Terwijl Maria met angst en bezorgdheid aan het bed der kranke moeder
zat, vermoedde zij niet, dat boosheid en hebzucht samenspanden, om
haar nieuwen kommer te bereiden. Ach, en al had zij het ook geweten,
dan zoude haar toch de naaste zorg haar de meer verwijderde hebben
doen vergeten; want onder overstelpend lijden is de zwakheid der
menschelijke borst hare eenige redding, daar zij, hoe de vloeden des
jammers ook op haar mogen aandringen, slechts eene zekere mate daarvan
bevatten kan. Het overige verdwijnt in de wijde ruimte van het heelal
als de klank en het licht, die oog en oor aanraken, zonder daarin
door te dringen. Maria's innig, stom gebed was de oprichting van hare
moeder. Als een beschermende engel zat zij aan hare legerstede en
weerde alles, wat de kranke vijandig naderen kon, met zachte vastheid,
met onvermoeide volharding af. Doch in den raad des Eeuwigen was het
anders besloten.
De moeder had een geruimen tijd met een smartelijk lachje om de lippen
op het kussen achterover geleund, gelegen. Maria's opmerkzaam oog
bespeurde reeds lang een heimelijken strijd in de trekken der kranke;
herhaalde malen had zij naar de reden gevorscht en de moeder gevraagd
of zij pijn voelde, doch telkenreize had deze zulks door stomme wenken
of door een zacht neen ontkend. Thans fluisterde zij plotseling: „Mijne
dochter, ik voel.... het zal ras voorbij zijn,.... ik zal het niet
te boven komen. Een geheim voor u en Lodewijk,.... uw vader,.... de
papieren in de geheime lade mijner schrijftafel,.... ach mijne dochter,
in uw armen....!”
Na deze, met de grootste inspanning geuite woorden breidde zij hare
armen vol verlangen naar haar kind uit. Een krampachtige hoest trok
hare borst samen; zij trachtte zich met behulp van Maria, die haar
weenende omarmd hield, omhoog te richten. Deze greep, terwijl zij met
de rechterhand de moeder ondersteunde, met de linker naar de schel, die
aan het bed stond, en schelde driftig. „De dokter! de dokter!” riep zij
ademloos, toen vrouw Holder intrad, en deze ijlde haastig weder terug,
om dien te ontbieden.
„O moeder, moeder, verlaat uwe dochter niet,” dit waren de eenige
woorden, welke zij vermocht uit te brengen. De kranke was door de kramp
te benauwd om te kunnen hooren, veel minder kon zij antwoorden. Zoo
verstreken eenige minuten in den vreeselijksten angst voor Maria, die
alléén, zelve bijna hulpbehoevende, alle inspanning harer ziel noodig
had, om niet door den aanblik van het lijden der dierbare moeder en de
eigene hartverscheurende smart ongeschikt tot den bijstand te worden,
dien zij aan de kranke verleenen moest. Eindelijk nam de stuip af,
maar slechts om voor eene andere plaats te maken, die de oplossing
verhaasten moest. Een hevige bloedbraking gaf der gekwelde lucht; met
deze zwijmden hare laatste krachten en zij zeeg bleek en roerloos op
het kussen achterover.
Sidderende, een beeld der vertwijfeling, met stomme, onophoudelijk
vlietende tranen, zat Maria aan de legerstede en zag met benevelde
blikken, hoe de dierbaarste ziel welke zij op aarde bezat zich aan
het stoffelijk hulsel ontworstelde. De moeder staarde nog slechts mat
en kwijnend, maar toch met innige liefde en vriendelijkheid uit half
gebroken oogen de achterblijvende aan. De borst werd door den zachten,
slependen adem nauwelijks meer bewogen; de doodskramp wilde de lippen
smartelijk samentrekken, maar werd overwonnen door een stil lachje,
de weerglans van het namaals in de reeds brekende, sterfelijke borst.
De vlottende ziel behoorde reeds ten halve aan de zalige kringen van
eeuwig licht, waar zij haar oorspronkelijk vaderland zoude wedervinden.
Nog één mat glanzende blik der liefde, en het oog brak; Maria rees
bevende op en boog zich over het bleeke gelaat, om nog één ademtocht
op te vangen; te vergeefs, hij was ontvloden;—geen teeken des levens
was op de verstijvende trekken meer te bespeuren.
