De plechtstatige verloving zoude dadelijk plaats hebben; de
huwelijksvoltrekking zelve vorderde wegens de noodzakelijk daarmede
gepaard gaande plechtigheden een langer uitstel, en men moest den tijd,
waarop dit feest het gevoegelijkst kon gevierd worden, vooralsnog aan
den loop der omstandigheden overlaten. Dat Feodorowna haar woord weder
zoude intrekken, daarvoor was de vader niet beducht, daar hij wist, dat
zij, bij de gestrengheid harer grondstellingen, eene gedane belofte te
heilig achtte, om die, onder welk voorwendsel ook, te verbreken.
Dolgorow en Ochalskoi gingen, om haar de heugelijke tijding mede te
deelen, naar het vertrek der gravin, die, gewoon laat op te staan, van
het voorgevallene nog niet het geringste vernomen had.
Middelerwijl had Feodorowna op hare kamer een treurig uur met Axinia
doorgebracht en inmiddels ook den ganschen samenloop der omstandigheden
vernomen, welke deze haar onderhoud met den vader zoo onverhoeds
had doen afbreken. Om Paul van hetgeen de gravin voor beider geluk
wilde doen te onderrichten, had zij reeds van den vroegen morgen eene
gelegenheid gezocht om hem te spreken; maar telkens was haar dit
mislukt. Juist wilde zij ten derdenmale naar het slot gaan, toen de
rentmeester, Pauls gezworen vijand, haar bij de poort ontmoette en het
bericht van 's graven bevel haar met honende woorden mededeelde.
Nauwelijks had zij deze verpletterende tijding, welker samenhang met
haar eigen noodlot zij maar al te wel bevroedde, vernomen, of zij zag
ook reeds den armen Paul op het plein aan den schandpaal.
Dit te zien, de trappen op te vliegen, door de schaar der bedienden
heen te dringen, in 's graven vertrek te stormen en zijne knieën te
omarmen, was het werk van eene minuut geweest. Gelukkigerwijze had
Jeannette het bevel der gravin, om Pauls straf op te schorten, nog
tijdig genoeg overgebracht; men had hem onverwijld losgebonden en in
een klein vertrekje gevoerd, waar hij thans nog als gevangene bewaakt
werd. Axinia was in den beginne nog eenigszins over zijn lot bekommerd,
maar liet zich spoedig gerust stellen, daar Feodorowna haar niet alleen
plechtig verzekerde, dat hem verder geen haar zoude gekrenkt worden,
maar ook tevens, in het bewustzijn van thans volkomene vrijmacht
tot handelen te hebben, door Jeannette liet geven, den gevangene
onmiddellijk op vrije voeten te stellen en bij haar te zenden.
Dolgorow liet zijne dochter bij zich verzoeken. Zij ging met een
bloedend hart, doch bedaard, bleek, doch zonder tranen. De ouders waren
alleen. Zij vond den vader vriendelijker dan ooit, ook de moeder scheen
vergenoegd. „Gij wilt nu gehoorzaam zijn, wilt onze wenschen vervullen,
Feodorowna?” sprak deze vleiend. Het was sinds maanden het eerste woord
van liefde, dat de minnende dochter uit den mond der moeder hoorde.
„Ja, mijne moeder,” hernam zij; „ik wil thans het geluk van mijn leven
opofferen aan eene verplichting, waaraan ik mij niet onttrekken mocht.
Maar ik maak het tot eene uitdrukkelijke voorwaarde, dat ik thans over
het lot der ongelukkigen vrij en ongehinderd beschikken mag.”
„Het is u vergund,” sprak Dolgorow bijna met teederheid.
„Nog eene tweede voorwaarde moet ik maken,” ging Feodorowna voort. „De
schrede welke ik op het punt ben te doen, moet ik met bedaardheid, met
vrouwelijke waardigheid volvoeren; ik mag ook niet met een door smart
verwrongen gelaat voor mijn bruidegom treden; want mijne gelaatstrekken
zouden het ja mijner lippen te bitter tegenspreken. Het zoude hem
beleedigen, en dat wil ik niet, want van het oogenblik af, dat ik hem
tot echtgenoot kies, ben ik hem achting verschuldigd; mijne te hevige
smart zoude aan deze te kort doen. Daarom eisch ik drie dagen om mijn
hart tot bedaren, mijne ziel tot kalmte te brengen; de vrome toespraak
van vader Gregorius zal mij dien zwaren kampstrijd lichter maken. Op
den vierden morgen ben ik bereid, den verlovingsring met Ochalskoi te
wisselen; tot zoo lang verlang ik stilte en eenzaamheid.”
„Ook dit staan wij u toe,” sprak de vader; „gij weet, uwe ouders
hebben u altijd liefgehad, en slechts uwe hardnekkige, onbegrijpelijke
ongehoorzaamheid kon hun hart van u vervreemden.”
