HOOFDSTUK I.

Sinds Lodewijks overhaast vertrek vloden de dagen voor moeder en

zuster stil en treurig daarheen. Maria droeg haar lijden met zachte

gelatenheid; zij klaagde niet, zij weende niet, slechts in verdubbelde

liefderijke zorg voor hare moeder zocht zij troost en opbeuring; over

haar gansche wezen lag eene weemoedige vriendelijkheid verbreid, die

haar eene nieuwe, zachtere aantrekkelijkheid verleende. Zij werd, en

dit is de natuur van edele zielen, door haren kommer beter, en hoe meer

zij zelve leed, des te medelijdender en gevoeliger werd zij ook voor

het lijden van anderen. Aan de geliefde kranke, wier borstkwaal sedert

de laatste hevige gemoedsschokken aanmerkelijk verergerd was, wijdde

zij alle gedachten harer ziel; in den vroegen morgen reeds, wanneer

zij, vóór den dag ontwaakt, eenzaam op haar leger zat, bepeinsde zij

hoe door kleine verrassingen de zieke op te beuren en haar door stille

genoegens de slepende, smartelijke uren van den langen dag te korten.

Heimelijk kwelde haar echter de gedachte, dat de dagen der dierbare

ten einde spoedden. En niet zonder grond; ze wist het, dat diepe smart

de krachten der moeder langzaam sloopte en nog meer de gezondheid der

dierbare ondermijnde, wijl die smart zoo weinig werd geuit. Een vreemde

zou bij de bestendige bedaardheid, welke zij vertoonde, bij hare

vriendelijke, hoewel niet levendige belangstelling in alles wat om haar

voorviel, bezwaarlijk vermoed hebben, dat die zachte, welwillende vrouw

onder eene zoo zware zorg, onder een zoo drukkenden kommer gebukt ging.

Maria echter kende haar en vreesde het ergste.

Niettegenstaande dit alles, was toch deze tijd van beproeving voor

Maria hoogst weldadig, daar de strenge eischen van den plicht, dien

zij jegens de kranke moeder te vervullen had, haar verhinderden zich

te zeer met hare eigene smart bezig te houden, waardoor deze allengs

veel van hare bitterheid verloor en onmerkbaar begon te genezen,

zoodat zij ten laatste niet meer de pijn der wonde zelve, maar slechts

de zachte afmatting gevoelde, die pleegt te volgen wanneer de hevige

bloedstorting voorbij is. Ook de uitwendige bedrijvigheid, waartoe

zij zich thans dikwijls genoodzaakt zag, was haar heilrijk, daar zij

hierdoor belet werd te veel in zich zelven in te keeren, terwijl

verder de tegenwoordigheid van Julie en Emma, welke lieve meisjes haar

beurtelings gezelschap hielden, er veel toe bijbracht, om haar van hare

sombere mijmeringen af te trekken.

Zoo was de helft van den zomer verwonderlijk snel voorbij gevlogen

en de dagen begonnen reeds merkelijk te korten, toen de moeder zich

toch eindelijk weder sterk genoeg geloofde om de reis naar Teplitz te

ondernemen, welke badplaats zij jaarlijks gewoon was te bezoeken. De

Julimaand was nog niet geheel ten einde, toen beide vrouwen op een

schoonen morgen de stad verlieten; de hemel glansde blauw en helder

boven de verfrischte aarde, de dauw had zijn flikkerend zilvernet over

de velden uitgespreid. In eene eenzame aan den weg van Peterswald

gelegen herberg brachten zij de uren van den middag door, in welken

tusschentijd een onverhoedsche regenvlaag die zich in een vruchtbaren

stortregen ontlastte, den gloeienden dampkring weldadig afkoelde. Zij

reden verder toen de regen nog zacht neerruischte, ofschoon de wolken

reeds gebroken en heldere blauwe strepen door den donkeren nevelsluier

zichtbaar waren. Zoo bereikten zij den Nollendoffer berg, dien zij

langzaam opstegen. Tegen den namiddag kwamen zij op den top bij de

kleine kerk aan, en nu lag het gansche koninkrijk Boheme aan hare

voeten uitgestrekt.

