De helderste morgen was aangebroken; het sloeg juist zes uur, toen
Maria in een licht, wit zomerkleedje, dat slechts door eenige
lilastrikken versierd was, met luchtigen tred door den tuin spoedde,
om, de kleine deur in de heining uitgaande, den naasten weg naar
hare vriendinnen in te slaan. Reeds vond zij een kapwagen voor het
huis gereed staan en de beide jonge meisjes kwamen haar op de trap
te gemoet snellen. „Wij zullen het heerlijkste weder hebben,” zeide
Maria na de eerste begroetingen; „ik stel mij veel genoegen voor van
het romantische landschap, dat ik in lang niet gezien heb.” Gedurende
dit gesprek traden ook de ouders binnen, heetten Maria welkom, en
gezamenlijk ging men nu naar beneden om in het rijtuig te stijgen.
Weldra had men de huizen van het stadje achter zich en rolde men
tusschen bedauwde struiken, heggen, weilanden en korenvelden langzaam
voort. Men verwonderde zich zeer nog geene wagens op den straatweg
te ontdekken, daar toch een aanzienlijk getal personen aan het feest
deel zou nemen.—Op eene kleine hoogte, ongeveer een vierde uur van
de stad, werd men op het aangenaamste verrast. Reeds van verre was
het zichtbaar, dat de weg met bloemfestoenen gesloten werd; naderbij
gekomen werd men een zeer bevalligen eereboog gewaar. In een lossen,
golvenden boog hing de lange bloemketen, uit de toppen van twee, aan
weerszijden van den weg staande beuken naar beneden, en de struiken,
die deze omringden, had men met rijke kransen versierd, die van tak
tot tak rondzwierden en zoo eene wel onregelmatige, doch juist door
hare willekeur en schilderachtige losheid hoogst verrassende vertooning
opleverden. Met vermaak rustten de blikken der meisjes op dit tafereel,
dat haar een gunstig voorteeken voor de verdere genoegens van den dag
scheen te geven, toen eensklaps van weerszijden uit de struiken een
ruiter te voorschijn sprong, wiens hoed met groene takken en bloemen
bevallig was opgesierd; dezen volgden anderen, die zich aan beide
zijden van den weg in orde schaarden en der vrouwen een jubelenden
morgengroet toeriepen. De aanvoerders reden naar het portier en
overhandigden aan elke dame een geurige ruiker. Het was de ritmeester,
die Maria op deze wijze verwelkomde; hij en nog een tweede ruiter
sloten zich hierop aan den wagen aan en verzochten dadelijk, dat men
stapvoets mocht rijden, ten einde daardoor aan de andere rijtuigen den
tijd te geven, om hen in te halen en zoo een langen trein te vormen.
„Wij zijn dus de eersten?” vroeg Maria, toen de wagen verder rolde.
„Voorzeker,” antwoordde Arnheim, die aan hare zijde naast het portier
reed. „Wij hadden allen dames verzocht, stipt te zes uur af te rijden,
en heimelijk met elkander afgesproken, dat wij die te paard zijn,
alsdan hier op de hoogte de aankomenden begroeten en ons twee aan
twee bij elk rijtuig aansluiten wilden, waarbij wij het, door ons in
gelederen te rangschikken, geheel en al aan het toeval overlieten, van
wie wij op deze wijze de ridders zouden worden. Zoo moest elke strijd,
elke schijnbare voorkeur vermeden worden; het toeval ordent de wagens
en paart de geleiders; want wij hadden elkander plechtig beloofd aan
geene der dames iets van de kleine verrassing hierboven te verraden,
doch aan allen hetzelfde uur van den afrit op te geven. Zoo zijn wij
dan ook van de lastige verplichting ontslagen, om op den rang der
verschillende personen angstvallig acht te slaan, en wij hopen, dat,
wanneer de stijve rechten der geboorte eens zijn opgeheven, zij ons
ook verder in het zorgelooze genot niet zullen storen.—Maar terwijl
wij spreken, is onze karavane immers reeds aanmerkelijk vergroot!
Zie slechts, hoe wagen op wagen nadert, om onzen trein te verlengen.”
