Maria had nog slechts in Teplitz willen vertoeven, totdat hare moeder
was ter aarde besteld en zij aan de verschillende verplichtingen, welke
de burgerlijke wetgeving bij sterfgevallen voorschrijft, voldaan had.
Daarna wilde zij zich naar de zuster der afgestorvene begeven, om zich
verder aan de bescherming dezer naaste, haar zoo hartelijk liefhebbende
verwanten toe te vertrouwen. Voorloopig had zij hare tante door een
brief van den nieuwen slag kennis gegeven en zag het antwoord elken dag
met verlangen te gemoet.
Na den in onrust en kommer half doorwaakten nacht werd zij eindelijk
tegen den morgen door eene zachte sluimering verkwikt, die haar tot
laat na het gewone uur aan hare legerstede geboeid hield. Toen zij de
oogen opsloeg, was het helder dag, zoodat de zon over de daken der
tegenover gelegen huizen reeds in het vertrek scheen. Bijna beschaamd
over den langen slaap, kleedde zij zich in aller ijl aan en trad in
de gemeenschappelijke ontbijtkamer. Met verbazing werd zij dadelijk
bij het openen der deur eenige dames in diep rouwgewaad gewaar en
voelde zich, eer zij tijd had te gissen, wie het zijn konden, door
vriendelijke armen omstrengeld. Het was Emma, die ter zijde van de deur
aan het venster gezeten, de binnentredende het eerst gezien en herkend
had. De blij verraste, doch weemoedige uitroep der beide meisjes
bewerkte, dat ook de andere vrouwen, die het openen der deur bemerkt
hadden, opsprongen en haar te gemoet snelden. Het waren Julie en hare
moeder; alle drie kwamen, om Maria in hare treurige eenzaamheid op te
zoeken en haar vervolgens mede naar buiten te nemen.
Liefde en vriendschap wedijverden. De gravin en Lodoiska wilden Maria
niet laten vertrekken, hare verwanten haar zoo spoedig mogelijk tot
zich nemen. Eindelijk werd besloten, dat de beide eerstgenoemde haar
voor eenige dagen naar het landgoed verzellen zouden, en men bepaalde
de afreis op den volgenden morgen.
Nadat men eenigen tijd in vertrouwelijke gesprekken had doorgebracht,
gaven de aangekomenen haren wensch te kennen, om het graf der
afgestorvene te bezoeken. Maria geleidde haar derwaarts.
Reeds nabij de poort gekomen, ontdekten zij in eene zijstraat een
oploop van menschen die haar het voortgaan belette. Zij wilden juist
naar de reden vernemen, toen Benno op haar toetrad en verhaalde, dat
men een beambte van het postkantoor wegens zoo even eerst ontdekte,
schandelijke verduistering van geld en brieven met geldswaarde in
hechtenis had genomen en thans bezig was, de woning van den gevangene
te onderzoeken, zijne papieren in beslag te nemen en alles te
verzegelen.
Dit voorval zoude eene minder levendige belangstelling bij Maria
verwekt hebben, wanneer een angstig voorgevoel haar niet had
doen vreezen, dat zij zelve misschien een der slachtoffers dier
trouweloosheid zijn konde. Thans werd het mogelijk, ja zelfs
waarschijnlijk, dat St. Luces van alles onderricht en zijne
waarschuwing gegrond was. Maar ook hemzelf had men haar verdacht
gemaakt! Wie kende hare geheimste betrekkingen zoo nauwkeurig? Was zij
van rondom met netten omstrikt, bewaakt, beloerd, bespied van alle
zijden?
Terwijl zij zich nog met deze bekommerende gedachten bezig hield, trad
een bevallig bloemenmeisje, wier uiterlijk echter een lichtvaardigen
levenswandel scheen aan te duiden, op haar toe en bood haar ruikers te
koop aan. Maria wees haar verstrooid af; het meisje vernieuwde hare
bede met de vriendelijke overreding aan dergelijke vleiende wezens
eigen.
