HOOFDSTUK VI.

De morgen daagde reeds, toen Maria de kleine tuindeur weder binnentrad,

waarvan zij den sleutel had medegenomen, om, zonder iemand te storen,

hare slaapkamer te kunnen bereiken. 't Verwonderde haar, in het vertrek

harer moeder nog licht te zien. Voorzichtig sloop zij nader en gluurde

door het met wijnranken begroeide venster naar binnen. De nachtlamp

brandde; het lichtschijnsel wierp eene donkere schaduw op het bed

en daarvóór, in een leunstoel, zat eene vrouwelijke gestalte, wier

gelaatstrekken zij niet onderscheiden kon. Eene angstige rilling liep

haar bij dit gezicht over de leden en deed haar de knieën knikken,

zoodat het haar bijna onmogelijk was zich staande te houden en in

huis te gaan. Was de moeder plotselijk zoo verergerd? Was haar eenig

onheil bejegend? Door deze gedachten gepijnigd, wankelde zij naar hare

kamer en opende behoedzaam de deur van het vertrek der moeder. Toen

zij binnentrad, ontwaakte vrouw Holder, want deze was het die in den

leunstoel zat, uit de lichte sluimering, welke haar had overvallen;

zij herkende Maria dadelijk en wenkte haar met den vinger op den mond

stilte toe, terwijl zij met de andere hand op de rustende kranke wees.

Maria bleef in bange verwachting aan de deur staan; vrouw Holder kwam

haar op de teenen tegemoet en volgde haar in het nevenvertrek.

„Om Gods wil, wat deert mijne moeder?” vroeg zij, zoodra de deur

gesloten was, met bevende stem.

„Beangstig u niet te zeer, lieve juffer,” antwoordde de huisvrouw

geruststellend; „het toeval zal geen gevolgen hebben. Dezen morgen,

toen mevrouw zich, door mij geleid, met vele andere brongasten op de

groote wandelplaats bevond, werd er eensklaps geroepen: een dolle

hond, een dolle hond! Alles liep verward dooreen en zocht toevlucht

in de naaste huizen. Ook wij liepen zoo hard wij konden, om een huis

te bereiken. Plotseling hoorden wij achter ons een luid geschreeuw,

en toen wij omzagen ontdekten wij inderdaad, dat het woedende dier

in dezelfde richting kwam aanstuiven, die wij hadden ingeslagen.

Hevig ontsteld vlogen wij zijwaarts, de kleine hoogte op, naar de

kastanjeboomen toe. Wij bereikten ze gelukkig; het dolle dier vloog ons

strijkelings voorbij en op de stad aan, waar het ook is doodgeschoten.

Inspanning en schrik hadden ons evenwel geheel buiten adem gebracht, en

vooral uwe moeder klaagde over pijn in de borst, dat is de reden van

hare onpasselijkheid.”

Bevende, beurtelings gloeiend en verbleekend, had Maria het verhaal

aangehoord. Thans, nu het geëindigd was, schepte zij weder adem en

zei met kalmte: „Zeg mij alles, lieve vrouw Holder, alles, volstrekt

alles. Ik moet het immers weten, als ik mijne moeder wil oppassen!

Is de dokter hier geweest? Wat heeft hij voorgeschreven?”—Onder het

spreken verloor zij hare met moeite verkregene bedaardheid weder, want

gestadig meer beangstigende voorstellingen rezen onder deze vragen in

hare ziel op.

„Zekerlijk hebben wij dadelijk naar den dokter gezonden,” antwoordde

vrouw Holder; „hij heeft vooral rust aanbevolen, toen hij hoorde, dat

de zieke een weinig bloed had opgegeven.”

„Eene bloedspuwing!” riep Maria, door dat verschrikkelijk woord

verpletterd. „Almachtige God, ook dat nog!”

Het was te veel voor hare krachten; de gansche vrouwelijke sterkte

harer ziel was door dezen onverhoedschen slag als verlamd. Daar zij

de kwaal harer moeder kende, kon zij het gevaar in zijn vollen,

vreeselijken omgang beseffen. Zij moest zich door vrouw Holder naar

een stoel laten leiden, waarop zij uitgeput neerzeeg. „Wees niet al

te bezorgd,” sprak deze, „de geneesheer heeft de beste hoop gegeven.

