HOOFDSTUK VI.

Middernacht was voorbij. Aan een groot vuur, onder een breed getakten

eik, lag Rasinski in zijn mantel gewikkeld op het schrale legerstroo

uitgestrekt en sliep, zonder door het dak eener hut of tent tegen

de koude nachtlucht beschut te worden. Boleslaw, Jaromir, Bernard en

eenige jonge officieren waren om hem heen gelegerd.

Een ordonnans trad in den kring en vroeg Lodewijk, die juist de

vuurwacht had, naar den overste. Nog eer hij antwoorden kon, sprong

deze, wiens lichte sluimering door het noemen van zijn naam was

afgebroken, van zijne harde legerstede op. „Wat is er?” vroeg hij.

De ordonnans reikte hem een verzegelden brief over, dien hij bij het

schijnsel van het vuur openbrak. „Zeer wel, kameraad! Ik zal komen,”

sprak hij, na den inhoud doorloopen te hebben.

De bode verwijderde zich; Rasinski riep zijn rijknecht. „Zadel dadelijk

mijn paard,” gebood hij dezen; „en ook gij, mijne vrienden,” hiermede

wendde hij zich tot Lodewijk en Bernard, die intusschen ook ontwaakt

was, „tuigt uwe vossen, wij moeten terstond op weg.”

Haastig sprongen zij overeind en ijlden naar de omheining. Binnen

weinige minuten keerden zij te paard terug; Rasinski zat reeds in

den zadel. De overige officieren waren wakker geworden en opgestaan.

„Tegen het aanbreken van den dag ben ik waarschijnlijk terug,” sprak

de overste; „mocht er gedurende mijne afwezigheid iets voorvallen,

zoo hebt gij u bij den ritmeester Negolinski, als den oudsten van het

korps, te vervoegen. Hij is reeds gewaarschuwd. Tot wederziens!”

In stap reden zij den heuvel af, het hout door op de tent van den

keizer aan.

„Hoe laat is het?” vroeg Rasinski.

„Half twee,” hernam Bernard.

„Dan komen wij nog te vroeg. Te twee ure, in de eerste schemering, wil

de keizer de Niemen verkennen. Ik ben gelast mij aan zijn gevolg aan

te sluiten, daar ik met de landstreek bekend ben.—Ik verzoek u de

hoogst mogelijke stilte, mijne vrienden; want in dergelijke gewichtige

oogenblikken, wanneer hij zijne reusachtige plannen ontwerpt, haat de

keizer alle gedruisch.”

De jongelingen werden door dit gezegde in eene ernstige spanning

gebracht. Voor de eerste maal zouden zij thans getuigen van een dier

grootsche oogenblikken zijn, waarin Europa's beheerscher de eerste

draden van een koen, reusachtig weefsel uitspande. Zij werden als

het ware in de werkplaats der wereldgeschiedenis gevoerd, zouden de

schijnbaar nietige bronwel der gebeurtenissen naderen, die, tot een

oceaan aangewassen, bestemd was, het lot van gansche volkeren op zijne

bruisende vloeden te wiegen.

Stom en zwijgend hielden zij, door nacht en woud heen, tusschen rechts

en links flauw schemerende legervuren door, op de tent des keizers aan.

Daar gekomen, vonden zij reeds verschillende generaals en officieren

verzameld. Eenige minuten later kwam de keizer te voorschijn en wierp

zich in den zadel. Het begon reeds te dagen, echter was de gansche

landstreek nog met een grauwen sluier, dien de morgennevel hier en daar

verdikte, omtogen. In minder dan een vierde uurs had men de boschrijke

hoogten bereikt, die den loop der Niemen verzellen. Mat glanzend, de

half verdoofde starren flauw terugspiegelend, blonk de schoone stroom

tusschen de donkere oevers.—Aan genen oever begint het Russische

gebied.

De keizer hield op de hoogte stil en zag eenigen tijd opmerkzaam in

het rond. Vervolgens snelde hij in korten galop den heuvel af en op

de rivier toe. Toen zijn paard de moerassige vlakte van den oever

bereikte, zonk het eensklaps met de voorpooten daarin weg, viel, en

slingerde zijn ruiter ter aarde.

