Toen Benno zijn verhaal geëindigd had, verkeerden alle gemoederen in
eene zekere angstige spanning, en een diep stilzwijgen heerschte in den
breeden kring. Hij had de gebeurtenis zoo levendig voorgesteld en zijne
toehoorders zoo volkomen van de nabijheid der schouwplaats, waar die
moest zijn voorgevallen, overtuigd, dat zij het omliggende landschap
met bijna dezelfde gewaarwordingen beschouwden, die het bezoeken van
de eene of andere geschiedkundig gedenkwaardige plek te weeg brengt,
waar men als het ware nog de voetstappen der daar plaats gehad hebbende
belangrijke voorvallen op den heiligen bodem vindt ingeprent en ze met
eerbied en aandoening gadeslaat.
„Bevindt zich werkelijk zoodanig meer in dezen omtrek?” Met deze vraag
brak de gravin het algemeene stilzwijgen af.
„Het is weinig bekend,” hervatte Benno, „en inderdaad, de plaats
verdient ook nauwelijks bezocht te worden, zoo het niet om de
overlevering was. Intusschen heb ik meermalen meenen op te merken, dat
onze voorouders, in weerwil van hun romantischen aanleg tot poëzie,
ten opzichte der landschappen, waaraan zij hunne sagen verbonden, niet
zooveel gevoel voor natuurlijk schoon ontwikkeld hebben, als men van
zulke dichterlijke gemoederen wel verwachten zoude.”
„Die aanklacht schijnt mij een weinig onbillijk,” merkte Maria op;
„vooreerst toch vinden wij vele sporen, dat onze vaders het schoone,
stoute en verhevene in de natuur wel degelijk en met bewustzijn
gevoeld hebben, zooals dit ook reeds uit de namen van enkele bekende
bergen, rotsen en holen genoegzaam blijkt; maar ten anderen was de
overlevering toch zeker niets louter willekeurigs, en wanneer zij ook
al ten deele uit de plaatselijkheid zelve geboren werd, zoo vereischte
zij toch evenzeer eene gebeurtenis, eene handeling, weshalve men haar
in zeker opzicht als eene geheimzinnige dochter der daad en der plaats
beschouwen kan. En hoe dikwijls ziet men, dat ook de schouwplaats der
gebeurtenissen ten nauwste met deze in verbinding staat.”
„Gij hebt voorzeker gelijk,” antwoordde Benno een weinig blozend;
„intusschen vindt men ook meermalen, dat de schoonste sprookjes aan
een weinig beteekenende plaatselijkheid verbonden zijn, en dat is ook
met mijne overlevering het geval. Echter beken ik gaarne, dat mijne
algemeene gevolgtrekking uit deze voorbeelden eenigszins te gewaagd
was.”
„Dat mag zijn, hoe het wil,” sprak de gravin, „uw verhaal heeft ons
een aangenaam uur verschaft. Ik, als koningin, ben verplicht den
dichter van mijn minnehof te beloonen, en ik vertrouw, dat zulks op
eene waarlijk vorstelijke wijze zal geschieden. Uwe overlevering is
uit den zuiveren schoot der natuur ontsproten; met hare zuivere,
oorspronkelijke gaven zal zij ook beloond worden. Zij verheft op eene
treffende wijze de trouw, als de waarachtige ziel der liefde, en trekt
zich dus inzonderheid ons geslacht aan, dat van de trouweloosheid
der mannen zooveel te lijden heeft; het is dan ook billijk, dat eene
vrouwelijke hand den zinrijken dichter, want als zoodanig moeten wij
den verhaler beschouwen, de belooning toereike. Ik beveel dus aan al
de schoone maagden van ons hof, dat zij zich opmaken, om de schoonste
veldbloemen op te garen. Bij den terugkeer onzer edele jonkvrouwen zal
ik zelve drie van haar uitkiezen, om een eerekrans uit de bloemen te
vlechten, en vervolgens zal het lot beslissen, welke dezer drie den
dichter kronen en, zoolang ons rijk duurt, zijne dame zal zijn.”
Een luid gejuich van goedkeuring deed zich hooren, toen de vorstin dit
besluit bekend maakte. De mannen klapten in de handen en prezen de
schoone koningin, die een minnehof zoo treffelijk wist te regeeren.
