HOOFDSTUK VIII.

Terwijl Maria met angst en bezorgdheid aan het bed der kranke moeder

zat, vermoedde zij niet, dat boosheid en hebzucht samenspanden, om

haar nieuwen kommer te bereiden. Ach, en al had zij het ook geweten,

dan zoude haar toch de naaste zorg haar de meer verwijderde hebben

doen vergeten; want onder overstelpend lijden is de zwakheid der

menschelijke borst hare eenige redding, daar zij, hoe de vloeden des

jammers ook op haar mogen aandringen, slechts eene zekere mate daarvan

bevatten kan. Het overige verdwijnt in de wijde ruimte van het heelal

als de klank en het licht, die oog en oor aanraken, zonder daarin

door te dringen. Maria's innig, stom gebed was de oprichting van hare

moeder. Als een beschermende engel zat zij aan hare legerstede en

weerde alles, wat de kranke vijandig naderen kon, met zachte vastheid,

met onvermoeide volharding af. Doch in den raad des Eeuwigen was het

anders besloten.

De moeder had een geruimen tijd met een smartelijk lachje om de lippen

op het kussen achterover geleund, gelegen. Maria's opmerkzaam oog

bespeurde reeds lang een heimelijken strijd in de trekken der kranke;

herhaalde malen had zij naar de reden gevorscht en de moeder gevraagd

of zij pijn voelde, doch telkenreize had deze zulks door stomme wenken

of door een zacht neen ontkend. Thans fluisterde zij plotseling: „Mijne

dochter, ik voel.... het zal ras voorbij zijn,.... ik zal het niet

te boven komen. Een geheim voor u en Lodewijk,.... uw vader,.... de

papieren in de geheime lade mijner schrijftafel,.... ach mijne dochter,

in uw armen....!”

Na deze, met de grootste inspanning geuite woorden breidde zij hare

armen vol verlangen naar haar kind uit. Een krampachtige hoest trok

hare borst samen; zij trachtte zich met behulp van Maria, die haar

weenende omarmd hield, omhoog te richten. Deze greep, terwijl zij met

de rechterhand de moeder ondersteunde, met de linker naar de schel, die

aan het bed stond, en schelde driftig. „De dokter! de dokter!” riep zij

ademloos, toen vrouw Holder intrad, en deze ijlde haastig weder terug,

om dien te ontbieden.

„O moeder, moeder, verlaat uwe dochter niet,” dit waren de eenige

woorden, welke zij vermocht uit te brengen. De kranke was door de kramp

te benauwd om te kunnen hooren, veel minder kon zij antwoorden. Zoo

verstreken eenige minuten in den vreeselijksten angst voor Maria, die

alléén, zelve bijna hulpbehoevende, alle inspanning harer ziel noodig

had, om niet door den aanblik van het lijden der dierbare moeder en de

eigene hartverscheurende smart ongeschikt tot den bijstand te worden,

dien zij aan de kranke verleenen moest. Eindelijk nam de stuip af,

maar slechts om voor eene andere plaats te maken, die de oplossing

verhaasten moest. Een hevige bloedbraking gaf der gekwelde lucht; met

deze zwijmden hare laatste krachten en zij zeeg bleek en roerloos op

het kussen achterover.

Sidderende, een beeld der vertwijfeling, met stomme, onophoudelijk

vlietende tranen, zat Maria aan de legerstede en zag met benevelde

blikken, hoe de dierbaarste ziel welke zij op aarde bezat zich aan

het stoffelijk hulsel ontworstelde. De moeder staarde nog slechts mat

en kwijnend, maar toch met innige liefde en vriendelijkheid uit half

gebroken oogen de achterblijvende aan. De borst werd door den zachten,

slependen adem nauwelijks meer bewogen; de doodskramp wilde de lippen

smartelijk samentrekken, maar werd overwonnen door een stil lachje,

de weerglans van het namaals in de reeds brekende, sterfelijke borst.

De vlottende ziel behoorde reeds ten halve aan de zalige kringen van

eeuwig licht, waar zij haar oorspronkelijk vaderland zoude wedervinden.

Nog één mat glanzende blik der liefde, en het oog brak; Maria rees

bevende op en boog zich over het bleeke gelaat, om nog één ademtocht

op te vangen; te vergeefs, hij was ontvloden;—geen teeken des levens

was op de verstijvende trekken meer te bespeuren.

