HOOFDSTUK X.

Maria had nog slechts in Teplitz willen vertoeven, totdat hare moeder

was ter aarde besteld en zij aan de verschillende verplichtingen, welke

de burgerlijke wetgeving bij sterfgevallen voorschrijft, voldaan had.

Daarna wilde zij zich naar de zuster der afgestorvene begeven, om zich

verder aan de bescherming dezer naaste, haar zoo hartelijk liefhebbende

verwanten toe te vertrouwen. Voorloopig had zij hare tante door een

brief van den nieuwen slag kennis gegeven en zag het antwoord elken dag

met verlangen te gemoet.

Na den in onrust en kommer half doorwaakten nacht werd zij eindelijk

tegen den morgen door eene zachte sluimering verkwikt, die haar tot

laat na het gewone uur aan hare legerstede geboeid hield. Toen zij de

oogen opsloeg, was het helder dag, zoodat de zon over de daken der

tegenover gelegen huizen reeds in het vertrek scheen. Bijna beschaamd

over den langen slaap, kleedde zij zich in aller ijl aan en trad in

de gemeenschappelijke ontbijtkamer. Met verbazing werd zij dadelijk

bij het openen der deur eenige dames in diep rouwgewaad gewaar en

voelde zich, eer zij tijd had te gissen, wie het zijn konden, door

vriendelijke armen omstrengeld. Het was Emma, die ter zijde van de deur

aan het venster gezeten, de binnentredende het eerst gezien en herkend

had. De blij verraste, doch weemoedige uitroep der beide meisjes

bewerkte, dat ook de andere vrouwen, die het openen der deur bemerkt

hadden, opsprongen en haar te gemoet snelden. Het waren Julie en hare

moeder; alle drie kwamen, om Maria in hare treurige eenzaamheid op te

zoeken en haar vervolgens mede naar buiten te nemen.

Liefde en vriendschap wedijverden. De gravin en Lodoiska wilden Maria

niet laten vertrekken, hare verwanten haar zoo spoedig mogelijk tot

zich nemen. Eindelijk werd besloten, dat de beide eerstgenoemde haar

voor eenige dagen naar het landgoed verzellen zouden, en men bepaalde

de afreis op den volgenden morgen.

Nadat men eenigen tijd in vertrouwelijke gesprekken had doorgebracht,

gaven de aangekomenen haren wensch te kennen, om het graf der

afgestorvene te bezoeken. Maria geleidde haar derwaarts.

Reeds nabij de poort gekomen, ontdekten zij in eene zijstraat een

oploop van menschen die haar het voortgaan belette. Zij wilden juist

naar de reden vernemen, toen Benno op haar toetrad en verhaalde, dat

men een beambte van het postkantoor wegens zoo even eerst ontdekte,

schandelijke verduistering van geld en brieven met geldswaarde in

hechtenis had genomen en thans bezig was, de woning van den gevangene

te onderzoeken, zijne papieren in beslag te nemen en alles te

verzegelen.

Dit voorval zoude eene minder levendige belangstelling bij Maria

verwekt hebben, wanneer een angstig voorgevoel haar niet had

doen vreezen, dat zij zelve misschien een der slachtoffers dier

trouweloosheid zijn konde. Thans werd het mogelijk, ja zelfs

waarschijnlijk, dat St. Luces van alles onderricht en zijne

waarschuwing gegrond was. Maar ook hemzelf had men haar verdacht

gemaakt! Wie kende hare geheimste betrekkingen zoo nauwkeurig? Was zij

van rondom met netten omstrikt, bewaakt, beloerd, bespied van alle

zijden?

Terwijl zij zich nog met deze bekommerende gedachten bezig hield, trad

een bevallig bloemenmeisje, wier uiterlijk echter een lichtvaardigen

levenswandel scheen aan te duiden, op haar toe en bood haar ruikers te

koop aan. Maria wees haar verstrooid af; het meisje vernieuwde hare

bede met de vriendelijke overreding aan dergelijke vleiende wezens

eigen.

