HOOFDSTUK IX.

Op den vroegen morgen van den derden dag werd de ontslapene ter aarde

besteld. Slechts Maria, de gravin, Lodoiska en vrouw Holder waren

tegenwoordig, toen men haar neerliet in den somberen grafkuil. Maria

toonde zich ernstig, bedaard; zij rechtvaardigde de vrees der gravin

niet, die haar dringend gesmeekt had, de treurige plechtigheid niet

bij te wonen. Hare even standvastige als zachte ziel wist zich aan het

gebeurde, aan het onvermijdelijke weldra met kalmte te onderwerpen;

alleen de twijfel, de zorg, de vrees voor het komende schokten haar zoo

hevig. Voor de dreigend opgeheven hand van het lot sidderde zij; was

de verpletterende slag echter gevallen, dan kampte zij met zedelijke

sterkte, met onwrikbaar christelijk geloof tegen het vernietigend

geweld.

Ofschoon den ganschen dag ernstig en somber, nam zij toch met stille

vriendelijkheid aandeel in het gesprek. Eerst toen de zon reeds in haar

roodachtigen gloed achter de blauwe bergen stond en de weemoed der

avondstilte zich over het landschap verbreidde, toen eerst werd ook

zij week en vergoot zij bittere tranen. Zij kon den aandrang, die haar

naar de moederlijke rustplaats dreef, niet langer weerstand bieden; de

troostende vriendinnen wilden haar verzellen, maar zij smeekte, dat men

haar alleen zoude laten gaan. „Gelooft niet, dat deze gang mij dieper

zal neerbuigen, neen, hij zal mijn hart opbeuren, mijne beklemde borst

door tranen verlichten. Mijne wonden moeten vrij uitbloeden; wellicht

zijn zij doodelijk; zij worden het echter zeker en sneller, wanneer gij

de pijn er van gewelddadig in mijn binnenste wilt terugpersen. O, ik

zal troost vinden op het graf mijner moeder!” Zij ging.

Het graf was met frissche zoden bedekt; nog had het geen ander

versiersel. Het kerkhof lag eenzaam, vredig, door hoog geboomte

overschaduwd. Maria zette zich op den kleinen terp neder en zag

peinzend voor zich neer, terwijl stille tranen langs hare wangen

neervloeiden. Eensklaps deed het naderen van een mannelijken tred haar

opzien; zij ontwaarde St. Luces, die recht op haar toetrad.

Onaangenaam, bijna hatelijk door zijne nabijheid gestoord, rees zij

op, beantwoordde zijn eerbiedigen groet met eene lichte, angstvallige

buiging en wilde het kerkhof verlaten. Hij volgde haar echter met

rassche schreden en sprak haar aan.

„Vergeef mij, wanneer ik uwen rouw gestoord heb;—het toeval voerde mij

herwaarts, ik had u niet vroeger herkend, anders zou ik mij eerbiedig

verwijderd hebben.”

St. Luces loog met tong en oog even behendig; even geveinsd toch

als deze woorden, waren ook zijne schijnbaar verlegen blikken en de

kunstig gehuichelde droefheid op zijn gelaat. Reeds sinds drie dragen

bespiedde hij namelijk op elke mogelijke wijze eene gelegenheid,

om Maria te spreken. Het bericht van den dood der moeder was hem

uiterst welkom; want deze begunstigde zijne misdadige plannen. Maria's

betooverende schoonheid had, zoodra hij haar de eerste maal zag,

zijn ontaarden, lagen hartstocht doen ontvlammen. Op de aan alle

ellendelingen zoo eigen kunstgreep steunende, om, door van den benarden

toestand van anderen gebruik te maken, hun het uiterste af te persen,

ontwierp hij dadelijk het helsche plan, om eerst den angst der zuster

door de voorstelling van het gevaar, dat den broeder bedreigde, ten top

te voeren, ten einde zich vervolgens door het beloven van redding—aan

het nakomen was hem weinig gelegen—van hare gunst te kunnen

verzekeren. Uit dien hoofde stond Beaucaire's hebzuchtige regelrecht

op het doel uitloopende list hem zoo hevig tegen de borst. Nog meer

verbitterd zou hij geweest zijn, wanneer hij vermoed had, dat deze zijn

medeminnaar was en met meer stoutheid, maar juist daarom ook met min

kunstig verfijnde boosheid hetzelfde doel nastreefde.