Beiden verlieten den wagen en wandelden langzaam naar de kleine kapel,

in welker schaduw zij zich op eene bank neerzetten. Het ertsgebergte

strekte zijn groenen, lommerrijken woudmuur ver naar het zuidoosten

uit; in de diepe dalen glansden de zindelijk gepleisterde gebouwen van

vele gehuchten, sloten en abdijen; de lange woudachtige heuveltakken

drongen dikwijls tot diep in het land door, eer zij zich in korenvelden

of groene akkers verloren; de straatweg hing als een wit glansrijk lint

in slingerende bochten bij de berghelling neder, deelde het dennenwoud

doormidden en reeg vervolgens de rijke dorpen der heuvelvlakte het een

na het ander aan zijn onafzienbaar snoer. Maria liet met welgevallen

hare blikken over de bekende landouw rondzweven. Mijmerend vestigde

zij het oog op de hooge, blauwe bergkolossen der beide Milischauers,

die als een reusachtig broederpaar in het hart van Boheme oprezen en

het grootste gedeelte der oostelijke begrenzing van den gezichteinder

besloegen. Ver achter deze, daar, waar de westenwind de verspreide

onweerswolken voortdreef, lag het onmetelijke land, waar thans de

dierbaarsten verwijlden, die zij op aarde bezat. Warm toch en hevig

klopte haar hart ook voor hem, wiens mannelijk, waardig voorkomen en

edele gezindheid hare liefde te gelijk met hare innigste hoogachting

gewonnen hadden en wien zij gaarne gevolgd ware, wanneer zij zich niet

door heiliger banden aan haar vaderland had gekluisterd gevoeld.

Het rijtuig moest wegens de steile afhelling met spijlen voorzien

worden, weshalve de vrouwen een nader voetpad insloegen, dat haar

spoedig weder op den grooten straatweg bracht. Hier klommen zij

in het rijtuig en bereikten na weinige uren hare oude, welbekende

verblijfplaats. Met de uiterste hartelijkheid werden zij door den

schrijnwerker Holder en zijne vrouw, bij welke goede menschen zij reeds

meermalen haar verblijf genomen en die zij nu weder van hare komst

verwittigd hadden, ontvangen, en Maria had het genoegen door alle

kinderen van het huis, zelfs door het kleine vierjarig meisje, dadelijk

herkend te worden. De beide stille tuinkamers waren, evenals vorige

jaren, voor haar in gereedheid gebracht, en weldra gevoelde zij zich

daar even vertrouwelijk en wel als in haar eigen huis. De deur van het

woonvertrek kwam onmiddellijk in den vrij grooten tuin uit, die wel is

waar grootendeels met ooftboomen en keukengroenten bezet was, maar toch

ook eenige bloemperken en schaduwrijke plaatsjes aanbood, waar Maria

reeds menig genoegelijk uur doorgebracht en zich in het gezicht van den

Schlossberg verlustigd had, dien men met zijne heerlijke ruïne in de

verte zag oprijzen.