Inderdaad bespeurde men op de hoogte, die men zoo even was afgereden,
drie rijtuigen, die, door hunne ruiters verzeld, op verschillende
tusschenruimten der straat kwamen aanrollen. Weldra hadden zij het
eerste bereikt, en reden nu langzaam achteraan voort. Daar men nog bij
voortduring den weg, tot aan het punt waar de eereboog was opgericht,
konde overzien, was het een vroolijk schouwspel de wagens te zien
aankomen, die door de veelkleurige doeken, bonte kleederen, glanzende
hoeden en groene sluiers der dames, alsmede door de bloemruikers,
waarmede de ruiters getooid waren, levendig tegen de akkers en velden
afstaken en een schemerenden glans van verven in het rustige beeld
van het landschap brachten. De verstrooide punten, waarop het oog
rustte, drongen dichter en dichter opéén en vormden weldra een rijke,
veelvervige keten, die door de velden heenkronkelde, die slingerende
bochten der straat volgde en nu eens bij eene zachte hoogte opsteeg,
dan weder schilderachtig in het diepe dal nederdaalde. De gansche
optocht, nu hij, onder den helderen blauwen hemel en door de morgenzon
vriendelijk beschenen, langzaam daarheen trok, leverde een zóó
bekoorlijk schouwspel op, dat alle aanwezigen reeds daardoor alleen tot
vreugde gestemd werden en zich den gelukkigsten dag durfden beloven.
Daar thans niemand meer in de reeks ontbrak, kon men van tijd tot tijd
de paarden aanzetten, en bereikte men dus spoedig de, tusschen Teplitz
en Aussig gelegene hoogte, waar men een landelijk ontbijt, voor hetwelk
de ondernemers gezorgd hadden, gebruiken wilde. De heuvel vergunde een
vrij uitzicht op de landstreek; aan den voet lag een klein, half in het
hout verscholen dorpje uitgestrekt, door 't welk eene breede beek haar
kronkelenden loop nam; verder opwaarts zag men golvende korenvelden,
die zich over de heuvels uitbreidden en slechts hier en daar door
groene grasvlakten doorstreept werden. Om dezen vriendelijken voorgrond
trok het hoogere gebergte zijn blauwen, in vochtige morgennevels
gehulden ringmuur op. Achter de plaats, welke men tot rustpunt gekozen
had, steeg de rotswand iets steiler en dicht met struiken bewassen
omhoog, en boog vervolgens linksaf naar het stadje Aussig, waar hij bij
den Mariënberg verdween.
Een oude linde bood een schaduwrijke plek tot het ontbijt aan; eenige
gevelde boomstammen, in den omtrek verstrooid, werden spoedig in
landelijke zetels herschapen; ook spreidde men de wagenkussens op
den grond uit en bekwam zoo turksche rustbedden, waarmede de vrouwen
zeer tevreden waren. Spoedig was de gansche kring gelegerd en zag
men elkander met vergenoegde blikken aan. Ieder prees de bestuurders
van het feest; dezen gingen ijverig rond, deden onderzoek naar
ieders wenschen en behoeften en raadpleegden met de dames, hoe het
een en ander nog doelmatiger in te richten. Intusschen werden de
ververschingen rondgediend; in de handen der heeren zag men gevulde
glazen, de geest van den wijn openbaarde zijn machtigen invloed; kout,
scherts en moedwil heerschten alom; de vertrouwelijkste band der
gezelligheid knoopte alle aanwezigen nu reeds zoo nauw aaneen, alsof
zij jaren te zamen verkeerd hadden, schoon de meesten elkander niet
eens bij name kenden. Zelfs Maria werd vroolijk in dezen vroolijken
kring; doch ook in de gelukkigste tijden, was hare vreugde steeds van
een stillen aard; met een bekoorlijk lachje op de lippen genoot zij
het schoone, dat haar het oogenblik aanbood, als het ware slechts door
een innerlijk weltevreden beschouwen der beelden, die van buiten af in
hare ziel drongen. Zoo liet zij ook nu hare blikken langs den kring
der verzamelden rondzweven en beschouwde de menigvuldige gestalten,
van welke ernstige en komische, bevallige en terugstootende in bonte
verscheidenheid waren dooreengemengd. Vooral trokken twee vrouwen hare
aandacht, die tamelijk ver van haar verwijderd, tegen een boomstam
geleund, op kussens zaten en door een bejaarden en een jongeren man
in een levendig onderhoud gewikkeld werden. Zij vroeg den ritmeester,
die aan hare zijde had plaats genomen, wie de beide dames waren.
