Middernacht was voorbij. Aan een groot vuur, onder een breed getakten
eik, lag Rasinski in zijn mantel gewikkeld op het schrale legerstroo
uitgestrekt en sliep, zonder door het dak eener hut of tent tegen
de koude nachtlucht beschut te worden. Boleslaw, Jaromir, Bernard en
eenige jonge officieren waren om hem heen gelegerd.
Een ordonnans trad in den kring en vroeg Lodewijk, die juist de
vuurwacht had, naar den overste. Nog eer hij antwoorden kon, sprong
deze, wiens lichte sluimering door het noemen van zijn naam was
afgebroken, van zijne harde legerstede op. „Wat is er?” vroeg hij.
De ordonnans reikte hem een verzegelden brief over, dien hij bij het
schijnsel van het vuur openbrak. „Zeer wel, kameraad! Ik zal komen,”
sprak hij, na den inhoud doorloopen te hebben.
De bode verwijderde zich; Rasinski riep zijn rijknecht. „Zadel dadelijk
mijn paard,” gebood hij dezen; „en ook gij, mijne vrienden,” hiermede
wendde hij zich tot Lodewijk en Bernard, die intusschen ook ontwaakt
was, „tuigt uwe vossen, wij moeten terstond op weg.”
Haastig sprongen zij overeind en ijlden naar de omheining. Binnen
weinige minuten keerden zij te paard terug; Rasinski zat reeds in
den zadel. De overige officieren waren wakker geworden en opgestaan.
„Tegen het aanbreken van den dag ben ik waarschijnlijk terug,” sprak
de overste; „mocht er gedurende mijne afwezigheid iets voorvallen,
zoo hebt gij u bij den ritmeester Negolinski, als den oudsten van het
korps, te vervoegen. Hij is reeds gewaarschuwd. Tot wederziens!”
In stap reden zij den heuvel af, het hout door op de tent van den
keizer aan.
„Hoe laat is het?” vroeg Rasinski.
„Half twee,” hernam Bernard.
„Dan komen wij nog te vroeg. Te twee ure, in de eerste schemering, wil
de keizer de Niemen verkennen. Ik ben gelast mij aan zijn gevolg aan
te sluiten, daar ik met de landstreek bekend ben.—Ik verzoek u de
hoogst mogelijke stilte, mijne vrienden; want in dergelijke gewichtige
oogenblikken, wanneer hij zijne reusachtige plannen ontwerpt, haat de
keizer alle gedruisch.”
De jongelingen werden door dit gezegde in eene ernstige spanning
gebracht. Voor de eerste maal zouden zij thans getuigen van een dier
grootsche oogenblikken zijn, waarin Europa's beheerscher de eerste
draden van een koen, reusachtig weefsel uitspande. Zij werden als
het ware in de werkplaats der wereldgeschiedenis gevoerd, zouden de
schijnbaar nietige bronwel der gebeurtenissen naderen, die, tot een
oceaan aangewassen, bestemd was, het lot van gansche volkeren op zijne
bruisende vloeden te wiegen.
Stom en zwijgend hielden zij, door nacht en woud heen, tusschen rechts
en links flauw schemerende legervuren door, op de tent des keizers aan.
Daar gekomen, vonden zij reeds verschillende generaals en officieren
verzameld. Eenige minuten later kwam de keizer te voorschijn en wierp
zich in den zadel. Het begon reeds te dagen, echter was de gansche
landstreek nog met een grauwen sluier, dien de morgennevel hier en daar
verdikte, omtogen. In minder dan een vierde uurs had men de boschrijke
hoogten bereikt, die den loop der Niemen verzellen. Mat glanzend, de
half verdoofde starren flauw terugspiegelend, blonk de schoone stroom
tusschen de donkere oevers.—Aan genen oever begint het Russische
gebied.
De keizer hield op de hoogte stil en zag eenigen tijd opmerkzaam in
het rond. Vervolgens snelde hij in korten galop den heuvel af en op
de rivier toe. Toen zijn paard de moerassige vlakte van den oever
bereikte, zonk het eensklaps met de voorpooten daarin weg, viel, en
slingerde zijn ruiter ter aarde.