Feodorowna sloeg haar oog ten hemel en zuchtte diep. O, hoe gaarne
had zij aan deze woorden geloof gehecht; maar zij gevoelde, het was
onmogelijk, want hunne handelwijze streed daarmede te zeer. Hoe hadden
minnende ouders hun kind jaren lang aan een duldeloos lijden kunnen ten
prooi geven? Ook was geen blik van liefde in hunne oogen te lezen; het
woord alleen bootste de doode vormen der teederste neiging na.
Zij keerde naar hare kamer terug.
In het woonvertrek trad Paul haar bleek en met kommervolle
gelaatstrekken te gemoet; hij was te zeer door den storm der woedendste
hartstochten geslingerd geworden, om uit eene eerste schemering
van hoop moed te kunnen vatten. Eerst thans, nu Feodorowna hem de
verzekering gaf, dat zijn lot geheel in hare macht stond, keerde het
vertrouwen in zijn hart, het bloed in zijne wangen terug. Zij beval
hem, haar te volgen; in hare kamer gekomen, voerde zij zelve hem op de
blozende Axinia toe en legde beider handen ineen. „Zijt gelukkig!—Gij
waart niet zonder schuld, doch hebt zwaar daarvoor geboet. Laat nu uwe
liefde door den heiligen band des huwelijks inwijden. Vervolgens, Paul,
verlaat gij dit land en keert naar dat uwer geboorte terug. Wee hem,
die het vaderland doemen moet; wel hem, die een ander toevluchtsoord
kent! Beschermen kan ik u slechts, zoolang ik hier bij u ben; dit zal
misschien maar voor eenige weken zijn. Zoodra gij dus den weg geopend
ziet, trekt gij naar die landen, waar eene zachte wet voor _allen_
waakt. Laat mij thans alleen; gaat, weest gelukkig!”
Zij wendde zich af om de smart te verbergen, die haar overweldigde.
Beschaamd en blozende, doch op den toon der innigste liefde, vroeg
Axinia nog eenmaal: „Hebt gij mij waarlijk alles vergeven? Ach, en
verdien ik het ook? O, zie mij nog eens vriendelijk aan!”
Feodorowna richtte het hoofd op en lachte haar door tranen vriendelijk
toe. „Uw hart is rein! Gij bemint! Om der liefde wil wordt ons veel,
veel vergeven. Ik vergeef u alles. En al kon de bloesem van uw geluk
slechts uit mijn graf ontspruiten—nog uit het stille, koele graf zou
ik u zegenen. Doch gaat, gaat!”
Zij verlieten stilzwijgend het vertrek.
„Hemelsche beschermster! Genadige moeder Gods!” riep Feodorowna thans
en boog hare knie voor het Mariabeeld, „geef mij troost en kracht. Aan
uwe genaderijke goedheid geef ik mij over. Gij zult mij niet verlaten
in den kouden, akeligen nacht des levens. Uw zacht gesternte zal over
mij lichten, ook als de gansche hemel verduistert!”
Na dit gebed drong een troostvolle kalmte in hare borst. Dankbaar
gevoelde zij dat er eene hand is, die onze brandendste wonden vermag
te heelen, een oog dat over ons waakt, ook in de donkerste diepte
van den afgrond. Van tusschen de grijze, dreigende nevelwolken harer
toekomst brak een lichtstraal door en deed eene zachte kiem der hoop
in hare ziel ontspruiten. Wanhoop niet, riep het haar toe, schoon ook
uw sterfelijk oog geen pad meer ziet, dat u tot een gelukkig doel kan
voeren, achter dezen donkeren nevelsluier rust immers de hemel in zijne
eeuwige klaarheid. Een ademtocht des Almachtigen en het wolkenfloers
opent zich, en boven u glanst het reine, blauwe gewelf des aethers met
zijn koesterenden zonnegloed.
Feodorowna trad aan het venster. De lente tooide het aardrijk en
verleende daaraan, zelfs in deze noordsche wildernis, de frischheid der
jeugd. De stroom liet zijn donkerblauwen band door de groene velden
wapperen; de toppen der dennen werden door een zacht koeltje bewogen;
uit de struiken klonk het gefluit der meerlen; boven de velden verhief
zich de leeuwrik; zwaluwen kruisten over den spiegel des waters; aan de
steile, groene heuvelzijden, die naar den stroom afdaalden, graasden de
kudden; overal waarheen het oog zich wendde, zag men leven, vreugde,
liefde! Juist riep de statige toon der kerkklok ter vroegmis, want het
was feestdag! Eene zoete weemoedigheid beving de lijdende; de beelden
en droomen der jeugd drongen met de oude, heilige kracht in haar hart;
zij vergoot zachte tranen. Met elken droppel, die haar oog ontvloeide,
werd hare borst meer verruimd, voelde zij haar geloovig vertrouwen
terugkeeren. „God is mij nabij,” riep zij getroost en bemoedigd: „ik
ontwaar zijne zegenende kracht. Moed dan, Feodorowna, gij hebt naar
Zijn gebod gehandeld. Hij zal u niet verlaten.”