„Inderdaad,” antwoordde deze, „ik kan het zelf niet met zekerheid
opgeven; zooveel weet ik slechts, dat het vreemden zijn, die gisteren
pas aankwamen en nog niet op de badlijst zijn ingeschreven. Dezen
morgen eerst, toen de vele, haar hôtel voorbijrijdende wagens haar op
ons voornemen opmerkzaam maakten, zijn zij tot het feest uitgenoodigd.
Toevallig logeerde een der medebestuurders, die teruggebleven was om
eenige kleinigheden te bezorgen, die eerst tegen den middag te Aussig
moeten komen, met haar op denzelfden gang. Hij ontmoette haar, toen
zij juist naar de bron wilden gaan; zij vroegen, wat men voorhad, en
natuurlijk kon hij niet nalaten haar te verzoeken mede van de partij te
zijn. Daar de wagen, waarmede zij naar het bad wilden rijden, voor de
deur stond, behoefden zij slechts van richting te veranderen, om zich
dadelijk aan onze karavaan aan te sluiten. Ook geloof ik, dat wij er
bij gewonnen hebben, want de moeder vertoont nog de sporen van hooge
schoonheid en de dochter is inderdaad een bevallig wezen. Ik ben nog
niet in de gelegenheid geweest mij met haar te onderhouden, maar beider
voorkomen reeds verraadt de fijnste beschaving. Vergun mij slechts u
een oogenblik alleen te laten, om bij den baron Erlhofen naar de namen
onderzoek te doen.”
Eer Maria het verhinderen kon, was de ritmeester opgesprongen en
weggesneld. Inmiddels had zij tijd, de beide edele gestalten opmerkzaam
op te nemen, en moest heimelijk bekennen zelden schooner vrouwen gezien
te hebben; bovendien vertoonde de oudste zulk een verheven adel in
gelaat en houding, dat de jongere, hoewel met alle bekoorlijkheden
van jeugd en schoonheid toegerust, daardoor eenigermate op den
achtergrond werd gesteld. Het rijke, zwarte haar, dat slapen en
voorhoofd bedekte, verleende in vereeniging met het groote, donkere
oog aan het gelaat een zweem van edele zwaarmoedigheid, dien de
oudachtiger trekken, inzonderheid de mindere frischheid der wangen,
nog sterker deden uitkomen. Hoewel de vreemde zat en een breede
donkerroode sjaal den bouw harer gestalte verborgen hield, was men
verzekerd, dat zij, wanneer zij opstond, eene vorstelijke houding
moest hebben. Tegenover deze prachtig ondergaande zon vertoonde de
dochter het beeld der zachte, bleek oprijzende maan. Van gelijkenis
tusschen beider gelaatstrekken kon men niets bepaalds opgeven; echter
was eene nationale verwantschap zoo in het oogloopend merkbaar, dat een
oppervlakkige blik reeds voldoende was, om beide als nauwe verwanten te
begroeten.
Terwijl Maria zich nog met deze beschouwing bezighield, keerde de
ritmeester terug en zeide: „Ik heb mijne berichten ingewonnen; het zijn
poolsche dames, de oudste is eene gravin Johanna Micielska, de jongere
hare pleegdochter Lodoiska.”