Een oogenblik scheen elk door dit voorval, dat zoozeer het aanzien
van een noodlottig voorteeken had, geheel onthutst. Rasinski
was zoo verrast, dat hij als onwillekeurig uitriep: „Een Romein
zoude terugkeeren!” Het zwijgen dat in den kring heerschte, en de
morgenstilte, die elk geluid zoo gereedelijk voortplant, bewerkten,
dat deze woorden door allen verstaan werden. Zelfs den keizer, die ras
opgesprongen was, moesten zij niet ontgaan zijn; want verwonderd zag
hij om, zonder echter iets te zeggen. Bedaard steeg hij weder op zijn
paard en zette de grondverkenning voort. Hij riep Rasinski tot zich en
sprak lang en levendig met hem. Een uur reed hij langs den oever voort;
vervolgens wierp hij zijn paard om, rende een heuvel op, wenkte den
maarschalk Berthier tot zich en beval, terwijl hij met de hand op den
stroom duidde, dat met het aanbreken van den dag op drie punten van
den oever, welke hij uitdrukkelijk aanwees, bruggen moesten geslagen
worden. Hierop keerde hij naar zijne tent terug, en Rasinski reed met
zijn geleide weder naar het bivak.
In gespannen onrust liep de dag voorbij. De tent van Napoleon
werd opgebroken. Hij begaf zich naar eene in de nabijheid gelegen
boerenwoning, die hij van tijd tot tijd verliet, om een rit door het
leger en den moed der soldaten door zijne tegenwoordigheid aan te
wakkeren. Het werd zwoeler en zwoeler. De drukkende hitte der lange
zomerdagen van het noorden dreigde alles te verstikken; de zon schoot
gloeiende pijlen. Amechtig lagen de troepen op den grond uitgestrekt;
de verzorging van paarden en wapenen was de eenige bezigheid; doch ook
deze vermoeide in de verzengde lucht. Elk schaduwgevend plekje werd
zorgvuldig opgezocht; een frissche dronk was de eenige verkwikking,
waarnaar men streefde. In Egypte, in Syrië, niet in het noordelijk
Rusland, scheen men krijg te voeren.
Eindelijk werden de schaduwen weer langer, de zon neigde ten ondergang.
Tegen acht ure braken eenige afdeelingen pontonniers naar den stroom
op, om de bruggen te slaan. Met de al nader en nader komende minuut der
beslissing werd de spanning grooter. Eindelijk, tegen middernacht, kwam
het bevel om op te rukken. In diepe stilte moest men uittrekken; geen
geluid mocht gehoord, geen vonk gezien worden.
Rasinski liet opzitten en rukte in dicht gesloten gelederen op een
breeden weg voort, die naar den stroom geleidde. Na een half uur
hield men halt op een met graan bewassen heuvel. De hongerige paarden
weidden het jonge koren af; de ruiters legerden zich op den vochtigen
grond. Met ongeduld beidde men den dageraad. Duistere nachtelijke
nevelwolken deden dien vertoeven. Eindelijk stak een frissche wind op,
verstrooide de dampen en onthulde het eerste, zachte morgenrood, dat
den wachtenden over Ruslands wildernissen tegenblonk. Thans kon de
blik langs den anderen oever zweven, die men van de heuvels waarop men
stond, tot in de nevelachtige verte voor zich zag. Welk een sombere
aanblik! Slechts onmetelijke wouden en woeste zandvlakten breidden
zich voor het oog uit. Hoe? Droeg men daarom de wapenen, om met
tallooze offers, met stroomen bloeds een zoo bar, onherbergzaam land,
dat slechts eene onmetelijke gevangenis geleek, te gaan veroveren?
