Sinds Lodewijks overhaast vertrek vloden de dagen voor moeder en
zuster stil en treurig daarheen. Maria droeg haar lijden met zachte
gelatenheid; zij klaagde niet, zij weende niet, slechts in verdubbelde
liefderijke zorg voor hare moeder zocht zij troost en opbeuring; over
haar gansche wezen lag eene weemoedige vriendelijkheid verbreid, die
haar eene nieuwe, zachtere aantrekkelijkheid verleende. Zij werd, en
dit is de natuur van edele zielen, door haren kommer beter, en hoe meer
zij zelve leed, des te medelijdender en gevoeliger werd zij ook voor
het lijden van anderen. Aan de geliefde kranke, wier borstkwaal sedert
de laatste hevige gemoedsschokken aanmerkelijk verergerd was, wijdde
zij alle gedachten harer ziel; in den vroegen morgen reeds, wanneer
zij, vóór den dag ontwaakt, eenzaam op haar leger zat, bepeinsde zij
hoe door kleine verrassingen de zieke op te beuren en haar door stille
genoegens de slepende, smartelijke uren van den langen dag te korten.
Heimelijk kwelde haar echter de gedachte, dat de dagen der dierbare
ten einde spoedden. En niet zonder grond; ze wist het, dat diepe smart
de krachten der moeder langzaam sloopte en nog meer de gezondheid der
dierbare ondermijnde, wijl die smart zoo weinig werd geuit. Een vreemde
zou bij de bestendige bedaardheid, welke zij vertoonde, bij hare
vriendelijke, hoewel niet levendige belangstelling in alles wat om haar
voorviel, bezwaarlijk vermoed hebben, dat die zachte, welwillende vrouw
onder eene zoo zware zorg, onder een zoo drukkenden kommer gebukt ging.
Maria echter kende haar en vreesde het ergste.
Niettegenstaande dit alles, was toch deze tijd van beproeving voor
Maria hoogst weldadig, daar de strenge eischen van den plicht, dien
zij jegens de kranke moeder te vervullen had, haar verhinderden zich
te zeer met hare eigene smart bezig te houden, waardoor deze allengs
veel van hare bitterheid verloor en onmerkbaar begon te genezen,
zoodat zij ten laatste niet meer de pijn der wonde zelve, maar slechts
de zachte afmatting gevoelde, die pleegt te volgen wanneer de hevige
bloedstorting voorbij is. Ook de uitwendige bedrijvigheid, waartoe
zij zich thans dikwijls genoodzaakt zag, was haar heilrijk, daar zij
hierdoor belet werd te veel in zich zelven in te keeren, terwijl
verder de tegenwoordigheid van Julie en Emma, welke lieve meisjes haar
beurtelings gezelschap hielden, er veel toe bijbracht, om haar van hare
sombere mijmeringen af te trekken.
Zoo was de helft van den zomer verwonderlijk snel voorbij gevlogen
en de dagen begonnen reeds merkelijk te korten, toen de moeder zich
toch eindelijk weder sterk genoeg geloofde om de reis naar Teplitz te
ondernemen, welke badplaats zij jaarlijks gewoon was te bezoeken. De
Julimaand was nog niet geheel ten einde, toen beide vrouwen op een
schoonen morgen de stad verlieten; de hemel glansde blauw en helder
boven de verfrischte aarde, de dauw had zijn flikkerend zilvernet over
de velden uitgespreid. In eene eenzame aan den weg van Peterswald
gelegen herberg brachten zij de uren van den middag door, in welken
tusschentijd een onverhoedsche regenvlaag die zich in een vruchtbaren
stortregen ontlastte, den gloeienden dampkring weldadig afkoelde. Zij
reden verder toen de regen nog zacht neerruischte, ofschoon de wolken
reeds gebroken en heldere blauwe strepen door den donkeren nevelsluier
zichtbaar waren. Zoo bereikten zij den Nollendoffer berg, dien zij
langzaam opstegen. Tegen den namiddag kwamen zij op den top bij de
kleine kerk aan, en nu lag het gansche koninkrijk Boheme aan hare
voeten uitgestrekt.
