HOOFDSTUK VII.

St. Luces en Beaucaire waren, in hunne woning terugkeerende, te

vermoeid, om zich over de gebeurtenissen van den dag breedvoerig te

onderhouden; den volgenden morgen echter toen de bediende Beaucaire het

ontbijt bracht, was het zijne eerste gedachte, de ontdekking, welke hij

gisteren gedaan en de menigvuldige plannen, die hij daarbij dadelijk

ontworpen had, verder te vervolgen. Hij begaf zich dus naar St. Luces,

dien hij reeds aan de schrijftafel vond, groette hem en begon: „Ik

geloof, dat wij gisteren eene gelukkige jacht gehad hebben; althans

zijn wij op het spoor van een edel wild gekomen, dat ons duizend gouden

napoleons buitgeld kan opbrengen.”

„Zeker, zeker,” hernam St. Luces met een tevreden glimlachje; „de vraag

is maar, hoe wij het voor het schot krijgen. Ik ben reeds bezig mijne

maatregelen te nemen, door naar Dresden te schrijven en de noodige

volmachten te verzoeken, om ook het bestuur hier in den arm te kunnen

nemen; wij, zoo als wij hier zijn, kunnen niets uitvoeren.”

„Dat is de weg niet, dien ik zou inslaan,” hervatte Beaucaire; „ik

vrees, hij brengt ons geen stap verder, dan wij de eerste maal gekomen

zijn. Wij hebben met bewoners van een bevriend land te doen, tegen

wie men niet met gestrengheid handelen _wil_; anders had men reeds

lang door moeder of zuster het verblijf van den broeder kunnen gewaar

worden, daar het sprookje van het duel en de volstrekte onkunde der

moeder omtrent het verblijf van den zoon toch al te ongerijmd waren, om

daaraan geloof te hechten. Maar gesteld ook, dat zij het toenmaals niet

kende, vroeger of later heeft zij het toch zeker moeten te weten komen.

Had men dat dus door de beteekenis der vrouwen _willen_ ontdekken, zoo

ware niets ter wereld gemakkelijker geweest. Ik twijfel dus, of men

ons de vereischte volmachten zal geven; en deed men het ook, zoo zou

de zaak toch licht eene hatelijke opschudding kunnen te weeg brengen,

voor wier gevolgen ik bij de verbittering, die, niettegenstaande het

bondgenootschap des keizers en zijne betrekking tot het huis van

Oostenrijk, hier nog altijd tegen ons heerscht, niet wil instaan.

Echter dunkt mij, dat er nog wel andere middelen te vinden zijn, om

achter het geheim te komen.”

„En die waren?” vroeg St. Luces opmerkzaam.

„Wij moeten slechts niet gierig zijn,” ging Beaucaire met een sluw,

boosaardig lachje voort, „en van de duizend napoleons vijftig tot

honderd door de vingers laten glippen, die de postmeester van dit

stadje verdienen zou, ingeval hij ons alle brieven, die door beide

vrouwen afgezonden worden of onder haar adres aankomen, ter vluchtige

inzage overleverde. Denkt gij niet, dat ons heet mes het zegel van een

meisjesbrief niet even goed zal losmaken, als de zorgvuldig gestempelde

staatsstukken?”

„Ik vrees slechts, dat men ons reeds herkend heeft en op zijne hoede

zal zijn!”

„Wie zou ons herkend hebben?” riep Beaucaire. „Het jonge meisje? Dat

hadden wij dadelijk moeten bemerken; maar ik ben overtuigd, dat zij

niet eens onze namen gehoord heeft, want toen wij voorgesteld werden,

was zij te ver verwijderd, en van het oogenblik af, dat ik hoorde wie

zij was, heb ik geen oog van haar afgewend.”

„Ook ik niet,” hervatte St. Luces; „maar juist aan hare houding, aan

hare blikken meen ik te hebben waargenomen, dat zij, zoo ze ons al

niet kent, dan toch eenige achterdocht tegen ons voedt, of naar eene

herinnering zoekt, waarmede zij ons in verband wil brengen.”

„En al kenden de vrouwen ons ook, wat zou ons daar nog aan gelegen

zijn?” riep Beaucaire uit.

„Zij zouden hoogst omzichtig zijn, hare brieven langs omwegen

verzenden, wellicht zelve afreizen!”

