De morgen daagde reeds, toen Maria de kleine tuindeur weder binnentrad,
waarvan zij den sleutel had medegenomen, om, zonder iemand te storen,
hare slaapkamer te kunnen bereiken. 't Verwonderde haar, in het vertrek
harer moeder nog licht te zien. Voorzichtig sloop zij nader en gluurde
door het met wijnranken begroeide venster naar binnen. De nachtlamp
brandde; het lichtschijnsel wierp eene donkere schaduw op het bed
en daarvóór, in een leunstoel, zat eene vrouwelijke gestalte, wier
gelaatstrekken zij niet onderscheiden kon. Eene angstige rilling liep
haar bij dit gezicht over de leden en deed haar de knieën knikken,
zoodat het haar bijna onmogelijk was zich staande te houden en in
huis te gaan. Was de moeder plotselijk zoo verergerd? Was haar eenig
onheil bejegend? Door deze gedachten gepijnigd, wankelde zij naar hare
kamer en opende behoedzaam de deur van het vertrek der moeder. Toen
zij binnentrad, ontwaakte vrouw Holder, want deze was het die in den
leunstoel zat, uit de lichte sluimering, welke haar had overvallen;
zij herkende Maria dadelijk en wenkte haar met den vinger op den mond
stilte toe, terwijl zij met de andere hand op de rustende kranke wees.
Maria bleef in bange verwachting aan de deur staan; vrouw Holder kwam
haar op de teenen tegemoet en volgde haar in het nevenvertrek.
„Om Gods wil, wat deert mijne moeder?” vroeg zij, zoodra de deur
gesloten was, met bevende stem.
„Beangstig u niet te zeer, lieve juffer,” antwoordde de huisvrouw
geruststellend; „het toeval zal geen gevolgen hebben. Dezen morgen,
toen mevrouw zich, door mij geleid, met vele andere brongasten op de
groote wandelplaats bevond, werd er eensklaps geroepen: een dolle
hond, een dolle hond! Alles liep verward dooreen en zocht toevlucht
in de naaste huizen. Ook wij liepen zoo hard wij konden, om een huis
te bereiken. Plotseling hoorden wij achter ons een luid geschreeuw,
en toen wij omzagen ontdekten wij inderdaad, dat het woedende dier
in dezelfde richting kwam aanstuiven, die wij hadden ingeslagen.
Hevig ontsteld vlogen wij zijwaarts, de kleine hoogte op, naar de
kastanjeboomen toe. Wij bereikten ze gelukkig; het dolle dier vloog ons
strijkelings voorbij en op de stad aan, waar het ook is doodgeschoten.
Inspanning en schrik hadden ons evenwel geheel buiten adem gebracht, en
vooral uwe moeder klaagde over pijn in de borst, dat is de reden van
hare onpasselijkheid.”
Bevende, beurtelings gloeiend en verbleekend, had Maria het verhaal
aangehoord. Thans, nu het geëindigd was, schepte zij weder adem en
zei met kalmte: „Zeg mij alles, lieve vrouw Holder, alles, volstrekt
alles. Ik moet het immers weten, als ik mijne moeder wil oppassen!
Is de dokter hier geweest? Wat heeft hij voorgeschreven?”—Onder het
spreken verloor zij hare met moeite verkregene bedaardheid weder, want
gestadig meer beangstigende voorstellingen rezen onder deze vragen in
hare ziel op.
„Zekerlijk hebben wij dadelijk naar den dokter gezonden,” antwoordde
vrouw Holder; „hij heeft vooral rust aanbevolen, toen hij hoorde, dat
de zieke een weinig bloed had opgegeven.”
„Eene bloedspuwing!” riep Maria, door dat verschrikkelijk woord
verpletterd. „Almachtige God, ook dat nog!”
Het was te veel voor hare krachten; de gansche vrouwelijke sterkte
harer ziel was door dezen onverhoedschen slag als verlamd. Daar zij
de kwaal harer moeder kende, kon zij het gevaar in zijn vollen,
vreeselijken omgang beseffen. Zij moest zich door vrouw Holder naar
een stoel laten leiden, waarop zij uitgeput neerzeeg. „Wees niet al
te bezorgd,” sprak deze, „de geneesheer heeft de beste hoop gegeven.
