HOOFDSTUK V.

Het was op den 22sten Juni dat Rasinski met zijne ruiterschaar

op de hoofdcolonne des legers stiet, welke de keizer in persoon

aanvoerde. Een bevel, onderweg ontvangen, had zijn marsch verhaast. De

overige corpsen, Regnards regiment, de artillerie en twee escadrons

zware cavalerie konden hem niet zoo ijlings volgen. De zon daalde

reeds achter de blauwe bosschen, die den westelijken gezichteinder

begrensden, neder, toen men van eene verhevenheid het fransche leger

voor het eerst gewaar werd. Tot zoover het oog reikte bedekten de

zwarte troepenmassa's de zachte helling, welke aan deze zijde der

heuvelreeksen, die den oever der Niemen begrenzen, langs den zoom van

het uitgestrekte woud van Pilwiski heenloopt. Rasinski was met Bernard

en Lodewijk, die hij gewoonlijk als zijne ordonnansen gebruikte, het

regiment ongeveer duizend schreden vooruitgereden. „Groote hemel!”

riep hij uit, „welk eene wereld onder de wapenen! Ziet, vrienden,

ziet daar voor ons. Wel eene mijl strekt zich de linie der dicht

opééngesloten colonnes uit. Ziet van weerszijden zijn nog ontelbare

massa's in aantocht. Welk een reusachtige geest, die de krachten van

zoo ontelbaar vele duizenden alle in het middenpunt van zijn wil

vereenigt! Alle talen van Europa kunt gij in dit wereldleger hooren.

Van de Ebro en den Vesuvius, van de zonen der Alpen en Pyreneeën tot

aan de Slavonische stammen, die onze barre vlakten bewonen, heeft elke

stad, elk dorp, elk gehucht zijne kinderen gezonden, en allen volgen

in gloeiende geestdrift of stomme onderwerping den wenk des gebieders.

Zij gehoorzamen hem vrijwillig, zij vertrouwen op hem, als op een God,

voor wien de mensch zich buigt, ook zonder hem te doorgronden!—Ziet

de heerlijke artillerieperken, die daar de hoogte zijn opgestegen; ik

begroot de sterkte op vier- tot vijfhonderd vuurmonden, en toch is het

nauwelijks de helft van het geschut, dat Napoleon medevoert, om dood en

verderf op den vijand te braken.”

Rasinski hield stil en zag opmerkzaam in het rond. „Daar, over die drie

boomen, ligt Kowno; vermoedelijk zal het hardnekkig door de Russen

verdedigd worden. Ginds loopt de weg van Königsberg, die zich in het

gindsche bosch met den onzen vereenigt. Het gehucht daar beneden in

het woud heet Pilwiski; die spitse toren links behoort tot het stadje

Schirwindt. Neemt de ligging der plaatsjes nauwkeurig op, vrienden,

misschien moet ik er u nog dezen nacht heenzenden, daar de staf er

waarschijnlijk legeren zal.”

Terwijl Rasinski zijne geleiders op deze wijze met de landstreek bekend

maakte, was zijn regiment genaderd. Hij plaatste zich thans aan de

spits en liet het in geregelde orde naar het leger voortrukken.

Eer hij de uiterste posten had bereikt, kwam hem een stafofficier te

gemoet rennen. „Ik ben gelast, heer overste,” sprak deze hem aan, „u de

plaats aan te wijzen, waar gij voor uwe troepen het bivak kunt opslaan.

Wij waren reeds van uwe komst verwittigd. Op gindschen heuvel, naast de

keizerlijke garde, is uwe legerplaats.”

Rasinski besefte dadelijk de eervolle onderscheiding, die in deze

aanwijzing gelegen was, en gaf zijne vreugde daarover onbewimpeld te

kennen.

Door den stafofficier begeleid, rukte het regiment thans midden

door het leger voort. Deze doortocht leverde een uiterst bont en

afwisselend schouwspel op. De lange rijen van zwaar geschut, door dicht

opeengepakte perken van munitie-wagens afgebroken, moest men eerst

voorbijtrekken. „Dat zijn de ijzeren knoken van het oorlogsmonster,”

sprak Lodewijk tot Bernard.