„Dezen ruiker neemt gij mij toch zekerlijk af,” sprak zij; „zie eens

nog drie rozen in dit late jaargetij.” Tegelijk drukte zij dien Maria

met geweld in de hand en fluisterde daarbij de woorden: „Om uws

broeders wil!”—Maria verschrikte, het meisje glimlachte en vervolgde

op den vleiendsten toon: „Ja, dezen houdt gij; hij is de schoonste van

alle en kost maar drie stuivers!”

Maria wilde het meisje ondervragen, doch deze sloot haar de lippen door

een heimelijken oogwenk en een nauw hoorbaar: „Strikte geheimhouding!”

Benno wilde zich intusschen beleefd tonen en kocht haar voor elk der

dames een ruiker af. De kleine nam het geld met een vergenoegd gelaat

aan, wenkte Maria nog éénmaal toe, als wilde zij zeggen: verraad u

door geen enkel woord—en huppelde luchtig verder, om ook aan andere

voorbijgangers hare geurige waren aan te bieden.

Maria was door deze ontmoeting hevig ontsteld en sidderde merkbaar,

zelfs aan het graf der moeder, dat men spoedig bereikte, waren hare

gedachten niet bij de doode, maar te midden van de woelingen der

wereld. Te onbedreven in de kleine kunstgrepen der liefde, had zij

er nog niet aan gedacht, de bloemen nader te onderzoeken, toen een

toevallige blik haar daartusschen een strookje papier deed bespeuren.

Met gespannen verwachting trok zij het onbemerkt te voorschijn en las

de woorden: „Gij kunt uwen broeder redden, wanneer gij dezen avond met

klokslag van negen uur _alleen_ in den slottuin aan de oude linde komt.

Hij is verloren, wanneer gij achterblijft of het geringste verraadt.

Ten tweede male waarschuwt men u voor St. Luces.”

Zij stond als versteend, toen zij deze regels had gelezen. Welk een

nieuw verschrikkelijk geheim! Dus deze uitnoodiging en de waarschuwing

van gisteren kwamen van dezelfde hand? Zou zij het geheim ontdekken?

Zou zij zich aan haar, die zij beminde, toevertrouwen, zich onder hare

bescherming stellen? Maar konden deze den broeder redden, wanneer

boosaardige list hem wilde verderven?

Neen, ik wil het wagen; het is mijn heilige plicht het te wagen, dacht

zij, zich vermannend; eindelijk moeten deze raadsels zich oplossen.

En wie zegt mij dan, dat ik een nieuw onheil te gemoet ga? Kan het

niet een grootmoedig vriend zijn, dien ik, wanneer ik het stilzwijgen

verbrak, in het verderf bracht? Gij, mijne moeder, blikt uit gindsche

zalige kringen in mijn beklemd hart, uw geest zal mij omzweven, aan u

wil ik mij toevertrouwen.

Na dit onwrikbaar besluit werd hare ziel weder kalmer en geruster.

De dag verstreek, het bestemde uur naderde. Maria ging naar hare kamer,

verzegelde het geheimzinnige blad, dat zij ontvangen had, en voegde

er de woorden bij: „Dit zal mij rechtvaardigen, wanneer een onwaardig

vermoeden mij treft, mij redden, wanneer mij gevaar dreigt. Het zegt

u waar ik ben”. Op den omslag schreef zij: „Aan mijne geliefden! Doch

dan slechts te openen, wanneer ik te middernacht niet terug ben.” Dezen

brief legde zij op hare tafel en verliet hierop in een mantel gehuld en

zorgvuldig gesluierd het vertrek en het huis.

Het was reeds volkomen donker en geheel eenzaam; zij sidderde, maar

verloor hare bedaardheid niet. Schuw en huiverig betrad zij de donkere

kastanjelaan; de aangeduide linde stond in het eenzaamste en verst

verwijderde gedeelte van den tuin. Dit vermeerderde hare bezorgdheid.

