HOOFDSTUK V.

Ten einde den lichten schrik te doen vergeten, sloeg Benno voor, den

grijzen brug nauwkeuriger in oogenschouw te nemen, hetgeen, vooral

daar hij zich als geleider aanbood, met dankbaarheid werd aangenomen.

Vervolgens hield men zich met allerlei gezellige spelen bezig, schoot

met een armboog, kaatste met den bal en wierp met het raket, bij welk

laatste spel vooral Lodoiska veel bevalligheid en vlugheid aan den dag

legde.

De zon neigde zich intusschen reeds dieper naar de bergen, en hare

stralen begonnen den roodachtigen tint te krijgen, waardoor de

landschappen zich in den lateren namiddag in zulk een warmen lichtgloed

vertoonen. Niet zonder reden was men beducht, op de terugvaart door die

snelle afkoeling der lucht verrast te worden, die in hooger liggende

landen bespeurd wordt, zoodra de bergen zich geheel in hun schaduwen

gewikkeld hebben. De wensch, dat men opbreken mocht, werd dus van

verschillende zijden geuit, hoewel men ongaarne juist op den schoonsten

tijd van den dag van het romantische punt afscheid nam, waar men de

middaguren zoo genoeglijk had gesleten. Ook bracht Arnheim hier tegen

in, dat niets verrukkelijker zijn zoude, dan tegen den tijd, dat het

purper van den avond met het zilverlicht der maan ineensmelt, zonder

roeislag met de golven van den stroom af te drijven, en daar nog

anderen met hem weinig geneigdheid tot de verhaaste afvaart aan den dag

legden, kwam men eindelijk overeen, dat men zich zoude verdeelen. Wie

voor de avondkoelte bevreesd was, kon met de eerste gondel dadelijk

terugkeeren, de overigen wilden een uur later volgen, terwijl allen van

meening waren, dat men gezamenlijk het avondeten gebruiken moest. Na

deze vriendelijke schikking klom de grootste helft van het gezelschap

van den berg naar beneden; de andere, waartoe het koninklijk paar,

Maria, Lodoiska, de ritmeester, Benno en eenige andere behoorden,

besloten, op voorslag van den laatste, tot eene wandeling hooger het

gebergte op, waarvan men zich nog menig verrassend uitzicht in het dal

voorstelde. Een voetpad, waarop nauwelijks twee personen naast elkander

konden gaan, voerde in slingerende bochten bergopwaarts door het woud.