Het was beslist; zij was eene wees en stond nu eenzaam en alleen op de

wereld.

Eenige minuten zat zij versteend, alléén met de droefheid, wier

ganschen vreeselijken omvang zij nog niet overzien konde. De eersten,

die deze doodsche stilte afbraken, waren de geneesheer en vrouw Holder.

„Wij komen te laat,” riep de eerste uit, zoodra hij een vluchtigen blik

op het leger had geworpen, „ik vreesde het wel, hier was geen hulp

meer mogelijk!” Deze woorden deden Maria uit haar doffe, gevoellooze

bedwelming ontwaken. Zij richtte zich tot de bedroefde, weenende vrouw

Holder, en wilde haar stil en zacht zeggen: „Mijne moeder is dood!”

doch met ieder woord sloeg de smart heviger tonen aan en eindigde in

een luiden angstkreet, waarmede zij der toesnellende in de armen zonk.

Deze heftige gemoedsbeweging, de uitbarsting der zoolang met kracht

beteugelde gewaarwordingen, die thans de te zwakke banden doorbraken,

was echter niet van langen duur. Weldra hield de stroom der droefheid

op woest tusschen de oevers voort te bruisen, en vlood weder met

meerdere kalmte in de diepe bedding daarheen.

Maria liet zich de zorg niet ontnemen, ten minste zij wilde die niet

aan vrouw Holder alleen overlaten, om de afgestorvene op een schoon

rustbed over te brengen en haar in een eenvoudig, maar zindelijk

doodkleed te wikkelen.

Zij ontvlood hare droefheid niet, gelijk zwakke zielen gewoon zijn,

maar bekende, dat deze haar thans boven alles dierbaar, dat het haar

eenige, ware troost was, zich geheel, zoowel uit- als inwendig,

daarmede bezig te houden.

Elke diep gevoelende ziel heeft hare smart lief en smaakt dan alleen

eene weemoedige vreugde, wanneer zij zich onverdeeld daaraan kan

toewijden. Zij ontvliedt de verstrooiingen des levens, daar zij weet,

dat die schijnbeelden van vroolijkheid en geluk, waarmede men zich

kan omgeven, in zulke dagen slechts de vreugde huichelen, dat naast

deze blinkende leugen de sombere gestalte der waarheid oprijst en de

begoocheling doet wijken. Het leven toch gelijkt een spiegel; wie daar

vóór treedt, ziet slechts zich zelven; al de bekoorlijke beelden op den

achtergrond zijn enkel schijn en eeuwig ongenaakbaar voor hem, die ze

niet in den eigen boezem omdraagt.

De beide dochtertjes van de vrouw des huizes, Anna en Therese, traden

binnen toen Maria het kleeden der moeder juist voleindigd had. In witte

lakens gehuld, lag deze op de baar; het gelaat was zacht en kalm,

zonder eenige smartelijke uitdrukking; een stil glimlachje speelde om

de lippen.

De kinderen droegen een korfje met bloemen, dat de moeder haar gegeven

had, om het leger der doode daarmede op te sieren. Anna, de oudste,

zoude deze taak volbrengen, doch het arme kind snikte luid en kon geen

woord uitbrengen; Therese daarentegen riep met schuldelooze vreugde:

„Zie eens, tante, die fraaie bloemen zijn alle voor u.”

Maria beschouwde de kleinen met een weemoedig lachje. Zij kuste de

oudste en drukte haar zacht weenend aan het hart; vervolgens nam zij

de kleine Therese, die de handjes vol verlangen naar haar uitstrekte,

op den arm, liet zich door het lieve wicht met liefkozingen overladen

en verborg haar betraand gelaat in die vleiende omhelzing. Ook het

kind begon thans te weenen, daar de droefheid der anderen haar angstig

maakte. Maria bracht het met troostende woorden tot bedaren en zeide:

„Schrei niet, mijn engel, zie, ook ik ben weer vroolijk; kom, wij

willen de bloemen nemen en moeders bed bestrooien. Ziet gij wel, hoe

gerust zij slaapt?”

Het kind werd weder rustig en sprak: „Ik zal u helpen, tante.”