Een tuinarbeider ontmoette haar en zag haar verwonderd aan. Eensklaps

viel haar in, dat zij zich van den bijstand van dien man verzekeren

konde, zonder hem iets te ontdekken. Zij wendde zich om, ging hem na en

sprak hem aan: „Mijn vriend, wilt gij een goed drinkgeld en wellicht

nog meer verdienen?”

„Daartoe ben ik nu en altijd bereid.”

„Blijf dan een uur hier op deze bank zitten of vertoef ten minste hier

in de nabijheid, doch zorg dat men u niet bemerkt. Neem dit vooreerst

aan; als ik terugkom, krijgt gij driemaal zooveel. Hoort gij mij luid

om hulp roepen, kom dan spoedig bij de groote linde, daar beneden aan

den tuinmuur.”

„Daar, waar de heer met den mantel staat?” vroeg de arbeider.

„Juist, daar,” antwoordde Maria niet zonder schrik.

„Hm! Hm! Uwe genade moest liever in het geheel niet gaan,” meende de

oude en schudde bedenkelijk het hoofd. „Dien heer zijn vreemde lieden

in den tuin juist zoo lastig, als zij voor uwe genade noodig kunnen

zijn. Hij heeft mij daareven vijf guldens gegeven, opdat ik met werken

ophouden en naar huis gaan zou.”

„Dat mag zoo zijn,” sprak Maria bevend, „ik wil ook niet, dat gij dáár

komen zult, maar blijf hier in den omtrek,” tevens gaf zij hem eenige

geldstukken.

De arbeider scheen besluiteloos en zweeg eenige oogenblikken; eindelijk

sprak hij: „Nu dan, aan mij zal 't niet haperen, ik zal hier blijven

en uwe genade kan op mij staat maken. Maar neem u toch in acht; de

heer ziet er uit als een volleerde italiaansche spitsboef, dien ik heb

leeren kennen, toen ik als bediende met vorst Clary in Napels was. Doch

vergeve uwe genade mijn gebabbel, gij zult voorzeker wel weten, met

wien gij te doen hebt.”

„Ja wel, ja wel!” sprak Maria op een toon, die het tegendeel te kennen

gaf. Zij wankelde in haar besluit. Doch met vernieuwde kracht sprak

zij tot zich zelve: „Gij hebt er het dierbaarste, uwen naam, reeds

aan gewaagd en zoudt gij nu voor uw leven sidderen? Dwaasheid! En

welk belang kan iemand bij uw dood hebben? Het is niets; de vrees is

ingebeeld, uw zusterplicht vordert dien gang van u.”

Met haastigen tred zette zij haren weg voort. Toen zij in de nabijheid

der linde kwam, zag zij eene donkere gestalte onder deze op en

neder gaan. Schoorvoetend trad zij nader. De onbekende had haar

echter nauwelijks ontdekt, of hij ijlde ras op haar toe en sprak:

„Het verheugt mij, dat gij moeds genoeg gehad hebt, om aan mijne

uitnoodiging te voldoen.”

Eene ijskoude rilling greep Maria aan, toen zij deze stem vernam;

het was Beaucaire, voor wien een onoverwinnelijke afkeer haar van het

eerste oogenblik af had gewaarschuwd. Echter bedwong zij zich, daar zij

duidelijk besefte dat het noodzakelijk was zich tegen dezen man met al

de vastheid, al den adel te wapenen, die het gevoel van onschuld en

recht aan een vrouwelijk wezen verleenen kunnen.

„Ik moest inderdaad wel,” hervatte Maria, „daar gij mij door eene

geheimzinnige bedreiging hier heen gesleept en mij zoo den gewaagden

stap, waartoe ik anders voor geen prijs zou besloten hebben, tot plicht

gemaakt hebt.”

Beaucaire scheen misnoegd over dit korte antwoord, dat hem door de

vastheid, waarmede het gegeven werd, zeer ver van het doel zijner

wenschen terug wierp. Hij gevoelde, dat zijne taak niet gemakkelijk

zijn zoude, en besloot derhalve, met het stalen voorhoofd van

schaamtelooze stoutheid door te dringen. „Gij neemt,” sprak hij, „een

trotschen toon aan, die u dunkt mij weinig voegt. Weet dan, dat het

lot uws broeders in mijne hand ligt, dat ik alleen in staat ben hem te

redden of te verderven. Ik ken zijne schuilplaats; hij heeft haar sluw

genoeg daar gekozen, waar niemand hem zoeken zou, bij het leger.”