Het was beslist; zij was eene wees en stond nu eenzaam en alleen op de
wereld.
Eenige minuten zat zij versteend, alléén met de droefheid, wier
ganschen vreeselijken omvang zij nog niet overzien konde. De eersten,
die deze doodsche stilte afbraken, waren de geneesheer en vrouw Holder.
„Wij komen te laat,” riep de eerste uit, zoodra hij een vluchtigen blik
op het leger had geworpen, „ik vreesde het wel, hier was geen hulp
meer mogelijk!” Deze woorden deden Maria uit haar doffe, gevoellooze
bedwelming ontwaken. Zij richtte zich tot de bedroefde, weenende vrouw
Holder, en wilde haar stil en zacht zeggen: „Mijne moeder is dood!”
doch met ieder woord sloeg de smart heviger tonen aan en eindigde in
een luiden angstkreet, waarmede zij der toesnellende in de armen zonk.
Deze heftige gemoedsbeweging, de uitbarsting der zoolang met kracht
beteugelde gewaarwordingen, die thans de te zwakke banden doorbraken,
was echter niet van langen duur. Weldra hield de stroom der droefheid
op woest tusschen de oevers voort te bruisen, en vlood weder met
meerdere kalmte in de diepe bedding daarheen.
Maria liet zich de zorg niet ontnemen, ten minste zij wilde die niet
aan vrouw Holder alleen overlaten, om de afgestorvene op een schoon
rustbed over te brengen en haar in een eenvoudig, maar zindelijk
doodkleed te wikkelen.
Zij ontvlood hare droefheid niet, gelijk zwakke zielen gewoon zijn,
maar bekende, dat deze haar thans boven alles dierbaar, dat het haar
eenige, ware troost was, zich geheel, zoowel uit- als inwendig,
daarmede bezig te houden.
Elke diep gevoelende ziel heeft hare smart lief en smaakt dan alleen
eene weemoedige vreugde, wanneer zij zich onverdeeld daaraan kan
toewijden. Zij ontvliedt de verstrooiingen des levens, daar zij weet,
dat die schijnbeelden van vroolijkheid en geluk, waarmede men zich
kan omgeven, in zulke dagen slechts de vreugde huichelen, dat naast
deze blinkende leugen de sombere gestalte der waarheid oprijst en de
begoocheling doet wijken. Het leven toch gelijkt een spiegel; wie daar
vóór treedt, ziet slechts zich zelven; al de bekoorlijke beelden op den
achtergrond zijn enkel schijn en eeuwig ongenaakbaar voor hem, die ze
niet in den eigen boezem omdraagt.
De beide dochtertjes van de vrouw des huizes, Anna en Therese, traden
binnen toen Maria het kleeden der moeder juist voleindigd had. In witte
lakens gehuld, lag deze op de baar; het gelaat was zacht en kalm,
zonder eenige smartelijke uitdrukking; een stil glimlachje speelde om
de lippen.
De kinderen droegen een korfje met bloemen, dat de moeder haar gegeven
had, om het leger der doode daarmede op te sieren. Anna, de oudste,
zoude deze taak volbrengen, doch het arme kind snikte luid en kon geen
woord uitbrengen; Therese daarentegen riep met schuldelooze vreugde:
„Zie eens, tante, die fraaie bloemen zijn alle voor u.”
Maria beschouwde de kleinen met een weemoedig lachje. Zij kuste de
oudste en drukte haar zacht weenend aan het hart; vervolgens nam zij
de kleine Therese, die de handjes vol verlangen naar haar uitstrekte,
op den arm, liet zich door het lieve wicht met liefkozingen overladen
en verborg haar betraand gelaat in die vleiende omhelzing. Ook het
kind begon thans te weenen, daar de droefheid der anderen haar angstig
maakte. Maria bracht het met troostende woorden tot bedaren en zeide:
„Schrei niet, mijn engel, zie, ook ik ben weer vroolijk; kom, wij
willen de bloemen nemen en moeders bed bestrooien. Ziet gij wel, hoe
gerust zij slaapt?”
Het kind werd weder rustig en sprak: „Ik zal u helpen, tante.”