De weg had iets ongemeen bevalligs; kronkelend en als heimelijk door

het woud sluipend, liep hij onmerkbaar hooger naar de kruin op. Door

de reten van het loover zag men boven zich den hemel schemeren, in

de diepte den blinkenden stroom glanzen; breeder openingen van het

kreupelhout verrasten door schilderachtige gezichten in het dal, die

bij elke kromming van het pad afwisselden. Allengs werd het eenzamer

en stiller, het pad verdween bijna in het hoog opgeschoten gras, het

struikgewas hield op, en de koele schaduw van een donker dennenbosch

ontving de wandelaars. Thans had men inderdaad de wildernis van

het gebergte bereikt. Een betreden voetspoor was nergens meer te

ontdekken, maar een zacht moskleed lag over den grond uitgespreid en

de lucht was bezwangerd met de balsemachtige geuren van welriekende

gewassen. De volle berg-aardbezie was hier in rijken overvloed en liet

de donkerroode vrucht tusschen de lichtgroene bladeren doorblinken,

enkele steile varenkruiden schoten in weelderige bosschen nevens de

verstrooide rotsblokken omhoog, van onder welke het heldere welwater

lustig opborrelde. Een zacht ruischen en ritselen fluisterde door

de toppen der dennen, de gansche natuur blikte hier den mensch met

eenvoudig verhevene trekken aan. Benno, die met de landstreek

nauwkeurig bekend was, deed het gezelschap eene, van de tot nu toe

gehoudene afwijkende richting inslaan, om een hoog rotsblok te

bereiken, dat in dezen omtrek op eene vrije grasvlakte schilderachtig

lag neergestrekt. Op een afstand van ettelijke honderden schreden

zag men het reeds als een reusachtige sarcophaag voor zich liggen,

welks bovenste hoek echter stout vooruit sprong en zich ver over de

grondvlakte uitstrekte. Onze wandelaars geloofden zich geheel alleen

op deze hoogte te bevinden, toen hun tot hunne verwondering een witte

windhond te gemoet sprong, hen eerst van verre aanblafte, maar spoedig

vertrouwelijk naderde en Lodoiska's liefkoozingen door vriendelijk

opspringen en vleiend indringen beantwoordde. Als om den weg te wijzen,

verdween het vlugge dier achter het breede rotsblok.

„Vermoedelijk zal daar een jager uitrusten,” sprak Benno, „want wild is

hier boven in groote menigte te vinden.”

Men was inmiddels de rots genaderd en ging, om te zien of men werkelijk

niet alleen was, er om heen. Aan de andere zijde vond men, gelijk Benno

met grond vermoed had, twee heeren in jachtgewaad, die echter, door

het werk van den dag vermoeid, in diepen slaap lagen en noch door het

geblaf van den windhond, noch door de nadering van het gezelschap in

hunne rust gestoord werden.

„Het moeten badgasten zijn,” fluisterde Benno, „daar ik hen gisteren

reeds in Teplitz gezien heb. Waarschijnlijk logeeren zij in den Gouden

Leeuw, waar zij na de morgenwandeling ingingen, zonder dat ik er hen

weder uit zag komen, schoon ik mij een uur in het huis tegenover

ophield.”

Intusschen hoorde men op niet verren afstand een schot vallen; de

hond sloeg aan, de jagers rezen uit den slaap op. Zij schenen zeer

verbaasd een zoo talrijk gezelschap van heeren en dames in de nabijheid

te zien, sprongen in allerijl op, begroetten de aankomenden en

verontschuldigden zich dadelijk wegens den toestand, waarin men hen had

aangetroffen.—Het waren Franschen. Als groote liefhebbers der jacht

hadden zij van de beleefdheid van een boheemsch edelman, die hen had

uitgenoodigd op zijn grondgebied te komen jagen, met vreugde gebruik

gemaakt, waren echter van hem afgedwaald en rustten hier boven uit om

nieuwe krachten tot het voortzetten hunner uitspanning te verzamelen.

Het zooeven gevallen schot moest door hun vriend gelost zijn, wiens

fraaien jachthond men reeds in de verte ontdekte. Het duurde ook niet

lang, of men zag hem zelf van onder de boomen te voorschijn komen en

regelrecht op het gezelschap toetreden. Het was de baron Sedlazeck, een

rijk landeigenaar uit den omtrek, dien Erlhofen, Arnheim en Benno van

nabij kenden. Men begroette elkander met de verhoogde deelneming, die

een ontmoeting op eene geheel ongedachte plaats te weeg brengt, en de

baron vroeg vergunning om zich met zijne beide vrienden, die hij als

de heeren St. Luces en Beaucaire voorstelde, bij het gezelschap aan te

sluiten, 't geen natuurlijk met beleefdheid werd toegestaan. Maria had

onderwijl op eenigen afstand gestaan en de namen der aankomelingen niet

gehoord; anders zoude zij voorzeker hevig zijn ontroerd geworden, daar

zij wist welken invloed beide personen op het lot van haren broeder

uitoefenden.

Men nam hierop gezamenlijk den terugtocht naar het slot aan. De beide

vreemden wisten zich met fransche behendigheid bij de vrouwen in te

dringen en waren spoedig zoo levendig met haar in gesprek gewikkeld,

alsof zij de oudste vrienden van de wereld waren. Daar men zich bij

het afklimmen moest verdeelen, hield St. Luces den ritmeester een

weinig terug en vroeg met de gewone gezellige nieuwsgierigheid, naar

stand en naam der aanwezigen. Ook Beaucaire drong nader. De namen

Erlhofen, Benno, zelfs die der gravin en van Lodoiska schenen hen

vrij onverschillig te laten; toen Arnheim echter Maria noemde, viel

de andere vreemde hem met belangstelling in de rede: „Hoe? Rosen? Uit

Dresden? Hebt gij 't gehoord, Beaucaire?”

