Onder dergelijke gesprekken, waardoor men elkander ten minste
eenigszins van meer nabij leerde kennen, was de karavane nader en nader
aan hare bestemming gekomen. Reeds zag men het stadje Aussig, dat zich
schilderachtig langs den oever der Elbe uitstrekt, op een kleinen
afstand voor zich. De ruiters, die tot hiertoe de wagens verzeld
hadden, renden met lossen teugel vooruit, om de nadering der dames te
berichten en alles tot hare ontvangst voor te bereiden. De gansche
plaats geraakte in beweging, toen de statelijke trein van jonge lieden
zijn intocht hield; alles vloog aan venster of huisdeuren. De hupsche
meisjes met hare nette boheemsche neepmutsjes en levendige zwarte oogen
gluurden nieuwsgierig naar de voorname jonge heeren en trokken half
beschaamd, half tevreden lachend de aardige kopjes terug, wanneer haar
een kus toegeworpen of een groet toegewenkt werd, met welke beleefdheid
de jonge ruiters in hun vroolijken luim geenszins karig waren. De
waard van de herberg was reeds van hunne komst verwittigd; met
dienstvaardigen ijver sprongen hij en zijne lieden de aankomenden te
gemoet en grepen de teugels der paarden. „Alles is al volmaakt in orde,
mijne heeren,” riep hij; „het gansche huis is tot uw dienst, de kamers
zijn schoon gemaakt en opgesierd, voor eene goede tafel is gezorgd,
kortom, ik hoop, dat de genadige heeren over mij tevreden zullen zijn.”
„Wij zullen zien,” sprak de baron Heilborn, een der bestuurders, „en
willen alles in oogenschouw nemen. Hoogstens in tien minuten komen de
wagens met de dames en dan mag niets ontbreken. Hebt gij ook bloemen
in voorraad, om de stoep te bestrooien, en is de ingang behoorlijk
bekranst?”
„Dat zou ik denken, uwe genade,” hernam de waard; „en niet alleen de
deur, maar ook de gansche eetzaal, zoo goed wij 't schikken konden
en zoo goed het juist niet uitstekend fraaie lokaal toeliet.” Onder
deze woorden ging men de trappen op, om de tweede verdieping van het
huis, die tot ontvangst der gasten was ingericht, te bezichtigen.
Pronkvertrekken dorst men zekerlijk niet verwachten, want vier vrij
blauwselachtig gewitte muren, waarop eene lage zoldering rustte,
plompe, gebrekkig sluitende deuren, met donkerbruine verf aangestreken,
kleine, sombere vensters, met ronde schijven in het lood gezet, en een
vloer van ruwe planken, die nergens waterpas lagen, konden bezwaarlijk
een glansrijk paleis vormen, en behalve eenig stukadoorwerk aan de
wanden was niets te ontdekken, dat men eene bouwkunstige versiering
had kunnen noemen. Intusschen had de huiswaard de deuren met dikke
kransen van eikenloof, waardoor ook eenige bloemen heenschemerden,
behangen; de smaak in rangschikking was wel niet de fijnste, maar
leverde toch een vroolijk aanzien op, gelijk trouwens groen en bloemen
ons altijd vriendelijk toelachen, hoe kunsteloos zij ook geordend
zijn. In denzelfden trant als de deur, was ook de zaal getooid; van de
vier wanden hingen de groene volle eikenkransen in bevallig golvende
bogen—een schoone vorm, dien de wet der zwaartekracht van zelf
medebrengt—tot ongeveer twee voet onder de zoldering naar beneden.
De binnentredenden zagen het vertrek rond en riepen den waard een
eenparig bravo toe; een vroolijk gestemd gemoed toch schept in alles
behagen, wat zijne stemming zoekt te gemoet te komen. Echter had men
den tijd niet om lang in de zaal te vertoeven, daar de wagens elke
minuut konden aankomen. De jongelieden ijlden dus naar beneden, zorgden
dat stoep en gang met loof en bloemen bestrooid werden, en schaarden
zich nu rustig aan de deur om de aankomst der overigen te verbeiden.
