Ten einde den lichten schrik te doen vergeten, sloeg Benno voor, den
grijzen brug nauwkeuriger in oogenschouw te nemen, hetgeen, vooral
daar hij zich als geleider aanbood, met dankbaarheid werd aangenomen.
Vervolgens hield men zich met allerlei gezellige spelen bezig, schoot
met een armboog, kaatste met den bal en wierp met het raket, bij welk
laatste spel vooral Lodoiska veel bevalligheid en vlugheid aan den dag
legde.
De zon neigde zich intusschen reeds dieper naar de bergen, en hare
stralen begonnen den roodachtigen tint te krijgen, waardoor de
landschappen zich in den lateren namiddag in zulk een warmen lichtgloed
vertoonen. Niet zonder reden was men beducht, op de terugvaart door die
snelle afkoeling der lucht verrast te worden, die in hooger liggende
landen bespeurd wordt, zoodra de bergen zich geheel in hun schaduwen
gewikkeld hebben. De wensch, dat men opbreken mocht, werd dus van
verschillende zijden geuit, hoewel men ongaarne juist op den schoonsten
tijd van den dag van het romantische punt afscheid nam, waar men de
middaguren zoo genoeglijk had gesleten. Ook bracht Arnheim hier tegen
in, dat niets verrukkelijker zijn zoude, dan tegen den tijd, dat het
purper van den avond met het zilverlicht der maan ineensmelt, zonder
roeislag met de golven van den stroom af te drijven, en daar nog
anderen met hem weinig geneigdheid tot de verhaaste afvaart aan den dag
legden, kwam men eindelijk overeen, dat men zich zoude verdeelen. Wie
voor de avondkoelte bevreesd was, kon met de eerste gondel dadelijk
terugkeeren, de overigen wilden een uur later volgen, terwijl allen van
meening waren, dat men gezamenlijk het avondeten gebruiken moest. Na
deze vriendelijke schikking klom de grootste helft van het gezelschap
van den berg naar beneden; de andere, waartoe het koninklijk paar,
Maria, Lodoiska, de ritmeester, Benno en eenige andere behoorden,
besloten, op voorslag van den laatste, tot eene wandeling hooger het
gebergte op, waarvan men zich nog menig verrassend uitzicht in het dal
voorstelde. Een voetpad, waarop nauwelijks twee personen naast elkander
konden gaan, voerde in slingerende bochten bergopwaarts door het woud.
De weg had iets ongemeen bevalligs; kronkelend en als heimelijk door
het woud sluipend, liep hij onmerkbaar hooger naar de kruin op. Door
de reten van het loover zag men boven zich den hemel schemeren, in
de diepte den blinkenden stroom glanzen; breeder openingen van het
kreupelhout verrasten door schilderachtige gezichten in het dal, die
bij elke kromming van het pad afwisselden. Allengs werd het eenzamer
en stiller, het pad verdween bijna in het hoog opgeschoten gras, het
struikgewas hield op, en de koele schaduw van een donker dennenbosch
ontving de wandelaars. Thans had men inderdaad de wildernis van
het gebergte bereikt. Een betreden voetspoor was nergens meer te
ontdekken, maar een zacht moskleed lag over den grond uitgespreid en
de lucht was bezwangerd met de balsemachtige geuren van welriekende
gewassen. De volle berg-aardbezie was hier in rijken overvloed en liet
de donkerroode vrucht tusschen de lichtgroene bladeren doorblinken,
enkele steile varenkruiden schoten in weelderige bosschen nevens de
verstrooide rotsblokken omhoog, van onder welke het heldere welwater
lustig opborrelde. Een zacht ruischen en ritselen fluisterde door
de toppen der dennen, de gansche natuur blikte hier den mensch met
eenvoudig verhevene trekken aan. Benno, die met de landstreek
nauwkeurig bekend was, deed het gezelschap eene, van de tot nu toe
gehoudene afwijkende richting inslaan, om een hoog rotsblok te
bereiken, dat in dezen omtrek op eene vrije grasvlakte schilderachtig
lag neergestrekt. Op een afstand van ettelijke honderden schreden
zag men het reeds als een reusachtige sarcophaag voor zich liggen,
welks bovenste hoek echter stout vooruit sprong en zich ver over de
grondvlakte uitstrekte. Onze wandelaars geloofden zich geheel alleen
op deze hoogte te bevinden, toen hun tot hunne verwondering een witte
windhond te gemoet sprong, hen eerst van verre aanblafte, maar spoedig
vertrouwelijk naderde en Lodoiska's liefkoozingen door vriendelijk
opspringen en vleiend indringen beantwoordde. Als om den weg te wijzen,
verdween het vlugge dier achter het breede rotsblok.