„Ja, dat zult gij ook, Therese, gij zult mij de bloemen toereiken.” Zij
gaf hierop aan de kleine het korfje over, die het naast zich neerzette
en haar de bloemen een voor een met de mollige handjes overgaf. Anna
hielp het leger der ontslapene daarmede versieren; het vrome werk
werd bijna zonder spreken voortgezet; slechts nu en dan maakten de
onschuldige vragen en kinderlijke uitroepen der kleine Therese een
vriendelijken wenk van Maria noodzakelijk.
De afgestorvene lag nu in een sneeuwwit gewaad, met bloemen omgeven, op
het doodbed; de laatste treurige plichten had Maria aan haar vervuld.
Stom, met neergezonken, saamgevouwen handen stond zij in ernstige
mijmering aan de baar en vestigde haar oog op het moederlijke gelaat.
Nog zweefde de adem des levens over de kalme trekken, nog was het niet
dat koude versteende masker der dooden, nog scheen zij in een zachten
sluimer verzonken te zijn, waaruit zij elk oogenblik weder ontwaken
kon. Het kwam Maria eene poos geheel onmogelijk voor, dat de band van
vereeniging nu voor altijd was afgebroken, dat dit oog haar nimmer
weder vriendelijk aanblikken, die mond haar nooit weder vriendelijke
woorden toespreken zoude. Eensklaps beving haar een hevige angst en
beklemdheid; zij moest naar buiten, moest de vrije lucht inademen.
Haastig nam zij de kinderen bij de hand en sprak: „Laat ons een weinig
in den tuin gaan, de zon schijnt zoo schoon.” Zij gingen.
Toen Maria de deur opende, stonden twee vrouwelijke gestalten voor
haar, die zij, daar de smart haar van alles vervreemdde, niet dadelijk
herkende, maar verrast en onzeker aanstaarde. Het waren de gravin en
Lodoiska, die, om de gisteren aangeknoopte kennis voort te zetten, een
eerste bezoek bij Maria en hare moeder wilden komen afleggen.
Nog meer dan Maria over de komenden, ontstelden deze op het gezicht der
bleeke, wankelende gestalte; doch die wederkeerige bevreemding duurde
slechts eenige seconden, daar het meisje op de vraag der gravin: „Mijn
God, wat is u overkomen?” met eene zwakke stem antwoordde: „Gij treedt
in een huis der droefheid! Eene wees staat voor u!” Overweldigd door
haar gevoel, zonk zij half bewusteloos in de geopende armen, welke de
gravin medelijdend naar haar uitstrekte. Met warmte drukte deze het in
stomme smart aan hare borst rustende meisje een kus op het voorhoofd
en sprak troostend: „Wees _mijne_ dochter!”—„En _mijne_ zuster!”
fluisterde Lodoiska en greep Maria's nederhangende hand.
O, hoe weldadig, hoe zacht drongen deze vertroostende stemmen van
deelnemende, gevoelige zielen, die de hemel der treurende in het
oogenblik van hare diepe eenzaamheid op aarde toezond, in het
verscheurde, bloedende hart! Hoe had dit ééne warme oogenblik den
kouden ijzeren grensmuur, dien het leven dikwijls zoolang tusschen de
menschen doet standhouden en waardoor zij somtijds voor altijd van
elkander verwijderd blijven, bijna geheel doen verdwijnen. Jaren in
gemeenzamen, onbeduidenden omgang met elkander doorgebracht, verbinden
niet zoo vast en innig, als eene enkele diep treffende ontmoeting,
waarbij de menschelijke ziel, in het verhoogde gevoel der nietigheid
van al het uiterlijke en toevallige, slechts haars gelijken zoekt en
slechts in de liefde de waarheid erkend. Op den helderen stroom der
vreugde vloeien de zielen der menschen inéén; nog inniger echter op den
donkeren vloed der smarte en des lijdens.
Zoo waren de drie vrouwen in deze weinige minuten voor haar leven
verbonden, en Maria besefte met helder inzicht de eerste zegening, die
God den mensch uit droeve rampen bereidt, deze namelijk, dat zijne
ziel rijker in en vatbaarder voor liefde wordt.—De beklemde, gejaagde
toestand, waarin zij nog immer verkeerde, vorderde, dat zij, eer zij
de nieuwe moederlijke en zusterlijke vriendinnen aan de baar bracht,
eenige malen den tuin op en neder ging, om hare kalmte te herwinnen.