Alle vensters van het stadje waren met nieuwsgierigen bezet, die de
dingen, welke komen zouden, met gespannen verwachting te gemoet zagen;
eene menigte kinderen was om het huis verzameld. Hoe armoedig en
half naakt de meesten ook zijn mochten, was toch de vreugde over het
ongewone schouwspel dat hen wachtte, in de helder flonkerende oogen ten
duidelijkste te lezen. De waard wilde hen verjagen, opdat de genadige
heerschappen in hun genot niet gestoord mochten worden, maar Heilborn
belette hem dit en zeide: „Laat de kinderen vroolijk zijn, heer waard;
zij storen onze vreugde niet; dat zij dan ook de hunne hebben. Waarlijk
men wordt zelf nog lustiger, als men zoo'n kleinen jubelenden zwerm om
zich ziet; laat hen dan rondspringen en buitelen en juichen en in de
handjes klappen, zooveel zij willen; wij zullen zien, wie het vandaag
in vroolijkheid winnen, zij dan wij.”
Thans ratelde de eerste wagen over de hobbelige straat van het stadje;
alle hoofden keerden zich naar het punt, waar de straat van de poort
op de markt uitliep. Een jubelgeschrei rees onder de kinderen op,
toen de vurige schimmels van den eersten wagen uit de enge straat te
voorschijn kwamen. „Laat ons als de kleinen doen,” riep Heilborn, „en
welkom heeten!” Tevens kreeg hij zijn zakdoek te voorschijn en wuifde
de komenden vroolijk tegen; de overigen volgden dit begroetingsteeken
na en de kinderen verdubbelden hun gejuich. Het waren de gravin, Maria,
de ritmeester en Erlhofen, die in den eersten wagen zaten, welke
onmiddellijk door den tweeden gevolgd werd. De jongelieden vlogen naar
het portier, om de dames bij het uitstijgen behulpzaam te zijn. „Daar
zijn wij,” riep Erlhofen, „en ziedaar eene gansche volksverzameling
om ons te ontvangen. Dat is betamelijk, dat is recht, dat verheugt
mij, gij mijne medegenooten en medebestuurders van dit olympische
feest. Bij gewichtige gelegenheden moet echter ook geld onder het volk
worden uitgedeeld.” Dit zeggende kreeg hij eene lange groene beurs te
voorschijn, schudde eene menigte klein en groot zilvergeld in zijne
hand uit en strooide het, als een triomfeerend Romein in den wagen
staande, met den statigen uitroep: „_Panem et circenses_!” onder de
kleine menigte uit. IJlings sprong hij hierop van zijne triumfkar en
snelde de reeds in huis getreden dames na.
Wagen op wagen volgde en de sierlijkste gestalten zweefden de breede
deur der herberg binnen. De rijkelijk gestrooide bloemen ontlokten aan
elken schoonen mond een blijden uitroep van verrassing. Eindelijk zag
men het laatste nette voetje de trede afwippen en in luchtigen tred
de stoep opsnellen. Boven in de zaal en aangrenzende vertrekken was
Erlhofen, ondersteund door Arnheim, Heilborn en de overige aanleggers
van het feest, onvermoeid bezig stoelen voor de dames te plaatsen, zich
bevlijtigende haar behulpzaam te zijn in het afleggen en bezorgen van
doeken, hoeden, mantels, zonneschermen en al de duizend kleinigheden,
die onafscheidelijk met het bestaan der vrouw verbonden zijn. Toen
eindelijk de eerste verwarring voorbij en de orde teruggekeerd was,
rees natuurlijk de vraag op, wat men nu beginnen moest. Erlhofen
scheen niet weinig lust te gevoelen, om opnieuw het redenaarsgestoelte
te beklimmen en eene ciceroniaansche verhandeling, zooal niet _de
offices_ of _de amicitia_, dan toch _de deliclis_ voor te dragen, toen
de ritmeester hem voorkwam en zeide: „Een staat moet geregeerd worden
en in beslissende tijden heeft zelfs de republiek een dictator noodig.