„Vermoedelijk zal daar een jager uitrusten,” sprak Benno, „want wild is
hier boven in groote menigte te vinden.”
Men was inmiddels de rots genaderd en ging, om te zien of men werkelijk
niet alleen was, er om heen. Aan de andere zijde vond men, gelijk Benno
met grond vermoed had, twee heeren in jachtgewaad, die echter, door
het werk van den dag vermoeid, in diepen slaap lagen en noch door het
geblaf van den windhond, noch door de nadering van het gezelschap in
hunne rust gestoord werden.
„Het moeten badgasten zijn,” fluisterde Benno, „daar ik hen gisteren
reeds in Teplitz gezien heb. Waarschijnlijk logeeren zij in den Gouden
Leeuw, waar zij na de morgenwandeling ingingen, zonder dat ik er hen
weder uit zag komen, schoon ik mij een uur in het huis tegenover
ophield.”
Intusschen hoorde men op niet verren afstand een schot vallen; de
hond sloeg aan, de jagers rezen uit den slaap op. Zij schenen zeer
verbaasd een zoo talrijk gezelschap van heeren en dames in de nabijheid
te zien, sprongen in allerijl op, begroetten de aankomenden en
verontschuldigden zich dadelijk wegens den toestand, waarin men hen had
aangetroffen.—Het waren Franschen. Als groote liefhebbers der jacht
hadden zij van de beleefdheid van een boheemsch edelman, die hen had
uitgenoodigd op zijn grondgebied te komen jagen, met vreugde gebruik
gemaakt, waren echter van hem afgedwaald en rustten hier boven uit om
nieuwe krachten tot het voortzetten hunner uitspanning te verzamelen.
Het zooeven gevallen schot moest door hun vriend gelost zijn, wiens
fraaien jachthond men reeds in de verte ontdekte. Het duurde ook niet
lang, of men zag hem zelf van onder de boomen te voorschijn komen en
regelrecht op het gezelschap toetreden. Het was de baron Sedlazeck, een
rijk landeigenaar uit den omtrek, dien Erlhofen, Arnheim en Benno van
nabij kenden. Men begroette elkander met de verhoogde deelneming, die
een ontmoeting op eene geheel ongedachte plaats te weeg brengt, en de
baron vroeg vergunning om zich met zijne beide vrienden, die hij als
de heeren St. Luces en Beaucaire voorstelde, bij het gezelschap aan te
sluiten, 't geen natuurlijk met beleefdheid werd toegestaan. Maria had
onderwijl op eenigen afstand gestaan en de namen der aankomelingen niet
gehoord; anders zoude zij voorzeker hevig zijn ontroerd geworden, daar
zij wist welken invloed beide personen op het lot van haren broeder
uitoefenden.
Men nam hierop gezamenlijk den terugtocht naar het slot aan. De beide
vreemden wisten zich met fransche behendigheid bij de vrouwen in te
dringen en waren spoedig zoo levendig met haar in gesprek gewikkeld,
alsof zij de oudste vrienden van de wereld waren. Daar men zich bij
het afklimmen moest verdeelen, hield St. Luces den ritmeester een
weinig terug en vroeg met de gewone gezellige nieuwsgierigheid, naar
stand en naam der aanwezigen. Ook Beaucaire drong nader. De namen
Erlhofen, Benno, zelfs die der gravin en van Lodoiska schenen hen
vrij onverschillig te laten; toen Arnheim echter Maria noemde, viel
de andere vreemde hem met belangstelling in de rede: „Hoe? Rosen? Uit
Dresden? Hebt gij 't gehoord, Beaucaire?”