Maria stond sprakeloos daar; de schrik had haar stem en adem benomen.

„Gij moogt dus,” ging Beaucaire met spotachtigen nadruk voort, „nog wel

iets meer doen, dan ik tot hiertoe van u geëischt heb, in geval het

u op den bijstand van den man aankomt, op wiens lippen het leven uws

broeders zweeft.—Doch, gevoelt gij u niet wel?”

Maria was genoodzaakt geweest, zich aan den stam der linde vast te

houden, om niet machteloos neer te zinken. Beaucaire geleidde haar,

terwijl hij haar met onzachte ruwheid vast omklemde, naar eene, weinige

schreden verwijderde tuinbank.

„Zeg mij,” sprak Maria met inspanning, „wat ik voor mijn broeder doen

kan. Ik zal het zwaarste niet schuwen, ik mag het niet; van de volle

dankbaarheid eener liefhebbende zuster kunt gij u verzekerd houden,

wanneer gij mij grootmoedig den weg tot redding aantoont.”

„Vooreerst geeft gij mij nauwkeurig op,” viel Beaucaire haar in de

rede, „hoe ik uwen broeder papieren van gewicht langs den zekersten

weg kan toezenden; hij moet onverwijld onderricht en van middelen ter

ontvluchting voorzien worden, daar zijne gevangenneming van dagen,

wellicht van uren afhangt.”

Maria had inmiddels zooveel bezonnenheid herkregen, dat zij zich door

die arglistige vraag niet verrassen liet. „Wat gij mijnen broeder

toezenden wilt, geeft gij aan mij,” hervatte zij haastig; „ik doe het

hem zeker toekomen. Een anderen weg kan ik u niet opgeven.”

Beaucaire knarsetandde van spijt over dit antwoord; Maria had het

nauwelijks gegeven, of zij zelve verwonderde zich schier over den

gelukkigen uitweg, dien zij als door eene hoogere ingeving gevonden

had. Inderdaad had dan ook, in het tijdsbestek van weinige seconden,

eene reeks van gedachten en samenknoopingen van omstandigheden hare

ziel doorkruist, die haar noodzakelijk den hoogsten argwaan tegen

Beaucaire moest inboezemen. Het voorval met den postbeambte liet haar

thans geen twijfel meer, of het brievengeheim moest ook in betrekking

tot haar geschonden zijn; met de hoogst mogelijke nauwkeurigheid

riep zij zich dus den inhoud van Lodewijks laatste letteren voor den

geest terug, om te berekenen, of zij ook iets behelsden waaruit zijn

verblijf, zijn naam en verdere betrekkingen nader waren op te sporen.

Met een verruimd hart kwam zij tot de overtuiging, dat door den brief

niets kon verraden zijn, dan dat hij zich bij het leger ophield. Met

de scherpzinnigheid, de verhoogde zielskracht, welke de hemel in

oogenblikken van gevaar aan schuldelooze zielen verleent, ontdekte de

anders zoo argelooze thans het weefsel der boosheid, waarmede men haar

omstrikken wilde, zonder echter de zwartste diepte van den helschen

afgrond te vermoeden, waarin Beaucaire haar trachtte neder te storten.

„Gij schijnt mij niet te vertrouwen,” sprak deze eindelijk misnoegd

en geraakt; „ofschoon ik u door deze samenkomst toch wel eenige

bewijzen van mijn goeden wil, om u van dienst te zijn, gegeven heb.

Bedenk echter, dat ik ook reden heb om voorzichtig te zijn; in

mijne betrekking moest ik zonder verschooning te werk gaan en mij

op de strenge baan der wetten houden. Waag ik uit medelijden een

omweg, dan moet ik volle zekerheid hebben, dat mij deswege geene

verantwoordelijkheid treffen kan. Op zulke gevaarlijke paden kan men

echter slechts zich zelf vertrouwen.”