Wanneer wij over alles beraadslagen en de stemmen opnemen wilden, zou
daarmede zooveel tijd verloopen, dat, wanneer wij van duizend besluiten
het beste genomen hadden, ons niets meer ontbrak dan tijd om het ten
uitvoer te brengen. Ik sla dus voor een koning en eene koningin te
kiezen, aan wier bevelen wij van daag gehoorzamen willen; deze kunnen
dan, zoo het noodig is, hoogstderzelver ministers benoemen, in één
woord, de regeling van de gansche huishouding van staat op zich nemen.”
Het voorstel werd met eenparigen bijval begroet, en men ging onverwijld
tot de verkiezing van een monarch over, wiens benoeming bij voorkeur
aan de dames werd opgedragen. Erlhofen was de gelukkige, die met
algemeene stemmen verkozen werd, en men liet aan hem over, welke
schoone hij als koningin naast zich op den troon wilde plaatsen. De
gekroonde ging in eene fiere houding den kring rond, en wierp genadige,
doch tevens vorschende blikken op de zwakkere helft zijner onderdanen;
vervolgens trad hij met statigen ernst op de gravin Micielska toe, boog
eene knie voor haar en sprak: „Die mij door het lot is toegevoegd, zij
mijne gebiedster; zij deele den schoonsten troon van Europa, want hij
is het minst door zorgen verontrust, met haren koninklijken gemaal.”
Glimlachend reikte de gravin hem de hand, stond op, deed hem oprijzen
en sprak met bevalligheid: „Ik zal heerschen, maar zooals het der vrouw
betaamt, door overreding en ik eerbiedig den wil van mijn vorstelijken
heer.” Een luid gejubel begroette het doorluchtige paar, dat dadelijk
tot den eersten plicht der nieuwe waardigheid, het benoemen van een
ministerie, overging. „De justitie,” sprak Erlhofen, „houden wij
aan ons. Een minister van oorlog zullen wij, hoop ik, niet van doen
hebben, het finantie-wezen komt niet voor van avond in aanmerking; wel
beschouwd, kunnen wij ons met huisminister en een voor de openbare
vermaken tevreden stellen. Daar intusschen beider werkzaamheden zeer
menigvuldig kunnen worden en het ons, naardien wij er geene betalen, op
de bezoldiging niet aankomt, zoo bezetten wij deze posten twee-, drie-,
viervoudig, door alle bestuurders van het feest daartoe te benoemen,
terwijl wij aan ons zelven voorbehouden, hun nadere bevelen te geven.”
