St. Luces en Beaucaire waren, in hunne woning terugkeerende, te
vermoeid, om zich over de gebeurtenissen van den dag breedvoerig te
onderhouden; den volgenden morgen echter toen de bediende Beaucaire het
ontbijt bracht, was het zijne eerste gedachte, de ontdekking, welke hij
gisteren gedaan en de menigvuldige plannen, die hij daarbij dadelijk
ontworpen had, verder te vervolgen. Hij begaf zich dus naar St. Luces,
dien hij reeds aan de schrijftafel vond, groette hem en begon: „Ik
geloof, dat wij gisteren eene gelukkige jacht gehad hebben; althans
zijn wij op het spoor van een edel wild gekomen, dat ons duizend gouden
napoleons buitgeld kan opbrengen.”
„Zeker, zeker,” hernam St. Luces met een tevreden glimlachje; „de vraag
is maar, hoe wij het voor het schot krijgen. Ik ben reeds bezig mijne
maatregelen te nemen, door naar Dresden te schrijven en de noodige
volmachten te verzoeken, om ook het bestuur hier in den arm te kunnen
nemen; wij, zoo als wij hier zijn, kunnen niets uitvoeren.”
„Dat is de weg niet, dien ik zou inslaan,” hervatte Beaucaire; „ik
vrees, hij brengt ons geen stap verder, dan wij de eerste maal gekomen
zijn. Wij hebben met bewoners van een bevriend land te doen, tegen
wie men niet met gestrengheid handelen _wil_; anders had men reeds
lang door moeder of zuster het verblijf van den broeder kunnen gewaar
worden, daar het sprookje van het duel en de volstrekte onkunde der
moeder omtrent het verblijf van den zoon toch al te ongerijmd waren, om
daaraan geloof te hechten. Maar gesteld ook, dat zij het toenmaals niet
kende, vroeger of later heeft zij het toch zeker moeten te weten komen.
Had men dat dus door de beteekenis der vrouwen _willen_ ontdekken, zoo
ware niets ter wereld gemakkelijker geweest. Ik twijfel dus, of men
ons de vereischte volmachten zal geven; en deed men het ook, zoo zou
de zaak toch licht eene hatelijke opschudding kunnen te weeg brengen,
voor wier gevolgen ik bij de verbittering, die, niettegenstaande het
bondgenootschap des keizers en zijne betrekking tot het huis van
Oostenrijk, hier nog altijd tegen ons heerscht, niet wil instaan.
Echter dunkt mij, dat er nog wel andere middelen te vinden zijn, om
achter het geheim te komen.”
„En die waren?” vroeg St. Luces opmerkzaam.
„Wij moeten slechts niet gierig zijn,” ging Beaucaire met een sluw,
boosaardig lachje voort, „en van de duizend napoleons vijftig tot
honderd door de vingers laten glippen, die de postmeester van dit
stadje verdienen zou, ingeval hij ons alle brieven, die door beide
vrouwen afgezonden worden of onder haar adres aankomen, ter vluchtige
inzage overleverde. Denkt gij niet, dat ons heet mes het zegel van een
meisjesbrief niet even goed zal losmaken, als de zorgvuldig gestempelde
staatsstukken?”
„Ik vrees slechts, dat men ons reeds herkend heeft en op zijne hoede
zal zijn!”
„Wie zou ons herkend hebben?” riep Beaucaire. „Het jonge meisje? Dat
hadden wij dadelijk moeten bemerken; maar ik ben overtuigd, dat zij
niet eens onze namen gehoord heeft, want toen wij voorgesteld werden,
was zij te ver verwijderd, en van het oogenblik af, dat ik hoorde wie
zij was, heb ik geen oog van haar afgewend.”
„Ook ik niet,” hervatte St. Luces; „maar juist aan hare houding, aan
hare blikken meen ik te hebben waargenomen, dat zij, zoo ze ons al
niet kent, dan toch eenige achterdocht tegen ons voedt, of naar eene
herinnering zoekt, waarmede zij ons in verband wil brengen.”
„En al kenden de vrouwen ons ook, wat zou ons daar nog aan gelegen
zijn?” riep Beaucaire uit.
„Zij zouden hoogst omzichtig zijn, hare brieven langs omwegen
verzenden, wellicht zelve afreizen!”