Toen de ernstige, vertrouwen inboezemende toespraak der gravin en
Lodoiska's teedere zusterliefde hare treurende borst op deze wandeling
met zulk een zoeten troost vervulden, kwam het haar eensklaps als bijna
misdadig voor, dat de geringste schuilhoek van haar hart voor háár
verborgen zoude blijven, wier liefde zich op zulk een roerende wijze
openbaarde. Het besluit, aan beiden mede te deelen, wat Rasinski voor
den geliefden broeder gedaan had, werd haar eene dringende behoefte.
„Ik kan,” sprak zij en zij sloeg haar open, blauw oog vertrouwelijk
tot de gravin op, „ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat ik eener
zoo edele vrouw half versluierd, met argwaan en achterhouding onder de
oogen treed. Gij hebt mij naar mijn broeder gevraagd: o, gij kent hem,
want in uw huis vond hij als Lodewijk Soren met zijne vriend Bernard de
liefderijkste toevlucht.”
„Hoe?” riep de gravin verbaasd; „die jonkman, die door zijn
mannelijken, ernstigen aard ons allen zoo aantrok, was dat uw broeder?”
„Hij is het; maar zulks moet het diepste geheim blijven,” sprak Maria,
en verhaalde hierop den ganschen samenhang der omstandigheden, waardoor
Lodewijk in zijn zonderlingen toestand was verplaatst geworden. Hierbij
noemde zij ook de namen St. Luces en Beaucaire, waarop de gravin, die
voor alle ontmoetingen een opmerkzaam oog had, haar dadelijk aan de
beide vreemden van gisteren herinnerde en de slechts al te gegronde
bezorgdheid te kennen gaf, dat juist deze de gevaarlijke mannen zijn
konden. Thans viel Maria ook te binnen, wat Arnheim haar gisteren
gezegd had, en dat was genoeg om haar elken twijfel te benemen. Zij
zag, na haar deze mededeeling gedaan te hebben, de gravin angstig
en vragend aan. „Men mag den moed niet verliezen,” sprak deze, „en
moet hoogst omzichtig zijn. Schoon ik, als Poolsche, den keizer der
Franschen met geestdrift vereer en Frankrijk als onzen reddenden
bondgenoot beschouw, ken ik toch alle verdrukkingen en gruwelen dier
ter beheering van vijandelijke landen gebruikte beambten, die, noch
soldaten, noch mannen van moed, ook mannelijken moed niet waardeeren
en slechts over machteloozen weten te zegepralen. Tot dezulken kunnen
uwe vijanden wellicht ook behooren. Voorzichtig dus, meidlief!—Hoe
verzendt gij uwe brieven?”
„Onder het opschrift aan den graaf Rasinski,” hervatte Maria niet
zonder te blozen.
„Goed,” vervolgde de gravin haastig, zonder op Maria's verwarring
acht te slaan; „maar misschien is dit nog niet voldoende. Geef mij
uwe brieven. Ik ken vele officieren van 't regiment, dat mijn broeder
aanvoert. Ik kan van adres verwisselen en het toch zoo inrichten dat
mijn broeder de brieven opent. Door mij dus, lieve, voert gij in het
vervolg uwe briefwisseling.”
Onder dit gesprek was men in huis teruggekeerd en Maria geleidde de
beschermster en de vriendin, welke zij gevonden had, naar het ontzielde
hulsel van haar, in wie zij beide verloor.
In diep stilzwijgen stonden de drie vrouwen om de baar. Maria leunde
zacht op de innig ontroerde Lodoiska en weende stil aan hare borst.
„Hoe vriendelijk is dat gelaat,” sprak de gravin en leide hare hand
op het voorhoofd der doode, om het haar nog een weinig op zijde te
strijken. „Hoe zacht moet de ziel uit dat lichaam gescheiden zijn! Hoe
kalm, hoe vroom, hoe rustig!”