Beiden verlieten den wagen en wandelden langzaam naar de kleine kapel,
in welker schaduw zij zich op eene bank neerzetten. Het ertsgebergte
strekte zijn groenen, lommerrijken woudmuur ver naar het zuidoosten
uit; in de diepe dalen glansden de zindelijk gepleisterde gebouwen van
vele gehuchten, sloten en abdijen; de lange woudachtige heuveltakken
drongen dikwijls tot diep in het land door, eer zij zich in korenvelden
of groene akkers verloren; de straatweg hing als een wit glansrijk lint
in slingerende bochten bij de berghelling neder, deelde het dennenwoud
doormidden en reeg vervolgens de rijke dorpen der heuvelvlakte het een
na het ander aan zijn onafzienbaar snoer. Maria liet met welgevallen
hare blikken over de bekende landouw rondzweven. Mijmerend vestigde
zij het oog op de hooge, blauwe bergkolossen der beide Milischauers,
die als een reusachtig broederpaar in het hart van Boheme oprezen en
het grootste gedeelte der oostelijke begrenzing van den gezichteinder
besloegen. Ver achter deze, daar, waar de westenwind de verspreide
onweerswolken voortdreef, lag het onmetelijke land, waar thans de
dierbaarsten verwijlden, die zij op aarde bezat. Warm toch en hevig
klopte haar hart ook voor hem, wiens mannelijk, waardig voorkomen en
edele gezindheid hare liefde te gelijk met hare innigste hoogachting
gewonnen hadden en wien zij gaarne gevolgd ware, wanneer zij zich niet
door heiliger banden aan haar vaderland had gekluisterd gevoeld.
Het rijtuig moest wegens de steile afhelling met spijlen voorzien
worden, weshalve de vrouwen een nader voetpad insloegen, dat haar
spoedig weder op den grooten straatweg bracht. Hier klommen zij
in het rijtuig en bereikten na weinige uren hare oude, welbekende
verblijfplaats. Met de uiterste hartelijkheid werden zij door den
schrijnwerker Holder en zijne vrouw, bij welke goede menschen zij reeds
meermalen haar verblijf genomen en die zij nu weder van hare komst
verwittigd hadden, ontvangen, en Maria had het genoegen door alle
kinderen van het huis, zelfs door het kleine vierjarig meisje, dadelijk
herkend te worden. De beide stille tuinkamers waren, evenals vorige
jaren, voor haar in gereedheid gebracht, en weldra gevoelde zij zich
daar even vertrouwelijk en wel als in haar eigen huis. De deur van het
woonvertrek kwam onmiddellijk in den vrij grooten tuin uit, die wel is
waar grootendeels met ooftboomen en keukengroenten bezet was, maar toch
ook eenige bloemperken en schaduwrijke plaatsjes aanbood, waar Maria
reeds menig genoegelijk uur doorgebracht en zich in het gezicht van den
Schlossberg verlustigd had, dien men met zijne heerlijke ruïne in de
verte zag oprijzen.