„Laat haar! Hare omzichtigheid kan zich toch slechts tot de af te
zenden, niet tot de aankomende brieven uitstrekken, en deze laatste
zullen ons in allen gevalle meer licht geven dan de eerste, die
wellicht onder een valsch adres verzonden worden. Dat toch zal de
voortvluchtige ridder wel vooreerst beschikt hebben.”
St. Luces ging nadenkend op en neder.
„En zult gij,” vroeg hij eensklaps, „niet op de domme eerlijkheid van
den duitschen beambte het hoofd stooten en ons beider goeden naam aan
de kaak stellen?”
„Ik verbeeld mij, heer baron,” hervatte Beaucaire eenigszins geraakt,
„u reeds eenige blijken gegeven te hebben, dat ik onderhandelingen
wist aan te knoopen, waarbij nog meer op het spel stond. Wanneer ben
ik zoo waanzinnig geweest ons vroeger bloot te geven, dan nadat ik van
mijne partij zeker was?—Wees volkomen gerust, laat de zaak geheel aan
mij over; ik zal wel middelen vinden, om den draad, waaruit ik den
vangstrik voor onzen avonturier hoop saam te knoopen, fijn genoeg aan
te leggen en uit te spinnen.”
St. Luces ging nog eenige malen besluiteloos het vertrek op en
neder; eindelijk reikte hij zijnen vertrouweling de hand en zeide:
„Mijnentwege dan; ik laat u begaan, ik wil u ook het grootste aandeel
der belooning laten; doe slechts wat in uw vermogen is, om den roem
van onze behendigheid staande te houden. Juist, wijl hier elk spoor
verloren scheen en men ongaarne tot in het oogloopende, de gemoederen
verbitterende dwangmiddelen de toevlucht zou nemen, is er mij veel
aan gelegen, de zaak tot een gewenscht einde te brengen, teneinde mij
daardoor tot nieuwe gewichtige ondernemingen aan te bevelen. Wij zijn
nauw met elkander verbonden, vriend, want gij volgt mijne loopbaan
schrede voor schrede. Klim ik opwaarts, dan neemt gij de plaats in,
die ik openlaat, en gij kunt er op rekenen, dat ik u de hand zal
toereiken om u op te trekken, eer iemand anders zich daar tusschen kan
dringen.—Nog eens, ik geef de zaak geheel aan u over, maar trek mij
ook geheel terug, wanneer zij eene onaangename wending mocht nemen.”
„Laat alles vrij op mij aankomen,” riep Beaucaire met eene nederige
buiging; „ik haast mij het net uit te werpen, want wij hebben geen
minuut te verliezen.”
Met deze woorden nam hij afscheid en keerde naar zijne kamer terug,
om zich te kleeden. Hierop begaf hij zich op weg, om zijne taak te
beginnen.
Zijn eerste werk was in een koffiehuis te gaan, om op de badlijst de
woning der vrouwen, welke hij zoo arglistig wilde omspinnen, op te
zoeken. Tevens knoopte hij een gesprek met eenige burgers aan, ten
einde met het karakter van den postmeester eenigszins bekend te worden;
wat hij hoorde, scheen zijne plannen uitermate te begunstigen.
Hij ging derhalve welgemoed naar het postkantoor om zijne
onderhandelingen aan te knoopen. Tot zijn verdriet moest hij vernemen,
dat de postmeester dezen zelfden morgen naar Dresden was vertrokken en
er misschien veertien dagen zoude vertoeven. Dit naricht werd hem door
een ouden schrijver gegeven, in wiens grijnzende trekken en fonkelende
groene oogen Beaucaire een zeker iets waande te lezen, waarvan hij zich
den besten uitslag voorspelde.
„Gij neemt waarschijnlijk de zaken inmiddels waar, mijnheer?” vroeg
hij beleefd, „en wellicht kan ik mij tot u wenden om een dienst te
verzoeken, waarvoor ik zeer dankbaar zijn zoude?” Bij deze woorden
schudde hij den oude vriendschappelijk de hand en liet met behendigheid
eenige goudstukken daarin nederglijden. Dit placht Beaucaire's
doorgaande proefneming te zijn, wanneer hij den grond dien hij betreden
wilde vooraf moest onderzoeken. Hij gaf, eer hij zeide waarvoor; wie in
zulke gevallen aanneemt, zonder te weten of men werkelijk zijne moeite
beloonen, dan slechts zijn geweten met goud tot zwijgen wil brengen,
verraadt daardoor reeds, dat zijne rechtschapenheid te overwinnen is.