St. Luces wilde een heimelijken minnehandel aanknoopen; hij berekende,

dat het verteederde hart eener treurende het meest vatbaar is voor den

troost, die eene gehuichelde deelneming aanbiedt; met één woord: hij

wilde Maria doen vallen, maar niet zonder haar gelegenheid te geven, om

hare zwakheid door eene soort van heiligen schijn te verhullen, daar

hij aan hare gunst de redding des broeders dacht te verbinden.

Beaucaire had hetzelfde plan, doch ruwer; met het zwaard des beuls

boven het hoofd van den broeder wilde hij de radelooze zuster in zijne

armen drijven. Hem was het slechts om zinnelijk genot te doen, en aan

den afschuw, dien hij zijn offer inboezemde was hem hoegenaamd niets

gelegen.

St. Luces meer beschaafd en door vele dergelijke ontmoetingen zijns

levens, waarbij hem zijn zeer innemend voorkomen, want in zijne jeugd

was hij inderdaad een schoon man geweest, steeds grootelijks te stade

was gekomen, in eene hooge mate verfijnd en geslepen, berekende, dat

de waarde van eene zoodanige verbintenis door de wederkeerige neiging

van het vrouwelijke gemoed oneindig verhoogd werd. Hij wilde daarom

zijn masker eerst dan afwerpen, wanneer volkomen verzadiging en

bevrediging zijner driften hem het voorwerp, dat die thans zoo hevig

deed ontvlammen, ten eenenmale onverschillig deden zijn. Beaucaire

en St. Luces hielden deze plannen natuurlijk allerzorgvuldigst voor

elkander verborgen; en inderdaad, geen hunner vermoedde het opzet des

mededingers, deels dewijl zij een geheel verschillenden weg insloegen,

deels ook, wijl de een den ander niet voor sluw of boosaardig genoeg

hield, om zich den ingewikkelden toestand der zaken zoo dadelijk ten

nutte te maken. Beaucaire deed onvermoeide nasporingen, om het verblijf

van Lodewijk bij de armee, en den naam, dien hij thans voerde, met

zekerheid te weten te komen. Zich als de mierenleeuw in zijn duister

hol schuil houdende, loerde hij slechts op een brief van Maria aan

haren broeder, om dien met zijne uitgestrekte grijptangen naar zich toe

te sleepen. Dan wil hij der ongelukkige onder de oogen treden, haar

door het Medusahoofd zijner ontdekking versteenen en zoo de machtelooze

aan zijne driften opofferen. De dood der moeder was dus ook hem welkom

geweest, daar hij met grond vermoeden kon, dat Maria den broeder

dadelijk of ten minste binnen weinige dagen van dit voorval bericht zou

toezenden. Hij had derhalve geen geld ontzien, om den schurkachtigen

postbeambte opmerkzaam te maken. Ditmaal echter had hij het vruchteloos

verspild, wijl Maria's brief reeds lang door de gravin was verzonden,

die hem aan een naar Dresden vertrekkenden landsman had medegegeven,

om hem daar op de post te doen. Van het opzet van St. Luces, die hem

met vleierijen en vriendschapsbetuigingen overlaadde en daardoor te

meer in zijn ijdel, licht te misleiden zelfvertrouwen versterkte,

vermoedde Beaucaire niet het geringste en sloeg dus ook weinig acht op

de wandelingen, welke deze, òf onder eenig waarschijnlijk voorwendsel

òf geheel buiten zijn weten, dagelijks ondernam.