Een oogenblik scheen elk door dit voorval, dat zoozeer het aanzien

van een noodlottig voorteeken had, geheel onthutst. Rasinski

was zoo verrast, dat hij als onwillekeurig uitriep: „Een Romein

zoude terugkeeren!” Het zwijgen dat in den kring heerschte, en de

morgenstilte, die elk geluid zoo gereedelijk voortplant, bewerkten,

dat deze woorden door allen verstaan werden. Zelfs den keizer, die ras

opgesprongen was, moesten zij niet ontgaan zijn; want verwonderd zag

hij om, zonder echter iets te zeggen. Bedaard steeg hij weder op zijn

paard en zette de grondverkenning voort. Hij riep Rasinski tot zich en

sprak lang en levendig met hem. Een uur reed hij langs den oever voort;

vervolgens wierp hij zijn paard om, rende een heuvel op, wenkte den

maarschalk Berthier tot zich en beval, terwijl hij met de hand op den

stroom duidde, dat met het aanbreken van den dag op drie punten van

den oever, welke hij uitdrukkelijk aanwees, bruggen moesten geslagen

worden. Hierop keerde hij naar zijne tent terug, en Rasinski reed met

zijn geleide weder naar het bivak.

In gespannen onrust liep de dag voorbij. De tent van Napoleon

werd opgebroken. Hij begaf zich naar eene in de nabijheid gelegen

boerenwoning, die hij van tijd tot tijd verliet, om een rit door het

leger en den moed der soldaten door zijne tegenwoordigheid aan te

wakkeren. Het werd zwoeler en zwoeler. De drukkende hitte der lange

zomerdagen van het noorden dreigde alles te verstikken; de zon schoot

gloeiende pijlen. Amechtig lagen de troepen op den grond uitgestrekt;

de verzorging van paarden en wapenen was de eenige bezigheid; doch ook

deze vermoeide in de verzengde lucht. Elk schaduwgevend plekje werd

zorgvuldig opgezocht; een frissche dronk was de eenige verkwikking,

waarnaar men streefde. In Egypte, in Syrië, niet in het noordelijk

Rusland, scheen men krijg te voeren.

Eindelijk werden de schaduwen weer langer, de zon neigde ten ondergang.

Tegen acht ure braken eenige afdeelingen pontonniers naar den stroom

op, om de bruggen te slaan. Met de al nader en nader komende minuut der

beslissing werd de spanning grooter. Eindelijk, tegen middernacht, kwam

het bevel om op te rukken. In diepe stilte moest men uittrekken; geen

geluid mocht gehoord, geen vonk gezien worden.

Rasinski liet opzitten en rukte in dicht gesloten gelederen op een

breeden weg voort, die naar den stroom geleidde. Na een half uur

hield men halt op een met graan bewassen heuvel. De hongerige paarden

weidden het jonge koren af; de ruiters legerden zich op den vochtigen

grond. Met ongeduld beidde men den dageraad. Duistere nachtelijke

nevelwolken deden dien vertoeven. Eindelijk stak een frissche wind op,

verstrooide de dampen en onthulde het eerste, zachte morgenrood, dat

den wachtenden over Ruslands wildernissen tegenblonk. Thans kon de

blik langs den anderen oever zweven, die men van de heuvels waarop men

stond, tot in de nevelachtige verte voor zich zag. Welk een sombere

aanblik! Slechts onmetelijke wouden en woeste zandvlakten breidden

zich voor het oog uit. Hoe? Droeg men daarom de wapenen, om met

tallooze offers, met stroomen bloeds een zoo bar, onherbergzaam land,

dat slechts eene onmetelijke gevangenis geleek, te gaan veroveren?

