HOOFDSTUK II.

De helderste morgen was aangebroken; het sloeg juist zes uur, toen

Maria in een licht, wit zomerkleedje, dat slechts door eenige

lilastrikken versierd was, met luchtigen tred door den tuin spoedde,

om, de kleine deur in de heining uitgaande, den naasten weg naar

hare vriendinnen in te slaan. Reeds vond zij een kapwagen voor het

huis gereed staan en de beide jonge meisjes kwamen haar op de trap

te gemoet snellen. „Wij zullen het heerlijkste weder hebben,” zeide

Maria na de eerste begroetingen; „ik stel mij veel genoegen voor van

het romantische landschap, dat ik in lang niet gezien heb.” Gedurende

dit gesprek traden ook de ouders binnen, heetten Maria welkom, en

gezamenlijk ging men nu naar beneden om in het rijtuig te stijgen.

Weldra had men de huizen van het stadje achter zich en rolde men

tusschen bedauwde struiken, heggen, weilanden en korenvelden langzaam

voort. Men verwonderde zich zeer nog geene wagens op den straatweg

te ontdekken, daar toch een aanzienlijk getal personen aan het feest

deel zou nemen.—Op eene kleine hoogte, ongeveer een vierde uur van

de stad, werd men op het aangenaamste verrast. Reeds van verre was

het zichtbaar, dat de weg met bloemfestoenen gesloten werd; naderbij

gekomen werd men een zeer bevalligen eereboog gewaar. In een lossen,

golvenden boog hing de lange bloemketen, uit de toppen van twee, aan

weerszijden van den weg staande beuken naar beneden, en de struiken,

die deze omringden, had men met rijke kransen versierd, die van tak

tot tak rondzwierden en zoo eene wel onregelmatige, doch juist door

hare willekeur en schilderachtige losheid hoogst verrassende vertooning

opleverden. Met vermaak rustten de blikken der meisjes op dit tafereel,

dat haar een gunstig voorteeken voor de verdere genoegens van den dag

scheen te geven, toen eensklaps van weerszijden uit de struiken een

ruiter te voorschijn sprong, wiens hoed met groene takken en bloemen

bevallig was opgesierd; dezen volgden anderen, die zich aan beide

zijden van den weg in orde schaarden en der vrouwen een jubelenden

morgengroet toeriepen. De aanvoerders reden naar het portier en

overhandigden aan elke dame een geurige ruiker. Het was de ritmeester,

die Maria op deze wijze verwelkomde; hij en nog een tweede ruiter

sloten zich hierop aan den wagen aan en verzochten dadelijk, dat men

stapvoets mocht rijden, ten einde daardoor aan de andere rijtuigen den

tijd te geven, om hen in te halen en zoo een langen trein te vormen.

„Wij zijn dus de eersten?” vroeg Maria, toen de wagen verder rolde.

„Voorzeker,” antwoordde Arnheim, die aan hare zijde naast het portier

reed. „Wij hadden allen dames verzocht, stipt te zes uur af te rijden,

en heimelijk met elkander afgesproken, dat wij die te paard zijn,

alsdan hier op de hoogte de aankomenden begroeten en ons twee aan

twee bij elk rijtuig aansluiten wilden, waarbij wij het, door ons in

gelederen te rangschikken, geheel en al aan het toeval overlieten, van

wie wij op deze wijze de ridders zouden worden. Zoo moest elke strijd,

elke schijnbare voorkeur vermeden worden; het toeval ordent de wagens

en paart de geleiders; want wij hadden elkander plechtig beloofd aan

geene der dames iets van de kleine verrassing hierboven te verraden,

doch aan allen hetzelfde uur van den afrit op te geven. Zoo zijn wij

dan ook van de lastige verplichting ontslagen, om op den rang der

verschillende personen angstvallig acht te slaan, en wij hopen, dat,

wanneer de stijve rechten der geboorte eens zijn opgeheven, zij ons

ook verder in het zorgelooze genot niet zullen storen.—Maar terwijl

wij spreken, is onze karavane immers reeds aanmerkelijk vergroot!

Zie slechts, hoe wagen op wagen nadert, om onzen trein te verlengen.”

