Het was op den 22sten Juni dat Rasinski met zijne ruiterschaar
op de hoofdcolonne des legers stiet, welke de keizer in persoon
aanvoerde. Een bevel, onderweg ontvangen, had zijn marsch verhaast. De
overige corpsen, Regnards regiment, de artillerie en twee escadrons
zware cavalerie konden hem niet zoo ijlings volgen. De zon daalde
reeds achter de blauwe bosschen, die den westelijken gezichteinder
begrensden, neder, toen men van eene verhevenheid het fransche leger
voor het eerst gewaar werd. Tot zoover het oog reikte bedekten de
zwarte troepenmassa's de zachte helling, welke aan deze zijde der
heuvelreeksen, die den oever der Niemen begrenzen, langs den zoom van
het uitgestrekte woud van Pilwiski heenloopt. Rasinski was met Bernard
en Lodewijk, die hij gewoonlijk als zijne ordonnansen gebruikte, het
regiment ongeveer duizend schreden vooruitgereden. „Groote hemel!”
riep hij uit, „welk eene wereld onder de wapenen! Ziet, vrienden,
ziet daar voor ons. Wel eene mijl strekt zich de linie der dicht
opééngesloten colonnes uit. Ziet van weerszijden zijn nog ontelbare
massa's in aantocht. Welk een reusachtige geest, die de krachten van
zoo ontelbaar vele duizenden alle in het middenpunt van zijn wil
vereenigt! Alle talen van Europa kunt gij in dit wereldleger hooren.
Van de Ebro en den Vesuvius, van de zonen der Alpen en Pyreneeën tot
aan de Slavonische stammen, die onze barre vlakten bewonen, heeft elke
stad, elk dorp, elk gehucht zijne kinderen gezonden, en allen volgen
in gloeiende geestdrift of stomme onderwerping den wenk des gebieders.
Zij gehoorzamen hem vrijwillig, zij vertrouwen op hem, als op een God,
voor wien de mensch zich buigt, ook zonder hem te doorgronden!—Ziet
de heerlijke artillerieperken, die daar de hoogte zijn opgestegen; ik
begroot de sterkte op vier- tot vijfhonderd vuurmonden, en toch is het
nauwelijks de helft van het geschut, dat Napoleon medevoert, om dood en
verderf op den vijand te braken.”
Rasinski hield stil en zag opmerkzaam in het rond. „Daar, over die drie
boomen, ligt Kowno; vermoedelijk zal het hardnekkig door de Russen
verdedigd worden. Ginds loopt de weg van Königsberg, die zich in het
gindsche bosch met den onzen vereenigt. Het gehucht daar beneden in
het woud heet Pilwiski; die spitse toren links behoort tot het stadje
Schirwindt. Neemt de ligging der plaatsjes nauwkeurig op, vrienden,
misschien moet ik er u nog dezen nacht heenzenden, daar de staf er
waarschijnlijk legeren zal.”
Terwijl Rasinski zijne geleiders op deze wijze met de landstreek bekend
maakte, was zijn regiment genaderd. Hij plaatste zich thans aan de
spits en liet het in geregelde orde naar het leger voortrukken.
Eer hij de uiterste posten had bereikt, kwam hem een stafofficier te
gemoet rennen. „Ik ben gelast, heer overste,” sprak deze hem aan, „u de
plaats aan te wijzen, waar gij voor uwe troepen het bivak kunt opslaan.
Wij waren reeds van uwe komst verwittigd. Op gindschen heuvel, naast de
keizerlijke garde, is uwe legerplaats.”
Rasinski besefte dadelijk de eervolle onderscheiding, die in deze
aanwijzing gelegen was, en gaf zijne vreugde daarover onbewimpeld te
kennen.
Door den stafofficier begeleid, rukte het regiment thans midden
door het leger voort. Deze doortocht leverde een uiterst bont en
afwisselend schouwspel op. De lange rijen van zwaar geschut, door dicht
opeengepakte perken van munitie-wagens afgebroken, moest men eerst
voorbijtrekken. „Dat zijn de ijzeren knoken van het oorlogsmonster,”
sprak Lodewijk tot Bernard.
