoelingen te twijfelen.
Bijna zonder te spreken, wandelde men naast elkander voort. Maria
haastte zich naar huis te komen. Toen men zich weder in de eerste
straat der voorstad bevond, haalde een onbekende hen van achteren
in, wierp een vluchtigen blik zijwaarts, groette en sprak onder het
voorbijgaan: „_Bonsoir Monsieur de_ St. Luces!” Deze zag verrast op;
het was Beaucaire.
Men had het hôtel bereikt, waar de gravin woonde; Maria nam met
een stommen, verlegen groet afscheid van hare geleiders. In huis
gekomen, verhaalde zij dadelijk, wat haar bejegend was. De gravin
koesterde denzelfden argwaan tegen St. Luces en vermeerderde dien nog
door verschillende, niet onbelangrijke opmerkingen, waaruit men het
voorbedachtelijke zijner handelwijze met zekerheid kon opmaken.
De klok der Slotkerk had juist tien geslagen en de vrouwen wilden zich,
naar het gebruik der badplaats, reeds ter rust begeven, toen met drift
aan de huisdeur werd gebeld. De bediende bracht een brief boven, dien
een onbekende had afgegeven. Het opschrift luidde aan Maria. Zij opende
en vond slechts een blad met de woorden:
„Wacht u voor den heer St. Luces!
Uw Vriend.”
Wie was de raadselachtige waarschuwer? Te vergeefs beijverden de
vrouwen zich het te raden; de eenige, op wien zij gissen konden, was
Benno. En toch, wat zou hij weten of vermoeden?
Vol nieuwe, bange zorgen legde Maria zich ter rust; maar de
beangstigende voorstellingen vervolgden haar ook in hare droomen,
en zij rees dikwijls verschrikt op uit de zware bedwelming van den
koortsachtigen slaap. Ach, was het dan niet genoeg, eene moeder te
beweenen, moest zij ook voor het leven des broeders sidderen!