Erlhofen greep met kluchtige geestdrift een groenen tak als scepter,
hield dien met statigen ernst omhoog en riep: „Gij, mijne volkeren!
hoort! Ik hecht bij dezen aan de uitspraak mijner koninklijke gemalin
het zegel mijner allerhoogste goedkeuring. Gaat dus henen, gij
jonkvrouwen, en keert niet terug, eer gij ons vorstelijk rijksgebied
van zijne schoonste bloemen beroofd hebt.”
Na deze rede stonden de meisjes op en trokken met hare golvende
schitterende kleeding het groene woud in, om op zonnige plaatsen de
bloemlezing te beginnen. Vele mannen hadden grooten lust de vrouwen
te geleiden, doch de vorstin verbood zulks met ernst, want op dezen
tocht mochten de jonkvrouwen in haren ijver niet gestoord worden. Men
kon dus slechts uit de verte zien, hoe de bevallige gestalten luchtig
over het groen zweefden, nu in de struiken verdwenen, dan weder te
voorschijn kwamen, zich bukten, om de geplukte bloemen in mandjes en
doeken bijeen te zamelen, bij eene gelijktijdig ontdekte schoone bloem
wedijverend daar op toesnelden, in één woord, al die behendigheid en
vlugheid ten toon spreidden, welke der vrouwelijke jeugd in het oog van
den jongeling zooveel bevalligheid verleenen.
„Ziet het bosch er niet uit, alsof het door nimfen bevolkt was?” vroeg
de gravin, met welgevallen het landelijk tooneel gadeslaande.
„Het zijn de liefelijkste Oreaden, Dryaden, Hamadryaden, Sylfen, Elfen,
Feeën en Peri's, die ik van mijn leven gezien heb,” riep Erlhofen uit.
Terwijl de gesprekken nog lustig voortliepen over het gelukkig lot van
den dichter, over den ijver der vrouwen om hem te beloonen, over het
twijfelachtige geluk van zijne gezellin te worden, hadden de nimfen
korfjes en doeken gevuld en keerden tot het gezelschap terug, waar zij
haren geurigen roof voor den troon uitschudden.
„Zeer schoon,” sprak de gravin, met vorschende blikken den voorraad
monsterende; „thans zal ik mijne kransvlechtsters benoemen.” Hare keus
viel op Maria, Lodoiska en Louise, de zeer bevallige dochter van een
welgesteld inwoner van Teplitz, die door de brongasten, die in haar
huis inwoonden, tot het feest genoodigd was. De drie meisjes zetten
zich dadelijk in het gras neder en begonnen den krans te winden, die
onder hare vlugge handen spoedig gereed was. De gravin koos hierop
drie bloemen, eene wilde roos, eene korenbloem en een viooltje uit,
waarvan zij, nadat de dichter geblinddoekt was, aan elk der meisjes
eene ter hand stelde. Nu moest Benno kiezen; hij noemde de roos, en
Lodoiska werd zijne gezellin. Deze moest dus ook den vollen, geurigen
krans op des jongelings blonde lokken drukken. Maagdelijk schuw en met
een lichten blos op de wangen, nam zij dien uit de hand der gravin
aan; Benno boog de knie voor zijne gebiedster neder en ontving met een
kloppend hart het loon voor zijne dichterlijke gave. „Moge deze krans
u zoo gelukkig maken,” sprak het meisje, „als uw schoon verhaal ons
hart geroerd heeft.” De bekroonde stond op, greep hare hand; drukte die
met vuur aan zijne lippen en antwoordde met de een weinig veranderde
woorden des dichters:
„_Dat slechts mijn loon u niet tot straf moog wezen!_”
Hij bood haar hierop den arm en geleidde haar naar hare plaats in het
groen, waar hij zich aan hare zijde nederzette.
Inmiddels was de zon de middaglijn genaderd en slechts de hooge
gewelven der takken deden het aangenaam koel blijven. Nu werd het tijd
naar het stadje terug te keeren, wilde men het middagmaal niet laten
wachten. Erlhofen verklaarde dit voor de gewichtigste aangelegenheid
van den dag en dreigde ieder met de gruwzaamste straffen, die hierin
weerspannigheid of onwil mocht doen blijken. Deemoedig nam de gravin
dus zijn arm aan, en de trein zette zich paarsgewijze, zooals hij
gekomen was, in beweging, om weder in de diepte neder te dalen.