Inderdaad bespeurde men op de hoogte, die men zoo even was afgereden,

drie rijtuigen, die, door hunne ruiters verzeld, op verschillende

tusschenruimten der straat kwamen aanrollen. Weldra hadden zij het

eerste bereikt, en reden nu langzaam achteraan voort. Daar men nog bij

voortduring den weg, tot aan het punt waar de eereboog was opgericht,

konde overzien, was het een vroolijk schouwspel de wagens te zien

aankomen, die door de veelkleurige doeken, bonte kleederen, glanzende

hoeden en groene sluiers der dames, alsmede door de bloemruikers,

waarmede de ruiters getooid waren, levendig tegen de akkers en velden

afstaken en een schemerenden glans van verven in het rustige beeld

van het landschap brachten. De verstrooide punten, waarop het oog

rustte, drongen dichter en dichter opéén en vormden weldra een rijke,

veelvervige keten, die door de velden heenkronkelde, die slingerende

bochten der straat volgde en nu eens bij eene zachte hoogte opsteeg,

dan weder schilderachtig in het diepe dal nederdaalde. De gansche

optocht, nu hij, onder den helderen blauwen hemel en door de morgenzon

vriendelijk beschenen, langzaam daarheen trok, leverde een zóó

bekoorlijk schouwspel op, dat alle aanwezigen reeds daardoor alleen tot

vreugde gestemd werden en zich den gelukkigsten dag durfden beloven.

Daar thans niemand meer in de reeks ontbrak, kon men van tijd tot tijd

de paarden aanzetten, en bereikte men dus spoedig de, tusschen Teplitz

en Aussig gelegene hoogte, waar men een landelijk ontbijt, voor hetwelk

de ondernemers gezorgd hadden, gebruiken wilde. De heuvel vergunde een

vrij uitzicht op de landstreek; aan den voet lag een klein, half in het

hout verscholen dorpje uitgestrekt, door 't welk eene breede beek haar

kronkelenden loop nam; verder opwaarts zag men golvende korenvelden,

die zich over de heuvels uitbreidden en slechts hier en daar door

groene grasvlakten doorstreept werden. Om dezen vriendelijken voorgrond

trok het hoogere gebergte zijn blauwen, in vochtige morgennevels

gehulden ringmuur op. Achter de plaats, welke men tot rustpunt gekozen

had, steeg de rotswand iets steiler en dicht met struiken bewassen

omhoog, en boog vervolgens linksaf naar het stadje Aussig, waar hij bij

den Mariënberg verdween.

Een oude linde bood een schaduwrijke plek tot het ontbijt aan; eenige

gevelde boomstammen, in den omtrek verstrooid, werden spoedig in

landelijke zetels herschapen; ook spreidde men de wagenkussens op

den grond uit en bekwam zoo turksche rustbedden, waarmede de vrouwen

zeer tevreden waren. Spoedig was de gansche kring gelegerd en zag

men elkander met vergenoegde blikken aan. Ieder prees de bestuurders

van het feest; dezen gingen ijverig rond, deden onderzoek naar

ieders wenschen en behoeften en raadpleegden met de dames, hoe het

een en ander nog doelmatiger in te richten. Intusschen werden de

ververschingen rondgediend; in de handen der heeren zag men gevulde

glazen, de geest van den wijn openbaarde zijn machtigen invloed; kout,

scherts en moedwil heerschten alom; de vertrouwelijkste band der

gezelligheid knoopte alle aanwezigen nu reeds zoo nauw aaneen, alsof

zij jaren te zamen verkeerd hadden, schoon de meesten elkander niet

eens bij name kenden. Zelfs Maria werd vroolijk in dezen vroolijken

kring; doch ook in de gelukkigste tijden, was hare vreugde steeds van

een stillen aard; met een bekoorlijk lachje op de lippen genoot zij

het schoone, dat haar het oogenblik aanbood, als het ware slechts door

een innerlijk weltevreden beschouwen der beelden, die van buiten af in

hare ziel drongen. Zoo liet zij ook nu hare blikken langs den kring

der verzamelden rondzweven en beschouwde de menigvuldige gestalten,

van welke ernstige en komische, bevallige en terugstootende in bonte

verscheidenheid waren dooreengemengd. Vooral trokken twee vrouwen hare

aandacht, die tamelijk ver van haar verwijderd, tegen een boomstam

geleund, op kussens zaten en door een bejaarden en een jongeren man

in een levendig onderhoud gewikkeld werden. Zij vroeg den ritmeester,

die aan hare zijde had plaats genomen, wie de beide dames waren.