Men was met deze schikking der nieuwe monarchen volkomen tevreden en
scheen over het geheel zeer geneigd, zich aan het goeddunken van het
vorstelijk paar willig te onderwerpen. Het eerste bevel luidde, dat
men eene wandeling naar den Mariënberg ondernemen zoude, die, niet
ver van het stadje gelegen, een verrukkelijk uitzicht op het Elbedal
aanbiedt en niet moeilijk te beklimmen is. Daar gekomen, zou men het
verdere bespreken. Het was een vroolijke optocht, die zich eerst langs
de straten van het stadje door de gapende inwoners een weg baande
en vervolgens over de lachende velden onder het lommer der boomen
voorttrok. Doeken, linten en strikken wapperden lustig in het frissche
koeltje, de bonte, lichte zonneschermen schemerden helder door het
groene loof der struiken. De krommingen van het bergpad volgende, begon
men tusschen de wijnperken en moestuinen, die de helling bekleedden,
rustig opwaarts te stijgen. Erlhofen trad, de gravin aan den arm
houdend, aan de spits van zijn volk vooruit; van tijd tot tijd stond
hij stil, deels om te laten rusten, deels om op de schilderachtige
gezichtspunten, die het dal aanbood, opmerkzaam te maken. De kruin was
spoedig bereikt en vergunde, schoon geen ruim, een uiterst bevallig
uitzicht op de gansche landouw. Als van een hoogen toren zag men
in de straten van het stadje neder. „Wij kunnen ons rijk duidelijk
overzien,” sprak de baron, met den vinger op de herberg wijzende; „ook
onze gansche legermacht kunnen wij tellen, die zich daar in den vorm
van een wagenbrug in de schaduw van het raadhuis op de markt heeft
neergeslagen. Ik begrijp echter niet, waarom ik slechts onze naaste
bezittingen tot ons gebied rekenen zou! Wat heet bezitten? Naar mijn
oordeel bezit men dat alles wat men geniet, ten minste zoolang men
het geniet. Derhalve strekken de grenzen van ons gebied zich tot in
het onmetelijke uit; het Elbe-dal, welks schoone natuur ons heden
verkwikken zal, is ontegenzeggelijk ons eigendom; en dat men tegen ons
nog over de zon, die ons verwarmen, over de maan, die ons heden avond
naar huis lichten moet, iets zou inbrengen kan ik mij bezwaarlijk
voorstellen.”
„De schoonere helft onzer bezitting,” hernam de gravin, terwijl zij
vriendelijk omzag, „schijnt mij het bezielde deel onzer onderdanen te
zijn; ik zal mij, als eene ware landmoeder, vooral in het welzijn van
mijn volk gelukkig gevoelen.”
„Inderdaad,” riep Erlhofen, „uwe Majesteit heeft gelijk! Wanneer
ik onze onderhoorigen beschouw, zou ik bijna durven beweren, dat
geen monarch in Europa eene zoo beschaafde, rijke en zoo gehoorzame
bevolking regeert. Wij hebben in onzen staat wel is waar gebrek aan de
noodzakelijkste inrichtingen, maar uit zeer goede gronden. Eene politie
kennen wij niet, wijl wij geen vagebonden hebben; van een gerechtshof
willen wij niets weten, daar het ons aan misdadigers ontbreekt, en een
advocaat zou onder ons honger lijden, want, zoolang onze troon staat,
is nog geen enkel proces gevoerd. Armbesturen zijn geheel onnoodig,
daar niemand bedelen wil, of het mocht om een kus zijn, en in dat geval
zal men, vertrouw ik, ruime liefdadigheid uitoefenen.”
„Niet te voorbarig, lieve Sire,” hervatte de gravin glimlachend,
„niet te vroeg mogen wij ons over den bloeienden staat van ons
rijk verheugen. Wie weet of niet spoedig tweespalt en oproer
daarin losbarsten; uwe laatste vooronderstelling tenminste kon een
gerechtshof, een minnehof natuurlijk, dringend noodzakelijk maken.”
„Dan bekleeden wij den voorzittersstoel,” riep de baron levendig, „ik
wenschte slechts, dat wij reeds een klagend liefdepaar voor ons zagen.”
Onder deze gesprekken had men eene bevallige plek gevonden, die
met zacht mos begroeid en door groene struiken overschaduwd eene
bekoorlijke rustplaats aanbood. De koning verordende, dat men zich paar
aan paar legeren zoude, en de gehoorzame onderdanen volgden dit bevel
gewillig op. „Wij regelen ons, dunkt mij,” dus verhief de heerscher
zijne stem, „in onze genietingen deels naar onze krachten, deels
naar de wenken, die ons door de natuur zelve gegeven worden. In deze
stille voormiddaguren, nu de zon hooger en hooger stijgt en de warmte
allengs toeneemt, moeten wij rustend het schoone genieten. Eerst de
namiddag, als met elke minuut een koeler adem de lucht verfrischt, is
tot lichamelijke uitspanningen geschikt. Thans mogen kout en scherts
ons bezighouden, die ons niet verhinderen, naar het zachte gegons en
gezwerm der insekten te luisteren of den blik opwaarts naar de groene
looverkruinen te richten, die fluisteren en suizen en zonnestraal en
hemelsblauw tusschen hare kleine traliereten laten doorgluren. Een
luchtig spel laat ik mij welgevallen, slechts geen dier vermoeiende,
waarbij men zich buiten adem loopt en die voor een koninklijken
hofstoet zoo weinig voegen.”