Slechts de meest mogelijke rust heeft hij ons aanbevolen, opdat het

toeval niet terugkeere. Ga daarom rustig slapen, ik zal wel verder

bij de zieke waken. Zij weet nu eenmaal, dat ik bij haar ben, en zou

wellicht schrikken, wanneer zij u eensklaps bij haar bed zag. Bovendien

heb ik haar plechtig moeten beloven, u bij uwe terugkomst niet het

minste van het gebeurde te zeggen, daar morgen alles toch wel weer

geschikt zal zijn en gij u dan noodeloos zoudt bekommerd hebben. Dat

dorst ik echter niet zoo geheel op mij nemen. Maar nu moet gij toch

vooral stil en bedaard in uwe kamer blijven en u rustig neerleggen;

want anders zoudt gij zelve ziek worden. Gij moet doodelijk vermoeid

zijn van het lange rijden en wandelen.”

Maria was inderdaad vermoeid; evenwel zou zij krachten genoeg

hebben gehad, om ook deze nieuwe inspanning te verdragen, wanneer

de plotselinge schrik haar niet zoo hevig had aangegrepen. Thans

echter moest zij zelve bekennen, dat de opgewonden toestand, waarin

zij verkeerde, haar tot de behoorlijke verpleging der kranke geheel

ongeschikt maakte, en het was hierom dan ook, dat zij besloot, de

welgemeende aanbieding der huisvrouw aan te nemen, die er met ernst

en liefderijke deelneming op aan bleef dringen, dat zij zich ten

minste voor eenige uren ter rust zoude begeven. Zij legde zich te bed,

schoon overtuigd, dat geen zachte slaap haar verkwikken zou; nochtans

had de groote vermoeidheid van het lichaam, verbonden met de hevige

afmatting der ziel, eene zoodanige ontspanning harer krachten ten

gevolge, dat zij in eene soort van bedwelming wegzonk, gedurende welke

de onstuimigheid harer gemoedsbewegingen, door de macht der natuur

overwonnen, tot kalmte werd gebracht. Zoo kreeg ook het lichaam de

noodige verkwikking, die zij zich vrijwillig niet zoude vergund hebben.

Na eenige uren trad vrouw Holder aan hare legerstede en deed haar uit

hare lichte sluimering ontwaken.

Haastig rees zij op, kleedde zich vluchtig aan en trad in het vertrek

der kranke. Met vastheid had zij zich voorgenomen hare gewaarwordingen

in toom te houden en hare bange bekommeringen op geenerlei wijze te

verraden.

„Goeden morgen, beste moeder,” sprak zij op fluisterenden toon; „hoe

gaat het u? Voelt gij u iets beter?”

De zieke vertoonde in de zachte trekken van haar gelaat de onmiskenbare

uitdrukking van die kalme gelatenheid in 't lijden, waarmede zij sinds

lange jaren alle schijnbaar harde slagen van het lot met christelijke

onderwerping had gedragen, zonder ooit het goede voorbij te zien, dat

haar door dezelfde hand werd toegezonden.

Vriendelijk, doch zonder te spreken, lachte zij hare dochter toe en

bood haar de op het dek rustende hand door een langzaam omwenden en

openen aan, daar zij de kracht niet had, die op te heffen. Met het

scherpziend oog der bezorgde kinderlijke liefde, doorzag Maria alras

het lichte waas van kalmte en rust, waaronder de moeder haren waren

toestand trachtte te verbergen. Bij den eersten aanblik reeds van dat

lieve, lijdende wezen drong zich de verpletterende waarheid aan haar

op: zij is voor u verloren! Het matte oog, de bleeke lippen spraken te

duidelijk, ook zonder die stomme begroeting, dat haperen der taal, dat

der anders zoo vriendelijke moeder zoo smartelijk moest vallen. Haar

hart dreigde te breken onder den last van dezen nieuwen jammer, die

haar werd opgelegd; maar zij behield hare uiterlijke bedaardheid en

haar mond glimlachte, terwijl hare borst door de grievendste smart werd

verscheurd.

„Mijn lieve, goede moeder,” sprak zij; „terwijl ik den dag in

onbezorgde vreugde en lichtzinnigheid doorbracht, moest u zulk een

vreeselijk onheil treffen en u in den korten tijd, die tot herstelling

van uw zwak lichaam bestemd was, een nieuw lijden veroorzaken! Maar ik

vertrouw zeker, dat het even spoedig zal voorbijgaan als het onverhoeds

is opgekomen. Blijf slechts bedaard, antwoord mij nergens op, troost

mij niet, vraag mij niets, ik kan alles, wat u ontbreekt, wat gij

wenscht, in uwe oogen lezen, en mijne liefde zal raden, wat gij niet

door wenken kunt uitdrukken.”