De bijzondere, alleen aan vrouwen eigene begaafdheid van zich op
elke plaats recht vertrouwelijk als het ware in te nestelen en in te
bouwen, bezat Maria in eene hooge mate; het was haar een tweede natuur
geworden, om alles om zich heen een vriendelijk, uitlokkend voorkomen
te geven. Een ongeordend vertrek veroorzaakte haar, zonder dat zij
zich dikwijls zelve de reden bewust was, eene onaangename, pijnlijke
gewaarwording; daarentegen gevoelde zij zich gelukkig, wanneer zij eene
plaats die haar verblijf moest worden, regelen, versieren en daaraan
een lachend, aardig, net aanzien geven konde. De wijze, waarop zij
hare bloempotten rangschikte, hare kleine vrouwelijke benoodigdheden
door het vertrek verdeelde, hare boeken, muziekbladen en kleine
teekeningen om zich heen ordende, dit alles droeg blijken van een
smaakvolle regelmatigheid, waardoor elk die een blik in hare kamer
wierp, zich aangenaam verrast gevoelde. Zoo was dan ook nu hare eerste
bezigheid, de koffers te ontpakken en elke ruimte van het vertrek
deels aan te vullen, deels op te sieren. Haar vrouwelijke zin voor
orde was echter niet op den uiterlijken schijn alleen gericht, maar
strekte zich ook tot dingen uit, die het oog van den vreemden opmerker
onmogelijk navorschen konde. In hare werkdoos, in hare kleerkast
heerschten dezelfde sierlijke netheid en orde, welke men op hare kamer
aantrof, ja in hare kleeding, in heur kapsel bespeurde de nauwlettende
waarnemer het in acht nemen der zelfde regelen, de werkzaamheid van
dezelfde eigenschappen der ziel. Is het te verwonderen, dat deze
zachte regelmatigheid, deze overeenstemmende verbinding van ruimten en
dingen ook zelfs in haar karakter eenigermate doorstraalden? Zij had
een donkeren kerker bewoonbaar weten te maken door vrouwelijk schikken
en ordenen, hoe zoude zij dan ook niet, door een gestadig opmerkzaam
vergelijken harer krachten en plichten, door een dankbaar en gewillig
erkennen van het goede dat haar bejegende, aan de droeve verwarring van
diep smartelijke rampen een zachter, vriendelijker voorkomen gegeven en
door een vasten wil de hevigheid van opbruisende hartstochten op eene
schoone, weldadige wijze beteugeld hebben!
Aan deze bijzondere gemoedsgave was zij eene zachte opgeruimdheid
verschuldigd, die haar zelfs in zoo treurige tijden als zij thans
doorleefde, niet verliet en zich ook aan allen, die haar omringden,
weldadig mededeelde. Ook stroomde de gezegende uitwerking dezer, het is
moeielijk te beslissen, of door oefening van den wil of door gelukkigen
natuurlijken aanleg verkregen zielskracht op haar zelve terug; want
gelukte het haar, hare betrekkingen en vooral hare geliefde moeder
daardoor op te beuren, zoo werd zij zelve hierdoor kalmer, gelukkiger,
tevredener, hoopvoller en zag zij, hoewel nog altijd door eenige
donkere sluiers met vrijer, geruster blikken in de toekomst uit.
Dezen eersten avond wilde beide vrouwen hare woning niet verlaten.
Maria had de theetafel naar het groen priëel laten brengen, waar men,
door wilde wijnranken overschaduwd, koel en rustig zitten kon en den
Schlossberg met zijne ruïne in het goud der avondzon zag blinken. Hier
liet zij Anna en Therese, de beide dochtertjes van den huisheer, bij
zich komen; de eerste een twaalfjarig vlug en levendig kind, dat haar
reeds menige nutte onderrichting te danken en die wel gebruikt had;
de ander een blond, vierjarig krulkopje, waarover zij peettante en
dat haar, om zijn koddige vroolijkheid en zoete vleitaal, even lief
als een zustertje was. Anna was er bijzonder door vereerd, dat zij
met hare breikous, als een groote dame, aan de theetafel der vreemde
dames mocht plaats nemen; de kleine Threes snapte onophoudelijk
voort en deed duizend kinderlijke vragen. Maria zorgde voor beiden
met de vriendelijkheid eener oudere zuster, wist zich geheel in de
kinderwereld te verplaatsen en was met de oudste reeds in een druk
gesprek gewikkeld, toen Therese, ongeduldig zoo lang te zitten, met
eene krakeling in de hand lustig weghuppelde en de tante uitdaagde haar
te krijgen. Als een kleine Amor sloop het kind door de heesters, om
de onder schertsende bedreigen haar naijlende Maria te ontkomen; deze
zette het moedwillig spel een tijdlang voort en lachte vriendelijk,
toen de kleine haar lokkig kopje van tusschen de groene bladeren te
voorschijn stak en met haar zilverstemmetje riep: „Piep, tante, hier
ben ik!”