„Laat haar! Hare omzichtigheid kan zich toch slechts tot de af te

zenden, niet tot de aankomende brieven uitstrekken, en deze laatste

zullen ons in allen gevalle meer licht geven dan de eerste, die

wellicht onder een valsch adres verzonden worden. Dat toch zal de

voortvluchtige ridder wel vooreerst beschikt hebben.”

St. Luces ging nadenkend op en neder.

„En zult gij,” vroeg hij eensklaps, „niet op de domme eerlijkheid van

den duitschen beambte het hoofd stooten en ons beider goeden naam aan

de kaak stellen?”

„Ik verbeeld mij, heer baron,” hervatte Beaucaire eenigszins geraakt,

„u reeds eenige blijken gegeven te hebben, dat ik onderhandelingen

wist aan te knoopen, waarbij nog meer op het spel stond. Wanneer ben

ik zoo waanzinnig geweest ons vroeger bloot te geven, dan nadat ik van

mijne partij zeker was?—Wees volkomen gerust, laat de zaak geheel aan

mij over; ik zal wel middelen vinden, om den draad, waaruit ik den

vangstrik voor onzen avonturier hoop saam te knoopen, fijn genoeg aan

te leggen en uit te spinnen.”

St. Luces ging nog eenige malen besluiteloos het vertrek op en

neder; eindelijk reikte hij zijnen vertrouweling de hand en zeide:

„Mijnentwege dan; ik laat u begaan, ik wil u ook het grootste aandeel

der belooning laten; doe slechts wat in uw vermogen is, om den roem

van onze behendigheid staande te houden. Juist, wijl hier elk spoor

verloren scheen en men ongaarne tot in het oogloopende, de gemoederen

verbitterende dwangmiddelen de toevlucht zou nemen, is er mij veel

aan gelegen, de zaak tot een gewenscht einde te brengen, teneinde mij

daardoor tot nieuwe gewichtige ondernemingen aan te bevelen. Wij zijn

nauw met elkander verbonden, vriend, want gij volgt mijne loopbaan

schrede voor schrede. Klim ik opwaarts, dan neemt gij de plaats in,

die ik openlaat, en gij kunt er op rekenen, dat ik u de hand zal

toereiken om u op te trekken, eer iemand anders zich daar tusschen kan

dringen.—Nog eens, ik geef de zaak geheel aan u over, maar trek mij

ook geheel terug, wanneer zij eene onaangename wending mocht nemen.”

„Laat alles vrij op mij aankomen,” riep Beaucaire met eene nederige

buiging; „ik haast mij het net uit te werpen, want wij hebben geen

minuut te verliezen.”

Met deze woorden nam hij afscheid en keerde naar zijne kamer terug,

om zich te kleeden. Hierop begaf hij zich op weg, om zijne taak te

beginnen.

Zijn eerste werk was in een koffiehuis te gaan, om op de badlijst de

woning der vrouwen, welke hij zoo arglistig wilde omspinnen, op te

zoeken. Tevens knoopte hij een gesprek met eenige burgers aan, ten

einde met het karakter van den postmeester eenigszins bekend te worden;

wat hij hoorde, scheen zijne plannen uitermate te begunstigen.

Hij ging derhalve welgemoed naar het postkantoor om zijne

onderhandelingen aan te knoopen. Tot zijn verdriet moest hij vernemen,

dat de postmeester dezen zelfden morgen naar Dresden was vertrokken en

er misschien veertien dagen zoude vertoeven. Dit naricht werd hem door

een ouden schrijver gegeven, in wiens grijnzende trekken en fonkelende

groene oogen Beaucaire een zeker iets waande te lezen, waarvan hij zich

den besten uitslag voorspelde.

„Gij neemt waarschijnlijk de zaken inmiddels waar, mijnheer?” vroeg

hij beleefd, „en wellicht kan ik mij tot u wenden om een dienst te

verzoeken, waarvoor ik zeer dankbaar zijn zoude?” Bij deze woorden

schudde hij den oude vriendschappelijk de hand en liet met behendigheid

eenige goudstukken daarin nederglijden. Dit placht Beaucaire's

doorgaande proefneming te zijn, wanneer hij den grond dien hij betreden

wilde vooraf moest onderzoeken. Hij gaf, eer hij zeide waarvoor; wie in

zulke gevallen aanneemt, zonder te weten of men werkelijk zijne moeite

beloonen, dan slechts zijn geweten met goud tot zwijgen wil brengen,

verraadt daardoor reeds, dat zijne rechtschapenheid te overwinnen is.