„Zeker heb ik,” antwoordde deze met een gelaat, welks zeldzame

uitdrukking Arnheims aandacht tot zich trok.

„Kent gij de jonge dame?” vroeg deze verwonderd.

„Eenigszins geëerde vriend,” hervatte St. Luces, „eenigszins. Ik heb

haar in Dresden, waar ik mij voor eenige maanden ophield, meermalen in

den schouwburg gezien en, daar haar bevallig uiterlijk mijne aandacht

trok, naar haren naam gevraagd. Ziedaar onze geheele kennis.” Dit

zeggende wierp hij echter Beaucaire een zoo zonderlingen blik toe, dat

de ritmeester wel bemerkte, dat hier iets anders moest schuilen, wat

zijne nieuwsgierigheid niet weinig spande. Hij mocht het zich zelf toch

bekennen of niet, Maria had een diepen indruk op zijn hart gemaakt,

en deze onverwachte kennis welke St. Luces met haren naam toonde te

hebben, deed allerlei ijverzuchtige vermoedens in hem levendig worden.

„Zeg mij toch,” ging deze inmiddels voort, „is de jonge dame alleen of

met hare bloedverwanten hier?”

„Voor zoo ver ik weet enkel met hare moeder,” antwoordde Arnheim, „die

evenwel wegens ziekelijkheid is te huis gebleven.”

„Dus is haar broeder hier niet?”

„Haar broeder? Ik ken hem niet. Het is echter wel mogelijk, dat hij

hier geweest is of verwacht wordt; daar ik eerst sinds eenige dagen de

eer heb de dame te kennen, kan ik u omtrent hare betrekkingen niet de

minste inlichting geven.”

„Dus kan de broeder wellicht nog gewacht worden?” vroeg St. Luces met

eene drift, die bewees, dat hij daarin een meer dan gewoon belang

stelde.

„Daaromtrent zal de zuster zelve u het best kunnen inlichten,” hernam

de ritmeester, wien het wederzijdsche toewenken en oogknikken der

beide vreemden gestadig merkbaarder en onaangenamer werd. Zij vroegen

intusschen niet verder na, en Arnheim zocht zich van hem los te maken,

wat hem te gemakkelijker werd, daar beiden tamelijk ver achterbleven en

driftig met elkander fluisterden. Daarentegen bevlijtigde hij zich te

meer, Maria op zijde te komen, ten einde haar te zeggen, dat de beide

vreemden haar kenden, en zoo mogelijk gewaar te worden, hoe het met de

kennis, waarvan zij van hare zijde niet het geringste had doen blijken,

eigenlijk gelegen was. Bij eene kromming van het pad gelukte het hem

door een stouten sprong de voor hem gaanden af te snijden en Maria op

zijde te komen.

„Gij zijt de eenige uit het gezelschap,” zeide hij, nadat eenige

onbeduidende woorden van weerszijden gewisseld waren, „die aan de

vreemdelingen niet geheel onbekend is. Zij beweren, reeds in Dresden

het geluk gehad te hebben....”

„Voor zoover mij bewust is niet,” antwoordde Maria een weinig overijld;

„het schijnen mij fransche officieren te zijn, met wie ik in geene

betrekking hoegenaamd heb gestaan.”

„Wellicht in geene nadere,” vervolgde Arnheim; „en toch waart gij den

ouderen heer bij name bekend, en zij verzekeren u meermalen in den

schouwburg te hebben gezien.”

„Onmogelijk”, hervatte Maria, „sinds langer dan een jaar heb ik dezen

niet bezocht, en nooit wanneer fransch garnizoen in Dresden lag.” Zij

sprak met zooveel geestdrift, dat Arnheim vreesde haar mishaagd te

hebben; en inderdaad, Maria voelde zich eenigermate beleedigd, daar

zij het, bij haren diep ingewortelden haat tegen de vijanden haars

vaderlands, bijna eene schande achtte met fransche officieren omgang te

hebben, ook al ware een dubbelzinnige naam in dien tijd niet zoo licht

het gevolg van zulk eene verkeering geweest.