Intusschen was het avondrood verdwenen en bleek maanlicht vermengde
zich met de blauwachtige schemering, die den tuin omhulde; de sikkel
der nieuwe maan dreef op den kalmen oceaan des hemels en wierp
vriendelijke blikken door de fluisterende heesters. De kinderen moesten
nu naar huis om te bed gebracht te worden, en Therese was ook na al
haar stoeien en dartelen zoo moe en slaperig, dat zij zich gewillig
door het dienstmeisje op den arm liet nemen. De toenemende avondkoelte
bewoog ook de moeder naar hare kamer terug te keeren; Maria wandelde
nog een tijdlang in den tuin op en neder; vervolgens ging ook zij naar
binnen en genoot weldra eene zoete, verkwikkende rust, die zelfs het
treurende hart niet ontvliedt, wanneer het tevens rein en schuldeloos
is.
Den volgenden dag begonnen de toebereidselen, welke men tot het
gebruiken der baden te maken had; een zeer vroeg opstaan werd
noodzakelijk, de overige bezigheden moesten daarnaar geregeld worden.
Hiertoe behoorden ook de wandelingen, welke de arts had voorgeschreven,
Maria verzelde hare moeder altijd en overal; wanneer deze zich in het
bad bevond, deed zij met eenige bekenden uit Dresden, die zich hier
reeds langer hadden opgehouden, eene wandeling, gewoonlijk in den
slottuin. Op deze wijze werd zij, hoe eenzaam zij overigens leefde,
toch langzamerhand met de verschillende, ten deele zonderlinge figuren
bekend, die zich in het stadje verzameld hadden. Van lieverlede wist
men, met wie men het badseizoen doorbracht, afreizenden werden vermist,
nieuw aangekomenen dadelijk opgemerkt. Het vrije ongedwongene verkeer,
aan badplaatsen eigen, bracht als van zelf mede, dat men ook met
vreemde heeren licht in gesprek geraakte. Deze sloten zich ook zeer
gaarne aan het gezelschap, waarin Maria zich bevond, aan; want hare
tengere, slanke gestalte maakte reeds in de verte de opmerkzaamheid
gaande, hare sierlijke, hoewel hoogst eenvoudige kleeding trok velen
aan, de zachte vrouwelijke uitdrukking harer gelaatstrekken, de heldere
blik van het blauwe oog en vooral haar innemend, evenzeer van schuwe
blooheid als van aanmatigend zelfvertrouwen verwijderd, voorkomen
boeiden zoo onweerstaanbaar, dat oudere en jongere mannen zich om
strijd beijverden met haar in gesprek te komen. Ook op vrouwen maakte
Maria's voorkomen een gunstigen indruk, en eenstemmig beklaagde men
zich, dat deze liefelijke verschijning slechts gedurende dat ééne
morgenuur zichtbaar was en voor het verdere gedeelte van den dag
spoorloos verdween. Dit was evenwel gedeeltelijk eene dwaling, want
schoon Maria slechts de schoone avonden tot wandelen gebruiken konde,
wijl de moeder zich voor koude en vochtigheid wachten moest, was zij
toch niet zelden met deze en ook met een kleinen kring van nadere
bekenden in de schoone omstreken van Teplitz aan te treffen. Dan echter
koos zij niet de bij de groote wereld vooral geliefkoosde oorden, waar
men verzekerd is eene schitterende menigte bijeen te vinden, maar
zocht bij voorkeur de schoone, eenzame punten op, die geene andere
genietingen aanbieden dan de zuivere, verkwikkende gaven, welke de
natuur ons uit de eerste hand welwillend toereikt. Intusschen had het
verschijnen op de morgenwandeling haar langzamerhand bij de jongere
badgasten zoo bekend doen worden, dat men hare tegenwoordigheid
bij een landelijk feest dat men geven wilde, volstrekt noodzakelijk
achtte, zoude het niet van zijn schoonsten tooi verstoken blijven.