„Of veeleer zijne vuurbrakende kelen,” hernam deze. „Ik ben zonderling

te moe,” vervolgde hij na eenige oogenblikken; „terwijl ik dit

voorportaal van den krijg binnentrek, kom ik mij zelf, tegenover deze

reusachtige strijdkrachten, eensklaps zoo geheel nietig en onbeduidend

voor, verlies ik zoo geheel het gevoel van zelfstandigheid en eigene

wilskracht, dat ik mij bij een armzaligen notendop vergelijken kon,

die op den onstuimigen oceaan drijft. Maar voor mijn teekenboek zal

ik genoeg te doen krijgen, want elke tien passen zie ik een kostelijk

genrebeeld en merk, dat men maar ééns door eene legerplaats behoeft te

rijden, om een Filip Wouwerman te worden, wanneer men er overigens het

penseel toe heeft en nog geen is.”

Thans was men de eerste bivakken der infanterie genaderd en kon men

de groepen opnemen, die zich om de vuren gelegerd hadden. In de

verte hoorde men de half verwaaide tonen der veldmuziek, die den

marseillaanschen marsch speelde. Op den voorgrond lagen een dozijn

grenadiers om een helder vuur uitgestrekt. Een baardig sappeur roerde

ijverig in den blikken kookketel en was telkenreize genoodzaakt, zijn

langen baard voor de opwakkerende vlam in zekerheid te stellen; eenige

jonge borsten, die zijne verlegenheid bespeurden, dreven den spot met

hem. Een tamboer had het omwonden hoofd op den randsel neergevlijd en

sliep; zijne kameraden hadden hem met houtskool een monsterachtigen

knevel gegeven. Twee anderen stonden overeind en worstelden met de

handen. De overigen zaten of lagen in een breeden kring en beschouwden

al geeuwend het voorbijtrekkende regiment, zonder dat dit voor hen

alledaagsche gezicht hunne nieuwsgierigheid bijzonder scheen gaande te

maken.

Eenige schreden verder was eene andere groep gelegerd en luisterde

aandachtig naar den muzikalen kunstenaar, die op eene kleine dwarsfluit

de romance: „_Il pleut, il pleut bergère_,” blies. Dit geliefkoosde

liedje scheen de teederheid van een sergeant te ontvlammen, die achter

den kring zijner gelegerde kameraden voor eene hupsche markententster

de fijnste vleitaal uitkraamde en haar met eene zekere vaderlijke

welwillendheid de kin streelde, schoon zijne flonkerende oogen eene

geheel andere gezindheid jegens het vlugge meisje te kennen gaven.

Zij knikte vroolijk met het kleine hoofdje naar de maat der muziek en

bekommerde zich weinig om den minnaar, wiens stoute hand zij slechts nu

en dan afwerend terugsloeg.

„De liefde is overal thuis,” sprak Bernard glimlachend; „ook op het

bivak schiet zij hare wortels. De altijd dorre grond, waarop zij niet

voort wil, schijnt mijn hart te wezen; bloesems van gelukkige liefde

althans heeft mijn herbarium nog bitter weinig aan te wijzen.”

Lodewijk zweeg en gaf zich aan de sombere gedachten over, die Bernards

zeggen in hem verlevendigd had.

„Nu, lomperd,” riep deze een weinig verdrietig, toen een stevige

dragonder hem op een gespierd brouwerspaard zoo dicht langs het lijf

reed, dat de onzachte aanraking hem bijna uit den zadel deed tuimelen.

De vent liet zich echter den lomperd getroosten en draafde zonder om te

zien zijns weegs.

„Zie daar zoo'n plompen, ongelikten vlegel met zijn lange beenen over

den dikken slepersknol hangen,” bromde Bernard; „de vent rammelt mij

armen en beenen stuk met zijn olifant.”

„Dat zijn de kleine beleefdheden van het leger,” riep Jaromir lachende.

„Gij zult ze u zoolang getroosten moeten, tot gij ze zelf leert

uitdeelen.”