„Ik kan u betuigen,” vervolgde Arnheim, „dat ik slechts letterlijk

herhaal, wat die heeren mij daar op het oogenblik gezegd hebben.”

„O, u wil ik gaarne gelooven,” hernam Maria op zachter toon, wijl zij

vermoedde Arnheim te hebben gekrenkt; „maar gij weet, het ligt in den

aard der Franschen, overal gewetenloos te handelen, zelfs met den

naam van een meisje. Dat de heeren aan mij kennis hebben is mogelijk,

wanneer zij mij op straat of op eene wandelplaats gezien hebben; deze

bestaat echter, dit verzeker ik u nogmaals, enkel aan hunne zijde.”

Arnheim, wien het genoegen deed, dat geen zijner vermoedens zich

bevestigde, brak het gesprek, dat Maria zoo kennelijk onaangenaam was,

terstond af, en van de beide vreemdelingen werd niet verder gerept.

De weg naar beneden liet zich spoediger afleggen, dan die naar boven;

men bereikte dan ook weldra den Schreckenstein, waar men nog eene wijle

vertoefde, om vervolgens, toen de ondergaande zon den helderen hemel

met een rooden lichtgloed kleurde en de bleeke volle maan tegenover

haar in den blauwen aether oprees, de gondel weder te bestijgen en op

de golven van den schoonen stroom naar het kleine stadje af te zakken.

Het gezelschap gaf zich geheel aan het genot der riviervaart en van den

inderdaad verrukkelijken avond over. De gevreesde koelte liet zich niet

bespeuren; slechts een zoel windje stoeide met de kabbelende golven. De

kruinen der bergen waren aan de eene zijde met purperen schemerschijn

overgoten, aan de andere spreidde de maan een dunnen lichtenden

zilversluier over de zwarte toppen uit. De Elbe spiegelde hemel en

oever in zacht kronkelende lijnen helder terug; uit het water steeg

een koele, verfrisschende ademtocht op. Men zat stil, bijna zonder te

spreken, in het kalme, alle weemoedige gewaarwordingen van het hart

opwekkende genot verloren, toen zich eensklaps de zachte akkoorden

eener gitaar lieten hooren.

Alles luisterde. Een zonderling gevoel maakte zich van de borst meester

bij het vernemen dezer tonen, die zoo zeer aan het land der vreugde,

aan Italië herinnerden. Wie toch had niet, hetzij door beschrijving

van anderen, hetzij door eigene ondervinding, reeds die zoete

gewaarwording gekend, welke door de schommelende boot en het lied van

den gondelier in ons wordt opgewekt? Het was alsof de stroom met zijne

oevergebergten eensklaps onder den hemel van Italië was overgebracht,

alsof het de golven van den Brenta of de Po waren, waarop men zachtkens

voortdobberde.

De schoone, blonde Benno was het, die de snaren had geroerd, om

eene ballade voor te dragen, welke hij naar eene overlevering van

den Schreckenstein vervaardigd had. De bootslieden zaten luisterend

aan het roer en vestigden hunne blikken op den zanger; de overige

hoorders, verheugd over de verrassing, wenkten elkander met de oogen

stilte toe. Men vernam thans niets dan het zachte ruischen der golfjes

aan de kiel van het vaartuig. De maan wierp hare stralen op Benno's

gelaat, die aan een zuidelijken improvisator gelijk, het groote

blauwe oog naar het licht opsloeg en met eene welluidende stem het

in verzen gebrachte verhaal begon voor te dragen, volgens hetwelk een

wreed vader de geliefde zijner dochter, toen deze bij nacht de steile

rots beklauterde, arglistig opgewacht en in den grondeloozen afgrond

neergestort moest hebben. De minnende wierp zich in hare wanhoop hem

na in den stroom, en de rusteloos voortwentelende baren strekten de

trouwe gelieven tot een graf en verkoelden den gloed hunner noodlottige

vlammen.