De maaltijd was gereed, en in bonte rij zette men zich om den langen
eikenhouten disch. Erlhofen en de gravin zaten natuurlijk voor; de
eerste liet het niet aan menigvuldige toespraken ontbreken, waartoe de
tafel hem genoegzame gelegenheid aanbood, en stelde ook verschillende
toasten in, die algemeene toejuiching verwekten. Zulks bracht te weeg,
dat de wijn, hoe spaarzaam hij ook hare schoone lippen bevochtigde,
de vrouwen toch ongemerkt met zijne macht bekroop en haar tot de
levendigheid en den moedwil aanzette, die, wanneer een beschaafd
zedelijk gevoel ze binnen de grenzen van het schoone doet blijven,
haar zoo ongemeen bekoorlijk staan. Zij verliezen dan onwillekeurig
slechts het te veel der bedeesdheid en zelfbeheersching, verkrijgen
het open vertrouwen, dat haar den moed inboezemt, om zich ook eenmaal
van ganscher harte vroolijk te toonen; en, gelijk zij zelve geheel
argloos zijn, worden zij meer en meer in het geloof versterkt, dat
in geen boezem op den wijden aardbodem iets onreins of misdadigs kan
oprijzen of huisvesten. Dan treedt de schoone vrouwelijke natuur geheel
ontslagen van die boeien te voorschijn, die toch slechts door het in
onze zeden en gezindheden diep ingedrongen bederf aan hare sekse zijn
opgelegd en die zij zich gedurende haar ganschen leeftijd getroosten
moeten. De knellende band, waaraan zij angstvallig langs den grond
plegen te fladderen, wordt verbroken, en ook zij zweven eenmaal op de
vrije vlerken der vreugde in het verwijde gebied rond en wagen zich in
tot hiertoe ongekende hoogten en ruimten. Eerbaarheid en deugd blijven
haar als schoone, vriendelijke gezellinnen op zijde, maar beheerschen
haar niet meer als vreemde, strenge gebiedsters.
De warmte der zaal, hoewel door open vensters en den frisschen geur der
kransen en bloemen gematigd, begon na eenigen tijd toch drukkend te
worden, en weldra kostte het vooral der jeugd moeite, zich langer op
de bestemde plaats te houden, hoe aangenaam die overigens ook door het
gezelschap zijn mocht. Met algemeene vreugde werd dus het door Heilborn
en Arnheim medegedeelde bericht ontvangen, dat twee gondels op de Elbe
gereed lagen, om de feestgenooten naar den Schreckenstein te voeren,
waar men den namiddag wilde doorbrengen. Erlhofen zou wel gaarne nog
eenigen tijd aan tafel vertoefd hebben, daar de voorraad champagne nog
op verre na niet was uitgeput, doch het ongeduld der jongelieden was
niet meer te beteugelen en zelfs zijn koninklijk gezag schoot daartoe
te kort. Men brak dus op, de paren bleven geordend, gelijk zij tot
hiertoe geweest waren, en de trein sloeg het pad naar den stroomoever
in.
De met lustig wapperende wimpels en kransen versierde gondels leverden
zulk een schilderachtige vertooning op, dat men daardoor reeds de
schoonste verwachting van de voorgenomen vaart opvatte. Een zachte
muziek van blaasinstrumenten, door boheemsche bergwerkers uitgevoerd,
liet zich uit een opzettelijk daartoe ingericht vaartuigje vernemen.