„Dezen ruiker neemt gij mij toch zekerlijk af,” sprak zij; „zie eens
nog drie rozen in dit late jaargetij.” Tegelijk drukte zij dien Maria
met geweld in de hand en fluisterde daarbij de woorden: „Om uws
broeders wil!”—Maria verschrikte, het meisje glimlachte en vervolgde
op den vleiendsten toon: „Ja, dezen houdt gij; hij is de schoonste van
alle en kost maar drie stuivers!”
Maria wilde het meisje ondervragen, doch deze sloot haar de lippen door
een heimelijken oogwenk en een nauw hoorbaar: „Strikte geheimhouding!”
Benno wilde zich intusschen beleefd tonen en kocht haar voor elk der
dames een ruiker af. De kleine nam het geld met een vergenoegd gelaat
aan, wenkte Maria nog éénmaal toe, als wilde zij zeggen: verraad u
door geen enkel woord—en huppelde luchtig verder, om ook aan andere
voorbijgangers hare geurige waren aan te bieden.
Maria was door deze ontmoeting hevig ontsteld en sidderde merkbaar,
zelfs aan het graf der moeder, dat men spoedig bereikte, waren hare
gedachten niet bij de doode, maar te midden van de woelingen der
wereld. Te onbedreven in de kleine kunstgrepen der liefde, had zij
er nog niet aan gedacht, de bloemen nader te onderzoeken, toen een
toevallige blik haar daartusschen een strookje papier deed bespeuren.
Met gespannen verwachting trok zij het onbemerkt te voorschijn en las
de woorden: „Gij kunt uwen broeder redden, wanneer gij dezen avond met
klokslag van negen uur _alleen_ in den slottuin aan de oude linde komt.
Hij is verloren, wanneer gij achterblijft of het geringste verraadt.
Ten tweede male waarschuwt men u voor St. Luces.”
Zij stond als versteend, toen zij deze regels had gelezen. Welk een
nieuw verschrikkelijk geheim! Dus deze uitnoodiging en de waarschuwing
van gisteren kwamen van dezelfde hand? Zou zij het geheim ontdekken?
Zou zij zich aan haar, die zij beminde, toevertrouwen, zich onder hare
bescherming stellen? Maar konden deze den broeder redden, wanneer
boosaardige list hem wilde verderven?
Neen, ik wil het wagen; het is mijn heilige plicht het te wagen, dacht
zij, zich vermannend; eindelijk moeten deze raadsels zich oplossen.
En wie zegt mij dan, dat ik een nieuw onheil te gemoet ga? Kan het
niet een grootmoedig vriend zijn, dien ik, wanneer ik het stilzwijgen
verbrak, in het verderf bracht? Gij, mijne moeder, blikt uit gindsche
zalige kringen in mijn beklemd hart, uw geest zal mij omzweven, aan u
wil ik mij toevertrouwen.
Na dit onwrikbaar besluit werd hare ziel weder kalmer en geruster.
De dag verstreek, het bestemde uur naderde. Maria ging naar hare kamer,
verzegelde het geheimzinnige blad, dat zij ontvangen had, en voegde
er de woorden bij: „Dit zal mij rechtvaardigen, wanneer een onwaardig
vermoeden mij treft, mij redden, wanneer mij gevaar dreigt. Het zegt
u waar ik ben”. Op den omslag schreef zij: „Aan mijne geliefden! Doch
dan slechts te openen, wanneer ik te middernacht niet terug ben.” Dezen
brief legde zij op hare tafel en verliet hierop in een mantel gehuld en
zorgvuldig gesluierd het vertrek en het huis.
Het was reeds volkomen donker en geheel eenzaam; zij sidderde, maar
verloor hare bedaardheid niet. Schuw en huiverig betrad zij de donkere
kastanjelaan; de aangeduide linde stond in het eenzaamste en verst
verwijderde gedeelte van den tuin. Dit vermeerderde hare bezorgdheid.