„Pah!” hernam Bernard; „in dat opzicht ben ik als meester geboren en

gelijk sommige echo's, die het geluid niet slechts vermenigvuldigen,

maar ook versterkt teruggeven. Een vlegel krijgt mij gewoonlijk in een

brandspiegel te zien, waarin ik hem de grimmigste bekken toetrek.”

Een bivak der ruiterij volgde, waar de paarden in lange rijen aan

lijnen stonden. Het snuiven en hinniken der rossen maakte het

schouwspel levendiger. Toen het regiment naderde, rukte een der dieren

zich los en wilde zich onder de broederlijke gelederen scharen;

dadelijk waren eenige dragonders bij de hand om het te grijpen; maar

het sloeg achteruit, wierp eenige veldketels om, zoodat de juist

gereede avondsoep over den grond stroomde, en vloog vervolgens in

gestrekten ren den heuvel af. De infanteriebataljons, die in de

nabijheid lagen, hieven een jubelend gelach over deze jacht aan en

trachtten het schuwe dier door geschreeuw terug te jagen. De poolsche

ruiters zagen eveneens lachend naar het schouwspel om, toen het

commando:

„Richt u! Oogen rechts!” hen eensklaps in de strenge boeien van

den dienst legde. Het was een fransch generaal, dien Rasinski naar

krijgsgebruik groeten wilde. Hij reed op een prachtigen appelschimmel,

welks tuig en schabrak met gouden versieringen en borduursels bedekt

waren. Groetend bracht hij de hand aan den hoed en monsterde de

manschappen in het voorbijrijden met een groot, opmerkzaam oog. De

forsche, gespierde gestalte, de ernstige, vurige blik, de strenge

rimpels op het hooge voorhoofd, dit alles te zamen verleende hem het

voorkomen van persoonlijke meerderheid, dat zelden nalaat den soldaat

een onbepaald vertrouwen op zijn aanvoerder in te boezemen.

Lodewijk, op wien deze verschijning een buitengewonen indruk gemaakt

had, vroeg zachtjes aan Boleslaw, die naast hem reed: „Wie is die

generaal?”

„De maarschalk Davoust, prins van Eckmühl,” antwoordde deze met een

ernstig, veelbeteekenend gelaat, dat de eerbied te kennen gaf, dien ook

hij voor den beroemden veldheer koesterde.

„De maarschalk Davoust,” fluisterde Lodewijk Bernard toe, en beiden

staarden hem met gespannen aandacht na, tot hij zich in het gewoel des

legers verloor.

Het begon reeds duister te worden, toen het regiment de plaats

zijner bestemming bereikte. De ruimte, welke het beslaan mocht, was

reeds zorgvuldig afgebakend. Men bevond zich namelijk op een heuvel,

die, op de kruin vlak en kaal, rondom door kreupelhout omzoomd

werd. Ettelijke honderd schreden verder had men op den top van een

anderen, eenigszins hoogeren heuvel de tent des keizers opgeslagen.

De driekleurige vlag hing van die tent neder; twee grenadiers der

oude garde hielden wacht aan den ingang. Hoofdofficieren, adjudanten

en ordonnansen gingen zonder ophouden af en aan. Bernard hield het

oog onwrikbaar op de plek gericht, waar het lot van Europa op dit

oogenblik beslist werd. Intusschen bleef hem niet lang tijd tot ijdele

bespiegelingen; de aangenaamste taak voor den soldaat, het aanleggen

van het bivak, moest worden aangevangen. De stallingen voor de paarden

werden door piketpalen en uitgespannen lijnen afgedeeld; men regelde

de stookplaatsen, eenige haalden hout en stroo, anderen brachten water

aan. Weldra vlamden de vuren lustig op: de makkers schaarden zich

in een breeden kring, vertrouwelijke gesprekken werden aangeknoopt,

men werd vroolijker en vroolijker. Een goede dronk, dien Rasinski

deed uitreiken, verhoogde de onbezorgde, luchtige stemming; ja zelfs

jubelende krijgsliederen werden aangeheven, tot het invallen van de

duisternis en de vermoeienissen van den dag den slaap deden neerzinken,

die de woelige onrust van het leger in eene zwijgende stilte herschiep.

1812: Historische roman · 第 47 / 154 题