De zindelijk gekleede bootslieden, wier hoeden met linten en strikken
prijkte, begroetten het gezelschap met een juichend vivat; de planken
werden uitgelegd, de dames wipten luchtig aan boord, de paren namen,
naarmate zij elkander opvolgden, op de banken plaats; spoedig
waren de gondels gevuld, de muziek gaf een luiden toon aan, onder
het gejubel der verzamelde toeschouwers stiet men van wal en, met
krachtige roeislagen voortgedreven, doorkliefden de ranke booten de
breede watervlakte. Thans eerst, nu men het midden bereikt had, kon
men recht diep in het prachtvolle wouddal nederzien, waaruit de Elbe
te voorschijn bruischt. Op den achtergrond rees het stadje aan den
groenen oever vriendelijk omhoog en spiegelde zich in de golven; vóór
zich ontdekte men slechts donkere woudterrassen, die naar den stroom
afdaalden en hun duister beeld in de diepte wierpen; ter linkerzijde
werd het uitzicht door de zwarte rotsen van den Schreckenstein
begrensd, die, in schuinsche richting uit het gebergte oprijzende, zijn
kruin ver over de golven neigt en de muurkroon van vervallen torens
over den afgrond laat neerhangen. Eene frissche, uit het dal opkomende
koelte maakte het roeien onnoodig; men kon de zeilen ontspannen en zich
door hen tegen den ruischenden stroom laten opvoeren. Vliegensvlug
scheen de oever de varenden voorbij te zweven en vertoonde eene
lange reeks van afwisselende beelden. Nu eens gleed men onder een
hoogen bergkegel door, die zijn breede schaduwen schuins over den
stroom wierp, dan weder dansten de gondels op zilveren, in helderen
zonneschijn flikkerende golven, terwijl de oever, met dichte pijnen
en lommerrijke eiken omzoomd, in nachtelijk duister gehuld scheen. Nu
vernauwde zich de bedding, en de stroom schoot bruisend tusschen en
over rotsen daarheen, dan verwijdde hij zich tot een kalm en helder
meer, in welks diepte de wolken rustig voorttrokken. Na een uur had men
het doel, den Schreckenstein en zijn rotsburg, bereikt.
„Ik had mij de rots toch hooger voorgesteld,” sprak Lodoiska tot Benno,
terwijl zij, aan den oever staande, een blik naar de torenspitsen
omhoog wierp; „van verre kwam zij mij veel verhevener voor. Het is de
eerste steile rots, die ik ooit gezien heb; want bij ons in Polen is
het land vlak en met bosch of kreupelhout doorsneden.”
„Laat ons maar eerst den top beklimmen,” hernam Benno, „en gij zult
spoedig bemerken, dat de rots niet onbeduidend is. Thans, het is
waar, verdwijnt zij tegen de veel hooger gebergten, die achter haar
opstijgen.”
Lodoiska hield nog gestadig hare oogen op de stout voorover hangende
kruinspits gevestigd. „Berglanden zijn toch zeer schoon!” sprak zij na
eenig zwijgen, „Polen heeft ook bergen, maar enkel in het zuidelijke
deel, waar zich eenige takken van de Karpathen verheffen. Ik ben daar
nooit geweest.”
Een deel van het gezelschap was, terwijl beiden spraken, den weg, de
hoogte op, reeds ingeslagen; ook Benno reikte dus aan zijne schoone den
arm en voerde haar behoedzaam het steile bergpad op. Toen zij de rots
half bestegen hadden, wilde Lodoiska zich omwenden om naar beneden te
zien, doch Benno verzocht haar zulks niet te doen. „Gun mij de vreugde
u boven op het schoonste punt met het overzicht van het geheel te
verrassen. Ik zou u smeeken de oogen geheel te sluiten, wanneer het
pad niet zoo was, dat zelfs de opmerkzaamste geleider niet voor kleine
ongevallen behoeden kan. De grond is te ruw en oneffen, er liggen te
veel puntige steenen in den weg, de richting verandert zich vaak te
onverhoeds, om met gesloten oogen vasten voet te kunnen houden. Maar
vestig uwe oogen slechts stijf op het pad voor u, tracht van u zelve te
verkrijgen, dat gij noch rechts noch links uitziet, en ik durf u eene
rijke vergoeding voor uwe zelfbeheersching voorspellen.”
Lodoiska beloofde dit gewillig en liet zich geheel aan de leiding van
den jongeling over. De overige leden van het gezelschap schertsten
wel over hare gehoorzaamheid, doch daaraan stoorde zij zich niet,
maar glimlachte stil voor zich heen en zeide: „Ik vertrouw mijn gids,
want hij kent dit gebergte nauwkeurig en weet de schoonheden daarvan
te gevoelen.” Tevergeefs zochten eenige moedwillige jongelieden
hare nieuwsgierigheid gaande te maken, en roemden nu dezen blik in
de diepte, dan dat uitzicht op het dal; zij bleef standvastig. Na
eene kleine wandeling stond zij op de kruin en Benno geleidde haar
door vervallen muurpuinen naar een hoektoren, dien men langs eenig
half ingestorte trappen beklimmen moest, waarop men zich in een
klein vertrek met breede venstergaten bevindt, dat zoo dicht aan den
uitersten rand der rots is gebouwd, dat men geen grond onder zich
gewaar wordt, maar vrij over den Elbespiegel schijnt te zweven. Eer het
meisje hier intrad, had zij het oog, op Benno's raad, geheel gesloten
en liet zich zoo door dezen aan het hoofdvenster plaatsen.