Een tuinarbeider ontmoette haar en zag haar verwonderd aan. Eensklaps
viel haar in, dat zij zich van den bijstand van dien man verzekeren
konde, zonder hem iets te ontdekken. Zij wendde zich om, ging hem na en
sprak hem aan: „Mijn vriend, wilt gij een goed drinkgeld en wellicht
nog meer verdienen?”
„Daartoe ben ik nu en altijd bereid.”
„Blijf dan een uur hier op deze bank zitten of vertoef ten minste hier
in de nabijheid, doch zorg dat men u niet bemerkt. Neem dit vooreerst
aan; als ik terugkom, krijgt gij driemaal zooveel. Hoort gij mij luid
om hulp roepen, kom dan spoedig bij de groote linde, daar beneden aan
den tuinmuur.”
„Daar, waar de heer met den mantel staat?” vroeg de arbeider.
„Juist, daar,” antwoordde Maria niet zonder schrik.
„Hm! Hm! Uwe genade moest liever in het geheel niet gaan,” meende de
oude en schudde bedenkelijk het hoofd. „Dien heer zijn vreemde lieden
in den tuin juist zoo lastig, als zij voor uwe genade noodig kunnen
zijn. Hij heeft mij daareven vijf guldens gegeven, opdat ik met werken
ophouden en naar huis gaan zou.”
„Dat mag zoo zijn,” sprak Maria bevend, „ik wil ook niet, dat gij dáár
komen zult, maar blijf hier in den omtrek,” tevens gaf zij hem eenige
geldstukken.
De arbeider scheen besluiteloos en zweeg eenige oogenblikken; eindelijk
sprak hij: „Nu dan, aan mij zal 't niet haperen, ik zal hier blijven
en uwe genade kan op mij staat maken. Maar neem u toch in acht; de
heer ziet er uit als een volleerde italiaansche spitsboef, dien ik heb
leeren kennen, toen ik als bediende met vorst Clary in Napels was. Doch
vergeve uwe genade mijn gebabbel, gij zult voorzeker wel weten, met
wien gij te doen hebt.”
„Ja wel, ja wel!” sprak Maria op een toon, die het tegendeel te kennen
gaf. Zij wankelde in haar besluit. Doch met vernieuwde kracht sprak
zij tot zich zelve: „Gij hebt er het dierbaarste, uwen naam, reeds
aan gewaagd en zoudt gij nu voor uw leven sidderen? Dwaasheid! En
welk belang kan iemand bij uw dood hebben? Het is niets; de vrees is
ingebeeld, uw zusterplicht vordert dien gang van u.”
Met haastigen tred zette zij haren weg voort. Toen zij in de nabijheid
der linde kwam, zag zij eene donkere gestalte onder deze op en
neder gaan. Schoorvoetend trad zij nader. De onbekende had haar
echter nauwelijks ontdekt, of hij ijlde ras op haar toe en sprak:
„Het verheugt mij, dat gij moeds genoeg gehad hebt, om aan mijne
uitnoodiging te voldoen.”
Eene ijskoude rilling greep Maria aan, toen zij deze stem vernam;
het was Beaucaire, voor wien een onoverwinnelijke afkeer haar van het
eerste oogenblik af had gewaarschuwd. Echter bedwong zij zich, daar zij
duidelijk besefte dat het noodzakelijk was zich tegen dezen man met al
de vastheid, al den adel te wapenen, die het gevoel van onschuld en
recht aan een vrouwelijk wezen verleenen kunnen.
„Ik moest inderdaad wel,” hervatte Maria, „daar gij mij door eene
geheimzinnige bedreiging hier heen gesleept en mij zoo den gewaagden
stap, waartoe ik anders voor geen prijs zou besloten hebben, tot plicht
gemaakt hebt.”
Beaucaire scheen misnoegd over dit korte antwoord, dat hem door de
vastheid, waarmede het gegeven werd, zeer ver van het doel zijner
wenschen terug wierp. Hij gevoelde, dat zijne taak niet gemakkelijk
zijn zoude, en besloot derhalve, met het stalen voorhoofd van
schaamtelooze stoutheid door te dringen. „Gij neemt,” sprak hij, „een
trotschen toon aan, die u dunkt mij weinig voegt. Weet dan, dat het
lot uws broeders in mijne hand ligt, dat ik alleen in staat ben hem te
redden of te verderven. Ik ken zijne schuilplaats; hij heeft haar sluw
genoeg daar gekozen, waar niemand hem zoeken zou, bij het leger.”