„Inderdaad,” antwoordde deze, „ik kan het zelf niet met zekerheid

opgeven; zooveel weet ik slechts, dat het vreemden zijn, die gisteren

pas aankwamen en nog niet op de badlijst zijn ingeschreven. Dezen

morgen eerst, toen de vele, haar hôtel voorbijrijdende wagens haar op

ons voornemen opmerkzaam maakten, zijn zij tot het feest uitgenoodigd.

Toevallig logeerde een der medebestuurders, die teruggebleven was om

eenige kleinigheden te bezorgen, die eerst tegen den middag te Aussig

moeten komen, met haar op denzelfden gang. Hij ontmoette haar, toen

zij juist naar de bron wilden gaan; zij vroegen, wat men voorhad, en

natuurlijk kon hij niet nalaten haar te verzoeken mede van de partij te

zijn. Daar de wagen, waarmede zij naar het bad wilden rijden, voor de

deur stond, behoefden zij slechts van richting te veranderen, om zich

dadelijk aan onze karavaan aan te sluiten. Ook geloof ik, dat wij er

bij gewonnen hebben, want de moeder vertoont nog de sporen van hooge

schoonheid en de dochter is inderdaad een bevallig wezen. Ik ben nog

niet in de gelegenheid geweest mij met haar te onderhouden, maar beider

voorkomen reeds verraadt de fijnste beschaving. Vergun mij slechts u

een oogenblik alleen te laten, om bij den baron Erlhofen naar de namen

onderzoek te doen.”

Eer Maria het verhinderen kon, was de ritmeester opgesprongen en

weggesneld. Inmiddels had zij tijd, de beide edele gestalten opmerkzaam

op te nemen, en moest heimelijk bekennen zelden schooner vrouwen gezien

te hebben; bovendien vertoonde de oudste zulk een verheven adel in

gelaat en houding, dat de jongere, hoewel met alle bekoorlijkheden

van jeugd en schoonheid toegerust, daardoor eenigermate op den

achtergrond werd gesteld. Het rijke, zwarte haar, dat slapen en

voorhoofd bedekte, verleende in vereeniging met het groote, donkere

oog aan het gelaat een zweem van edele zwaarmoedigheid, dien de

oudachtiger trekken, inzonderheid de mindere frischheid der wangen,

nog sterker deden uitkomen. Hoewel de vreemde zat en een breede

donkerroode sjaal den bouw harer gestalte verborgen hield, was men

verzekerd, dat zij, wanneer zij opstond, eene vorstelijke houding

moest hebben. Tegenover deze prachtig ondergaande zon vertoonde de

dochter het beeld der zachte, bleek oprijzende maan. Van gelijkenis

tusschen beider gelaatstrekken kon men niets bepaalds opgeven; echter

was eene nationale verwantschap zoo in het oogloopend merkbaar, dat een

oppervlakkige blik reeds voldoende was, om beide als nauwe verwanten te

begroeten.

Terwijl Maria zich nog met deze beschouwing bezighield, keerde de

ritmeester terug en zeide: „Ik heb mijne berichten ingewonnen; het zijn

poolsche dames, de oudste is eene gravin Johanna Micielska, de jongere

hare pleegdochter Lodoiska.”