Intusschen ging Beaucaire ook nog verder met behoedzaamheid te werk;
hij verzocht eerst om de vroegere uitlevering zijner eigen brieven en
gaf vervolgens, daar de oude zich gedurig geldzuchtiger toonde, al
duidelijker en duidelijker zijne eigenlijke begeerte te kennen. Nog had
hij zich niet volmondig verklaard, toen beiden door de aankomst van de
brievenmaal gestoord werden. De beambte opende de lijst, waarop de
adressen der aangekomen brieven waren aangeteekend; ook Beaucaire wierp
een vluchtigen blik daarop, en las, door het toeval geleid, den naam
Rosen.
Als een valk op de duif, schoot zijn roofgierige ijver op deze
ontdekking los. De brandende begeerte, om den brief machtig te worden,
deed hem zijne bedachtzaamheid een oogenblik uit het oog verliezen en
driftig, maar fluisterend vragen: „Wilt gij mij dezen brief voor een
kwartier overlaten, zoo zijn twintig goudstukken de uwe.” Tegelijk
tastte hij in zijn zak, om het geld over te geven. De beambte hield
zich alsof hij niets gehoord had, schoof den brief zachtkens ter
zijde, ontving het geld met een heimelijken handdruk en tuurde met de
grootste oplettendheid op het aktenstuk, dat nevens hem op de tafel
lag. Beaucaire verstond dien wenk, greep haastig toe en maakte zich van
den brief meester. Met verbazing zag hij aan het postmerk, dat hij uit
het hoofdkwartier kwam. Onverwijld ijlde hij naar huis, trad met een
triomfeerend gelaat in St. Luces' kamer en sprak: „Wat nu, heer baron,
indien ik reeds de overwinning in de hand had, indien de sleutel van
het geheim reeds mijn ware!”
„Onmogelijk!” riep deze en sprong driftig op. Beaucaire reikte hem den
brief over; St. Luces las verbaasd het opschrift.
„Nu? Wat zegt gij? Deze brief zal ons dan toch wel eenig uitsluitsel
geven?”
„Hoe zoo?” zeide St. Luces.
„Slechts geduld, wij zullen dadelijk zekerheid hebben,” hervatte
Beaucaire en maakte zich gereed, den brief te openen. „Ziedaar dan!”
juichte hij, met van boosaardige vreugde tintelende oogen, toen hij het
blad uit den omslag getrokken en ontvouwd had: „„Uw getrouwe L.” de
onderteekening.—Zijn dat sporen? Hebben wij den draad in handen?”
„Gij zijt inderdaad zeer gelukkig geweest,” sprak St. Luces; „echter
zal uwe ontdekking ons weinig baten, want de vluchteling heeft
zekerlijk een valschen naam aangenomen, de armee is een half millioen
sterk en onder die menigte juist hem op te sporen, dien wij zoeken,
tegen hem vervolgingen in het werk te stellen,—dat alles vereischt
zulk een wijdloopigen omslag, dat ik er weinig geneigdheid toe gevoel.”
„Mijne ontdekking is zóó gelukkig,” hernam Beaucaire, „en ik ben zóó
verheugd over de wijze, waarop ik bij den postmeester geslaagd ben, dat
ik mij voorloopig daarmede tevreden stel. Wie weet echter, of de inhoud
van den brief ons nog niet uitvoeriger berichten geeft.”
Hij zette zich neder en doorliep vluchtig den inhoud. Zijne trekken
teekenden gestadig meer voldaanheid, drukten eene steeds toenemende
boosaardige vreugde uit. Bij het slot riep hij: „Er blijft ons niets te
wenschen over; want uit dit schrijven laat zich met zekerheid opmaken,
dat de beide vluchtelingen bij de armee, en wel hoogstwaarschijnlijk
bij het regiment van den graaf Rasinski staan. Ofschoon geen enkele
naam in dezen brief voluit geschreven is, behoeft iemand, die de
plaatsing der regimenten kent, geen oogenblik meer te twijfelen. Wij
hebben dus niets meer te doen dan voor de aangifte te zorgen, en
hoogstens hier nog de namen uit te vorschen, welke beide jongelieden
vermoedelijk hebben aangenomen om onbekend te blijven. Bij mijne
tegenwoordige betrekking met den postbediende is niets gemakkelijker,
want wij behoeven slechts het antwoord af te wachten.”