Slechts de meest mogelijke rust heeft hij ons aanbevolen, opdat het
toeval niet terugkeere. Ga daarom rustig slapen, ik zal wel verder
bij de zieke waken. Zij weet nu eenmaal, dat ik bij haar ben, en zou
wellicht schrikken, wanneer zij u eensklaps bij haar bed zag. Bovendien
heb ik haar plechtig moeten beloven, u bij uwe terugkomst niet het
minste van het gebeurde te zeggen, daar morgen alles toch wel weer
geschikt zal zijn en gij u dan noodeloos zoudt bekommerd hebben. Dat
dorst ik echter niet zoo geheel op mij nemen. Maar nu moet gij toch
vooral stil en bedaard in uwe kamer blijven en u rustig neerleggen;
want anders zoudt gij zelve ziek worden. Gij moet doodelijk vermoeid
zijn van het lange rijden en wandelen.”
Maria was inderdaad vermoeid; evenwel zou zij krachten genoeg
hebben gehad, om ook deze nieuwe inspanning te verdragen, wanneer
de plotselinge schrik haar niet zoo hevig had aangegrepen. Thans
echter moest zij zelve bekennen, dat de opgewonden toestand, waarin
zij verkeerde, haar tot de behoorlijke verpleging der kranke geheel
ongeschikt maakte, en het was hierom dan ook, dat zij besloot, de
welgemeende aanbieding der huisvrouw aan te nemen, die er met ernst
en liefderijke deelneming op aan bleef dringen, dat zij zich ten
minste voor eenige uren ter rust zoude begeven. Zij legde zich te bed,
schoon overtuigd, dat geen zachte slaap haar verkwikken zou; nochtans
had de groote vermoeidheid van het lichaam, verbonden met de hevige
afmatting der ziel, eene zoodanige ontspanning harer krachten ten
gevolge, dat zij in eene soort van bedwelming wegzonk, gedurende welke
de onstuimigheid harer gemoedsbewegingen, door de macht der natuur
overwonnen, tot kalmte werd gebracht. Zoo kreeg ook het lichaam de
noodige verkwikking, die zij zich vrijwillig niet zoude vergund hebben.
Na eenige uren trad vrouw Holder aan hare legerstede en deed haar uit
hare lichte sluimering ontwaken.
Haastig rees zij op, kleedde zich vluchtig aan en trad in het vertrek
der kranke. Met vastheid had zij zich voorgenomen hare gewaarwordingen
in toom te houden en hare bange bekommeringen op geenerlei wijze te
verraden.
„Goeden morgen, beste moeder,” sprak zij op fluisterenden toon; „hoe
gaat het u? Voelt gij u iets beter?”
De zieke vertoonde in de zachte trekken van haar gelaat de onmiskenbare
uitdrukking van die kalme gelatenheid in 't lijden, waarmede zij sinds
lange jaren alle schijnbaar harde slagen van het lot met christelijke
onderwerping had gedragen, zonder ooit het goede voorbij te zien, dat
haar door dezelfde hand werd toegezonden.
Vriendelijk, doch zonder te spreken, lachte zij hare dochter toe en
bood haar de op het dek rustende hand door een langzaam omwenden en
openen aan, daar zij de kracht niet had, die op te heffen. Met het
scherpziend oog der bezorgde kinderlijke liefde, doorzag Maria alras
het lichte waas van kalmte en rust, waaronder de moeder haren waren
toestand trachtte te verbergen. Bij den eersten aanblik reeds van dat
lieve, lijdende wezen drong zich de verpletterende waarheid aan haar
op: zij is voor u verloren! Het matte oog, de bleeke lippen spraken te
duidelijk, ook zonder die stomme begroeting, dat haperen der taal, dat
der anders zoo vriendelijke moeder zoo smartelijk moest vallen. Haar
hart dreigde te breken onder den last van dezen nieuwen jammer, die
haar werd opgelegd; maar zij behield hare uiterlijke bedaardheid en
haar mond glimlachte, terwijl hare borst door de grievendste smart werd
verscheurd.
„Mijn lieve, goede moeder,” sprak zij; „terwijl ik den dag in
onbezorgde vreugde en lichtzinnigheid doorbracht, moest u zulk een
vreeselijk onheil treffen en u in den korten tijd, die tot herstelling
van uw zwak lichaam bestemd was, een nieuw lijden veroorzaken! Maar ik
vertrouw zeker, dat het even spoedig zal voorbijgaan als het onverhoeds
is opgekomen. Blijf slechts bedaard, antwoord mij nergens op, troost
mij niet, vraag mij niets, ik kan alles, wat u ontbreekt, wat gij
wenscht, in uwe oogen lezen, en mijne liefde zal raden, wat gij niet
door wenken kunt uitdrukken.”