Maria sidderde van blijde verrassing, want door de brieven haars

broeders kende zij deze namen en wist, dat Johanna Rasinski's

zuster was. Tegelijk echter bekroop haar eene beklemmende, angstige

verlegenheid, daar zij volstrekt niet wist, of Rasinski wel ooit van

haar had melding gemaakt; hare betrekking tot Lodewijk kon hij niet

medegedeeld hebben, daar deze thans een anderen naam voerde; echter

was het mogelijk, dat hij haar bij zijne zuster genoemd had, te eer,

daar zij al hare brieven onder zijn adres afzond en hij ook Lodewijk

en Bernards antwoorden in een omslag van zijne hand en met zijn zegel

insloot en die zoo aan hare moeder deed toekomen. Zij brandde van

verlangen, om de schoone vrouw te spreken en naar haren broeder en naar

Bernard onderzoek te doen. Eene zachte, maar dringende stem in haar

binnenste, waaraan zij echter geen gehoor wilde geven, dreef haar ook

aan naar den man te vernemen, die haar zoo boven alles dierbaar was

geworden; welk een strijd zou het haar kosten, wanneer zij gedwongen

was al deze heilige, machtige opwellingen in de stomme banden des

stilzwijgens te leggen! Hare vatbaarheid voor de vreugde van het feest

was voorbij; al hare gedachten richtten zich slechts op dat ééne

punt; zij was bijna niet in staat de blikken weder van de gravin af

te wenden. De ritmeester knoopte een gesprek met haar aan, maar zij

moest hare gansche kracht bijeenrapen, om slechts de onvermijdelijkste

antwoorden te kunnen geven. Hoe levendig de beschaafde man sprak, hoe

welsprekend hij haar ook de gezellige beteekenis van zulk een feest

wist af te schilderen, Maria werd dikwijls met ontsteltenis gewaar,

dat zij hem ja, opmerkzaam aangezien, maar geen woord van al wat

hij sprak gehoord had. Zij zag niet, hoe schilderachtig de groepen

zich in het groen legerden, hoorde niet, hoe scherts en kortswijl

immer luidruchtiger werden, ja hoe zelfs de vroolijke moedwil reeds

een weinig stoutmoedig begon los te breken. Het was haar dus hoogst

aangenaam, dat men na een half uur weder opbrak en de ritmeester haar

den arm bood om haar naar het rijtuig te geleiden. Hier ontstond echter

eene niet geringe verwarring; want niet alle feestgenooten hadden op

de wagens, waarmede zij gekomen waren, nauwkeurig acht geslagen, en

daar dit meerendeels huurrijtuigen uit Teplitz waren, konden slechts

weinigen de hunne wedervinden. Zoo geraakte men in een schertsenden

twist, dien de moedwil van eenige heeren nog meer aanstookte. Ook

Maria geraakte in verlegenheid, daar eenige vreemde dames zich reeds

van den wagen bemachtigd hadden, waarop zij met haar gezelschap recht

en aanspraak meende te hebben. De beslissing was moeilijk, vooral

daar eenige spotvogels de koetsiers door een drinkgeld aanmoedigden,

te beweren, dat ook zij geen geldige getuigenis in de zaak konden

afleggen, doordien zij altijd den rug aan hunne passagiers hielden

toegekeerd en dus niet weten konden, wie zich achter hen in den wagen

bevond. De strijd werd hierop grootmoedig; met beschaafde hoffelijkheid

wilde ieder zich vergist hebben en voor den ander onderdoen; hierdoor

kwam men trouwens nog minder tot het doel. Eindelijk riep de baron

Erlhofen, een der bestuurders van het feest, die als een welgedaan

veertiger reeds eenig ontzag inboezemde, met luider stem om gehoor. Men

verlangde stilte, om zijn voorstel aan te hooren. Luchtig sprong hij op

een afgeknotten boomstam, wuifde met den zakdoek om zijne toehoorders

bijeen te krijgen, en toen zich eene aanzienlijke _corona_ om hem

verzameld had, begon hij in dezer voege: „Hoog achtbare vergadering! Ik

ben noch Cicero noch Demosthenes maar beide redenaars zouden in mijn

geval even verlegen zijn geweest als ik; elk menschelijk verstand toch

heeft zijne grenzen. De wereldgeschiedenis maakt grooten ophef van de

onuitsprekelijke verwarring bij den torenbouw van Babel, zij spreekt

van de niet te ontvluchten doorgangen van den Cretensischen labyrint,

van de niet te ontwarren strikken van den Gordiaanschen knoop, van de

onmogelijk te onderscheiden zaadkorrels, die Asschepoester schiften

moest, van de onontwarrelijk verwikkelde beenen der Schildburgers—maar

dat alles, wat is het bij de vreeselijke verwarring en verblinding,

waardoor een god of een demon ons in een onberekenbaar verderf dreigt

