HOOFDSTUK III.

Onder dergelijke gesprekken, waardoor men elkander ten minste

eenigszins van meer nabij leerde kennen, was de karavane nader en nader

aan hare bestemming gekomen. Reeds zag men het stadje Aussig, dat zich

schilderachtig langs den oever der Elbe uitstrekt, op een kleinen

afstand voor zich. De ruiters, die tot hiertoe de wagens verzeld

hadden, renden met lossen teugel vooruit, om de nadering der dames te

berichten en alles tot hare ontvangst voor te bereiden. De gansche

plaats geraakte in beweging, toen de statelijke trein van jonge lieden

zijn intocht hield; alles vloog aan venster of huisdeuren. De hupsche

meisjes met hare nette boheemsche neepmutsjes en levendige zwarte oogen

gluurden nieuwsgierig naar de voorname jonge heeren en trokken half

beschaamd, half tevreden lachend de aardige kopjes terug, wanneer haar

een kus toegeworpen of een groet toegewenkt werd, met welke beleefdheid

de jonge ruiters in hun vroolijken luim geenszins karig waren. De

waard van de herberg was reeds van hunne komst verwittigd; met

dienstvaardigen ijver sprongen hij en zijne lieden de aankomenden te

gemoet en grepen de teugels der paarden. „Alles is al volmaakt in orde,

mijne heeren,” riep hij; „het gansche huis is tot uw dienst, de kamers

zijn schoon gemaakt en opgesierd, voor eene goede tafel is gezorgd,

kortom, ik hoop, dat de genadige heeren over mij tevreden zullen zijn.”

„Wij zullen zien,” sprak de baron Heilborn, een der bestuurders, „en

willen alles in oogenschouw nemen. Hoogstens in tien minuten komen de

wagens met de dames en dan mag niets ontbreken. Hebt gij ook bloemen

in voorraad, om de stoep te bestrooien, en is de ingang behoorlijk

bekranst?”

„Dat zou ik denken, uwe genade,” hernam de waard; „en niet alleen de

deur, maar ook de gansche eetzaal, zoo goed wij 't schikken konden

en zoo goed het juist niet uitstekend fraaie lokaal toeliet.” Onder

deze woorden ging men de trappen op, om de tweede verdieping van het

huis, die tot ontvangst der gasten was ingericht, te bezichtigen.

Pronkvertrekken dorst men zekerlijk niet verwachten, want vier vrij

blauwselachtig gewitte muren, waarop eene lage zoldering rustte,

plompe, gebrekkig sluitende deuren, met donkerbruine verf aangestreken,

kleine, sombere vensters, met ronde schijven in het lood gezet, en een

vloer van ruwe planken, die nergens waterpas lagen, konden bezwaarlijk

een glansrijk paleis vormen, en behalve eenig stukadoorwerk aan de

wanden was niets te ontdekken, dat men eene bouwkunstige versiering

had kunnen noemen. Intusschen had de huiswaard de deuren met dikke

kransen van eikenloof, waardoor ook eenige bloemen heenschemerden,

behangen; de smaak in rangschikking was wel niet de fijnste, maar

leverde toch een vroolijk aanzien op, gelijk trouwens groen en bloemen

ons altijd vriendelijk toelachen, hoe kunsteloos zij ook geordend

zijn. In denzelfden trant als de deur, was ook de zaal getooid; van de

vier wanden hingen de groene volle eikenkransen in bevallig golvende

bogen—een schoone vorm, dien de wet der zwaartekracht van zelf

medebrengt—tot ongeveer twee voet onder de zoldering naar beneden.

De binnentredenden zagen het vertrek rond en riepen den waard een

eenparig bravo toe; een vroolijk gestemd gemoed toch schept in alles

behagen, wat zijne stemming zoekt te gemoet te komen. Echter had men

den tijd niet om lang in de zaal te vertoeven, daar de wagens elke

minuut konden aankomen. De jongelieden ijlden dus naar beneden, zorgden

dat stoep en gang met loof en bloemen bestrooid werden, en schaarden

zich nu rustig aan de deur om de aankomst der overigen te verbeiden.