„Of veeleer zijne vuurbrakende kelen,” hernam deze. „Ik ben zonderling
te moe,” vervolgde hij na eenige oogenblikken; „terwijl ik dit
voorportaal van den krijg binnentrek, kom ik mij zelf, tegenover deze
reusachtige strijdkrachten, eensklaps zoo geheel nietig en onbeduidend
voor, verlies ik zoo geheel het gevoel van zelfstandigheid en eigene
wilskracht, dat ik mij bij een armzaligen notendop vergelijken kon,
die op den onstuimigen oceaan drijft. Maar voor mijn teekenboek zal
ik genoeg te doen krijgen, want elke tien passen zie ik een kostelijk
genrebeeld en merk, dat men maar ééns door eene legerplaats behoeft te
rijden, om een Filip Wouwerman te worden, wanneer men er overigens het
penseel toe heeft en nog geen is.”
Thans was men de eerste bivakken der infanterie genaderd en kon men
de groepen opnemen, die zich om de vuren gelegerd hadden. In de
verte hoorde men de half verwaaide tonen der veldmuziek, die den
marseillaanschen marsch speelde. Op den voorgrond lagen een dozijn
grenadiers om een helder vuur uitgestrekt. Een baardig sappeur roerde
ijverig in den blikken kookketel en was telkenreize genoodzaakt, zijn
langen baard voor de opwakkerende vlam in zekerheid te stellen; eenige
jonge borsten, die zijne verlegenheid bespeurden, dreven den spot met
hem. Een tamboer had het omwonden hoofd op den randsel neergevlijd en
sliep; zijne kameraden hadden hem met houtskool een monsterachtigen
knevel gegeven. Twee anderen stonden overeind en worstelden met de
handen. De overigen zaten of lagen in een breeden kring en beschouwden
al geeuwend het voorbijtrekkende regiment, zonder dat dit voor hen
alledaagsche gezicht hunne nieuwsgierigheid bijzonder scheen gaande te
maken.
Eenige schreden verder was eene andere groep gelegerd en luisterde
aandachtig naar den muzikalen kunstenaar, die op eene kleine dwarsfluit
de romance: „_Il pleut, il pleut bergère_,” blies. Dit geliefkoosde
liedje scheen de teederheid van een sergeant te ontvlammen, die achter
den kring zijner gelegerde kameraden voor eene hupsche markententster
de fijnste vleitaal uitkraamde en haar met eene zekere vaderlijke
welwillendheid de kin streelde, schoon zijne flonkerende oogen eene
geheel andere gezindheid jegens het vlugge meisje te kennen gaven.
Zij knikte vroolijk met het kleine hoofdje naar de maat der muziek en
bekommerde zich weinig om den minnaar, wiens stoute hand zij slechts nu
en dan afwerend terugsloeg.
„De liefde is overal thuis,” sprak Bernard glimlachend; „ook op het
bivak schiet zij hare wortels. De altijd dorre grond, waarop zij niet
voort wil, schijnt mijn hart te wezen; bloesems van gelukkige liefde
althans heeft mijn herbarium nog bitter weinig aan te wijzen.”
Lodewijk zweeg en gaf zich aan de sombere gedachten over, die Bernards
zeggen in hem verlevendigd had.
„Nu, lomperd,” riep deze een weinig verdrietig, toen een stevige
dragonder hem op een gespierd brouwerspaard zoo dicht langs het lijf
reed, dat de onzachte aanraking hem bijna uit den zadel deed tuimelen.
De vent liet zich echter den lomperd getroosten en draafde zonder om te
zien zijns weegs.
„Zie daar zoo'n plompen, ongelikten vlegel met zijn lange beenen over
den dikken slepersknol hangen,” bromde Bernard; „de vent rammelt mij
armen en beenen stuk met zijn olifant.”
„Dat zijn de kleine beleefdheden van het leger,” riep Jaromir lachende.
„Gij zult ze u zoolang getroosten moeten, tot gij ze zelf leert
uitdeelen.”