Het was thans de eerste maal, dat St. Luces Maria alleen vond. Op

zijne verontschuldiging, voegde zij hem eenige koele woorden toe

en wilde zich verwijderen; doch hij hield zich, alsof hij zulks

niet bemerkte, en dwong haar te blijven door haastig het gesprek te

hervatten. „Hoe arglistig weet het lot ons somwijlen te treffen! Wie

had kunnen vermoeden, dat gij, van het genoegelijk uitstapje vroolijk

terugkeerende, zóóveel ongeluk en jammer in uwe woning zoudt vinden! O

geloof mij, de slag die u trof, heeft geen hart ongeroerd gelaten; nog

keert de gedachte, het gesprek telkens weder daarop terug, en er is

zeker geen oog in deze, met vreemdelingen vervulde plaats, dat u niet

een stillen traan van medelijden heeft gewijd.”

Maria rilde; daar zij wist, welken invloed St. Luces op het lot haars

broeders had uitgeoefend, vervulde zijne nabijheid haar met eenige

huiverige angstvalligheid. Echter trachtte zij bedaard te blijven.

„Ik weet het,” sprak zij na eenige minuten, „dat de plotselinge dood

mijner moeder opzien heeft verwekt, te meer, daar deze met een voorval

in verband stond, dat velen verschrikt heeft. Doch juist dat opzien

moet mij smartelijk zijn, daar de treurende het liefst de ongestoorde

eenzaamheid opzoekt.”

St. Luces verstond de bedoeling der laatste woorden zeer goed; slechts

wilde hij ze niet verstaan en wist zijn innerlijken spijt volkomen te

beheerschen. „Voorzeker,” sprak hij; „echter is niet altijd dat, wat

de kranke begeert, hem heilzaam; eenige oogenblikken moest gij toch

afzonderen voor hen, die waarlijk uwe vrienden zijn.”

Hij zweeg; ook Maria deed zulks.

„Het is bijna donker geworden!—Het schijnt mij plicht, u te

herinneren, dat gij in dit uur nauwelijks alleen naar de stad kunt

terugkeeren,” begon St. Luces opnieuw.

„Gij hebt gelijk, ik had reeds moeten gaan,” sprak Maria beleefd,

groette en ging.

Nauwelijks had zij het hek van de begraafplaats bereikt, of zij hoorde

zijne schreden opnieuw achter zich.

„Ik ben in tweestrijd geweest,” sprak hij haastig, „of het mijn

plicht was, u ongevraagd de volle waarheid te zeggen, of ik gronden

heb, die dringend genoeg zijn om mijne tusschenkomst in de zaken van

geheel vreemde personen te rechtvaardigen. De beslissing luidt: ik

moet spreken. Weet dan, ik kwam niet bij toeval hier; ik zocht u op.

Ik weet, dat iemand, die u hoogst dierbaar is, in gevaar verkeert,

dat men op het punt is van zijne verblijfplaats te ontdekken, die

op dit oogenblik wellicht reeds ontdekt heeft. Gij kondt door

onvoorzichtigheid in de droevigste onaangenaamheden gewikkeld

worden—een gevoel,” hier sloeg hij het oog als verward ter aarde,

„dat slechts jongeren plegen te kennen, dat mij echter van het eerste

oogenblik, dat ik u zag, doordrong, waarvan ik geen meester ben....

dwong mij.... ik vrees tot eene schending van mijn plicht. Meer mag ik

niet doen.... wees op uwe hoede!”

Met deze woorden keerde hij zich om en wilde haastig voortsnellen.

Maria, die hem met angstige verbazing had aangehoord, riep hem na: „Om

Gods wil, verklaar u duidelijk. Ik smeek u dringend!”

St. Luces stond stil; hij scheen met zich zelf te kampen. Eindelijk

keerde hij terug. „Duidelijker? Is het niet genoeg, dat gij mij

verstaat? ik kom aan mijne plichten te kort .... en toch, als ik uwe

tranen zie, hoe kan ik weerstand bieden!” Hij trad nader op Maria toe

en greep hare hand, die zij hem noch toereikte, noch waagde terug te

trekken.

Op hetzelfde oogenblik ruischte het in de struiken dicht nevens hen en

Benno trad te voorschijn. Maria's bleek gelaat werd door een donkeren

schaamteblos overgoten, daar zij op deze eenzame plaats alleen en in

eene zoo vertrouwelijke houding met den vreemde verrast werd. Zij

vermoedde niet, dat Benno haar goede engel zijn zoude; want in de

verrassing ware het St. Luces wellicht gelukt, haar vertrouwen te

winnen en haar daardoor nog dieper in het verderf te storten.