„Zeker heb ik,” antwoordde deze met een gelaat, welks zeldzame
uitdrukking Arnheims aandacht tot zich trok.
„Kent gij de jonge dame?” vroeg deze verwonderd.
„Eenigszins geëerde vriend,” hervatte St. Luces, „eenigszins. Ik heb
haar in Dresden, waar ik mij voor eenige maanden ophield, meermalen in
den schouwburg gezien en, daar haar bevallig uiterlijk mijne aandacht
trok, naar haren naam gevraagd. Ziedaar onze geheele kennis.” Dit
zeggende wierp hij echter Beaucaire een zoo zonderlingen blik toe, dat
de ritmeester wel bemerkte, dat hier iets anders moest schuilen, wat
zijne nieuwsgierigheid niet weinig spande. Hij mocht het zich zelf toch
bekennen of niet, Maria had een diepen indruk op zijn hart gemaakt,
en deze onverwachte kennis welke St. Luces met haren naam toonde te
hebben, deed allerlei ijverzuchtige vermoedens in hem levendig worden.
„Zeg mij toch,” ging deze inmiddels voort, „is de jonge dame alleen of
met hare bloedverwanten hier?”
„Voor zoo ver ik weet enkel met hare moeder,” antwoordde Arnheim, „die
evenwel wegens ziekelijkheid is te huis gebleven.”
„Dus is haar broeder hier niet?”
„Haar broeder? Ik ken hem niet. Het is echter wel mogelijk, dat hij
hier geweest is of verwacht wordt; daar ik eerst sinds eenige dagen de
eer heb de dame te kennen, kan ik u omtrent hare betrekkingen niet de
minste inlichting geven.”
„Dus kan de broeder wellicht nog gewacht worden?” vroeg St. Luces met
eene drift, die bewees, dat hij daarin een meer dan gewoon belang
stelde.
„Daaromtrent zal de zuster zelve u het best kunnen inlichten,” hernam
de ritmeester, wien het wederzijdsche toewenken en oogknikken der
beide vreemden gestadig merkbaarder en onaangenamer werd. Zij vroegen
intusschen niet verder na, en Arnheim zocht zich van hem los te maken,
wat hem te gemakkelijker werd, daar beiden tamelijk ver achterbleven en
driftig met elkander fluisterden. Daarentegen bevlijtigde hij zich te
meer, Maria op zijde te komen, ten einde haar te zeggen, dat de beide
vreemden haar kenden, en zoo mogelijk gewaar te worden, hoe het met de
kennis, waarvan zij van hare zijde niet het geringste had doen blijken,
eigenlijk gelegen was. Bij eene kromming van het pad gelukte het hem
door een stouten sprong de voor hem gaanden af te snijden en Maria op
zijde te komen.
„Gij zijt de eenige uit het gezelschap,” zeide hij, nadat eenige
onbeduidende woorden van weerszijden gewisseld waren, „die aan de
vreemdelingen niet geheel onbekend is. Zij beweren, reeds in Dresden
het geluk gehad te hebben....”
„Voor zoover mij bewust is niet,” antwoordde Maria een weinig overijld;
„het schijnen mij fransche officieren te zijn, met wie ik in geene
betrekking hoegenaamd heb gestaan.”
„Wellicht in geene nadere,” vervolgde Arnheim; „en toch waart gij den
ouderen heer bij name bekend, en zij verzekeren u meermalen in den
schouwburg te hebben gezien.”
„Onmogelijk”, hervatte Maria, „sinds langer dan een jaar heb ik dezen
niet bezocht, en nooit wanneer fransch garnizoen in Dresden lag.” Zij
sprak met zooveel geestdrift, dat Arnheim vreesde haar mishaagd te
hebben; en inderdaad, Maria voelde zich eenigermate beleedigd, daar
zij het, bij haren diep ingewortelden haat tegen de vijanden haars
vaderlands, bijna eene schande achtte met fransche officieren omgang te
hebben, ook al ware een dubbelzinnige naam in dien tijd niet zoo licht
het gevolg van zulk eene verkeering geweest.