De bijzondere, alleen aan vrouwen eigene begaafdheid van zich op

elke plaats recht vertrouwelijk als het ware in te nestelen en in te

bouwen, bezat Maria in eene hooge mate; het was haar een tweede natuur

geworden, om alles om zich heen een vriendelijk, uitlokkend voorkomen

te geven. Een ongeordend vertrek veroorzaakte haar, zonder dat zij

zich dikwijls zelve de reden bewust was, eene onaangename, pijnlijke

gewaarwording; daarentegen gevoelde zij zich gelukkig, wanneer zij eene

plaats die haar verblijf moest worden, regelen, versieren en daaraan

een lachend, aardig, net aanzien geven konde. De wijze, waarop zij

hare bloempotten rangschikte, hare kleine vrouwelijke benoodigdheden

door het vertrek verdeelde, hare boeken, muziekbladen en kleine

teekeningen om zich heen ordende, dit alles droeg blijken van een

smaakvolle regelmatigheid, waardoor elk die een blik in hare kamer

wierp, zich aangenaam verrast gevoelde. Zoo was dan ook nu hare eerste

bezigheid, de koffers te ontpakken en elke ruimte van het vertrek

deels aan te vullen, deels op te sieren. Haar vrouwelijke zin voor

orde was echter niet op den uiterlijken schijn alleen gericht, maar

strekte zich ook tot dingen uit, die het oog van den vreemden opmerker

onmogelijk navorschen konde. In hare werkdoos, in hare kleerkast

heerschten dezelfde sierlijke netheid en orde, welke men op hare kamer

aantrof, ja in hare kleeding, in heur kapsel bespeurde de nauwlettende

waarnemer het in acht nemen der zelfde regelen, de werkzaamheid van

dezelfde eigenschappen der ziel. Is het te verwonderen, dat deze

zachte regelmatigheid, deze overeenstemmende verbinding van ruimten en

dingen ook zelfs in haar karakter eenigermate doorstraalden? Zij had

een donkeren kerker bewoonbaar weten te maken door vrouwelijk schikken

en ordenen, hoe zoude zij dan ook niet, door een gestadig opmerkzaam

vergelijken harer krachten en plichten, door een dankbaar en gewillig

erkennen van het goede dat haar bejegende, aan de droeve verwarring van

diep smartelijke rampen een zachter, vriendelijker voorkomen gegeven en

door een vasten wil de hevigheid van opbruisende hartstochten op eene

schoone, weldadige wijze beteugeld hebben!

Aan deze bijzondere gemoedsgave was zij eene zachte opgeruimdheid

verschuldigd, die haar zelfs in zoo treurige tijden als zij thans

doorleefde, niet verliet en zich ook aan allen, die haar omringden,

weldadig mededeelde. Ook stroomde de gezegende uitwerking dezer, het is

moeielijk te beslissen, of door oefening van den wil of door gelukkigen

natuurlijken aanleg verkregen zielskracht op haar zelve terug; want

gelukte het haar, hare betrekkingen en vooral hare geliefde moeder

daardoor op te beuren, zoo werd zij zelve hierdoor kalmer, gelukkiger,

tevredener, hoopvoller en zag zij, hoewel nog altijd door eenige

donkere sluiers met vrijer, geruster blikken in de toekomst uit.

Dezen eersten avond wilde beide vrouwen hare woning niet verlaten.

Maria had de theetafel naar het groen priëel laten brengen, waar men,

door wilde wijnranken overschaduwd, koel en rustig zitten kon en den

Schlossberg met zijne ruïne in het goud der avondzon zag blinken. Hier

liet zij Anna en Therese, de beide dochtertjes van den huisheer, bij

zich komen; de eerste een twaalfjarig vlug en levendig kind, dat haar

reeds menige nutte onderrichting te danken en die wel gebruikt had;

de ander een blond, vierjarig krulkopje, waarover zij peettante en

dat haar, om zijn koddige vroolijkheid en zoete vleitaal, even lief

als een zustertje was. Anna was er bijzonder door vereerd, dat zij

met hare breikous, als een groote dame, aan de theetafel der vreemde

dames mocht plaats nemen; de kleine Threes snapte onophoudelijk

voort en deed duizend kinderlijke vragen. Maria zorgde voor beiden

met de vriendelijkheid eener oudere zuster, wist zich geheel in de

kinderwereld te verplaatsen en was met de oudste reeds in een druk

gesprek gewikkeld, toen Therese, ongeduldig zoo lang te zitten, met

eene krakeling in de hand lustig weghuppelde en de tante uitdaagde haar

te krijgen. Als een kleine Amor sloop het kind door de heesters, om

de onder schertsende bedreigen haar naijlende Maria te ontkomen; deze

zette het moedwillig spel een tijdlang voort en lachte vriendelijk,

toen de kleine haar lokkig kopje van tusschen de groene bladeren te

voorschijn stak en met haar zilverstemmetje riep: „Piep, tante, hier

ben ik!”