„Nu”, sprak Benno, „open nu de oogen! Nu is het tijd, om in het rond te
zien.”
„Almachtige hemel!” riep Lodoiska en trad verbleekend eene schrede
terug, toen zij den duizelingwekkenden afgrond zoo eensklaps voor
zich geopend zag. Doch spoedig had zij zich hersteld, trad, hoewel
nog een weinig sidderend, aan Benno's hand weder dicht aan de lage
vensteropening en blikte naar beneden. „Welk een huiveringwekkend
genot!” sprak zij, angstvallig rondziende. „Schoonheid en ontzetting,
hoe zonderling gaan zij hier gepaard!”
„Welnu,” vroeg Benno, „is de rots hoog? Verdient zij haren naam: Rots
der Verschrikking?”
„Voorzeker, voorzeker! O het is hier verrukkelijk schoon!” riep
het meisje, wier angst weldra in bewondering overging. „Hoe klein
schijnen onze gondels daar in de oeverbocht. Reeds het tuintje van den
poortwachter hier dicht onder ons ligt diep, en van daar daalt de rots
toch eerst recht steil naar beneden. Zie slechts, hoe de zwaluwen bijna
zoo diep onder ons vliegen als anders boven ons!”
„De roofvogels blijven toch nog altijd hoog boven onze hoofden,” merkte
Benno aan; en wees op een havik, die juist schuins over het dal streek
en zich op breede vlerken wiegde.
Lodoiska sloeg het oog naar boven. Juist stond de roofvogel bijna
onbewegelijk en liet zich op de wijd uitgespannen wieken drijven.
Eensklaps schoot hij pijlsnel op eene vlucht bergduiven neder, die
vreedzaam onder hem rondkruisten. De verschrikte dieren fladderden
haastig naar alle richtingen uiteen; maar de roover had reeds een in
het oog gevat en joeg het met uitgebreide vleugels voor zich uit. De
duif nam hare vlucht naar den toren, doch bijna in hetzelfde oogenblik,
dat zij deze zekere schuilplaats bereikte, was ook de vijand haar
genaderd en greep, nabij de plek waar Lodoiska stond, het angstig
fladderende diertje met zijn scherpe klauwen grimmig aan. Het meisje
zag eenige witte veeren vliegen en hoorde het angstig gekrijsch van het
schuldelooze offer. In de snelle vaart zijner vlucht streek de havik
zoo na aan den toren voorbij, dat hij met de breede, grijze vleugels
de hoeksteenen raakte, waarna hij zich, schuw voor de menschen, doch
zonder zijn roof te laten varen, weder hoog in de lucht verhief.
De vrouwen—want ook Maria, de gravin en eenige andere dames waren
inmiddels in den toren getreden—hadden met deelneming het schouwspel
aangezien. Medelijden met het gekwelde diertje, dat niemand redden kon,
en zelfs ook schrik voor den wilden, heesch krijschenden roofvogel
hadden allen meer of min getroffen; maar Lodoiska zag bleek als de dood
en sidderde hevig. Door het beklemmend gevoel, dat het duizelingwekkend
hooge standpunt, waarop zij zich zoo eensklaps had verplaatst gezien,
in haar verwekt had, was zij nog te zeer ontroerd, om niet door een
tweede, soortgelijke gewaarwording ten hevigste geschokt te worden. Het
gelaat afwendende trad zij terug, en toen haar oog de gravin ontdekte,
wierp zij zich met eene krampachtige stuiptrekking aan hare borst en
uitte eenige woorden in hare moedertaal. Hare moederlijke vriendin
fluisterde haar in dezelfde taal een antwoord in het oor en wendde zich
vervolgens, als om het gebruik der vreemde taal te verontschuldigen,
tot de aanwezigen: „Zij heeft iets dergelijks gedroomd, daarom heeft
het gezicht haar zoo getroffen.”
„Ja, het was een droom, een recht akelige droom,” stamelde Lodoiska met
een gedwongen lachje; „maar ik wil niet verder daaraan denken,” voegde
zij er met meer kalmte bij en trad in den kring der overigen terug.