te storten? De ijzeren mannen, die uit de drakentanden, gezaaid op

den akker, dien Jason op raad van Medea met de vuurbrakende stieren

beploegde, opschoten, versloegen elkander om den steen, dien de

roover van het gulden vlies in hun midden wierp, niet met zulk eene

verbittering, als wij, edele vrienden, in den kamp om de Teplitzer

huurwagens reeds getoond hebben. Trojanen en Grieken vochten niet

met zulk eene woede om het bezit der trouwelooze Helena, ja zelfs

Juno, Pallas en Venus streden niet zoo driftig om den appel van Eris,

als onze schoonen om de plaatsen in de rij van gindschen trotschen

wagenburg. De wijsheid van Minos of koning Salomo zou niet in staat

zijn dit pleit te beslechten. Of het daarom onbescheiden van mij zijn

zou, wanneer ik mij zelf een weinig verstandiger rekende dan die

beiden, zoo ik een uitweg gevonden had, die alles in orde bracht; of ik

in dat geval niet eene lauwer-, eiken- en muurkroon tegelijk verdiend

had,—daarover mogen de onpartijdigen in deze doorluchte vergadering

het oordeel vellen. Mijn voorslag intusschen is, om, daar toch eenmaal

eene revolutie in onzen nomadischen herderstaat onvermijdelijk is,

dadelijk eene waarlijk Lycurgische wet uit te vaardigen en vrijheid

en gelijkheid vrij wat volkomener te handhaven dan in de fransche

republiek het geval was, en wel daardoor, dat wij alle privaateigendom

van het huidige oogenblik af opheffen en gindsche gezamenlijke wagens

en paarden voor nationaal eigendom verklaren. Maar dit is nog niet

genoeg; mijn republikeinsche geest kan niet eenmaal dulden, dat men

zich zelf als privaat eigendom bezitte! Mijn voornemen is dus, het

gezelschap als scheepsbevrachting te beschouwen en gelijkmatig op

gindsche talrijke vloot over te laden, die slechts daarin van de

engelsche verschilt, dat deze met uitgespannen zeilen, de onze met

voorgespannen paarden voortstevent. De gelijkelijke verdeeling hoop ik

daardoor te bewerkstelligen, mijne hoog geëerde vrienden, dat wij eene

polonaise opvoeren en ons zoo al dansend paar na paar inschepen. Draagt

deze voorslag, die ons uit eene der akeligste ontmoetingen onzes levens

redden moet, uw bijval weg, mijne schoonen, geeft zulks dan daardoor te

kennen, dat gij uwe zachte hand aan de wachtende ridders toereikt, en

mij, die als _dux gregis_, waartoe de uitstekende spitsvondigheid van

mijn vernuft mij van zelf verheft, den dans zal aanvoeren, paarsgewijze

volgt.”

Na deze, op een ernstigen toon door den baron gehouden rede, verhief

zich een algemeen bravo, en zijn voorstel werd eerst door toejuiching

en vervolgens ook door de daad goedgekeurd, daar men hem, toen hij

de gravin Micielska opleidde, terstond willig volgde. Elke heer die

niet te paard geweest was, reikte aan eene dame de hand, en zelfs zij,

die zich reeds in de wagens gezet hadden, daar hunne aanspraken niet

bestreden waren, verlieten ze weder, om zich aan de wet van den nieuwen

Lycurgus te onderwerpen. Erlhofen voerde de rij eenige malen het groen

rond, totdat zich alles aangesloten en geordend had, en nam vervolgens

zijn weg naar de naaste kales, die hij met het hem volgend paar innam.

Zoo schikte zich alles spoedig en geregeld, en zelfs de strengste

moeders lieten voor ditmaal de schikkingen van het toeval gelden. Ook

de verrassing deed het hare om de vreugde te verhoogen, want eerst

bij het instijgen werd men gewaar, welk paar het tweede in den wagen

zijn zou. Maria had al dadelijk bij het begin van den dans met een

kloppend hart bemerkt, dat zij met de gravin in denzelfden wagen rijden

zoude, daar zij door den ritmeester, die zijn paard aan een vriend

had overgegeven, geleid, onmiddellijk op den baron volgde. Hoewel

haar zonderlinge toestand haar beklemde, moest het zich thans toch

beslissen, of zij der gravin geheel onbekend blijven, dan wel in eene

nadere betrekking met haar treden zoude, daar zij licht kon vermoeden,

dat Erlhofen en de ritmeester, te meer daar beiden bestuurders van het

feest waren, de dames aan elkander zouden voorstellen. Zulks gebeurde

ook zoodra zij ingestapt waren, en nauwelijks had Erlhofen Maria's naam

genoemd, of de gravin vroeg haar dadelijk met belangstelling, of zij

uit Dresden was en den overste Rasinski, haar broeder, gekend had.