Hierop besloot zij naar de kerk te gaan en in de gebeden der
landslieden te deelen.
Toen zij terugkeerde was alles op het slot in drukke beweging. Een op
het plein vastgebonden kozakkenpaard deed haar de aankomst van een
renbode vermoeden. Nauwelijks was zij dan ook op hare kamer gekomen,
of haar vader trad binnen en sprak haar in dezer voege aan: „Gij
weet, mijne dochter, dat ik gewoon ben mijn gegeven woord stiptelijk
te houden; thans kom ik echter, om mij ten deele daarvan te laten
ontslaan. Gij wildet drie dagen voor u zelve hebben. Gaarne had
ik die toegestaan. Maar voor eenige minuten is een bode, door den
generaal aan ons afgezonden, met brieven voor mij en Ochalskoi hier
aangekomen. De vijand is werkelijk over de Niemen getrokken en rukt
met onbegrijpelijke snelheid voort. Dit dwingt ons, nog heden naar het
leger te vertrekken; mijne afreize is noodzakelijk, die van den graaf
nog meer. Onder zulke omstandigheden zult gij gewisselijk van het u
verleende uitstel afzien, daar het voor mij van het grootste belang is,
deze zaak zoover mogelijk geregeld te zien, eer ik mijn leven en dat
van uw toekomstigen gemaal aan den onzekeren uitslag van een veldtocht
prijs geef.”
Slechts door de kinderlijk vrome gemoedsstemming, waarin zij zich op
dit oogenblik bevond was het voor Feodorowna mogelijk, den wensch haars
vaders te vervullen. Echter liep haar eene koude rilling over de leden
en niet dan met moeite kon zij antwoorden: „Wanneer het zijn moet, ben
ik gereed te gehoorzamen. Laat mij nog slechts een uur alleen, mijn
vader!”
„Wij zullen ons inmiddels tot de afreis gereed maken,” hernam deze,
„want elke minuut is ons thans kostbaar. Na verloop van een uur zal ik
u laten roepen.” Hij verliet het vertrek.
Feodorowna zonk uitgeput op een stoel neder. Zij had den moed gehad
het offer te brengen, het oogenblik der onherroepelijke beslissing
vernieuwde den smartelijken kampstrijd in hare borst. „Nog is
terugkeeren mogelijk—nog kan dit hart kiezen—,” riep zij en wrong de
handen, „één uur verder, en alles is voorbij!—Neen, het is thans reeds
voorbij, want gij hebt uw onschendbaar woord gegeven. Volbreng dan met
gelatenheid den plicht, dien de drukkende arm des Almachtigen u oplegt.
Hij alleen, die uw hart verbrijzelt, vermag het weder te heelen,
vertrouw u aan Hem toe!”
Zij schelde. Jeannette verscheen.
„Gij moet mij voor mijne verloving opschikken, meisje,” sprak zij
weemoedig glimlachend, „binnen een uur spreek ik het beslissend ja uit.”
Jeannette vermoedde, wat er in het hart harer meesteres omging, en
verrichtte heimelijk weenende hare kleine diensten.
„Welk kleed?” vroeg zij.
„Het zwarte... neen, het witte; ik treur immers om niemand, ik ben
immers zelve het offer. O ware ik eene bruid, die men voor het graf
tooide!”
Het was een uitroep van diepen, hartverscheurenden jammer, die der
lijdende ontvoer. Duizelend zonk zij in Jeannette's arm en weende aan
hare borst.
Na eenige minuten richtte zij zich weder op en wierp een vromen blik
op het Mariabeeld, dat juist door eenige zonnestralen beschenen werd.
„Een troost, een hoop blijft ons immers nog over,” zuchtte zij, „waarom
zoude ik dan versagen? Na dit aardsche lijden moet het uur komen, dat
gij uw kind tot eene eeuwige zaligheid tot u roept.”
Van nu af bleef zij bedaard. Schoon als eene lelie vertoonde zij zich
in het licht zijden gewaad. Aan Jeannette's arm zweefde zij naar de
zaal, waar zij hare ouders, Ochalskoi en Gregorius reeds bijeen vond.
Stilzwijgend begroette men elkander.
„Ik wensch, dat vader Gregorius mijne verloving inzegene, schoon dit
anders niet gebruikelijk is,” verzocht Feodorowna vriendelijk, maar op
een toon, die geene weigering toeliet.
De priester sprak eenige woorden. Hierop werden de ringen gewisseld
en de bruid duldde zonder tegenstand den kus en de omarming van hem,
aan wien zij zich thans zoo plechtig had overgeleverd. In zijne armen
verbleekte zij echter, haalde diep adem, wankelde, en bewusteloos moest
men haar naar hare kamer dragen.
Zij werd aan de zorg der moeder overgelaten, want reeds trappelden de
paarden voor den wagen, waarin Dolgorow en Ochalskoi onverwijld naar
het leger afreisden.