Alle vensters van het stadje waren met nieuwsgierigen bezet, die de

dingen, welke komen zouden, met gespannen verwachting te gemoet zagen;

eene menigte kinderen was om het huis verzameld. Hoe armoedig en

half naakt de meesten ook zijn mochten, was toch de vreugde over het

ongewone schouwspel dat hen wachtte, in de helder flonkerende oogen ten

duidelijkste te lezen. De waard wilde hen verjagen, opdat de genadige

heerschappen in hun genot niet gestoord mochten worden, maar Heilborn

belette hem dit en zeide: „Laat de kinderen vroolijk zijn, heer waard;

zij storen onze vreugde niet; dat zij dan ook de hunne hebben. Waarlijk

men wordt zelf nog lustiger, als men zoo'n kleinen jubelenden zwerm om

zich ziet; laat hen dan rondspringen en buitelen en juichen en in de

handjes klappen, zooveel zij willen; wij zullen zien, wie het vandaag

in vroolijkheid winnen, zij dan wij.”

Thans ratelde de eerste wagen over de hobbelige straat van het stadje;

alle hoofden keerden zich naar het punt, waar de straat van de poort

op de markt uitliep. Een jubelgeschrei rees onder de kinderen op,

toen de vurige schimmels van den eersten wagen uit de enge straat te

voorschijn kwamen. „Laat ons als de kleinen doen,” riep Heilborn, „en

welkom heeten!” Tevens kreeg hij zijn zakdoek te voorschijn en wuifde

de komenden vroolijk tegen; de overigen volgden dit begroetingsteeken

na en de kinderen verdubbelden hun gejuich. Het waren de gravin, Maria,

de ritmeester en Erlhofen, die in den eersten wagen zaten, welke

onmiddellijk door den tweeden gevolgd werd. De jongelieden vlogen naar

het portier, om de dames bij het uitstijgen behulpzaam te zijn. „Daar

zijn wij,” riep Erlhofen, „en ziedaar eene gansche volksverzameling

om ons te ontvangen. Dat is betamelijk, dat is recht, dat verheugt

mij, gij mijne medegenooten en medebestuurders van dit olympische

feest. Bij gewichtige gelegenheden moet echter ook geld onder het volk

worden uitgedeeld.” Dit zeggende kreeg hij eene lange groene beurs te

voorschijn, schudde eene menigte klein en groot zilvergeld in zijne

hand uit en strooide het, als een triomfeerend Romein in den wagen

staande, met den statigen uitroep: „_Panem et circenses_!” onder de

kleine menigte uit. IJlings sprong hij hierop van zijne triumfkar en

snelde de reeds in huis getreden dames na.

Wagen op wagen volgde en de sierlijkste gestalten zweefden de breede

deur der herberg binnen. De rijkelijk gestrooide bloemen ontlokten aan

elken schoonen mond een blijden uitroep van verrassing. Eindelijk zag

men het laatste nette voetje de trede afwippen en in luchtigen tred

de stoep opsnellen. Boven in de zaal en aangrenzende vertrekken was

Erlhofen, ondersteund door Arnheim, Heilborn en de overige aanleggers

van het feest, onvermoeid bezig stoelen voor de dames te plaatsen, zich

bevlijtigende haar behulpzaam te zijn in het afleggen en bezorgen van

doeken, hoeden, mantels, zonneschermen en al de duizend kleinigheden,

die onafscheidelijk met het bestaan der vrouw verbonden zijn. Toen

eindelijk de eerste verwarring voorbij en de orde teruggekeerd was,

rees natuurlijk de vraag op, wat men nu beginnen moest. Erlhofen

scheen niet weinig lust te gevoelen, om opnieuw het redenaarsgestoelte

te beklimmen en eene ciceroniaansche verhandeling, zooal niet _de

offices_ of _de amicitia_, dan toch _de deliclis_ voor te dragen, toen

de ritmeester hem voorkwam en zeide: „Een staat moet geregeerd worden

en in beslissende tijden heeft zelfs de republiek een dictator noodig.