Tegelijk beijverde zij zich, het afgegleden kussen weder te recht te

leggen, ten einde de beklemde borst daardoor eene vrijer ademhaling te

verschaffen. Vervolgens vulde zij een kopje met thee, die de arts had

aanbevolen, en bracht het, bij kleine tusschenpoozen, aan de lippen

der kranke. Toen deze gedronken had, vroeg zij: „Zal ik u voorlezen,

moeder?” Een matte oogwenk was voldoende, om haar het boek te doen

halen, waarin hare moeder gewoon was te lezen. Met eene zachte, maar

vaste stem begon zij hare ernstige bezigheid. De gemoedelijke geest,

de kinderlijke gezindheid, die in het gansche werk doorstraalden,

versterkten ook haar neergebogen hart en gaven het kracht, om zich

in geloovig vertrouwen boven de aardsche rampen en bekommernissen

te verheffen. Na eenige bladzijden gelezen te hebben, kwam zij aan

eene plaats, die opzettelijk voor haren toestand geschreven scheen te

zijn. Tot in het binnenste der ziel van de waarheid doordrongen, las

zij die met zulk een innig gevoel, met zulk eene toenemende kracht

van geloof en vertrouwen, dat de moeder zich door die zachte woorden

van vertroosting merkbaar gesterkt voelde en met levendiger oog

toeluisterde. Maria, die niet naliet van tijd tot tijd over het boek

heen de kranke aan te zien, ten einde hare geringste wenschen dadelijk

te kunnen vervullen, bemerkte spoedig den indruk, dien deze plaats had

te weeg gebracht. „Zal ik dit nog eens herhalen, lieve moeder?” vroeg

zij, hare gewoonte kennende om plaatsen, die haar bijzonder troffen,

meermalen te herlezen. De kranke glimlachte en knikte met het hoofd.

Maria las:

„Er zijn tijden in ons leven, dat de heldere hemel zich geheel voor ons

oog schijnt te verbergen, dat gestadig zwarter en dreigender wolken

aan den gezichteinder opstijgen en zich boven ons hoofd samenpakken.

Nu is de maat gevuld, denken wij dan dikwijls, nu kan geen harder lot,

geen smartelijker leed ons meer treffen. Daarin spreekt echter de

gezindheid van een twijfelmoedig, ondankbaar hart, dat de oneindige

weldaden Gods miskent en roekeloos voorbijziet. Zijne genade is te

groot, om u den kelk des lijdens tot den bodem toe te doen ledigen; gij

zoudt het niet verdragen; eer de beker ten halve geleegd is, bezwijken

uwe aardsche krachten. Maar waarom gelooft gij, dat gij de diepte des

jammers hebt uitgeput? Wijl gij niet meer met een dankend hart opmerkt,

welk een rijke overvloed van goddelijke weldaden ook dan nog over u

wordt uitgestort, wanneer gij enkel de grievende pijn der smart meent

te voelen. Eéne vrucht van den boom des levens wordt door den worm

doorknaagd en valt verdord ter aarde, maar nog prijkt heel de overige

kroon met ontelbare vruchten, bloesems en kiemen tot duizend nieuwe

vruchten. Gij echter beweent enkel wat gij verloren hebt, en sluit uw

ondankbaar oog voor alles, wat u is overgebleven. Eene moeder verliest

haar geliefd kind; zij klaagt in troosteloozen rouw en ziet niet, dat

een bloeiende kring van zonen en dochteren haar nog omringt, door

welker liefde de Heer haar de gelukkigste toekomst wilt schenken. En

wanneer u ook alles ontroofd werd, wanneer eene wees alléén, zonder

betrekkingen, zonder vrienden, zonder raad of hulp achterbleef, wanneer

zij nergens een uitweg ontdekte, die uit den diepen afgrond der ellende

in het schoone dal van het geluk terugvoerde—bleef haar dan niet

nog de liefderijke Vader in den hemel? Opent zijne hand niet duizend

paden, wanneer het sterfelijk oog nergens uitkomst meer bespeurt? Is

al het leed, dat u treft, niet een ras voorbijspoedend leed der aarde?

Woont niet de eeuwige vreugde in de zalige gewesten van den hemel? Als

het hier duistere nacht is, als nevels en wolken elke ster aan uw oog

onttrekken, vlammen dan toch niet tallooze bliksemende zonnen in de

onmetelijke ruimte boven den lagen dampkring der aarde? Ja, koestert

zich niet de eene helft dezer aarde in licht en zonnegloed, terwijl de

andere in een kortstondig duister gehuld is? Zoo zeker het aanbreken

van den dageraad na den donkeren nacht is, zóó zeker wacht den

geloovigen de zaligheid, na den korten tijd der aardsche beproeving.