„Ja, dat zult gij ook, Therese, gij zult mij de bloemen toereiken.” Zij

gaf hierop aan de kleine het korfje over, die het naast zich neerzette

en haar de bloemen een voor een met de mollige handjes overgaf. Anna

hielp het leger der ontslapene daarmede versieren; het vrome werk

werd bijna zonder spreken voortgezet; slechts nu en dan maakten de

onschuldige vragen en kinderlijke uitroepen der kleine Therese een

vriendelijken wenk van Maria noodzakelijk.

De afgestorvene lag nu in een sneeuwwit gewaad, met bloemen omgeven, op

het doodbed; de laatste treurige plichten had Maria aan haar vervuld.

Stom, met neergezonken, saamgevouwen handen stond zij in ernstige

mijmering aan de baar en vestigde haar oog op het moederlijke gelaat.

Nog zweefde de adem des levens over de kalme trekken, nog was het niet

dat koude versteende masker der dooden, nog scheen zij in een zachten

sluimer verzonken te zijn, waaruit zij elk oogenblik weder ontwaken

kon. Het kwam Maria eene poos geheel onmogelijk voor, dat de band van

vereeniging nu voor altijd was afgebroken, dat dit oog haar nimmer

weder vriendelijk aanblikken, die mond haar nooit weder vriendelijke

woorden toespreken zoude. Eensklaps beving haar een hevige angst en

beklemdheid; zij moest naar buiten, moest de vrije lucht inademen.

Haastig nam zij de kinderen bij de hand en sprak: „Laat ons een weinig

in den tuin gaan, de zon schijnt zoo schoon.” Zij gingen.

Toen Maria de deur opende, stonden twee vrouwelijke gestalten voor

haar, die zij, daar de smart haar van alles vervreemdde, niet dadelijk

herkende, maar verrast en onzeker aanstaarde. Het waren de gravin en

Lodoiska, die, om de gisteren aangeknoopte kennis voort te zetten, een

eerste bezoek bij Maria en hare moeder wilden komen afleggen.

Nog meer dan Maria over de komenden, ontstelden deze op het gezicht der

bleeke, wankelende gestalte; doch die wederkeerige bevreemding duurde

slechts eenige seconden, daar het meisje op de vraag der gravin: „Mijn

God, wat is u overkomen?” met eene zwakke stem antwoordde: „Gij treedt

in een huis der droefheid! Eene wees staat voor u!” Overweldigd door

haar gevoel, zonk zij half bewusteloos in de geopende armen, welke de

gravin medelijdend naar haar uitstrekte. Met warmte drukte deze het in

stomme smart aan hare borst rustende meisje een kus op het voorhoofd

en sprak troostend: „Wees _mijne_ dochter!”—„En _mijne_ zuster!”

fluisterde Lodoiska en greep Maria's nederhangende hand.

O, hoe weldadig, hoe zacht drongen deze vertroostende stemmen van

deelnemende, gevoelige zielen, die de hemel der treurende in het

oogenblik van hare diepe eenzaamheid op aarde toezond, in het

verscheurde, bloedende hart! Hoe had dit ééne warme oogenblik den

kouden ijzeren grensmuur, dien het leven dikwijls zoolang tusschen de

menschen doet standhouden en waardoor zij somtijds voor altijd van

elkander verwijderd blijven, bijna geheel doen verdwijnen. Jaren in

gemeenzamen, onbeduidenden omgang met elkander doorgebracht, verbinden

niet zoo vast en innig, als eene enkele diep treffende ontmoeting,

waarbij de menschelijke ziel, in het verhoogde gevoel der nietigheid

van al het uiterlijke en toevallige, slechts haars gelijken zoekt en

slechts in de liefde de waarheid erkend. Op den helderen stroom der

vreugde vloeien de zielen der menschen inéén; nog inniger echter op den

donkeren vloed der smarte en des lijdens.

Zoo waren de drie vrouwen in deze weinige minuten voor haar leven

verbonden, en Maria besefte met helder inzicht de eerste zegening, die

God den mensch uit droeve rampen bereidt, deze namelijk, dat zijne

ziel rijker in en vatbaarder voor liefde wordt.—De beklemde, gejaagde

toestand, waarin zij nog immer verkeerde, vorderde, dat zij, eer zij

de nieuwe moederlijke en zusterlijke vriendinnen aan de baar bracht,

eenige malen den tuin op en neder ging, om hare kalmte te herwinnen.