Wanneer wij over alles beraadslagen en de stemmen opnemen wilden, zou

daarmede zooveel tijd verloopen, dat, wanneer wij van duizend besluiten

het beste genomen hadden, ons niets meer ontbrak dan tijd om het ten

uitvoer te brengen. Ik sla dus voor een koning en eene koningin te

kiezen, aan wier bevelen wij van daag gehoorzamen willen; deze kunnen

dan, zoo het noodig is, hoogstderzelver ministers benoemen, in één

woord, de regeling van de gansche huishouding van staat op zich nemen.”

Het voorstel werd met eenparigen bijval begroet, en men ging onverwijld

tot de verkiezing van een monarch over, wiens benoeming bij voorkeur

aan de dames werd opgedragen. Erlhofen was de gelukkige, die met

algemeene stemmen verkozen werd, en men liet aan hem over, welke

schoone hij als koningin naast zich op den troon wilde plaatsen. De

gekroonde ging in eene fiere houding den kring rond, en wierp genadige,

doch tevens vorschende blikken op de zwakkere helft zijner onderdanen;

vervolgens trad hij met statigen ernst op de gravin Micielska toe, boog

eene knie voor haar en sprak: „Die mij door het lot is toegevoegd, zij

mijne gebiedster; zij deele den schoonsten troon van Europa, want hij

is het minst door zorgen verontrust, met haren koninklijken gemaal.”

Glimlachend reikte de gravin hem de hand, stond op, deed hem oprijzen

en sprak met bevalligheid: „Ik zal heerschen, maar zooals het der vrouw

betaamt, door overreding en ik eerbiedig den wil van mijn vorstelijken

heer.” Een luid gejubel begroette het doorluchtige paar, dat dadelijk

tot den eersten plicht der nieuwe waardigheid, het benoemen van een

ministerie, overging. „De justitie,” sprak Erlhofen, „houden wij

aan ons. Een minister van oorlog zullen wij, hoop ik, niet van doen

hebben, het finantie-wezen komt niet voor van avond in aanmerking; wel

beschouwd, kunnen wij ons met huisminister en een voor de openbare

vermaken tevreden stellen. Daar intusschen beider werkzaamheden zeer

menigvuldig kunnen worden en het ons, naardien wij er geene betalen, op

de bezoldiging niet aankomt, zoo bezetten wij deze posten twee-, drie-,

viervoudig, door alle bestuurders van het feest daartoe te benoemen,

terwijl wij aan ons zelven voorbehouden, hun nadere bevelen te geven.”