Intusschen ging Beaucaire ook nog verder met behoedzaamheid te werk;

hij verzocht eerst om de vroegere uitlevering zijner eigen brieven en

gaf vervolgens, daar de oude zich gedurig geldzuchtiger toonde, al

duidelijker en duidelijker zijne eigenlijke begeerte te kennen. Nog had

hij zich niet volmondig verklaard, toen beiden door de aankomst van de

brievenmaal gestoord werden. De beambte opende de lijst, waarop de

adressen der aangekomen brieven waren aangeteekend; ook Beaucaire wierp

een vluchtigen blik daarop, en las, door het toeval geleid, den naam

Rosen.

Als een valk op de duif, schoot zijn roofgierige ijver op deze

ontdekking los. De brandende begeerte, om den brief machtig te worden,

deed hem zijne bedachtzaamheid een oogenblik uit het oog verliezen en

driftig, maar fluisterend vragen: „Wilt gij mij dezen brief voor een

kwartier overlaten, zoo zijn twintig goudstukken de uwe.” Tegelijk

tastte hij in zijn zak, om het geld over te geven. De beambte hield

zich alsof hij niets gehoord had, schoof den brief zachtkens ter

zijde, ontving het geld met een heimelijken handdruk en tuurde met de

grootste oplettendheid op het aktenstuk, dat nevens hem op de tafel

lag. Beaucaire verstond dien wenk, greep haastig toe en maakte zich van

den brief meester. Met verbazing zag hij aan het postmerk, dat hij uit

het hoofdkwartier kwam. Onverwijld ijlde hij naar huis, trad met een

triomfeerend gelaat in St. Luces' kamer en sprak: „Wat nu, heer baron,

indien ik reeds de overwinning in de hand had, indien de sleutel van

het geheim reeds mijn ware!”

„Onmogelijk!” riep deze en sprong driftig op. Beaucaire reikte hem den

brief over; St. Luces las verbaasd het opschrift.

„Nu? Wat zegt gij? Deze brief zal ons dan toch wel eenig uitsluitsel

geven?”

„Hoe zoo?” zeide St. Luces.

„Slechts geduld, wij zullen dadelijk zekerheid hebben,” hervatte

Beaucaire en maakte zich gereed, den brief te openen. „Ziedaar dan!”

juichte hij, met van boosaardige vreugde tintelende oogen, toen hij het

blad uit den omslag getrokken en ontvouwd had: „„Uw getrouwe L.” de

onderteekening.—Zijn dat sporen? Hebben wij den draad in handen?”

„Gij zijt inderdaad zeer gelukkig geweest,” sprak St. Luces; „echter

zal uwe ontdekking ons weinig baten, want de vluchteling heeft

zekerlijk een valschen naam aangenomen, de armee is een half millioen

sterk en onder die menigte juist hem op te sporen, dien wij zoeken,

tegen hem vervolgingen in het werk te stellen,—dat alles vereischt

zulk een wijdloopigen omslag, dat ik er weinig geneigdheid toe gevoel.”

„Mijne ontdekking is zóó gelukkig,” hernam Beaucaire, „en ik ben zóó

verheugd over de wijze, waarop ik bij den postmeester geslaagd ben, dat

ik mij voorloopig daarmede tevreden stel. Wie weet echter, of de inhoud

van den brief ons nog niet uitvoeriger berichten geeft.”

Hij zette zich neder en doorliep vluchtig den inhoud. Zijne trekken

teekenden gestadig meer voldaanheid, drukten eene steeds toenemende

boosaardige vreugde uit. Bij het slot riep hij: „Er blijft ons niets te

wenschen over; want uit dit schrijven laat zich met zekerheid opmaken,

dat de beide vluchtelingen bij de armee, en wel hoogstwaarschijnlijk

bij het regiment van den graaf Rasinski staan. Ofschoon geen enkele

naam in dezen brief voluit geschreven is, behoeft iemand, die de

plaatsing der regimenten kent, geen oogenblik meer te twijfelen. Wij

hebben dus niets meer te doen dan voor de aangifte te zorgen, en

hoogstens hier nog de namen uit te vorschen, welke beide jongelieden

vermoedelijk hebben aangenomen om onbekend te blijven. Bij mijne

tegenwoordige betrekking met den postbediende is niets gemakkelijker,

want wij behoeven slechts het antwoord af te wachten.”