Toen zij dus op zekeren morgen als naar gewoonte met hare vriendinnen
in de nabijheid der bron verscheen, trad een plechtig gezantschap van
eenige jongelieden op haar toe; een oostenrijksch ritmeester, Arnheim,
die het bad bezocht, om de genezing van zijn, in den slag bij Wagram
zwaar gewonden arm te bespoedigen, stond aan de spits en sprak haar
bescheiden en vriendelijk aan: „Ik heb u in naam van de badgasten eene
nederige bede te doen, mijne dame; maar ik vrees bijna dat gij ons die
zult afslaan.”
„Voorzeker niet,” antwoordde Maria vriendelijk, „wanneer de vervulling
in mijne macht staat. Ofschoon ik niet weet,” voegde zij er met een
ongedwongen lachje bij, „wat ik zou kunnen doen, waaraan het gezelschap
iets gelegen kan zijn?”
„Gij zijt tot hier toe slechts eene morgenster voor ons geweest, die
bij het toenemen van den dag verdween,” vervolgde de ritmeester; „wij
wilden u bidden, ook eens als avondster voor ons te glanzen. Tegen
morgen hebben wij een gemeenschappelijk feest aangericht; het zou ons
zeer leed doen, wanneer het den luister, dien uwe tegenwoordigheid
daaraan verleenen zou, ontberen moest. Mogen wij op uw bijzijn hopen?”
Tevens waren de overige jongelieden nader getreden en vereenigden hunne
beden met die van den ritmeester.
„Van harte gaarne zal ik de uitnoodiging aannemen,” sprak Maria
vriendelijk, „wanneer mijne moeder het vergunt.”
„Ontvang voorloopig onze hartelijke dankbetuiging,” hernam Arnheim
levendig, terwijl ook zijne vrienden hunne vreugde luid te kennen gaven.
„Maar waar zult gij het feest geven?” vroeg Maria na eenige
oogenblikken.
„Wij hebben voorgenomen,” antwoordde Arnheim, „eene kleine uitvlucht in
het gebergte te ondernemen en ons daarbij door scherts en spel en, als
het zijn kan, ook door dans onder den vrijen hemel zoo goed te vermaken
als mogelijk is. Vervolgens willen wij naar Aussig rijden en van daar,
de Elbe op, naar den Schreckenstein roeien. Het overige zullen wij aan
de gunst van het weder overlaten.”
„Waarlijk, niets kon beter met mijn smaak overeenstemmen,” hervatte
Maria.—De jongelieden gaven nogmaals hunne dankbaarheid en vreugde te
kennen en verwijderden zich hierop, om zich onder de overige wandelaars
te mengen. De familie uit Dresden, waaraan Maria zich had aangesloten,
was ook tot het feest genoodigd, en de dochters boden haar dadelijk
eene plaats in het rijtuig aan, in geval de moeder niet verkiezen mocht
van de partij te zijn.
„Dat is helaas! maar al te zeker,” zeide Maria, „want aan de
onzekerheid van het weder mag zij zich volstrekt niet blootstellen en
ook de koelte van den stroom en den avond zoude gevaarlijk voor haar
zijn. Gaarne zal ik dus onder uw geleide het feest bijwonen, niet zoo
zeer wijl ik mij groot genoegen daarvan voorstel, als wel omdat het mij
grieven zoude een zoo welwillend verzoek van de hand te wijzen.”
Terwijl zij nog sprak, kwam hare moeder de laan door uit het bad
terug. Maria droeg haar dadelijk de zaak voor en bekwam eene gereede
toestemming.