Bij het slot van dit lied zaten allen, als vóór dien tijd, in diep

stilzwijgen verzonken. Wien had de droeve mare niet ontroerd? Zelfs

St. Luces en Beaucaire hadden te veel verfijnd gevoel, om de stilte

dadelijk af te breken, alhoewel zij nieuwsgierig waren den inhoud van

het gezang te vernemen, welks woorden zij niet verstaan hadden.

Inmiddels was men het stadje genaderd en het drukke gewoel aan den

oever, benevens eenige lustig heen en weer kruisende roeibooten

met jongelieden braken de kalme rust af, die tot hiertoe in het

landschap had geheerscht. Van lieverlede werd dus ook het lang

verstomde onderhoud weder aangeknoopt en onder drukke gesprekken

kwam men bij de landingsplaats aan wal. Daar hadden de overige leden

van het gezelschap, die vroeger waren afgevaren, zich verzameld,

en verwelkomden de aan land springenden met een blij gejuich. In

ongeregelde, verwarde groepen stroomde men naar de herberg, waar eene

helder verlichte zaal het gezelschap ontving en den uitlokkenden

aanblik van eene, met vruchten, koude spijzen en wijn rijk bezette

tafel aanbood, om welke men zich voor de terugreis nog eenmaal in een

vertrouwelijken kring schaarde en met scherts en kout den genoegelijk

doorgebrachten dag besloot. Eindelijk, het was bijna middernacht, moest

men toch scheiden en zich tot den terugrit gereed maken. Erlhofen kon

echter deze voegzame gelegenheid tot eene plechtige aanspraak niet

ongebruikt laten voorbijgaan. Hij rees met deftigheid op, vulde zijn

glas en sprak: „Na een kort, maar, naar ik hoop, roemruchtiger bewind

dan ooit een scepter-dragend koning gevoerd heeft—want gedurende mijn

beheer werd geene minuut anders dan tot het geluk mijner onderdanen

besteed—na zulk eene Titusregeering neem ik de mij opgezette kroon

weder van het hoofd en leg den scepter nevens haar neder. Geen oproer

heeft mij verdreven, de hand des doods heeft mij niet weggeraapt,

en toch verdwijnt mijn rijk nog spoorloozer van de aarde, dan dat

van koning Priamus; want mijne onderdanen verstrooien zich, aan den

ijzeren wil van het noodlot gehoorzamende, over alle landen der wereld.

De door een scepter verlengde arm strekt zich reusachtig over verre

landstreken en hare millioenen bewoners uit; men ontneme hem den twee

voet langen heerschersstaf, en hij wordt twintigmaal zoo vele uren

korter en krimpt tot een liliputschen stomp ineen, die tevreden is,

wanneer hij eene vlieg van den neus kan wegknippen. Hoe smartelijk

grieft het mij dus, mijne vrienden en onderdanen, dat ik reeds zoo

schielijk die smartelijke afzettingskuur moet doorstaan! Nog ben ik uw

gebieder, nog houd ik u met den band onzer vriendschappelijke grondwet

te zamen; ettelijke zandkorrels verloopen, en wij rijten ons vaneen

of liever, wij rijden te zamen naar huis. Thans eerst beginnen de

moeielijke en gevaarvolle wegen, en thans juist geeft de afval van uw

meester u aan het toeval ten prooi, dat u zoo licht ten val kan brengen

op de hobbelige straat naar Teplitz. In 's hemels naam dan, mijne

onderdanen, rijt u los, maar rijdt voorspoedig!” Haastig ledigde hij

zijn glas, reikte der gravin den arm en geleide haar naar den wagen.

Ook de overigen hadden spoedig in de rijtuigen plaats genomen en, door

het schoone schijnsel der maan, die haar blinkenden sluier over bergen

en dalen uitwierp, vriendelijk omschenen, rolden de feestgenooten naar

huis.

De dag der vreugde was genoten, de vroolijke juichtoon verstomd.

Slechts eene zwakke echo trilde nog in menige borst na en vervulde ze

met zoet weemoedige aandoeningen.

1812: Historische roman · 第 54 / 154 题