Tegelijk beijverde zij zich, het afgegleden kussen weder te recht te
leggen, ten einde de beklemde borst daardoor eene vrijer ademhaling te
verschaffen. Vervolgens vulde zij een kopje met thee, die de arts had
aanbevolen, en bracht het, bij kleine tusschenpoozen, aan de lippen
der kranke. Toen deze gedronken had, vroeg zij: „Zal ik u voorlezen,
moeder?” Een matte oogwenk was voldoende, om haar het boek te doen
halen, waarin hare moeder gewoon was te lezen. Met eene zachte, maar
vaste stem begon zij hare ernstige bezigheid. De gemoedelijke geest,
de kinderlijke gezindheid, die in het gansche werk doorstraalden,
versterkten ook haar neergebogen hart en gaven het kracht, om zich
in geloovig vertrouwen boven de aardsche rampen en bekommernissen
te verheffen. Na eenige bladzijden gelezen te hebben, kwam zij aan
eene plaats, die opzettelijk voor haren toestand geschreven scheen te
zijn. Tot in het binnenste der ziel van de waarheid doordrongen, las
zij die met zulk een innig gevoel, met zulk eene toenemende kracht
van geloof en vertrouwen, dat de moeder zich door die zachte woorden
van vertroosting merkbaar gesterkt voelde en met levendiger oog
toeluisterde. Maria, die niet naliet van tijd tot tijd over het boek
heen de kranke aan te zien, ten einde hare geringste wenschen dadelijk
te kunnen vervullen, bemerkte spoedig den indruk, dien deze plaats had
te weeg gebracht. „Zal ik dit nog eens herhalen, lieve moeder?” vroeg
zij, hare gewoonte kennende om plaatsen, die haar bijzonder troffen,
meermalen te herlezen. De kranke glimlachte en knikte met het hoofd.
Maria las:
„Er zijn tijden in ons leven, dat de heldere hemel zich geheel voor ons
oog schijnt te verbergen, dat gestadig zwarter en dreigender wolken
aan den gezichteinder opstijgen en zich boven ons hoofd samenpakken.
Nu is de maat gevuld, denken wij dan dikwijls, nu kan geen harder lot,
geen smartelijker leed ons meer treffen. Daarin spreekt echter de
gezindheid van een twijfelmoedig, ondankbaar hart, dat de oneindige
weldaden Gods miskent en roekeloos voorbijziet. Zijne genade is te
groot, om u den kelk des lijdens tot den bodem toe te doen ledigen; gij
zoudt het niet verdragen; eer de beker ten halve geleegd is, bezwijken
uwe aardsche krachten. Maar waarom gelooft gij, dat gij de diepte des
jammers hebt uitgeput? Wijl gij niet meer met een dankend hart opmerkt,
welk een rijke overvloed van goddelijke weldaden ook dan nog over u
wordt uitgestort, wanneer gij enkel de grievende pijn der smart meent
te voelen. Eéne vrucht van den boom des levens wordt door den worm
doorknaagd en valt verdord ter aarde, maar nog prijkt heel de overige
kroon met ontelbare vruchten, bloesems en kiemen tot duizend nieuwe
vruchten. Gij echter beweent enkel wat gij verloren hebt, en sluit uw
ondankbaar oog voor alles, wat u is overgebleven. Eene moeder verliest
haar geliefd kind; zij klaagt in troosteloozen rouw en ziet niet, dat
een bloeiende kring van zonen en dochteren haar nog omringt, door
welker liefde de Heer haar de gelukkigste toekomst wilt schenken. En
wanneer u ook alles ontroofd werd, wanneer eene wees alléén, zonder
betrekkingen, zonder vrienden, zonder raad of hulp achterbleef, wanneer
zij nergens een uitweg ontdekte, die uit den diepen afgrond der ellende
in het schoone dal van het geluk terugvoerde—bleef haar dan niet
nog de liefderijke Vader in den hemel? Opent zijne hand niet duizend
paden, wanneer het sterfelijk oog nergens uitkomst meer bespeurt? Is
al het leed, dat u treft, niet een ras voorbijspoedend leed der aarde?
Woont niet de eeuwige vreugde in de zalige gewesten van den hemel? Als
het hier duistere nacht is, als nevels en wolken elke ster aan uw oog
onttrekken, vlammen dan toch niet tallooze bliksemende zonnen in de
onmetelijke ruimte boven den lagen dampkring der aarde? Ja, koestert
zich niet de eene helft dezer aarde in licht en zonnegloed, terwijl de
andere in een kortstondig duister gehuld is? Zoo zeker het aanbreken
van den dageraad na den donkeren nacht is, zóó zeker wacht den
geloovigen de zaligheid, na den korten tijd der aardsche beproeving.