Men was met deze schikking der nieuwe monarchen volkomen tevreden en

scheen over het geheel zeer geneigd, zich aan het goeddunken van het

vorstelijk paar willig te onderwerpen. Het eerste bevel luidde, dat

men eene wandeling naar den Mariënberg ondernemen zoude, die, niet

ver van het stadje gelegen, een verrukkelijk uitzicht op het Elbedal

aanbiedt en niet moeilijk te beklimmen is. Daar gekomen, zou men het

verdere bespreken. Het was een vroolijke optocht, die zich eerst langs

de straten van het stadje door de gapende inwoners een weg baande

en vervolgens over de lachende velden onder het lommer der boomen

voorttrok. Doeken, linten en strikken wapperden lustig in het frissche

koeltje, de bonte, lichte zonneschermen schemerden helder door het

groene loof der struiken. De krommingen van het bergpad volgende, begon

men tusschen de wijnperken en moestuinen, die de helling bekleedden,

rustig opwaarts te stijgen. Erlhofen trad, de gravin aan den arm

houdend, aan de spits van zijn volk vooruit; van tijd tot tijd stond

hij stil, deels om te laten rusten, deels om op de schilderachtige

gezichtspunten, die het dal aanbood, opmerkzaam te maken. De kruin was

spoedig bereikt en vergunde, schoon geen ruim, een uiterst bevallig

uitzicht op de gansche landouw. Als van een hoogen toren zag men

in de straten van het stadje neder. „Wij kunnen ons rijk duidelijk

overzien,” sprak de baron, met den vinger op de herberg wijzende; „ook

onze gansche legermacht kunnen wij tellen, die zich daar in den vorm

van een wagenbrug in de schaduw van het raadhuis op de markt heeft

neergeslagen. Ik begrijp echter niet, waarom ik slechts onze naaste

bezittingen tot ons gebied rekenen zou! Wat heet bezitten? Naar mijn

oordeel bezit men dat alles wat men geniet, ten minste zoolang men

het geniet. Derhalve strekken de grenzen van ons gebied zich tot in

het onmetelijke uit; het Elbe-dal, welks schoone natuur ons heden

verkwikken zal, is ontegenzeggelijk ons eigendom; en dat men tegen ons

nog over de zon, die ons verwarmen, over de maan, die ons heden avond

naar huis lichten moet, iets zou inbrengen kan ik mij bezwaarlijk

voorstellen.”

„De schoonere helft onzer bezitting,” hernam de gravin, terwijl zij

vriendelijk omzag, „schijnt mij het bezielde deel onzer onderdanen te

zijn; ik zal mij, als eene ware landmoeder, vooral in het welzijn van

mijn volk gelukkig gevoelen.”

„Inderdaad,” riep Erlhofen, „uwe Majesteit heeft gelijk! Wanneer

ik onze onderhoorigen beschouw, zou ik bijna durven beweren, dat

geen monarch in Europa eene zoo beschaafde, rijke en zoo gehoorzame

bevolking regeert. Wij hebben in onzen staat wel is waar gebrek aan de

noodzakelijkste inrichtingen, maar uit zeer goede gronden. Eene politie

kennen wij niet, wijl wij geen vagebonden hebben; van een gerechtshof

willen wij niets weten, daar het ons aan misdadigers ontbreekt, en een

advocaat zou onder ons honger lijden, want, zoolang onze troon staat,

is nog geen enkel proces gevoerd. Armbesturen zijn geheel onnoodig,

daar niemand bedelen wil, of het mocht om een kus zijn, en in dat geval

zal men, vertrouw ik, ruime liefdadigheid uitoefenen.”

„Niet te voorbarig, lieve Sire,” hervatte de gravin glimlachend,

„niet te vroeg mogen wij ons over den bloeienden staat van ons

rijk verheugen. Wie weet of niet spoedig tweespalt en oproer

daarin losbarsten; uwe laatste vooronderstelling tenminste kon een

gerechtshof, een minnehof natuurlijk, dringend noodzakelijk maken.”

„Dan bekleeden wij den voorzittersstoel,” riep de baron levendig, „ik

wenschte slechts, dat wij reeds een klagend liefdepaar voor ons zagen.”

Onder deze gesprekken had men eene bevallige plek gevonden, die

met zacht mos begroeid en door groene struiken overschaduwd eene

bekoorlijke rustplaats aanbood. De koning verordende, dat men zich paar

aan paar legeren zoude, en de gehoorzame onderdanen volgden dit bevel

gewillig op. „Wij regelen ons, dunkt mij,” dus verhief de heerscher

zijne stem, „in onze genietingen deels naar onze krachten, deels

naar de wenken, die ons door de natuur zelve gegeven worden. In deze

stille voormiddaguren, nu de zon hooger en hooger stijgt en de warmte

allengs toeneemt, moeten wij rustend het schoone genieten. Eerst de

namiddag, als met elke minuut een koeler adem de lucht verfrischt, is

tot lichamelijke uitspanningen geschikt. Thans mogen kout en scherts

ons bezighouden, die ons niet verhinderen, naar het zachte gegons en

gezwerm der insekten te luisteren of den blik opwaarts naar de groene

looverkruinen te richten, die fluisteren en suizen en zonnestraal en

hemelsblauw tusschen hare kleine traliereten laten doorgluren. Een

luchtig spel laat ik mij welgevallen, slechts geen dier vermoeiende,

waarbij men zich buiten adem loopt en die voor een koninklijken

hofstoet zoo weinig voegen.”