„Ik kan u betuigen,” vervolgde Arnheim, „dat ik slechts letterlijk
herhaal, wat die heeren mij daar op het oogenblik gezegd hebben.”
„O, u wil ik gaarne gelooven,” hernam Maria op zachter toon, wijl zij
vermoedde Arnheim te hebben gekrenkt; „maar gij weet, het ligt in den
aard der Franschen, overal gewetenloos te handelen, zelfs met den
naam van een meisje. Dat de heeren aan mij kennis hebben is mogelijk,
wanneer zij mij op straat of op eene wandelplaats gezien hebben; deze
bestaat echter, dit verzeker ik u nogmaals, enkel aan hunne zijde.”
Arnheim, wien het genoegen deed, dat geen zijner vermoedens zich
bevestigde, brak het gesprek, dat Maria zoo kennelijk onaangenaam was,
terstond af, en van de beide vreemdelingen werd niet verder gerept.
De weg naar beneden liet zich spoediger afleggen, dan die naar boven;
men bereikte dan ook weldra den Schreckenstein, waar men nog eene wijle
vertoefde, om vervolgens, toen de ondergaande zon den helderen hemel
met een rooden lichtgloed kleurde en de bleeke volle maan tegenover
haar in den blauwen aether oprees, de gondel weder te bestijgen en op
de golven van den schoonen stroom naar het kleine stadje af te zakken.
Het gezelschap gaf zich geheel aan het genot der riviervaart en van den
inderdaad verrukkelijken avond over. De gevreesde koelte liet zich niet
bespeuren; slechts een zoel windje stoeide met de kabbelende golven. De
kruinen der bergen waren aan de eene zijde met purperen schemerschijn
overgoten, aan de andere spreidde de maan een dunnen lichtenden
zilversluier over de zwarte toppen uit. De Elbe spiegelde hemel en
oever in zacht kronkelende lijnen helder terug; uit het water steeg
een koele, verfrisschende ademtocht op. Men zat stil, bijna zonder te
spreken, in het kalme, alle weemoedige gewaarwordingen van het hart
opwekkende genot verloren, toen zich eensklaps de zachte akkoorden
eener gitaar lieten hooren.
Alles luisterde. Een zonderling gevoel maakte zich van de borst meester
bij het vernemen dezer tonen, die zoo zeer aan het land der vreugde,
aan Italië herinnerden. Wie toch had niet, hetzij door beschrijving
van anderen, hetzij door eigene ondervinding, reeds die zoete
gewaarwording gekend, welke door de schommelende boot en het lied van
den gondelier in ons wordt opgewekt? Het was alsof de stroom met zijne
oevergebergten eensklaps onder den hemel van Italië was overgebracht,
alsof het de golven van den Brenta of de Po waren, waarop men zachtkens
voortdobberde.
De schoone, blonde Benno was het, die de snaren had geroerd, om
eene ballade voor te dragen, welke hij naar eene overlevering van
den Schreckenstein vervaardigd had. De bootslieden zaten luisterend
aan het roer en vestigden hunne blikken op den zanger; de overige
hoorders, verheugd over de verrassing, wenkten elkander met de oogen
stilte toe. Men vernam thans niets dan het zachte ruischen der golfjes
aan de kiel van het vaartuig. De maan wierp hare stralen op Benno's
gelaat, die aan een zuidelijken improvisator gelijk, het groote
blauwe oog naar het licht opsloeg en met eene welluidende stem het
in verzen gebrachte verhaal begon voor te dragen, volgens hetwelk een
wreed vader de geliefde zijner dochter, toen deze bij nacht de steile
rots beklauterde, arglistig opgewacht en in den grondeloozen afgrond
neergestort moest hebben. De minnende wierp zich in hare wanhoop hem
na in den stroom, en de rusteloos voortwentelende baren strekten de
trouwe gelieven tot een graf en verkoelden den gloed hunner noodlottige
vlammen.