Maria stond sprakeloos daar; de schrik had haar stem en adem benomen.
„Gij moogt dus,” ging Beaucaire met spotachtigen nadruk voort, „nog wel
iets meer doen, dan ik tot hiertoe van u geëischt heb, in geval het
u op den bijstand van den man aankomt, op wiens lippen het leven uws
broeders zweeft.—Doch, gevoelt gij u niet wel?”
Maria was genoodzaakt geweest, zich aan den stam der linde vast te
houden, om niet machteloos neer te zinken. Beaucaire geleidde haar,
terwijl hij haar met onzachte ruwheid vast omklemde, naar eene, weinige
schreden verwijderde tuinbank.
„Zeg mij,” sprak Maria met inspanning, „wat ik voor mijn broeder doen
kan. Ik zal het zwaarste niet schuwen, ik mag het niet; van de volle
dankbaarheid eener liefhebbende zuster kunt gij u verzekerd houden,
wanneer gij mij grootmoedig den weg tot redding aantoont.”
„Vooreerst geeft gij mij nauwkeurig op,” viel Beaucaire haar in de
rede, „hoe ik uwen broeder papieren van gewicht langs den zekersten
weg kan toezenden; hij moet onverwijld onderricht en van middelen ter
ontvluchting voorzien worden, daar zijne gevangenneming van dagen,
wellicht van uren afhangt.”
Maria had inmiddels zooveel bezonnenheid herkregen, dat zij zich door
die arglistige vraag niet verrassen liet. „Wat gij mijnen broeder
toezenden wilt, geeft gij aan mij,” hervatte zij haastig; „ik doe het
hem zeker toekomen. Een anderen weg kan ik u niet opgeven.”
Beaucaire knarsetandde van spijt over dit antwoord; Maria had het
nauwelijks gegeven, of zij zelve verwonderde zich schier over den
gelukkigen uitweg, dien zij als door eene hoogere ingeving gevonden
had. Inderdaad had dan ook, in het tijdsbestek van weinige seconden,
eene reeks van gedachten en samenknoopingen van omstandigheden hare
ziel doorkruist, die haar noodzakelijk den hoogsten argwaan tegen
Beaucaire moest inboezemen. Het voorval met den postbeambte liet haar
thans geen twijfel meer, of het brievengeheim moest ook in betrekking
tot haar geschonden zijn; met de hoogst mogelijke nauwkeurigheid
riep zij zich dus den inhoud van Lodewijks laatste letteren voor den
geest terug, om te berekenen, of zij ook iets behelsden waaruit zijn
verblijf, zijn naam en verdere betrekkingen nader waren op te sporen.
Met een verruimd hart kwam zij tot de overtuiging, dat door den brief
niets kon verraden zijn, dan dat hij zich bij het leger ophield. Met
de scherpzinnigheid, de verhoogde zielskracht, welke de hemel in
oogenblikken van gevaar aan schuldelooze zielen verleent, ontdekte de
anders zoo argelooze thans het weefsel der boosheid, waarmede men haar
omstrikken wilde, zonder echter de zwartste diepte van den helschen
afgrond te vermoeden, waarin Beaucaire haar trachtte neder te storten.
„Gij schijnt mij niet te vertrouwen,” sprak deze eindelijk misnoegd
en geraakt; „ofschoon ik u door deze samenkomst toch wel eenige
bewijzen van mijn goeden wil, om u van dienst te zijn, gegeven heb.
Bedenk echter, dat ik ook reden heb om voorzichtig te zijn; in
mijne betrekking moest ik zonder verschooning te werk gaan en mij
op de strenge baan der wetten houden. Waag ik uit medelijden een
omweg, dan moet ik volle zekerheid hebben, dat mij deswege geene
verantwoordelijkheid treffen kan. Op zulke gevaarlijke paden kan men
echter slechts zich zelf vertrouwen.”