Men was van zijne meening en de gravin, door de dames tot een voorslag

uitgenoodigd bracht een pandspel tot stand. Dit gaf aanleiding tot

allerlei vroolijke scherts, daar de koning die niet alleen toeliet,

maar zelfs menig koene vrijheid bij de inlossing uitdrukkelijk gebood.

Toen deze was afgeloopen, gelastte hij op te breken en eene nieuwe

legerplaats te zoeken, waar men tegen de stralen der zon, die het dunne

loofdak, waaronder men nu zat, niet meer buitensloot, geheel beschut

was. Daar hij zijne ministers in verschillende richtingen als boden had

uitgezonden, keerde de ritmeester na eenige minuten met de verzekering

terug, dat hij een plekje had opgespoord, dat alle vereischten van

een aangenaam toevluchtsoord in zich vereenigde. Men volgde hem; hij

ging het gezelschap op de kruin des bergs dalwaarts voor, en sloeg

vervolgens een voetpad in, dat, een weinig van de hoogte afdalende,

zich in eene donkere woudstreek verloor, waar steile beuken de koelste

schaduw aanboden. Eene heldere bron welde uit eene rotskloof op en

verzamelde zich in een door haar zelve uitgehold bekken, om vervolgens,

over den rand heenstroomende, lustig in het dal neder te dartelen.

De helling van den berg vormde de gemakkelijkste zitplaatsen; de met

mos bekleede tronk van een ontwortelden beuk bood eene verhevenheid

aan, die het koninklijk paar tot troonzetel kon dienen. Tevens was

men, niettegenstaande den donkeren woudnacht, niet zonder een schoon

uitzicht, daar een hooge, boogvormige opening in het boomgewelf een

blik op de Elbe vergunde, aan wier anderen oever, juist te midden der

door de groene takken begrensde ruimte, het slot Schreckenstein op

zijne zwarte grondvesten omhoog rees. Daarenboven kon men ook recht

voor zich uit in het dal nederzien, waar de golven der breede rivier

als zilver door het loof heenblonken. De plaats verraste zoozeer

door hare natuurlijke, schilderachtige schoonheid, dat zij door het

gezelschap met een luiden kreet van bewondering begroet werd. De

monarch nam op den zachten troonzetel plaats, de koningin zette zich

aan zijne zijde neder, paar bij paar legerden zich de overigen in het

groen en sloten eenen breeden, trapsgewijze bij de helling afdalenden

cirkel om het vorstelijk paar.

„Hier is het ook voor spel te schoon,” begon de koningin; „het oord

is bijna te eerwaardig, om door luchtige scherts te worden ontwijd.

Met genoegen zou men hier naar een verhaler of zanger luisteren, die

ons van de romantische wonderen van dit dal wist kond te doen. Heeft

niemand onzer onderdanen den oude dezer rots gesproken? Verscheen

niemand de berggeest of de liefelijke nimf van den stroom? Heeft zij

geen onzer ridders, die op de jacht van het spoor dwaalden, in het

geheimzinnige duister van het woud aangesproken, den dorstende een

verkoelenden laafdronk gereikt, den vermoeiden den helm ontgespt en

hem met zoet gevlei uitgenoodigd, het hoofd in haren schoot te leggen?