Maria sidderde van blijde verrassing, want door de brieven haars
broeders kende zij deze namen en wist, dat Johanna Rasinski's
zuster was. Tegelijk echter bekroop haar eene beklemmende, angstige
verlegenheid, daar zij volstrekt niet wist, of Rasinski wel ooit van
haar had melding gemaakt; hare betrekking tot Lodewijk kon hij niet
medegedeeld hebben, daar deze thans een anderen naam voerde; echter
was het mogelijk, dat hij haar bij zijne zuster genoemd had, te eer,
daar zij al hare brieven onder zijn adres afzond en hij ook Lodewijk
en Bernards antwoorden in een omslag van zijne hand en met zijn zegel
insloot en die zoo aan hare moeder deed toekomen. Zij brandde van
verlangen, om de schoone vrouw te spreken en naar haren broeder en naar
Bernard onderzoek te doen. Eene zachte, maar dringende stem in haar
binnenste, waaraan zij echter geen gehoor wilde geven, dreef haar ook
aan naar den man te vernemen, die haar zoo boven alles dierbaar was
geworden; welk een strijd zou het haar kosten, wanneer zij gedwongen
was al deze heilige, machtige opwellingen in de stomme banden des
stilzwijgens te leggen! Hare vatbaarheid voor de vreugde van het feest
was voorbij; al hare gedachten richtten zich slechts op dat ééne
punt; zij was bijna niet in staat de blikken weder van de gravin af
te wenden. De ritmeester knoopte een gesprek met haar aan, maar zij
moest hare gansche kracht bijeenrapen, om slechts de onvermijdelijkste
antwoorden te kunnen geven. Hoe levendig de beschaafde man sprak, hoe
welsprekend hij haar ook de gezellige beteekenis van zulk een feest
wist af te schilderen, Maria werd dikwijls met ontsteltenis gewaar,
dat zij hem ja, opmerkzaam aangezien, maar geen woord van al wat
hij sprak gehoord had. Zij zag niet, hoe schilderachtig de groepen
zich in het groen legerden, hoorde niet, hoe scherts en kortswijl
immer luidruchtiger werden, ja hoe zelfs de vroolijke moedwil reeds
een weinig stoutmoedig begon los te breken. Het was haar dus hoogst
aangenaam, dat men na een half uur weder opbrak en de ritmeester haar
den arm bood om haar naar het rijtuig te geleiden. Hier ontstond echter
eene niet geringe verwarring; want niet alle feestgenooten hadden op
de wagens, waarmede zij gekomen waren, nauwkeurig acht geslagen, en
daar dit meerendeels huurrijtuigen uit Teplitz waren, konden slechts
weinigen de hunne wedervinden. Zoo geraakte men in een schertsenden
twist, dien de moedwil van eenige heeren nog meer aanstookte. Ook
Maria geraakte in verlegenheid, daar eenige vreemde dames zich reeds
van den wagen bemachtigd hadden, waarop zij met haar gezelschap recht
en aanspraak meende te hebben. De beslissing was moeilijk, vooral
daar eenige spotvogels de koetsiers door een drinkgeld aanmoedigden,
te beweren, dat ook zij geen geldige getuigenis in de zaak konden
afleggen, doordien zij altijd den rug aan hunne passagiers hielden
toegekeerd en dus niet weten konden, wie zich achter hen in den wagen
bevond. De strijd werd hierop grootmoedig; met beschaafde hoffelijkheid
wilde ieder zich vergist hebben en voor den ander onderdoen; hierdoor
kwam men trouwens nog minder tot het doel. Eindelijk riep de baron
Erlhofen, een der bestuurders van het feest, die als een welgedaan
veertiger reeds eenig ontzag inboezemde, met luider stem om gehoor. Men
verlangde stilte, om zijn voorstel aan te hooren. Luchtig sprong hij op
een afgeknotten boomstam, wuifde met den zakdoek om zijne toehoorders
bijeen te krijgen, en toen zich eene aanzienlijke _corona_ om hem
verzameld had, begon hij in dezer voege: „Hoog achtbare vergadering! Ik
ben noch Cicero noch Demosthenes maar beide redenaars zouden in mijn
geval even verlegen zijn geweest als ik; elk menschelijk verstand toch
heeft zijne grenzen. De wereldgeschiedenis maakt grooten ophef van de
onuitsprekelijke verwarring bij den torenbouw van Babel, zij spreekt
van de niet te ontvluchten doorgangen van den Cretensischen labyrint,
van de niet te ontwarren strikken van den Gordiaanschen knoop, van de
onmogelijk te onderscheiden zaadkorrels, die Asschepoester schiften
moest, van de onontwarrelijk verwikkelde beenen der Schildburgers—maar
dat alles, wat is het bij de vreeselijke verwarring en verblinding,
waardoor een god of een demon ons in een onberekenbaar verderf dreigt