Benno was zelf nog te jong en onschuldig, om uit dezen lichten schijn

eenigen krenkenden argwaan op te vatten. Zijne dichterlijke droomen

hadden hem naar de rustplaats gevoerd, waar zoo menig vroeg ontslapen

vriend den eeuwigen morgen verbeidde. Toen hij Maria gewaar werd,

van wier treurig verlies ook hij reeds onderricht was, trad hij met

diepe aandoening op haar toe en sprak haar aan. „O dat ik u hier moet

wedervinden na dien schoonen, onvergetelijken dag; wie had dat kunnen

denken!” Ook hij greep, zijne ontroering geen meester, hare hand en

drukte ze met warmte aan zijne lippen. Het was Maria, of haar een

sluier van de oogen en een zware last van het hart zonk, toen zij

Benno's natuurlijk medelijden met St. Luces' geveinsde deelneming, de

heilige, eenvoudige trekken der waarheid met het gekunstelde masker

der huichelachtige logen vergelijken kon. Het onderscheid tusschen

beiden was niet meer te miskennen. Een zachte handdruk was het eenige

antwoord, dat zij geven konde, het dankte den jongen vriend voor zijne

deelneming en zijne argeloosheid tevens. Een enkele blik toch op zijn

open gelaat had haar ten volle overtuigd, dat niet de geringste schijn

van achterdocht in zijne schuldelooze ziel was opgerezen.

„Het is laat.... ik moet gaan,” sprak zij na eenige oogenblikken en

wilde zich verwijderen.

„Het is zoo laat, dat ik u onmogelijk alleen kan laten gaan,” riep

St. Luces, en Benno voegde er met de zuiverste welwillendheid bij:

„Voorzeker, wij willen u geleiden.”

Maria voelde zich verruimd, toen deze liefderijke beschermengel haar

op zijde trad; op St. Luces trekken werd de vroeger reeds met moeite

verheelde spijt over des jongelings tusschenkomst zoo duidelijk

zichtbaar, dat het meisje gedurig meer recht meende te hebben, om aan

de zuiverheid zijner bedoelingen te twijfelen.

Bijna zonder te spreken, wandelde men naast elkander voort. Maria

haastte zich naar huis te komen. Toen men zich weder in de eerste

straat der voorstad bevond, haalde een onbekende hen van achteren

in, wierp een vluchtigen blik zijwaarts, groette en sprak onder het

voorbijgaan: „_Bonsoir Monsieur de_ St. Luces!” Deze zag verrast op;

het was Beaucaire.

Men had het hôtel bereikt, waar de gravin woonde; Maria nam met

een stommen, verlegen groet afscheid van hare geleiders. In huis

gekomen, verhaalde zij dadelijk, wat haar bejegend was. De gravin

koesterde denzelfden argwaan tegen St. Luces en vermeerderde dien nog

door verschillende, niet onbelangrijke opmerkingen, waaruit men het

voorbedachtelijke zijner handelwijze met zekerheid kon opmaken.

De klok der Slotkerk had juist tien geslagen en de vrouwen wilden zich,

naar het gebruik der badplaats, reeds ter rust begeven, toen met drift

aan de huisdeur werd gebeld. De bediende bracht een brief boven, dien

een onbekende had afgegeven. Het opschrift luidde aan Maria. Zij opende

en vond slechts een blad met de woorden:

„Wacht u voor den heer St. Luces!

Uw Vriend.”

Wie was de raadselachtige waarschuwer? Te vergeefs beijverden de

vrouwen zich het te raden; de eenige, op wien zij gissen konden, was

Benno. En toch, wat zou hij weten of vermoeden?

Vol nieuwe, bange zorgen legde Maria zich ter rust; maar de

beangstigende voorstellingen vervolgden haar ook in hare droomen,

en zij rees dikwijls verschrikt op uit de zware bedwelming van den

koortsachtigen slaap. Ach, was het dan niet genoeg, eene moeder te

beweenen, moest zij ook voor het leven des broeders sidderen!

1812: Historische roman · 第 58 / 154 题