Intusschen was het avondrood verdwenen en bleek maanlicht vermengde

zich met de blauwachtige schemering, die den tuin omhulde; de sikkel

der nieuwe maan dreef op den kalmen oceaan des hemels en wierp

vriendelijke blikken door de fluisterende heesters. De kinderen moesten

nu naar huis om te bed gebracht te worden, en Therese was ook na al

haar stoeien en dartelen zoo moe en slaperig, dat zij zich gewillig

door het dienstmeisje op den arm liet nemen. De toenemende avondkoelte

bewoog ook de moeder naar hare kamer terug te keeren; Maria wandelde

nog een tijdlang in den tuin op en neder; vervolgens ging ook zij naar

binnen en genoot weldra eene zoete, verkwikkende rust, die zelfs het

treurende hart niet ontvliedt, wanneer het tevens rein en schuldeloos

is.

Den volgenden dag begonnen de toebereidselen, welke men tot het

gebruiken der baden te maken had; een zeer vroeg opstaan werd

noodzakelijk, de overige bezigheden moesten daarnaar geregeld worden.

Hiertoe behoorden ook de wandelingen, welke de arts had voorgeschreven,

Maria verzelde hare moeder altijd en overal; wanneer deze zich in het

bad bevond, deed zij met eenige bekenden uit Dresden, die zich hier

reeds langer hadden opgehouden, eene wandeling, gewoonlijk in den

slottuin. Op deze wijze werd zij, hoe eenzaam zij overigens leefde,

toch langzamerhand met de verschillende, ten deele zonderlinge figuren

bekend, die zich in het stadje verzameld hadden. Van lieverlede wist

men, met wie men het badseizoen doorbracht, afreizenden werden vermist,

nieuw aangekomenen dadelijk opgemerkt. Het vrije ongedwongene verkeer,

aan badplaatsen eigen, bracht als van zelf mede, dat men ook met

vreemde heeren licht in gesprek geraakte. Deze sloten zich ook zeer

gaarne aan het gezelschap, waarin Maria zich bevond, aan; want hare

tengere, slanke gestalte maakte reeds in de verte de opmerkzaamheid

gaande, hare sierlijke, hoewel hoogst eenvoudige kleeding trok velen

aan, de zachte vrouwelijke uitdrukking harer gelaatstrekken, de heldere

blik van het blauwe oog en vooral haar innemend, evenzeer van schuwe

blooheid als van aanmatigend zelfvertrouwen verwijderd, voorkomen

boeiden zoo onweerstaanbaar, dat oudere en jongere mannen zich om

strijd beijverden met haar in gesprek te komen. Ook op vrouwen maakte

Maria's voorkomen een gunstigen indruk, en eenstemmig beklaagde men

zich, dat deze liefelijke verschijning slechts gedurende dat ééne

morgenuur zichtbaar was en voor het verdere gedeelte van den dag

spoorloos verdween. Dit was evenwel gedeeltelijk eene dwaling, want

schoon Maria slechts de schoone avonden tot wandelen gebruiken konde,

wijl de moeder zich voor koude en vochtigheid wachten moest, was zij

toch niet zelden met deze en ook met een kleinen kring van nadere

bekenden in de schoone omstreken van Teplitz aan te treffen. Dan echter

koos zij niet de bij de groote wereld vooral geliefkoosde oorden, waar

men verzekerd is eene schitterende menigte bijeen te vinden, maar

zocht bij voorkeur de schoone, eenzame punten op, die geene andere

genietingen aanbieden dan de zuivere, verkwikkende gaven, welke de

natuur ons uit de eerste hand welwillend toereikt. Intusschen had het

verschijnen op de morgenwandeling haar langzamerhand bij de jongere

badgasten zoo bekend doen worden, dat men hare tegenwoordigheid

bij een landelijk feest dat men geven wilde, volstrekt noodzakelijk

achtte, zoude het niet van zijn schoonsten tooi verstoken blijven.