te storten? De ijzeren mannen, die uit de drakentanden, gezaaid op
den akker, dien Jason op raad van Medea met de vuurbrakende stieren
beploegde, opschoten, versloegen elkander om den steen, dien de
roover van het gulden vlies in hun midden wierp, niet met zulk eene
verbittering, als wij, edele vrienden, in den kamp om de Teplitzer
huurwagens reeds getoond hebben. Trojanen en Grieken vochten niet
met zulk eene woede om het bezit der trouwelooze Helena, ja zelfs
Juno, Pallas en Venus streden niet zoo driftig om den appel van Eris,
als onze schoonen om de plaatsen in de rij van gindschen trotschen
wagenburg. De wijsheid van Minos of koning Salomo zou niet in staat
zijn dit pleit te beslechten. Of het daarom onbescheiden van mij zijn
zou, wanneer ik mij zelf een weinig verstandiger rekende dan die
beiden, zoo ik een uitweg gevonden had, die alles in orde bracht; of ik
in dat geval niet eene lauwer-, eiken- en muurkroon tegelijk verdiend
had,—daarover mogen de onpartijdigen in deze doorluchte vergadering
het oordeel vellen. Mijn voorslag intusschen is, om, daar toch eenmaal
eene revolutie in onzen nomadischen herderstaat onvermijdelijk is,
dadelijk eene waarlijk Lycurgische wet uit te vaardigen en vrijheid
en gelijkheid vrij wat volkomener te handhaven dan in de fransche
republiek het geval was, en wel daardoor, dat wij alle privaateigendom
van het huidige oogenblik af opheffen en gindsche gezamenlijke wagens
en paarden voor nationaal eigendom verklaren. Maar dit is nog niet
genoeg; mijn republikeinsche geest kan niet eenmaal dulden, dat men
zich zelf als privaat eigendom bezitte! Mijn voornemen is dus, het
gezelschap als scheepsbevrachting te beschouwen en gelijkmatig op
gindsche talrijke vloot over te laden, die slechts daarin van de
engelsche verschilt, dat deze met uitgespannen zeilen, de onze met
voorgespannen paarden voortstevent. De gelijkelijke verdeeling hoop ik
daardoor te bewerkstelligen, mijne hoog geëerde vrienden, dat wij eene
polonaise opvoeren en ons zoo al dansend paar na paar inschepen. Draagt
deze voorslag, die ons uit eene der akeligste ontmoetingen onzes levens
redden moet, uw bijval weg, mijne schoonen, geeft zulks dan daardoor te
kennen, dat gij uwe zachte hand aan de wachtende ridders toereikt, en
mij, die als _dux gregis_, waartoe de uitstekende spitsvondigheid van
mijn vernuft mij van zelf verheft, den dans zal aanvoeren, paarsgewijze
volgt.”
Na deze, op een ernstigen toon door den baron gehouden rede, verhief
zich een algemeen bravo, en zijn voorstel werd eerst door toejuiching
en vervolgens ook door de daad goedgekeurd, daar men hem, toen hij
de gravin Micielska opleidde, terstond willig volgde. Elke heer die
niet te paard geweest was, reikte aan eene dame de hand, en zelfs zij,
die zich reeds in de wagens gezet hadden, daar hunne aanspraken niet
bestreden waren, verlieten ze weder, om zich aan de wet van den nieuwen
Lycurgus te onderwerpen. Erlhofen voerde de rij eenige malen het groen
rond, totdat zich alles aangesloten en geordend had, en nam vervolgens
zijn weg naar de naaste kales, die hij met het hem volgend paar innam.
Zoo schikte zich alles spoedig en geregeld, en zelfs de strengste
moeders lieten voor ditmaal de schikkingen van het toeval gelden. Ook
de verrassing deed het hare om de vreugde te verhoogen, want eerst
bij het instijgen werd men gewaar, welk paar het tweede in den wagen
zijn zou. Maria had al dadelijk bij het begin van den dans met een
kloppend hart bemerkt, dat zij met de gravin in denzelfden wagen rijden
zoude, daar zij door den ritmeester, die zijn paard aan een vriend
had overgegeven, geleid, onmiddellijk op den baron volgde. Hoewel
haar zonderlinge toestand haar beklemde, moest het zich thans toch
beslissen, of zij der gravin geheel onbekend blijven, dan wel in eene
nadere betrekking met haar treden zoude, daar zij licht kon vermoeden,
dat Erlhofen en de ritmeester, te meer daar beiden bestuurders van het
feest waren, de dames aan elkander zouden voorstellen. Zulks gebeurde
ook zoodra zij ingestapt waren, en nauwelijks had Erlhofen Maria's naam
genoemd, of de gravin vroeg haar dadelijk met belangstelling, of zij
uit Dresden was en den overste Rasinski, haar broeder, gekend had.