Daarom, lieve vrienden, zijt getroost. Er is een oog, dat door nacht

en wolken dringt en de tranen telt der bedrukten, die het oog geloovig

naar boven richten; er is een hart, dat het lijden voelt in elke borst,

die zich niet trouweloos van hem afwendt; er is eene hand, die tot in

den donkersten afgrond reikt en de hand aangrijpt van den hulpelooze,

die van haar redding wacht. Dat oog waakt steeds over u, dat hart klopt

met het uwe, die hand leidt u op de duistere wegen van rampspoed en

gevaar. Daarom zijt gij getroost, want waar gij wandelt, daar wandelt

de Heer met u, en Hij verlaat niemand, die Hem getrouw blijft.”

Onder het ijverig lezen had Maria niet bemerkt, dat de geneesheer was

binnengetreden, en reeds eenige minuten aan de deur toeluisterde,

zonder door haar of de kranke gezien te worden. Thans naderde hij en

nam, om Maria eene lichte verwarring te besparen, den schijn aan,

alsof hij zoo even eerst gekomen was. De reeds bejaarde man groette

haar vriendelijk goeden morgen en trad op de kranke toe, wier pols hij

opmerkzaam onderzocht.

„Hm, nog altijd een weinig gejaagd,” sprak hij: „wij moeten met de

kalmeerende middelen voortgaan.”

Na nog eenige vragen te hebben gedaan, schreef hij een geneesmiddel

voor, welks spoedige bereiding hij dringend aanbeval, en nam

afscheid. Maria deed hem uitgeleide, onder den schijn van burgerlijke

beleefdheid, maar inderdaad, om door hem omtrent den wezenlijken

toestand van hare moeder onderricht te worden, daar zij overtuigd was,

zelfs de grievendste zekerheid met meer kalmte en standvastigheid

te zullen dragen, dan die angstvallige weifeling tusschen vrees en

hoop, waardoor zij tot op dit oogenblik geslingerd werd. Op een

biddenden toon, maar toch met bedaarde vastheid, sprak zij hem dus

in het woonvertrek aan: „Zeg mij de waarheid, dokter, de volle

zuivere waarheid. Houd mij niet voor een zwak vrouwelijk wezen, dat

in nuttelooze klachten uitbarsten of in onmachtige moedeloosheid

neerzinken zal, wanneer het gevaar dreigend is; maar gun ook aan eene

bedrukte dochter den troost der hoop, die uwe uitspraak haar verleenen

kan. Zeg mij de zuivere waarheid, ik smeek het u nogmaals, houdt mij

niet het geringste verborgen!”

„Mijn goed kind,” antwoordde de geneesheer vriendelijk, maar met

aandoening, „gij doet wel, u aan de schoone woorden van troost te

houden, die ik u bij mijn binnentreden hoorde lezen. Ik heb weinig

hoop! Keert de bloedstorting terug, dan is alles voorbij. Tegen den

middag zal zich denk ik, alles beslissen.”

Hoewel Maria zich op het ergste had voorbereid, schoon zij zich met

vastheid had voorgenomen, elke weekelijke uitstorting van haar gevoel

met alle inspanning te bedwingen, deed toch dit zekere doodvonnis

voor een oogenblik hare krachten bezwijken. Bittere, stille tranen

welden in haar oog op en bevende moest zij zich aan den schouder van

den geneesheer vasthouden, die haar met zachte woorden trachtte op te

beuren.

„Het is nu overwonnen,” sprak zij na eene poos; „ik voel mij sterk

genoeg, om naar mijne stervende moeder terug te keeren. Ik dank u, dat

gij mij niets verborgen hebt. Ik neem nu het smartelijkste voor zeker

aan en getroost mij het verlies van het dierbaarste, van het éénige,

dat ik thans op aarde bezit!”

„Denk aan het oog, dat de tranen van het uwe telt, aan het hart, dat

met het uwe slaat, aan de hand, die u geleiden wil op uw eenzamen

levensweg,” sprak de arts; „dat zal u moed en sterkte geven, als het

uur dáár is. Vaar thans wel! Binnen weinige uren ziet gij mij weder.

Als inmiddels het geringste mocht voorvallen, laat gij mij waarschuwen,

en ik zal terstond hier zijn.”

Dit zeggende vatte hij hare hand, drukte ze met warmte aan zijne

borst en verliet haastig het vertrek, om niet zelf door zijn gevoel

overweldigd te worden.

Maria wierp zich op de knieën neder en bad God, dat hij haar kracht en

sterkte mocht verleenen in het uur der beproeving. Nog eens gaf zij aan

hare kinderlijke tranen den vrijen loop; hierop richtte zij zich op en

keerde met eene verruimde borst naar het bed harer moeder terug.

1812: Historische roman · 第 55 / 154 题