Men was van zijne meening en de gravin, door de dames tot een voorslag
uitgenoodigd bracht een pandspel tot stand. Dit gaf aanleiding tot
allerlei vroolijke scherts, daar de koning die niet alleen toeliet,
maar zelfs menig koene vrijheid bij de inlossing uitdrukkelijk gebood.
Toen deze was afgeloopen, gelastte hij op te breken en eene nieuwe
legerplaats te zoeken, waar men tegen de stralen der zon, die het dunne
loofdak, waaronder men nu zat, niet meer buitensloot, geheel beschut
was. Daar hij zijne ministers in verschillende richtingen als boden had
uitgezonden, keerde de ritmeester na eenige minuten met de verzekering
terug, dat hij een plekje had opgespoord, dat alle vereischten van
een aangenaam toevluchtsoord in zich vereenigde. Men volgde hem; hij
ging het gezelschap op de kruin des bergs dalwaarts voor, en sloeg
vervolgens een voetpad in, dat, een weinig van de hoogte afdalende,
zich in eene donkere woudstreek verloor, waar steile beuken de koelste
schaduw aanboden. Eene heldere bron welde uit eene rotskloof op en
verzamelde zich in een door haar zelve uitgehold bekken, om vervolgens,
over den rand heenstroomende, lustig in het dal neder te dartelen.
De helling van den berg vormde de gemakkelijkste zitplaatsen; de met
mos bekleede tronk van een ontwortelden beuk bood eene verhevenheid
aan, die het koninklijk paar tot troonzetel kon dienen. Tevens was
men, niettegenstaande den donkeren woudnacht, niet zonder een schoon
uitzicht, daar een hooge, boogvormige opening in het boomgewelf een
blik op de Elbe vergunde, aan wier anderen oever, juist te midden der
door de groene takken begrensde ruimte, het slot Schreckenstein op
zijne zwarte grondvesten omhoog rees. Daarenboven kon men ook recht
voor zich uit in het dal nederzien, waar de golven der breede rivier
als zilver door het loof heenblonken. De plaats verraste zoozeer
door hare natuurlijke, schilderachtige schoonheid, dat zij door het
gezelschap met een luiden kreet van bewondering begroet werd. De
monarch nam op den zachten troonzetel plaats, de koningin zette zich
aan zijne zijde neder, paar bij paar legerden zich de overigen in het
groen en sloten eenen breeden, trapsgewijze bij de helling afdalenden
cirkel om het vorstelijk paar.
„Hier is het ook voor spel te schoon,” begon de koningin; „het oord
is bijna te eerwaardig, om door luchtige scherts te worden ontwijd.
Met genoegen zou men hier naar een verhaler of zanger luisteren, die
ons van de romantische wonderen van dit dal wist kond te doen. Heeft
niemand onzer onderdanen den oude dezer rots gesproken? Verscheen
niemand de berggeest of de liefelijke nimf van den stroom? Heeft zij
geen onzer ridders, die op de jacht van het spoor dwaalden, in het
geheimzinnige duister van het woud aangesproken, den dorstende een
verkoelenden laafdronk gereikt, den vermoeiden den helm ontgespt en
hem met zoet gevlei uitgenoodigd, het hoofd in haren schoot te leggen?