Bij het slot van dit lied zaten allen, als vóór dien tijd, in diep
stilzwijgen verzonken. Wien had de droeve mare niet ontroerd? Zelfs
St. Luces en Beaucaire hadden te veel verfijnd gevoel, om de stilte
dadelijk af te breken, alhoewel zij nieuwsgierig waren den inhoud van
het gezang te vernemen, welks woorden zij niet verstaan hadden.
Inmiddels was men het stadje genaderd en het drukke gewoel aan den
oever, benevens eenige lustig heen en weer kruisende roeibooten
met jongelieden braken de kalme rust af, die tot hiertoe in het
landschap had geheerscht. Van lieverlede werd dus ook het lang
verstomde onderhoud weder aangeknoopt en onder drukke gesprekken
kwam men bij de landingsplaats aan wal. Daar hadden de overige leden
van het gezelschap, die vroeger waren afgevaren, zich verzameld,
en verwelkomden de aan land springenden met een blij gejuich. In
ongeregelde, verwarde groepen stroomde men naar de herberg, waar eene
helder verlichte zaal het gezelschap ontving en den uitlokkenden
aanblik van eene, met vruchten, koude spijzen en wijn rijk bezette
tafel aanbood, om welke men zich voor de terugreis nog eenmaal in een
vertrouwelijken kring schaarde en met scherts en kout den genoegelijk
doorgebrachten dag besloot. Eindelijk, het was bijna middernacht, moest
men toch scheiden en zich tot den terugrit gereed maken. Erlhofen kon
echter deze voegzame gelegenheid tot eene plechtige aanspraak niet
ongebruikt laten voorbijgaan. Hij rees met deftigheid op, vulde zijn
glas en sprak: „Na een kort, maar, naar ik hoop, roemruchtiger bewind
dan ooit een scepter-dragend koning gevoerd heeft—want gedurende mijn
beheer werd geene minuut anders dan tot het geluk mijner onderdanen
besteed—na zulk eene Titusregeering neem ik de mij opgezette kroon
weder van het hoofd en leg den scepter nevens haar neder. Geen oproer
heeft mij verdreven, de hand des doods heeft mij niet weggeraapt,
en toch verdwijnt mijn rijk nog spoorloozer van de aarde, dan dat
van koning Priamus; want mijne onderdanen verstrooien zich, aan den
ijzeren wil van het noodlot gehoorzamende, over alle landen der wereld.
De door een scepter verlengde arm strekt zich reusachtig over verre
landstreken en hare millioenen bewoners uit; men ontneme hem den twee
voet langen heerschersstaf, en hij wordt twintigmaal zoo vele uren
korter en krimpt tot een liliputschen stomp ineen, die tevreden is,
wanneer hij eene vlieg van den neus kan wegknippen. Hoe smartelijk
grieft het mij dus, mijne vrienden en onderdanen, dat ik reeds zoo
schielijk die smartelijke afzettingskuur moet doorstaan! Nog ben ik uw
gebieder, nog houd ik u met den band onzer vriendschappelijke grondwet
te zamen; ettelijke zandkorrels verloopen, en wij rijten ons vaneen
of liever, wij rijden te zamen naar huis. Thans eerst beginnen de
moeielijke en gevaarvolle wegen, en thans juist geeft de afval van uw
meester u aan het toeval ten prooi, dat u zoo licht ten val kan brengen
op de hobbelige straat naar Teplitz. In 's hemels naam dan, mijne
onderdanen, rijt u los, maar rijdt voorspoedig!” Haastig ledigde hij
zijn glas, reikte der gravin den arm en geleide haar naar den wagen.
Ook de overigen hadden spoedig in de rijtuigen plaats genomen en, door
het schoone schijnsel der maan, die haar blinkenden sluier over bergen
en dalen uitwierp, vriendelijk omschenen, rolden de feestgenooten naar
huis.
De dag der vreugde was genoten, de vroolijke juichtoon verstomd.
Slechts eene zwakke echo trilde nog in menige borst na en vervulde ze
met zoet weemoedige aandoeningen.