Daarom, lieve vrienden, zijt getroost. Er is een oog, dat door nacht
en wolken dringt en de tranen telt der bedrukten, die het oog geloovig
naar boven richten; er is een hart, dat het lijden voelt in elke borst,
die zich niet trouweloos van hem afwendt; er is eene hand, die tot in
den donkersten afgrond reikt en de hand aangrijpt van den hulpelooze,
die van haar redding wacht. Dat oog waakt steeds over u, dat hart klopt
met het uwe, die hand leidt u op de duistere wegen van rampspoed en
gevaar. Daarom zijt gij getroost, want waar gij wandelt, daar wandelt
de Heer met u, en Hij verlaat niemand, die Hem getrouw blijft.”
Onder het ijverig lezen had Maria niet bemerkt, dat de geneesheer was
binnengetreden, en reeds eenige minuten aan de deur toeluisterde,
zonder door haar of de kranke gezien te worden. Thans naderde hij en
nam, om Maria eene lichte verwarring te besparen, den schijn aan,
alsof hij zoo even eerst gekomen was. De reeds bejaarde man groette
haar vriendelijk goeden morgen en trad op de kranke toe, wier pols hij
opmerkzaam onderzocht.
„Hm, nog altijd een weinig gejaagd,” sprak hij: „wij moeten met de
kalmeerende middelen voortgaan.”
Na nog eenige vragen te hebben gedaan, schreef hij een geneesmiddel
voor, welks spoedige bereiding hij dringend aanbeval, en nam
afscheid. Maria deed hem uitgeleide, onder den schijn van burgerlijke
beleefdheid, maar inderdaad, om door hem omtrent den wezenlijken
toestand van hare moeder onderricht te worden, daar zij overtuigd was,
zelfs de grievendste zekerheid met meer kalmte en standvastigheid
te zullen dragen, dan die angstvallige weifeling tusschen vrees en
hoop, waardoor zij tot op dit oogenblik geslingerd werd. Op een
biddenden toon, maar toch met bedaarde vastheid, sprak zij hem dus
in het woonvertrek aan: „Zeg mij de waarheid, dokter, de volle
zuivere waarheid. Houd mij niet voor een zwak vrouwelijk wezen, dat
in nuttelooze klachten uitbarsten of in onmachtige moedeloosheid
neerzinken zal, wanneer het gevaar dreigend is; maar gun ook aan eene
bedrukte dochter den troost der hoop, die uwe uitspraak haar verleenen
kan. Zeg mij de zuivere waarheid, ik smeek het u nogmaals, houdt mij
niet het geringste verborgen!”
„Mijn goed kind,” antwoordde de geneesheer vriendelijk, maar met
aandoening, „gij doet wel, u aan de schoone woorden van troost te
houden, die ik u bij mijn binnentreden hoorde lezen. Ik heb weinig
hoop! Keert de bloedstorting terug, dan is alles voorbij. Tegen den
middag zal zich denk ik, alles beslissen.”
Hoewel Maria zich op het ergste had voorbereid, schoon zij zich met
vastheid had voorgenomen, elke weekelijke uitstorting van haar gevoel
met alle inspanning te bedwingen, deed toch dit zekere doodvonnis
voor een oogenblik hare krachten bezwijken. Bittere, stille tranen
welden in haar oog op en bevende moest zij zich aan den schouder van
den geneesheer vasthouden, die haar met zachte woorden trachtte op te
beuren.
„Het is nu overwonnen,” sprak zij na eene poos; „ik voel mij sterk
genoeg, om naar mijne stervende moeder terug te keeren. Ik dank u, dat
gij mij niets verborgen hebt. Ik neem nu het smartelijkste voor zeker
aan en getroost mij het verlies van het dierbaarste, van het éénige,
dat ik thans op aarde bezit!”
„Denk aan het oog, dat de tranen van het uwe telt, aan het hart, dat
met het uwe slaat, aan de hand, die u geleiden wil op uw eenzamen
levensweg,” sprak de arts; „dat zal u moed en sterkte geven, als het
uur dáár is. Vaar thans wel! Binnen weinige uren ziet gij mij weder.
Als inmiddels het geringste mocht voorvallen, laat gij mij waarschuwen,
en ik zal terstond hier zijn.”
Dit zeggende vatte hij hare hand, drukte ze met warmte aan zijne
borst en verliet haastig het vertrek, om niet zelf door zijn gevoel
overweldigd te worden.
Maria wierp zich op de knieën neder en bad God, dat hij haar kracht en
sterkte mocht verleenen in het uur der beproeving. Nog eens gaf zij aan
hare kinderlijke tranen den vrijen loop; hierop richtte zij zich op en
keerde met eene verruimde borst naar het bed harer moeder terug.