Toen Maria dit toestemmend beantwoordde, vroeg de gravin ook naar haren
broeder en hare moeder, en of beiden aanwezig waren.
„Mijne moeder,” hervatte Maria eenigszins verlegen, „is wel in Teplitz,
maar werd door zwakheid verhinderd dit feest bij te wonen; mijn broeder
bevindt zich weer op reis, zoodat ik voor dit oogenblik zijn verblijf
niet kan opgeven.”
De gravin gaf haar verlangen te kennen, om tenminste de moeder te
ontmoeten, daar zij zich eene maand in Teplitz dacht op te houden.
„Dresden,” vervolgde zij, „is voor mijn broeder eene zeer gelukkige
plaats geweest; want schoon hij er slechts kort vertoefde, heeft hij er
twee vrienden gevonden, die uit neiging tot hem in zijn regiment hebben
dienst genomen en te Warschau eenigen tijd mijne gasten geweest zijn.
Voorzeker kent gij hen: graaf Lomond en de heer Von Soren.”
Maria geraakte in eene kwellende verlegenheid; vooreerst was elke
verheling, elke, zelfs de onschuldigste waarheid zoo geheel vreemd aan
haar aard, dat zij ook in dringende gevallen daarvoor terugbeefde, en
ten anderen was het haar volstrekt onbewust, in hoe ver Bernard en
Lodewijk hadden opgegeven, met haar bekend te zijn. Nauwelijks hoorbaar
en over het gansche gelaat als purper gloeiende, stamelde zij dus: „O
ja, ik ken hen, schoon niet van nabij.” Hare verwarring was aan de
gravin niet ontgaan; intusschen schreef zij die aan eene andere reden
toe en meende uit Maria's merkbare ontroering te mogen opmaken, dat
haar hart een warmer aandeel in die kennis nam, dan een jonge meisje
durft verraden. Met een zacht, even snel als het ontstond, onderdrukt
lachje liet zij dus dit gesprek varen en ging tot andere onderwerpen
over. Met de behendigheid eener vrouw naar de wereld wist zij dadelijk,
zonder een merkbaren sprong te maken, op de genoegens van het feest
terug te komen, waarvan zij zoo onverhoeds de deelgenoote geworden was.
Maria daarentegen vroeg naar de dochter der gravin, voor welke zij de
jonge Lodoiska hield. „Om haar,” hervatte deze, „kom ik hoofdzakelijk
deze baden bezoeken, minder wijl haar gezondheid het gebruik daarvan
vordert, dan wel omdat zij eene verstrooiing behoeft, die onze, zoo
nabij het tooneel van den oorlog gelegen vaderstad Warschau haar thans
niet geven kan. Niets kon mij dus aangenamer zijn, dan dadelijk bij
onze aankomst op eene zoo recht vroolijke wijze begroet te worden en
ik meen ook bespeurd te hebben, dat dit voorteeken, om het zoo eens
te noemen, op Lodoiska een hoogst gelukkigen indruk gemaakt heeft. De
lieve droomster is sinds eenige maanden zoozeer tot zwaarmoedigheid
geneigd, dat ik soms bijna aan de mogelijkheid wanhopen moest van haar
ooit weder voor de blijde genietingen des levens vatbaar te maken;
echter werkt niets krachtiger op den mensch dan het ongehoopte, het
onvermoede, waarin hij geen voordacht, geen opzet, maar eene voeging
en als het ware eene wending van zijn eigen lot ziet, die hem oneindig
sterker geloof en vertrouwen inboezemt, dan wanneer hij daarin vooraf
beraamde menschelijke bemoeienissen waant te zien doorstralen.”