„Hoe?” riep Maria levendig, „vreest gij, dat de zuster, wier broeder
gij redt, u verraden zal?”
„Niet opzettelijk; maar onvoorzichtigheid, gebrek aan inzicht, aan
kennis der omstandigheden....”
„Dit alles is hier onmogelijk,” viel Maria hem in de rede; „want de weg
dien ik heb in te slaan, is te eenvoudig, om mij daarin te bedriegen.”
„Gij wantrouwt mij dus?” vroeg Beaucaire grimmig.
Maria beefde, het was hare bedoeling niet om hem te verbitteren. Zij
antwoordde dus op een zachten toon: „Ik heb een vreemd geheim te
bewaren; gij zult voorzeker niet verlangen, dat ik er misbruik van
maak. Uit de getrouwheid, waarmede ik dezen ouderenplicht vervul,
kunt gij de overtuiging opdoen, dat ik omzichtig en nauwgezet ook met
betrekking tot u handelen zal, daar gij mij eene weldaad wilt bewijzen,
welke ik door levenslange dankbaarheid niet zal kunnen vergelden.”
Beaucaire geraakte in verwarring; het edele, vaste en toch vrouwelijk
zachte gedrag van Maria oefende zelfs op zijn ontaard hart zulk een
onwederstaanbaar vermogen uit, dat hij bijna den moed verloor tot
het doen der schandelijke voorslagen, om welke te beproeven hij deze
eenzame samenkomst met haar had opgezocht. Onwillekeurig had het
gesprek, dat hij door den schrik der eerste bedreigingen op zijn
eigenlijk doel had trachten te brengen, eene geheel andere wending
genomen, en hij zag zich thans ten eenenmale afgesneden van den weg,
dien hij gemeend had in te slaan. De spijt echter, dien hij over
zichzelf gevoelde, daar hij zijne vaste besluiten door weinige woorden
van een meisje aan het wankelen had laten brengen, deze valsche
schaamte der verharde boosheid dreef hem aan, het masker plotseling af
te werpen.
„Op dankbaarheid,” sprak hij, „hoop ik natuurlijk en durf daarop
rekenen, daar eene schoone zuster juist de beste middelen bezit, om
voor een gewichtigen dienst, dien men den broeder bewijst, de schuld af
te doen.”
Met deze woorden greep hij de rechterhand van Maria en drukte en kuste
ze op eene wijze, die het verschrikte meisje op eens een nieuwen blik
in den zwarten achtergrond der misdadige bedoelingen openen moest.
Schuw sprong zij op en riep: „Mijn God! wat wilt gij?” Beaucaire liet
haar echter niet los, wilde haar bij zich neertrekken en sprak: „Niet
zoo schroomvallig, liefje, het leven eens broeders is toch wel den kus
eener zuster waard!”
„Ellendeling!” riep Maria, die thans den ganschen omvang zijner
afschuwelijkheid overzag, met onstuimige hevigheid. „Laat mij los, of
ik roep hulp!”
„Bedaar, bedaar,” sprak Beaucaire, zonder de zich krachtig verwerende
los te laten; „luister een oogenblik toe. Uw broeder is bij de
armee, morgen vertrek ik naar het hoofdkwartier. Twee uren zijn dáár
voldoende, om hem, dien ik zoek, op te sporen, en vierentwintig bij den
krijgsraad meer dan genoeg, om van de aanklacht tot de voltrekking over
te gaan. Uw broeder heeft den dood verdiend, zijn leven is in mijne en
uwe hand.... wilt gij....”
„Nimmer!” riep Maria en rukte zich met geweld uit zijne armen los.
„Mijn broeder zou een leven verachten, dat hij op die wijze moest
koopen. Waag het niet, mij te naderen; een enkele schreeuw brengt mij
hulp aan!”