Heeft zij hem toen niet verhaald van hare sloten in de diepe rotskloof

of onder de koele zilveren spiegelvlakte van het water? Heeft zij niet

zoete liederen met het suizen en lispelen der bergvlieten en boomen

gepaard, om hem in haren arm in slaap te wiegen? Voerde zij niemand

in hare paleizen binnen; liet zij niemand den dans aanschouwen van

de nimfen, hare zusters? Of is er wellicht een gelukkige onder ons,

dien zij vleiend met zich lokte naar de schemerdonkere grot, om in

vertrouwelijke eenzaamheid met hem te koozen? Ach ik vrees, de schoone

tijd der wonderen is voorbij; nauw geeft de dichter ons nog bericht

van die gulden dagen, toen goden de sterfelijken bezochten! Ware hier

echter iemand, die het zelf ervaren heeft, dat de oude, schoone droomen

nog immer voortduren, dat de goedige wezens, met wie onze stamvaders

bevriend waren, nog altijd omwandelen, schoon ook het onheilige

gedruisch en gewoel der wereld in de diepste eenzaamheid ontweken: dat

hij optrede en ons verhale, wat hij gezien heeft.”

Alles bleef stil; men glimlachte slechts over de bevallige wijze,

waarop de gravin de feestgenooten tot het verhalen eener sage of

overlevering had aangemoedigd. Eindelijk stond een jongeling op, die

nauwelijks twintig jaren oud scheen, maar door zijn zacht, bescheiden

en bijna vrouwelijk voorkomen, zijne schoone, blonde haarlokken en

frissche, bloeiende gelaatskleur reeds vroeger de aandacht geboeid had,

en sprak: „Ik ben wellicht de jongste uit dit gezelschap en durf niet

hopen door mijne voordracht belangstelling te wekken; echter ben ik in

deze bergen opgevoed en ken menig schoone sage, die hier onder het volk

in aandenken is gebleven. Wanneer ik....”

„O vertel, wij bidden u, vertel,” riepen vele stemmen en braken

zoo de inleiding af, die hij schuw en blozend begonnen had. Ook de

gravin stond op en zeide: „Dat is prijselijk, dat gij uwe gebiedster

gehoorzaam zijt; maar de verhaler moet eene plaats hebben, waar ieder

hem zien en hooren kan; zet u dus, zoolang de sage duurt op mijn troon

neder.”

De gravin had hare woorden niet kunnen voleinden, toen Erlhofen reeds

opsprong en uitriep:

„Dat verhoede de hemel, dat mijne koningin haren troon zoude verlaten!

Maar de dichter en zanger is de ware koning, want hij beheerscht de

harten, vooral die der vrouwen. Hij neme dus mijn zetel in en zitte aan

de zijde der koningin, wier nabijheid zijn geestdrift ontvlammen moge.”

Een vroolijk handgeklap getuigde van de goedkeuring der onderdanen,

en Benno, zoo heette de jongeling, nam met eene bedeesdheid en

schroomvalligheid, die zijn jeugdig gelaat ongemeen goed stonden, aan

de zijde der gravin plaats. Na eenig nadenken droeg hij eene, door hem

zelven naar eene der volksoverlevering van het gebergte vervaardigde

legende voor. Zij behelsde de geschiedenis van een door de bewoners

der bergen en stroomen begunstigden jongeling, die de liefde eener in

de diepte van het meer wonende jonkvrouw wint, en haar eeuwige trouw

zweert. Doch hij moet zware beproevingen doorstaan; geheime krachten

en machten omgeven hem van alle zijden. Schoon de geliefde hem door

geheimzinnige, wondervolle geschenken en gaven tegen de betooverende

werkingen in zekerheid stelt, wordt hij verblind, wordt hij ontrouw,

ziet zich eensklaps door alle drogbeelden van zijn waan verlaten en in

diepe ellende gedompeld. Vol vertwijfeling beneemt hij zich het leven

door in dat meer te springen, op welks bodem het kristallen paleis

zijner geliefde verborgen is. Sinds dien tijd zijn de blauwe baren

donker en troebel geworden; en zelfs bij den heldersten hemel spiegelt

de zwarte watervlakte geen enkelen zonnestraal terug.

1812: Historische roman · 第 52 / 154 题