Toen zij dus op zekeren morgen als naar gewoonte met hare vriendinnen

in de nabijheid der bron verscheen, trad een plechtig gezantschap van

eenige jongelieden op haar toe; een oostenrijksch ritmeester, Arnheim,

die het bad bezocht, om de genezing van zijn, in den slag bij Wagram

zwaar gewonden arm te bespoedigen, stond aan de spits en sprak haar

bescheiden en vriendelijk aan: „Ik heb u in naam van de badgasten eene

nederige bede te doen, mijne dame; maar ik vrees bijna dat gij ons die

zult afslaan.”

„Voorzeker niet,” antwoordde Maria vriendelijk, „wanneer de vervulling

in mijne macht staat. Ofschoon ik niet weet,” voegde zij er met een

ongedwongen lachje bij, „wat ik zou kunnen doen, waaraan het gezelschap

iets gelegen kan zijn?”

„Gij zijt tot hier toe slechts eene morgenster voor ons geweest, die

bij het toenemen van den dag verdween,” vervolgde de ritmeester; „wij

wilden u bidden, ook eens als avondster voor ons te glanzen. Tegen

morgen hebben wij een gemeenschappelijk feest aangericht; het zou ons

zeer leed doen, wanneer het den luister, dien uwe tegenwoordigheid

daaraan verleenen zou, ontberen moest. Mogen wij op uw bijzijn hopen?”

Tevens waren de overige jongelieden nader getreden en vereenigden hunne

beden met die van den ritmeester.

„Van harte gaarne zal ik de uitnoodiging aannemen,” sprak Maria

vriendelijk, „wanneer mijne moeder het vergunt.”

„Ontvang voorloopig onze hartelijke dankbetuiging,” hernam Arnheim

levendig, terwijl ook zijne vrienden hunne vreugde luid te kennen gaven.

„Maar waar zult gij het feest geven?” vroeg Maria na eenige

oogenblikken.

„Wij hebben voorgenomen,” antwoordde Arnheim, „eene kleine uitvlucht in

het gebergte te ondernemen en ons daarbij door scherts en spel en, als

het zijn kan, ook door dans onder den vrijen hemel zoo goed te vermaken

als mogelijk is. Vervolgens willen wij naar Aussig rijden en van daar,

de Elbe op, naar den Schreckenstein roeien. Het overige zullen wij aan

de gunst van het weder overlaten.”

„Waarlijk, niets kon beter met mijn smaak overeenstemmen,” hervatte

Maria.—De jongelieden gaven nogmaals hunne dankbaarheid en vreugde te

kennen en verwijderden zich hierop, om zich onder de overige wandelaars

te mengen. De familie uit Dresden, waaraan Maria zich had aangesloten,

was ook tot het feest genoodigd, en de dochters boden haar dadelijk

eene plaats in het rijtuig aan, in geval de moeder niet verkiezen mocht

van de partij te zijn.

„Dat is helaas! maar al te zeker,” zeide Maria, „want aan de

onzekerheid van het weder mag zij zich volstrekt niet blootstellen en

ook de koelte van den stroom en den avond zoude gevaarlijk voor haar

zijn. Gaarne zal ik dus onder uw geleide het feest bijwonen, niet zoo

zeer wijl ik mij groot genoegen daarvan voorstel, als wel omdat het mij

grieven zoude een zoo welwillend verzoek van de hand te wijzen.”

Terwijl zij nog sprak, kwam hare moeder de laan door uit het bad

terug. Maria droeg haar dadelijk de zaak voor en bekwam eene gereede

toestemming.

1812: Historische roman · 第 50 / 154 题