„Vrees geen geweld,” stamelde Beaucaire met verstikte woede, „ik ben
geen roofdier dat u verslinden zal. Doch thans raad ik u voor de
laatste maal,” ging hij met snijdende koelheid voort, „versmaad mijne
aanbieding niet. Hier achter den slottuin wacht ons een rijtuig; het
brengt u aan eene veilige plaats. Daar vind ik u binnen twee uren
en overhandig ik u de papieren, waarmee uw broeder ongehinderd naar
Engeland, waar hij volkomen zeker is, kan afreizen. Gij zelve kunt u op
weg bij hem voegen. Verklaar u thans.”
Maria was in hevigen tweestrijd met zich zelve. Plotseling wierp zij
zich aan Beaucaire's voeten neder, klemde zich aan zijne knie vast en
riep met snikken en tranen: „Neen, het is onmogelijk! Het is slechts
eene gruwelijke scherts, maar zij is te gruwelijk. Houd op, ik smeek u,
maak een einde aan mijn angst, aan mijne vertwijfeling. Laat mij niet
langer op de folterende pijnbank. Ik deed u onrecht, zeker, schreeuwend
onrecht, en thans straft gij mij daarvoor. Maar het is genoeg, ik heb
genoeg geboet! Keer nu tot de waarheid terug! Ach, gij kent niet den
doodsangst eener zuster, die voor het leven haars eenigen broeders,
ach, van het eenige, dat zij nog op aarde bezit, beven moet.”
„Sta op, ik hoor iemand komen,” sprak Beaucaire driftig, maar zacht.
Het was de oude arbeider, die, door het levendige gesprek opmerkzaam
gemaakt, nader trad.
„Neen, neen!” riep Maria, „niet, eer gij mij zweert...”
„Gij zijt waanzinnig,” hervatte Beaucaire woest en reet zich met geweld
van haar los. „Wilt gij mij volgen of niet? De tijd is mij kostbaar!”
„Nimmer!” riep Maria met terugkeerende kracht en bezinning, terwijl zij
zich met waardigheid oprichtte. „Mijn broeder moest mij vervloeken en
ik mij zelve verachten. Ga dan, bloeddorstig monster, en volvoer uwe
schanddaad. Voeg ook nog dien gruwel bij de tallooze misdaden, die uw
rampzalig volk in ons arm vaderland begaat. Ik vraag naar niets meer!
De dood is een oogenblik, de toekomst eeuwig. Moord mij ook, als gij
wilt. Wij sidderen niet voor den dood! Ik, een meisje, weet te sterven;
gelooft gij, onze mannen zouden het niet kunnen? Zegenen zal mij mijn
broeder, daar ik weigerde, hem op zulk eene schandelijke wijze te
redden.”
Beaucaire stond, door woede en schaamte gefolterd, voor de door edelen
toorn bezielde gestalte; hij vreesde te vluchten en waagde niet te
blijven. „Die razernij zal u berouwen!” riep hij, toen de arbeider
nader en nader trad, met de doffe stem van verkropte woede. Hierop
drukte hij zich den hoed in de oogen en verdween met verhaaste schreden
in de donkere laan.
Maria bedekte het weenende gelaat met beide handen; na eenige minuten
hief zij het weder op en sprak, terwijl zij het oog naar den donkeren
hemel sloeg: „Gij, mijne moeder, die daar boven de sterren woont, gij
zult mij troosten en beschermen, wanneer ik geheel alleen ben op deze
aarde.” Uitgeput wankelde zij naar de bank en zette zich neder. Nu trad
de welmeenende oude op haar toe en vroeg:
„Heb ik verkeerd gedaan, uwe genade te storen? Maar God weet het, ik
hoorde zoo driftig spreken, dat ik onraad begon te vreezen.”
„Neen, goede oude,” hernam Maria, „gij hebt recht goed gedaan.—Maar
wilt gij mij thans naar huis brengen; ik zal het gaarne vergelden.”
„Met alle vreugde,” sprak de grijsaard, en op zijn arm geleund, verliet
Maria met waggelende schreden den tuin.