Toen de ernstige, vertrouwen inboezemende toespraak der gravin en

Lodoiska's teedere zusterliefde hare treurende borst op deze wandeling

met zulk een zoeten troost vervulden, kwam het haar eensklaps als bijna

misdadig voor, dat de geringste schuilhoek van haar hart voor háár

verborgen zoude blijven, wier liefde zich op zulk een roerende wijze

openbaarde. Het besluit, aan beiden mede te deelen, wat Rasinski voor

den geliefden broeder gedaan had, werd haar eene dringende behoefte.

„Ik kan,” sprak zij en zij sloeg haar open, blauw oog vertrouwelijk

tot de gravin op, „ik kan het denkbeeld niet verdragen, dat ik eener

zoo edele vrouw half versluierd, met argwaan en achterhouding onder de

oogen treed. Gij hebt mij naar mijn broeder gevraagd: o, gij kent hem,

want in uw huis vond hij als Lodewijk Soren met zijne vriend Bernard de

liefderijkste toevlucht.”

„Hoe?” riep de gravin verbaasd; „die jonkman, die door zijn

mannelijken, ernstigen aard ons allen zoo aantrok, was dat uw broeder?”

„Hij is het; maar zulks moet het diepste geheim blijven,” sprak Maria,

en verhaalde hierop den ganschen samenhang der omstandigheden, waardoor

Lodewijk in zijn zonderlingen toestand was verplaatst geworden. Hierbij

noemde zij ook de namen St. Luces en Beaucaire, waarop de gravin, die

voor alle ontmoetingen een opmerkzaam oog had, haar dadelijk aan de

beide vreemden van gisteren herinnerde en de slechts al te gegronde

bezorgdheid te kennen gaf, dat juist deze de gevaarlijke mannen zijn

konden. Thans viel Maria ook te binnen, wat Arnheim haar gisteren

gezegd had, en dat was genoeg om haar elken twijfel te benemen. Zij

zag, na haar deze mededeeling gedaan te hebben, de gravin angstig

en vragend aan. „Men mag den moed niet verliezen,” sprak deze, „en

moet hoogst omzichtig zijn. Schoon ik, als Poolsche, den keizer der

Franschen met geestdrift vereer en Frankrijk als onzen reddenden

bondgenoot beschouw, ken ik toch alle verdrukkingen en gruwelen dier

ter beheering van vijandelijke landen gebruikte beambten, die, noch

soldaten, noch mannen van moed, ook mannelijken moed niet waardeeren

en slechts over machteloozen weten te zegepralen. Tot dezulken kunnen

uwe vijanden wellicht ook behooren. Voorzichtig dus, meidlief!—Hoe

verzendt gij uwe brieven?”

„Onder het opschrift aan den graaf Rasinski,” hervatte Maria niet

zonder te blozen.

„Goed,” vervolgde de gravin haastig, zonder op Maria's verwarring

acht te slaan; „maar misschien is dit nog niet voldoende. Geef mij

uwe brieven. Ik ken vele officieren van 't regiment, dat mijn broeder

aanvoert. Ik kan van adres verwisselen en het toch zoo inrichten dat

mijn broeder de brieven opent. Door mij dus, lieve, voert gij in het

vervolg uwe briefwisseling.”

Onder dit gesprek was men in huis teruggekeerd en Maria geleidde de

beschermster en de vriendin, welke zij gevonden had, naar het ontzielde

hulsel van haar, in wie zij beide verloor.

In diep stilzwijgen stonden de drie vrouwen om de baar. Maria leunde

zacht op de innig ontroerde Lodoiska en weende stil aan hare borst.

„Hoe vriendelijk is dat gelaat,” sprak de gravin en leide hare hand

op het voorhoofd der doode, om het haar nog een weinig op zijde te

strijken. „Hoe zacht moet de ziel uit dat lichaam gescheiden zijn! Hoe

kalm, hoe vroom, hoe rustig!”