„Hoe?” riep Maria levendig, „vreest gij, dat de zuster, wier broeder

gij redt, u verraden zal?”

„Niet opzettelijk; maar onvoorzichtigheid, gebrek aan inzicht, aan

kennis der omstandigheden....”

„Dit alles is hier onmogelijk,” viel Maria hem in de rede; „want de weg

dien ik heb in te slaan, is te eenvoudig, om mij daarin te bedriegen.”

„Gij wantrouwt mij dus?” vroeg Beaucaire grimmig.

Maria beefde, het was hare bedoeling niet om hem te verbitteren. Zij

antwoordde dus op een zachten toon: „Ik heb een vreemd geheim te

bewaren; gij zult voorzeker niet verlangen, dat ik er misbruik van

maak. Uit de getrouwheid, waarmede ik dezen ouderenplicht vervul,

kunt gij de overtuiging opdoen, dat ik omzichtig en nauwgezet ook met

betrekking tot u handelen zal, daar gij mij eene weldaad wilt bewijzen,

welke ik door levenslange dankbaarheid niet zal kunnen vergelden.”

Beaucaire geraakte in verwarring; het edele, vaste en toch vrouwelijk

zachte gedrag van Maria oefende zelfs op zijn ontaard hart zulk een

onwederstaanbaar vermogen uit, dat hij bijna den moed verloor tot

het doen der schandelijke voorslagen, om welke te beproeven hij deze

eenzame samenkomst met haar had opgezocht. Onwillekeurig had het

gesprek, dat hij door den schrik der eerste bedreigingen op zijn

eigenlijk doel had trachten te brengen, eene geheel andere wending

genomen, en hij zag zich thans ten eenenmale afgesneden van den weg,

dien hij gemeend had in te slaan. De spijt echter, dien hij over

zichzelf gevoelde, daar hij zijne vaste besluiten door weinige woorden

van een meisje aan het wankelen had laten brengen, deze valsche

schaamte der verharde boosheid dreef hem aan, het masker plotseling af

te werpen.

„Op dankbaarheid,” sprak hij, „hoop ik natuurlijk en durf daarop

rekenen, daar eene schoone zuster juist de beste middelen bezit, om

voor een gewichtigen dienst, dien men den broeder bewijst, de schuld af

te doen.”

Met deze woorden greep hij de rechterhand van Maria en drukte en kuste

ze op eene wijze, die het verschrikte meisje op eens een nieuwen blik

in den zwarten achtergrond der misdadige bedoelingen openen moest.

Schuw sprong zij op en riep: „Mijn God! wat wilt gij?” Beaucaire liet

haar echter niet los, wilde haar bij zich neertrekken en sprak: „Niet

zoo schroomvallig, liefje, het leven eens broeders is toch wel den kus

eener zuster waard!”

„Ellendeling!” riep Maria, die thans den ganschen omvang zijner

afschuwelijkheid overzag, met onstuimige hevigheid. „Laat mij los, of

ik roep hulp!”

„Bedaar, bedaar,” sprak Beaucaire, zonder de zich krachtig verwerende

los te laten; „luister een oogenblik toe. Uw broeder is bij de

armee, morgen vertrek ik naar het hoofdkwartier. Twee uren zijn dáár

voldoende, om hem, dien ik zoek, op te sporen, en vierentwintig bij den

krijgsraad meer dan genoeg, om van de aanklacht tot de voltrekking over

te gaan. Uw broeder heeft den dood verdiend, zijn leven is in mijne en

uwe hand.... wilt gij....”

„Nimmer!” riep Maria en rukte zich met geweld uit zijne armen los.

„Mijn broeder zou een leven verachten, dat hij op die wijze moest

koopen. Waag het niet, mij te naderen; een enkele schreeuw brengt mij

hulp aan!”