St. Luces was inwendig hevig geërgerd, dat Beaucaire in deze ontdekking

zoo voorspoedig geslaagd was, want de verdienste daarvan aan hem toe

te schrijven, daartoe gevoelde hij niet de geringste neiging. Hij

was echter listig genoeg, om uiterlijk hoegenaamd niets van zijne

innerlijke gevoelens te doen blijken. Met rassche schreden wandelde hij

de kamer op en neder en trachtte zich het voorkomen te geven, alsof de

ijver, die men thans in het vervolgen der ontdekking moest aanwenden,

hem geheel bezig hield. Heimelijk intusschen koesterde hij geheel

andere gedachten, die op een tweeledig doel uitliepen. Tot welken prijs

ook, wilde hij Beaucaire's ontdekking verijdelen, het liefst echter

die aan zijne eigene belangen dienstbaar maken. Met het vriendelijkste

gelaat van de wereld overstelpte hij hem dus met lofspraken, om hem

daardoor elken argwaan te benemen. „Ik moet aan uwe talenten volle

recht laten wedervaren, mijn lieve Beaucaire,” sprak hij. „Gij hebt in

deze zaak met eene scherpzinnigheid en bedachtzaamheid gehandeld, die

waarlijk voorbeeldeloos zijn. Gaarne beken ik, dat ik in het eerste

oogenblik een kleine opwelling van verdrietelijkheid gevoelde, die nijd

op uwe meesterlijke uitvoering van den gelukkigen inval in mij deed

levendig worden. Beschouw dezen kleinen naijver, dien ik nu geheel

bedwongen heb, als de waarachtigste lofspraak op uwe verdienste; zij is

wellicht ook de vleiendste.”

Gelijk de sluwheid van alle schurken niet dan tot eene zekere hoogte

gaat en het gansche kunstige weefsel hunner verstandsberekeningen

eigenlijk slechts in eene verlengde domheid bestaat, daar de vaste

grondslagen der rede en dus ook der zedelijkheid daaraan ontbreken,

zoo vond ook Beaucaire's scherpzinnigheid hier hare grenzen, vermits

zijne ijdelheid hem het oog verblindde, waarmede hij anders de dingen

uit het juiste gezichtspunt wist te beschouwen, zonder zich licht

door een valschen schijn te laten misleiden. St. Luces bezat echter

ook in eene hooge mate de kunst, zijne gelaatstrekken in elke plooi

te leggen, om den overtuigenden toon der welmeenende waarheid aan te

nemen en daardoor zelfs hen te bedriegen, die reeds getuigen geweest

waren, hoe hij die zelfde wapenen tegen anderen gebruikt had. Beaucaire

kon niet nalaten, nog een tijd lang praalzuchtig, hoewel met de

uitdrukking en vormen der bescheidenheid, op zijne geslepenheid en de

snelle uitvoering van zijn heerlijken inval terug te komen. St. Luces'

ongelijk scherpzichtiger blik drong tot den bodem van zijn hart door;

des te veiliger kon deze hem dus in zijne verblinding versterken en hem

door de vleiendste verzekeringen in slaap wiegen.

Daar in deze aangelegenheid voorloopig niets verder te ondernemen was

en men vóór alles den brief aan het postkantoor moest terugbezorgen,

wilde men in het vervolg niet van deze hulpbron verstoken zijn, nam

Beaucaire dit laatste op zich en ijlde, nadat hij den omslag weder

verzegeld had, naar den beambte, aan wien hij het toevertrouwde pand

onopgemerkt overhandigde.

St. Luces bleef in gedachten verzonken aan het venster staan en

overlegde, hoe het aan te leggen, om de pogingen van zijn lastigen

mededinger te verijdelen en tevens de verdiensten van diens ontdekking

zich zelf toe te eigenen.

1812: Historische roman · 第 56 / 154 题