„O zij was zacht als de avondzon!” sprak Maria; „gelijk deze ging zij
onder, en in dit kalme, vriendelijke gelaat schemert het avondrood
harer ziel uit de schoone wereld, waarin zij nu is overgegaan, nog in
deze terug. Spoedig echter zal zij in den langen, stikdonkeren nacht
neerzinken, die haar voor eeuwig aan ons oog onttrekt.”
Therese en Anna huppelden binnen en hielden een brief in de hand. Hij
was van Lodewijk; dezelfde, dien Beaucaire voor een uur met misdadige
handen geopend had.
„Van mijne broeder aan mijne moeder,” sprak Maria en barstte opnieuw
in tranen uit.—„Ach, die arme Lodewijk! Hij wist niet, dat zij,
aan wie hij zijne woorden richtte, die niet meer vernemen zal! Voor
_zijn_ leven beefden wij, daar hij door duizend gevaren omringd is,
en wie weet of hij ons beiden niet overleeft. O, dan zou ik hem
diep beklagen!——Maar neen! Zulk eene beproeving zal God ons niet
toezenden,” ging zij na eenige oogenblikken met een verhelderd gelaat
voort; „hij zal ons niet scheiden. Zijne vertroostende engelen zullen
mij staande houden, de beschermende over mijn broeder waken.”
De gravin deed thans aan Maria den voorslag, het sterfhuis te verlaten,
om met haar mede te gaan en bij haar in te wonen, ten einde niet geheel
eenzaam in de nu zoo treurige woning achter te blijven, maar eene
vertrouwde borst te hebben, waaraan zij hare droefheid kon uitweenen.
Met dankbaarheid nam de verlatene dit aan, daar zij voor den eersten
eenzamen nacht angstig terugbeefde. Lodoiska, die de smart geheel met
haar deelde, doch zich, daar zij de gezegende gaaf der mededeeling
miste, dan het minst uitte, wanneer haar hart het volst was, bleef
nog bij de nieuwe vriendin terug, om haar in eenige noodzakelijke
toebereidselen behulpzaam te zijn. De gravin begaf zich naar huis, om
aanstalten tot hare ontvangst te maken.
Maria bracht intusschen hare kleine bezitting in orde, koos eenige
weinige boeken, kleederen en papieren uit, welke zij naar de nieuwe
woning wilde medenemen, en hulde zich vervolgens in het nog voorhanden
zijnde rouwgewaad. Toen zij verkleed uit het zijvertrek te voorschijn
trad, was Lodoiska inderdaad verbaasd over de zachte verhevenheid harer
edele gestalte. Vroeger was zij enkel beminnelijk en schoon geweest,
slechts aanvalligheid had haar voorkomen de innemende bekoorlijkheden
verleend, waardoor zij ieder zoo onwederstaanbaar boeide; thans echter
scheen zij eene treurende vorstin te zijn, zoozeer werd hare schoonheid
door de ernstige kleeding en houding, alsook door de diep smartelijke
uitdrukking harer gelaatstrekken geadeld.
Met hartelijke kussen en tranen nam Maria van de beide kleinen, met
warme dankbaarheid van beider moeder afscheid en begaf zich, het
gelaat door een zwarten sluier voor de lastige nieuwsgierige blikken
der menigte bedekt, aan de zijde harer jonge, ernstige vriendin op
weg naar hare nieuwe woning. Onder het gaan was het haar, als moest
de bewustheid haar verlaten, daar zij thans de lieve plaats vaarwel
zeide, waar zij nog voor eenige uren de stem harer moeder gehoord,
haar vriendelijk oogwenken gezien had. En nu alles zoo stil en stom en
doodsch!
In de huisdeur stond vrouw Holder met haar beide meisjes. De goede
vrouw reikte Maria nogmaals de hand, terwijl zij zich met het
voorschoot de tranen uit de oogen wischte. Anna verschool zich schuw
en treurig achter de moeder; maar de kleine Therese hief met zoet
gevlei hare armpjes naar Maria omhoog en riep: „Tante, kom toch gauw
weer te huis!”
„Spoedig, spoedig, recht dikwijls, mijn lief kind!” sprak Maria met
eene in tranen gesmoorde stem, en drukte de kleine onstuimig aan hare
borst. Eindelijk reet zij zich los en ging met rassche schreden voort,
om hare uitgeputte krachten als met geweld op te richten.