„Vrees geen geweld,” stamelde Beaucaire met verstikte woede, „ik ben

geen roofdier dat u verslinden zal. Doch thans raad ik u voor de

laatste maal,” ging hij met snijdende koelheid voort, „versmaad mijne

aanbieding niet. Hier achter den slottuin wacht ons een rijtuig; het

brengt u aan eene veilige plaats. Daar vind ik u binnen twee uren

en overhandig ik u de papieren, waarmee uw broeder ongehinderd naar

Engeland, waar hij volkomen zeker is, kan afreizen. Gij zelve kunt u op

weg bij hem voegen. Verklaar u thans.”

Maria was in hevigen tweestrijd met zich zelve. Plotseling wierp zij

zich aan Beaucaire's voeten neder, klemde zich aan zijne knie vast en

riep met snikken en tranen: „Neen, het is onmogelijk! Het is slechts

eene gruwelijke scherts, maar zij is te gruwelijk. Houd op, ik smeek u,

maak een einde aan mijn angst, aan mijne vertwijfeling. Laat mij niet

langer op de folterende pijnbank. Ik deed u onrecht, zeker, schreeuwend

onrecht, en thans straft gij mij daarvoor. Maar het is genoeg, ik heb

genoeg geboet! Keer nu tot de waarheid terug! Ach, gij kent niet den

doodsangst eener zuster, die voor het leven haars eenigen broeders,

ach, van het eenige, dat zij nog op aarde bezit, beven moet.”

„Sta op, ik hoor iemand komen,” sprak Beaucaire driftig, maar zacht.

Het was de oude arbeider, die, door het levendige gesprek opmerkzaam

gemaakt, nader trad.

„Neen, neen!” riep Maria, „niet, eer gij mij zweert...”

„Gij zijt waanzinnig,” hervatte Beaucaire woest en reet zich met geweld

van haar los. „Wilt gij mij volgen of niet? De tijd is mij kostbaar!”

„Nimmer!” riep Maria met terugkeerende kracht en bezinning, terwijl zij

zich met waardigheid oprichtte. „Mijn broeder moest mij vervloeken en

ik mij zelve verachten. Ga dan, bloeddorstig monster, en volvoer uwe

schanddaad. Voeg ook nog dien gruwel bij de tallooze misdaden, die uw

rampzalig volk in ons arm vaderland begaat. Ik vraag naar niets meer!

De dood is een oogenblik, de toekomst eeuwig. Moord mij ook, als gij

wilt. Wij sidderen niet voor den dood! Ik, een meisje, weet te sterven;

gelooft gij, onze mannen zouden het niet kunnen? Zegenen zal mij mijn

broeder, daar ik weigerde, hem op zulk eene schandelijke wijze te

redden.”

Beaucaire stond, door woede en schaamte gefolterd, voor de door edelen

toorn bezielde gestalte; hij vreesde te vluchten en waagde niet te

blijven. „Die razernij zal u berouwen!” riep hij, toen de arbeider

nader en nader trad, met de doffe stem van verkropte woede. Hierop

drukte hij zich den hoed in de oogen en verdween met verhaaste schreden

in de donkere laan.

Maria bedekte het weenende gelaat met beide handen; na eenige minuten

hief zij het weder op en sprak, terwijl zij het oog naar den donkeren

hemel sloeg: „Gij, mijne moeder, die daar boven de sterren woont, gij

zult mij troosten en beschermen, wanneer ik geheel alleen ben op deze

aarde.” Uitgeput wankelde zij naar de bank en zette zich neder. Nu trad

de welmeenende oude op haar toe en vroeg:

„Heb ik verkeerd gedaan, uwe genade te storen? Maar God weet het, ik

hoorde zoo driftig spreken, dat ik onraad begon te vreezen.”

„Neen, goede oude,” hernam Maria, „gij hebt recht goed gedaan.—Maar

wilt gij mij thans naar huis brengen; ik zal het gaarne vergelden.”

„Met alle vreugde,” sprak de grijsaard, en op zijn arm geleund, verliet

Maria met waggelende schreden den tuin.

1812: Historische roman · 第 59 / 154 题