Toen Maria dit toestemmend beantwoordde, vroeg de gravin ook naar haren

broeder en hare moeder, en of beiden aanwezig waren.

„Mijne moeder,” hervatte Maria eenigszins verlegen, „is wel in Teplitz,

maar werd door zwakheid verhinderd dit feest bij te wonen; mijn broeder

bevindt zich weer op reis, zoodat ik voor dit oogenblik zijn verblijf

niet kan opgeven.”

De gravin gaf haar verlangen te kennen, om tenminste de moeder te

ontmoeten, daar zij zich eene maand in Teplitz dacht op te houden.

„Dresden,” vervolgde zij, „is voor mijn broeder eene zeer gelukkige

plaats geweest; want schoon hij er slechts kort vertoefde, heeft hij er

twee vrienden gevonden, die uit neiging tot hem in zijn regiment hebben

dienst genomen en te Warschau eenigen tijd mijne gasten geweest zijn.

Voorzeker kent gij hen: graaf Lomond en de heer Von Soren.”

Maria geraakte in eene kwellende verlegenheid; vooreerst was elke

verheling, elke, zelfs de onschuldigste waarheid zoo geheel vreemd aan

haar aard, dat zij ook in dringende gevallen daarvoor terugbeefde, en

ten anderen was het haar volstrekt onbewust, in hoe ver Bernard en

Lodewijk hadden opgegeven, met haar bekend te zijn. Nauwelijks hoorbaar

en over het gansche gelaat als purper gloeiende, stamelde zij dus: „O

ja, ik ken hen, schoon niet van nabij.” Hare verwarring was aan de

gravin niet ontgaan; intusschen schreef zij die aan eene andere reden

toe en meende uit Maria's merkbare ontroering te mogen opmaken, dat

haar hart een warmer aandeel in die kennis nam, dan een jonge meisje

durft verraden. Met een zacht, even snel als het ontstond, onderdrukt

lachje liet zij dus dit gesprek varen en ging tot andere onderwerpen

over. Met de behendigheid eener vrouw naar de wereld wist zij dadelijk,

zonder een merkbaren sprong te maken, op de genoegens van het feest

terug te komen, waarvan zij zoo onverhoeds de deelgenoote geworden was.

Maria daarentegen vroeg naar de dochter der gravin, voor welke zij de

jonge Lodoiska hield. „Om haar,” hervatte deze, „kom ik hoofdzakelijk

deze baden bezoeken, minder wijl haar gezondheid het gebruik daarvan

vordert, dan wel omdat zij eene verstrooiing behoeft, die onze, zoo

nabij het tooneel van den oorlog gelegen vaderstad Warschau haar thans

niet geven kan. Niets kon mij dus aangenamer zijn, dan dadelijk bij

onze aankomst op eene zoo recht vroolijke wijze begroet te worden en

ik meen ook bespeurd te hebben, dat dit voorteeken, om het zoo eens

te noemen, op Lodoiska een hoogst gelukkigen indruk gemaakt heeft. De

lieve droomster is sinds eenige maanden zoozeer tot zwaarmoedigheid

geneigd, dat ik soms bijna aan de mogelijkheid wanhopen moest van haar

ooit weder voor de blijde genietingen des levens vatbaar te maken;

echter werkt niets krachtiger op den mensch dan het ongehoopte, het

onvermoede, waarin hij geen voordacht, geen opzet, maar eene voeging

en als het ware eene wending van zijn eigen lot ziet, die hem oneindig

sterker geloof en vertrouwen inboezemt, dan wanneer hij daarin vooraf

beraamde menschelijke bemoeienissen waant te zien doorstralen.”

1812: Historische roman · 第 51 / 154 题