„Pah!” hernam Bernard; „in dat opzicht ben ik als meester geboren en
gelijk sommige echo's, die het geluid niet slechts vermenigvuldigen,
maar ook versterkt teruggeven. Een vlegel krijgt mij gewoonlijk in een
brandspiegel te zien, waarin ik hem de grimmigste bekken toetrek.”
Een bivak der ruiterij volgde, waar de paarden in lange rijen aan
lijnen stonden. Het snuiven en hinniken der rossen maakte het
schouwspel levendiger. Toen het regiment naderde, rukte een der dieren
zich los en wilde zich onder de broederlijke gelederen scharen;
dadelijk waren eenige dragonders bij de hand om het te grijpen; maar
het sloeg achteruit, wierp eenige veldketels om, zoodat de juist
gereede avondsoep over den grond stroomde, en vloog vervolgens in
gestrekten ren den heuvel af. De infanteriebataljons, die in de
nabijheid lagen, hieven een jubelend gelach over deze jacht aan en
trachtten het schuwe dier door geschreeuw terug te jagen. De poolsche
ruiters zagen eveneens lachend naar het schouwspel om, toen het
commando:
„Richt u! Oogen rechts!” hen eensklaps in de strenge boeien van
den dienst legde. Het was een fransch generaal, dien Rasinski naar
krijgsgebruik groeten wilde. Hij reed op een prachtigen appelschimmel,
welks tuig en schabrak met gouden versieringen en borduursels bedekt
waren. Groetend bracht hij de hand aan den hoed en monsterde de
manschappen in het voorbijrijden met een groot, opmerkzaam oog. De
forsche, gespierde gestalte, de ernstige, vurige blik, de strenge
rimpels op het hooge voorhoofd, dit alles te zamen verleende hem het
voorkomen van persoonlijke meerderheid, dat zelden nalaat den soldaat
een onbepaald vertrouwen op zijn aanvoerder in te boezemen.
Lodewijk, op wien deze verschijning een buitengewonen indruk gemaakt
had, vroeg zachtjes aan Boleslaw, die naast hem reed: „Wie is die
generaal?”
„De maarschalk Davoust, prins van Eckmühl,” antwoordde deze met een
ernstig, veelbeteekenend gelaat, dat de eerbied te kennen gaf, dien ook
hij voor den beroemden veldheer koesterde.
„De maarschalk Davoust,” fluisterde Lodewijk Bernard toe, en beiden
staarden hem met gespannen aandacht na, tot hij zich in het gewoel des
legers verloor.
Het begon reeds duister te worden, toen het regiment de plaats
zijner bestemming bereikte. De ruimte, welke het beslaan mocht, was
reeds zorgvuldig afgebakend. Men bevond zich namelijk op een heuvel,
die, op de kruin vlak en kaal, rondom door kreupelhout omzoomd
werd. Ettelijke honderd schreden verder had men op den top van een
anderen, eenigszins hoogeren heuvel de tent des keizers opgeslagen.
De driekleurige vlag hing van die tent neder; twee grenadiers der
oude garde hielden wacht aan den ingang. Hoofdofficieren, adjudanten
en ordonnansen gingen zonder ophouden af en aan. Bernard hield het
oog onwrikbaar op de plek gericht, waar het lot van Europa op dit
oogenblik beslist werd. Intusschen bleef hem niet lang tijd tot ijdele
bespiegelingen; de aangenaamste taak voor den soldaat, het aanleggen
van het bivak, moest worden aangevangen. De stallingen voor de paarden
werden door piketpalen en uitgespannen lijnen afgedeeld; men regelde
de stookplaatsen, eenige haalden hout en stroo, anderen brachten water
aan. Weldra vlamden de vuren lustig op: de makkers schaarden zich
in een breeden kring, vertrouwelijke gesprekken werden aangeknoopt,
men werd vroolijker en vroolijker. Een goede dronk, dien Rasinski
deed uitreiken, verhoogde de onbezorgde, luchtige stemming; ja zelfs
jubelende krijgsliederen werden aangeheven, tot het invallen van de
duisternis en de vermoeienissen van den dag den slaap deden neerzinken,
die de woelige onrust van het leger in eene zwijgende stilte herschiep.