Eene drukkende moedeloosheid maakte zich van de zielen der krijgers
meester.—Daar roffelden trommen en schalden trompetten; de zon kwam
bloedig, maar glansrijk van achter het zwarte dennenbosch te voorschijn
en eene frissche aanblazing der morgenkoelte vervulde de borst weder
met moed en veerkracht. Aller oogen richtten zich naar de plaats,
waar de krijgszuchtige toon ten optocht riep. Het was bij de tent des
keizers, die men gedurende den nacht naar het hoogste punt van den
oever verplaatst had. De zon verlichtte ze met hare stralen; vroolijk
glansden de witte, blauwe en roode banen der driekleurige vlaggen,
die op de hoeken golfden; een luisterrijke stoet van maarschalken en
generaals omstuwde den ingang. De keizer trad naar buiten, groette en
besteeg zijn arabischen schimmel. Thans braken de legerkorpsen als
door een wenk gedreven uit den zoom van het woud te voorschijn. Weldra
waren alle heuvels met de zwarte, stroomende massa's bedekt, wier
blanke wapenen de gloeiende morgenzon duizendvoudig terugkaatsten. De
gansche landstreek woelde en golfde; het hart zwol bij den aanblik
dezer ontzettende strijdkrachten. In die breede stroomen rolde de
zwarte vloed over de gele zandvlakte van den oever naar de drie bruggen
voort, die de zoomen der rivier verbonden, wier spiegel welhaast de
scharen verdubbelde. Thans brak ook de keizer op, reed, de gelederen
door, op de middelste brug toe en trok met zijn gevolg den stroom over.
Niet schroomvallig, niet aarzelend betrad hij den vijandelijken bodem;
onstuimig, vurig sprong hij daarop over, als vloog hij eene bruid
in de armen. Thans hield hij zijn paard staande en liet de scharen
voorbijtrekken; de blik van zijn donker oog deed de borst der krijgers
in moed en geestdrift ontvlammen. Zij begroetten hem met wild gejubel,
zoodat de gansche landstreek dreunde en het donderend geluid van heuvel
tot heuvel, van woud tot woud werd voortgeplant.
Eerst tegen tien uur trok Rasinski met zijn regiment over de brug; de
keizer zag hem met welwillendheid aan en groette vriendelijk, toen de
Polen een juichend: „Leve de keizer!” in hunne volkstaal aanhieven.
Daarop gaf hij zijn paard eensklaps de sporen, joeg pijlsnel langs den
zandigen landweg het bosch in en was weldra uit het gezicht zijner
krijgers verdwenen. Een zeldzaam, onrustig gevoel maakte zich van hunne
zielen meester, toen zij hem, die hen in deze barre noordsche vlakten
gevoerd had, plotseling en alleen daarin zagen verdwijnen, als ware
hij door de wildernis verslonden. Doch welhaast keerde hij met lossen
teugel terug. Zijn voorkomen was onrustig en mismoedig; het scheen
hem te verdrieten, dat hij den vijand, naar wien zijn strijdzuchtig,
roemgierig hart zoo verlangend uitzag, niet had aangetroffen.
Langzaam trokken de legermassa's langs den stroom voort. Thans hoorde
men in de verte den donder der kanonnen. Men luisterde. Nogmaals hoorde
men een dof, aanhoudend dreunen en kraken van vuurmonden.
In aller trekken was eene onrustige, angstvolle spanning te lezen; de
gelederen sloten dichter opeen en ordenden zich strenger; adjudanten
vlogen heen en weder; de generaals renden de hoogten van den oever op.
Men moest vermoeden, dat een der vleugelkorpsen onder den koning van
Westfalen of den onderkoning van Italië den kamp had aangenomen. Daar
klonk het doffe rollen sterker en aanhoudender; echter was het niet dat
van een verren slag, maar de donder van een dreigend opkomend onweder.
Reeds stapelden de zwarte, met sulferachtige lichttinten doorkruiste
wolkgevaarten zich boven de boschrijke heuvelen opeen; de stroom stuwde
zijne donkere golven onstuimig deinend voort; de zon verdween. Van alle
zijden trok het zwarte hulsel voor het heldere blauw van den hemel te
zamen; eene zwoele, drukkende hitte beklemde den adem. Zwijgend en
langzaam kroop het leger voort; men hoorde niets dan het geheimzinnig,
hoog boven de hoofden en rondom in de diepte der wouden murmelend
gedreun van den donder. Thans verhief zich de storm, kalm bulderend
nader en zweepte de baren met schuimende kruintoppen tusschen de oevers
voort. Plotseling siste een vlammende straal door het ruim des hemels,
zoodat de gansche horizont in vuur stond en de Niemen den roodachtigen
gloed helder terugkaatste. Met verbleekt gelaat zagen de krijgers
elkander aan. Daar kraakte de donder verdoovend boven hunne hoofden, de
hemel scheurde vaneen en in volle stroomen plaste de regen neder.
Dat was de welkomstgroet op Ruslands bodem!