Eene drukkende moedeloosheid maakte zich van de zielen der krijgers

meester.—Daar roffelden trommen en schalden trompetten; de zon kwam

bloedig, maar glansrijk van achter het zwarte dennenbosch te voorschijn

en eene frissche aanblazing der morgenkoelte vervulde de borst weder

met moed en veerkracht. Aller oogen richtten zich naar de plaats,

waar de krijgszuchtige toon ten optocht riep. Het was bij de tent des

keizers, die men gedurende den nacht naar het hoogste punt van den

oever verplaatst had. De zon verlichtte ze met hare stralen; vroolijk

glansden de witte, blauwe en roode banen der driekleurige vlaggen,

die op de hoeken golfden; een luisterrijke stoet van maarschalken en

generaals omstuwde den ingang. De keizer trad naar buiten, groette en

besteeg zijn arabischen schimmel. Thans braken de legerkorpsen als

door een wenk gedreven uit den zoom van het woud te voorschijn. Weldra

waren alle heuvels met de zwarte, stroomende massa's bedekt, wier

blanke wapenen de gloeiende morgenzon duizendvoudig terugkaatsten. De

gansche landstreek woelde en golfde; het hart zwol bij den aanblik

dezer ontzettende strijdkrachten. In die breede stroomen rolde de

zwarte vloed over de gele zandvlakte van den oever naar de drie bruggen

voort, die de zoomen der rivier verbonden, wier spiegel welhaast de

scharen verdubbelde. Thans brak ook de keizer op, reed, de gelederen

door, op de middelste brug toe en trok met zijn gevolg den stroom over.

Niet schroomvallig, niet aarzelend betrad hij den vijandelijken bodem;

onstuimig, vurig sprong hij daarop over, als vloog hij eene bruid

in de armen. Thans hield hij zijn paard staande en liet de scharen

voorbijtrekken; de blik van zijn donker oog deed de borst der krijgers

in moed en geestdrift ontvlammen. Zij begroetten hem met wild gejubel,

zoodat de gansche landstreek dreunde en het donderend geluid van heuvel

tot heuvel, van woud tot woud werd voortgeplant.

Eerst tegen tien uur trok Rasinski met zijn regiment over de brug; de

keizer zag hem met welwillendheid aan en groette vriendelijk, toen de

Polen een juichend: „Leve de keizer!” in hunne volkstaal aanhieven.

Daarop gaf hij zijn paard eensklaps de sporen, joeg pijlsnel langs den

zandigen landweg het bosch in en was weldra uit het gezicht zijner

krijgers verdwenen. Een zeldzaam, onrustig gevoel maakte zich van hunne

zielen meester, toen zij hem, die hen in deze barre noordsche vlakten

gevoerd had, plotseling en alleen daarin zagen verdwijnen, als ware

hij door de wildernis verslonden. Doch welhaast keerde hij met lossen

teugel terug. Zijn voorkomen was onrustig en mismoedig; het scheen

hem te verdrieten, dat hij den vijand, naar wien zijn strijdzuchtig,

roemgierig hart zoo verlangend uitzag, niet had aangetroffen.

Langzaam trokken de legermassa's langs den stroom voort. Thans hoorde

men in de verte den donder der kanonnen. Men luisterde. Nogmaals hoorde

men een dof, aanhoudend dreunen en kraken van vuurmonden.

In aller trekken was eene onrustige, angstvolle spanning te lezen; de

gelederen sloten dichter opeen en ordenden zich strenger; adjudanten

vlogen heen en weder; de generaals renden de hoogten van den oever op.

Men moest vermoeden, dat een der vleugelkorpsen onder den koning van

Westfalen of den onderkoning van Italië den kamp had aangenomen. Daar

klonk het doffe rollen sterker en aanhoudender; echter was het niet dat

van een verren slag, maar de donder van een dreigend opkomend onweder.

Reeds stapelden de zwarte, met sulferachtige lichttinten doorkruiste

wolkgevaarten zich boven de boschrijke heuvelen opeen; de stroom stuwde

zijne donkere golven onstuimig deinend voort; de zon verdween. Van alle

zijden trok het zwarte hulsel voor het heldere blauw van den hemel te

zamen; eene zwoele, drukkende hitte beklemde den adem. Zwijgend en

langzaam kroop het leger voort; men hoorde niets dan het geheimzinnig,

hoog boven de hoofden en rondom in de diepte der wouden murmelend

gedreun van den donder. Thans verhief zich de storm, kalm bulderend

nader en zweepte de baren met schuimende kruintoppen tusschen de oevers

voort. Plotseling siste een vlammende straal door het ruim des hemels,

zoodat de gansche horizont in vuur stond en de Niemen den roodachtigen

gloed helder terugkaatste. Met verbleekt gelaat zagen de krijgers

elkander aan. Daar kraakte de donder verdoovend boven hunne hoofden, de

hemel scheurde vaneen en in volle stroomen plaste de regen neder.

Dat was de welkomstgroet op Ruslands bodem!

1812: Historische roman · 第 48 / 154 题