Heeft zij hem toen niet verhaald van hare sloten in de diepe rotskloof
of onder de koele zilveren spiegelvlakte van het water? Heeft zij niet
zoete liederen met het suizen en lispelen der bergvlieten en boomen
gepaard, om hem in haren arm in slaap te wiegen? Voerde zij niemand
in hare paleizen binnen; liet zij niemand den dans aanschouwen van
de nimfen, hare zusters? Of is er wellicht een gelukkige onder ons,
dien zij vleiend met zich lokte naar de schemerdonkere grot, om in
vertrouwelijke eenzaamheid met hem te koozen? Ach ik vrees, de schoone
tijd der wonderen is voorbij; nauw geeft de dichter ons nog bericht
van die gulden dagen, toen goden de sterfelijken bezochten! Ware hier
echter iemand, die het zelf ervaren heeft, dat de oude, schoone droomen
nog immer voortduren, dat de goedige wezens, met wie onze stamvaders
bevriend waren, nog altijd omwandelen, schoon ook het onheilige
gedruisch en gewoel der wereld in de diepste eenzaamheid ontweken: dat
hij optrede en ons verhale, wat hij gezien heeft.”
Alles bleef stil; men glimlachte slechts over de bevallige wijze,
waarop de gravin de feestgenooten tot het verhalen eener sage of
overlevering had aangemoedigd. Eindelijk stond een jongeling op, die
nauwelijks twintig jaren oud scheen, maar door zijn zacht, bescheiden
en bijna vrouwelijk voorkomen, zijne schoone, blonde haarlokken en
frissche, bloeiende gelaatskleur reeds vroeger de aandacht geboeid had,
en sprak: „Ik ben wellicht de jongste uit dit gezelschap en durf niet
hopen door mijne voordracht belangstelling te wekken; echter ben ik in
deze bergen opgevoed en ken menig schoone sage, die hier onder het volk
in aandenken is gebleven. Wanneer ik....”
„O vertel, wij bidden u, vertel,” riepen vele stemmen en braken
zoo de inleiding af, die hij schuw en blozend begonnen had. Ook de
gravin stond op en zeide: „Dat is prijselijk, dat gij uwe gebiedster
gehoorzaam zijt; maar de verhaler moet eene plaats hebben, waar ieder
hem zien en hooren kan; zet u dus, zoolang de sage duurt op mijn troon
neder.”
De gravin had hare woorden niet kunnen voleinden, toen Erlhofen reeds
opsprong en uitriep:
„Dat verhoede de hemel, dat mijne koningin haren troon zoude verlaten!
Maar de dichter en zanger is de ware koning, want hij beheerscht de
harten, vooral die der vrouwen. Hij neme dus mijn zetel in en zitte aan
de zijde der koningin, wier nabijheid zijn geestdrift ontvlammen moge.”
Een vroolijk handgeklap getuigde van de goedkeuring der onderdanen,
en Benno, zoo heette de jongeling, nam met eene bedeesdheid en
schroomvalligheid, die zijn jeugdig gelaat ongemeen goed stonden, aan
de zijde der gravin plaats. Na eenig nadenken droeg hij eene, door hem
zelven naar eene der volksoverlevering van het gebergte vervaardigde
legende voor. Zij behelsde de geschiedenis van een door de bewoners
der bergen en stroomen begunstigden jongeling, die de liefde eener in
de diepte van het meer wonende jonkvrouw wint, en haar eeuwige trouw
zweert. Doch hij moet zware beproevingen doorstaan; geheime krachten
en machten omgeven hem van alle zijden. Schoon de geliefde hem door
geheimzinnige, wondervolle geschenken en gaven tegen de betooverende
werkingen in zekerheid stelt, wordt hij verblind, wordt hij ontrouw,
ziet zich eensklaps door alle drogbeelden van zijn waan verlaten en in
diepe ellende gedompeld. Vol vertwijfeling beneemt hij zich het leven
door in dat meer te springen, op welks bodem het kristallen paleis
zijner geliefde verborgen is. Sinds dien tijd zijn de blauwe baren
donker en troebel geworden; en zelfs bij den heldersten hemel spiegelt
de zwarte watervlakte geen enkelen zonnestraal terug.