„O zij was zacht als de avondzon!” sprak Maria; „gelijk deze ging zij

onder, en in dit kalme, vriendelijke gelaat schemert het avondrood

harer ziel uit de schoone wereld, waarin zij nu is overgegaan, nog in

deze terug. Spoedig echter zal zij in den langen, stikdonkeren nacht

neerzinken, die haar voor eeuwig aan ons oog onttrekt.”

Therese en Anna huppelden binnen en hielden een brief in de hand. Hij

was van Lodewijk; dezelfde, dien Beaucaire voor een uur met misdadige

handen geopend had.

„Van mijne broeder aan mijne moeder,” sprak Maria en barstte opnieuw

in tranen uit.—„Ach, die arme Lodewijk! Hij wist niet, dat zij,

aan wie hij zijne woorden richtte, die niet meer vernemen zal! Voor

_zijn_ leven beefden wij, daar hij door duizend gevaren omringd is,

en wie weet of hij ons beiden niet overleeft. O, dan zou ik hem

diep beklagen!——Maar neen! Zulk eene beproeving zal God ons niet

toezenden,” ging zij na eenige oogenblikken met een verhelderd gelaat

voort; „hij zal ons niet scheiden. Zijne vertroostende engelen zullen

mij staande houden, de beschermende over mijn broeder waken.”

De gravin deed thans aan Maria den voorslag, het sterfhuis te verlaten,

om met haar mede te gaan en bij haar in te wonen, ten einde niet geheel

eenzaam in de nu zoo treurige woning achter te blijven, maar eene

vertrouwde borst te hebben, waaraan zij hare droefheid kon uitweenen.

Met dankbaarheid nam de verlatene dit aan, daar zij voor den eersten

eenzamen nacht angstig terugbeefde. Lodoiska, die de smart geheel met

haar deelde, doch zich, daar zij de gezegende gaaf der mededeeling

miste, dan het minst uitte, wanneer haar hart het volst was, bleef

nog bij de nieuwe vriendin terug, om haar in eenige noodzakelijke

toebereidselen behulpzaam te zijn. De gravin begaf zich naar huis, om

aanstalten tot hare ontvangst te maken.

Maria bracht intusschen hare kleine bezitting in orde, koos eenige

weinige boeken, kleederen en papieren uit, welke zij naar de nieuwe

woning wilde medenemen, en hulde zich vervolgens in het nog voorhanden

zijnde rouwgewaad. Toen zij verkleed uit het zijvertrek te voorschijn

trad, was Lodoiska inderdaad verbaasd over de zachte verhevenheid harer

edele gestalte. Vroeger was zij enkel beminnelijk en schoon geweest,

slechts aanvalligheid had haar voorkomen de innemende bekoorlijkheden

verleend, waardoor zij ieder zoo onwederstaanbaar boeide; thans echter

scheen zij eene treurende vorstin te zijn, zoozeer werd hare schoonheid

door de ernstige kleeding en houding, alsook door de diep smartelijke

uitdrukking harer gelaatstrekken geadeld.

Met hartelijke kussen en tranen nam Maria van de beide kleinen, met

warme dankbaarheid van beider moeder afscheid en begaf zich, het

gelaat door een zwarten sluier voor de lastige nieuwsgierige blikken

der menigte bedekt, aan de zijde harer jonge, ernstige vriendin op

weg naar hare nieuwe woning. Onder het gaan was het haar, als moest

de bewustheid haar verlaten, daar zij thans de lieve plaats vaarwel

zeide, waar zij nog voor eenige uren de stem harer moeder gehoord,

haar vriendelijk oogwenken gezien had. En nu alles zoo stil en stom en

doodsch!

In de huisdeur stond vrouw Holder met haar beide meisjes. De goede

vrouw reikte Maria nogmaals de hand, terwijl zij zich met het

voorschoot de tranen uit de oogen wischte. Anna verschool zich schuw

en treurig achter de moeder; maar de kleine Therese hief met zoet

gevlei hare armpjes naar Maria omhoog en riep: „Tante, kom toch gauw

weer te huis!”

„Spoedig, spoedig, recht dikwijls, mijn lief kind!” sprak Maria met

eene in tranen gesmoorde stem, en drukte de kleine onstuimig aan hare

borst. Eindelijk reet zij zich los en ging met rassche schreden voort,

om hare uitgeputte krachten als met geweld op te richten.

1812: Historische roman · 第 57 / 154 题