St. Luces was inwendig hevig geërgerd, dat Beaucaire in deze ontdekking
zoo voorspoedig geslaagd was, want de verdienste daarvan aan hem toe
te schrijven, daartoe gevoelde hij niet de geringste neiging. Hij
was echter listig genoeg, om uiterlijk hoegenaamd niets van zijne
innerlijke gevoelens te doen blijken. Met rassche schreden wandelde hij
de kamer op en neder en trachtte zich het voorkomen te geven, alsof de
ijver, die men thans in het vervolgen der ontdekking moest aanwenden,
hem geheel bezig hield. Heimelijk intusschen koesterde hij geheel
andere gedachten, die op een tweeledig doel uitliepen. Tot welken prijs
ook, wilde hij Beaucaire's ontdekking verijdelen, het liefst echter
die aan zijne eigene belangen dienstbaar maken. Met het vriendelijkste
gelaat van de wereld overstelpte hij hem dus met lofspraken, om hem
daardoor elken argwaan te benemen. „Ik moet aan uwe talenten volle
recht laten wedervaren, mijn lieve Beaucaire,” sprak hij. „Gij hebt in
deze zaak met eene scherpzinnigheid en bedachtzaamheid gehandeld, die
waarlijk voorbeeldeloos zijn. Gaarne beken ik, dat ik in het eerste
oogenblik een kleine opwelling van verdrietelijkheid gevoelde, die nijd
op uwe meesterlijke uitvoering van den gelukkigen inval in mij deed
levendig worden. Beschouw dezen kleinen naijver, dien ik nu geheel
bedwongen heb, als de waarachtigste lofspraak op uwe verdienste; zij is
wellicht ook de vleiendste.”
Gelijk de sluwheid van alle schurken niet dan tot eene zekere hoogte
gaat en het gansche kunstige weefsel hunner verstandsberekeningen
eigenlijk slechts in eene verlengde domheid bestaat, daar de vaste
grondslagen der rede en dus ook der zedelijkheid daaraan ontbreken,
zoo vond ook Beaucaire's scherpzinnigheid hier hare grenzen, vermits
zijne ijdelheid hem het oog verblindde, waarmede hij anders de dingen
uit het juiste gezichtspunt wist te beschouwen, zonder zich licht
door een valschen schijn te laten misleiden. St. Luces bezat echter
ook in eene hooge mate de kunst, zijne gelaatstrekken in elke plooi
te leggen, om den overtuigenden toon der welmeenende waarheid aan te
nemen en daardoor zelfs hen te bedriegen, die reeds getuigen geweest
waren, hoe hij die zelfde wapenen tegen anderen gebruikt had. Beaucaire
kon niet nalaten, nog een tijd lang praalzuchtig, hoewel met de
uitdrukking en vormen der bescheidenheid, op zijne geslepenheid en de
snelle uitvoering van zijn heerlijken inval terug te komen. St. Luces'
ongelijk scherpzichtiger blik drong tot den bodem van zijn hart door;
des te veiliger kon deze hem dus in zijne verblinding versterken en hem
door de vleiendste verzekeringen in slaap wiegen.
Daar in deze aangelegenheid voorloopig niets verder te ondernemen was
en men vóór alles den brief aan het postkantoor moest terugbezorgen,
wilde men in het vervolg niet van deze hulpbron verstoken zijn, nam
Beaucaire dit laatste op zich en ijlde, nadat hij den omslag weder
verzegeld had, naar den beambte, aan wien hij het toevertrouwde pand
onopgemerkt overhandigde.
St. Luces bleef in gedachten verzonken aan het venster staan en
overlegde, hoe het aan te leggen, om de pogingen van zijn lastigen
mededinger te verijdelen en tevens de verdiensten van diens ontdekking
zich zelf toe te eigenen.