HOOFDSTUK IV.

De plechtstatige verloving zoude dadelijk plaats hebben; de

huwelijksvoltrekking zelve vorderde wegens de noodzakelijk daarmede

gepaard gaande plechtigheden een langer uitstel, en men moest den tijd,

waarop dit feest het gevoegelijkst kon gevierd worden, vooralsnog aan

den loop der omstandigheden overlaten. Dat Feodorowna haar woord weder

zoude intrekken, daarvoor was de vader niet beducht, daar hij wist, dat

zij, bij de gestrengheid harer grondstellingen, eene gedane belofte te

heilig achtte, om die, onder welk voorwendsel ook, te verbreken.

Dolgorow en Ochalskoi gingen, om haar de heugelijke tijding mede te

deelen, naar het vertrek der gravin, die, gewoon laat op te staan, van

het voorgevallene nog niet het geringste vernomen had.

Middelerwijl had Feodorowna op hare kamer een treurig uur met Axinia

doorgebracht en inmiddels ook den ganschen samenloop der omstandigheden

vernomen, welke deze haar onderhoud met den vader zoo onverhoeds

had doen afbreken. Om Paul van hetgeen de gravin voor beider geluk

wilde doen te onderrichten, had zij reeds van den vroegen morgen eene

gelegenheid gezocht om hem te spreken; maar telkens was haar dit

mislukt. Juist wilde zij ten derdenmale naar het slot gaan, toen de

rentmeester, Pauls gezworen vijand, haar bij de poort ontmoette en het

bericht van 's graven bevel haar met honende woorden mededeelde.

Nauwelijks had zij deze verpletterende tijding, welker samenhang met

haar eigen noodlot zij maar al te wel bevroedde, vernomen, of zij zag

ook reeds den armen Paul op het plein aan den schandpaal.

Dit te zien, de trappen op te vliegen, door de schaar der bedienden

heen te dringen, in 's graven vertrek te stormen en zijne knieën te

omarmen, was het werk van eene minuut geweest. Gelukkigerwijze had

Jeannette het bevel der gravin, om Pauls straf op te schorten, nog

tijdig genoeg overgebracht; men had hem onverwijld losgebonden en in

een klein vertrekje gevoerd, waar hij thans nog als gevangene bewaakt

werd. Axinia was in den beginne nog eenigszins over zijn lot bekommerd,

maar liet zich spoedig gerust stellen, daar Feodorowna haar niet alleen

plechtig verzekerde, dat hem verder geen haar zoude gekrenkt worden,

maar ook tevens, in het bewustzijn van thans volkomene vrijmacht

tot handelen te hebben, door Jeannette liet geven, den gevangene

onmiddellijk op vrije voeten te stellen en bij haar te zenden.

Dolgorow liet zijne dochter bij zich verzoeken. Zij ging met een

bloedend hart, doch bedaard, bleek, doch zonder tranen. De ouders waren

alleen. Zij vond den vader vriendelijker dan ooit, ook de moeder scheen

vergenoegd. „Gij wilt nu gehoorzaam zijn, wilt onze wenschen vervullen,

Feodorowna?” sprak deze vleiend. Het was sinds maanden het eerste woord

van liefde, dat de minnende dochter uit den mond der moeder hoorde.

„Ja, mijne moeder,” hernam zij; „ik wil thans het geluk van mijn leven

opofferen aan eene verplichting, waaraan ik mij niet onttrekken mocht.

Maar ik maak het tot eene uitdrukkelijke voorwaarde, dat ik thans over

het lot der ongelukkigen vrij en ongehinderd beschikken mag.”

„Het is u vergund,” sprak Dolgorow bijna met teederheid.

„Nog eene tweede voorwaarde moet ik maken,” ging Feodorowna voort. „De

schrede welke ik op het punt ben te doen, moet ik met bedaardheid, met

vrouwelijke waardigheid volvoeren; ik mag ook niet met een door smart

verwrongen gelaat voor mijn bruidegom treden; want mijne gelaatstrekken

zouden het ja mijner lippen te bitter tegenspreken. Het zoude hem

beleedigen, en dat wil ik niet, want van het oogenblik af, dat ik hem

tot echtgenoot kies, ben ik hem achting verschuldigd; mijne te hevige

smart zoude aan deze te kort doen. Daarom eisch ik drie dagen om mijn

hart tot bedaren, mijne ziel tot kalmte te brengen; de vrome toespraak

van vader Gregorius zal mij dien zwaren kampstrijd lichter maken. Op

den vierden morgen ben ik bereid, den verlovingsring met Ochalskoi te

wisselen; tot zoo lang verlang ik stilte en eenzaamheid.”

„Ook dit staan wij u toe,” sprak de vader; „gij weet, uwe ouders

hebben u altijd liefgehad, en slechts uwe hardnekkige, onbegrijpelijke

ongehoorzaamheid kon hun hart van u vervreemden.”

Feodorowna sloeg haar oog ten hemel en zuchtte diep. O, hoe gaarne

had zij aan deze woorden geloof gehecht; maar zij gevoelde, het was

onmogelijk, want hunne handelwijze streed daarmede te zeer. Hoe hadden

minnende ouders hun kind jaren lang aan een duldeloos lijden kunnen ten

prooi geven? Ook was geen blik van liefde in hunne oogen te lezen; het

woord alleen bootste de doode vormen der teederste neiging na.

Zij keerde naar hare kamer terug.

In het woonvertrek trad Paul haar bleek en met kommervolle

gelaatstrekken te gemoet; hij was te zeer door den storm der woedendste

hartstochten geslingerd geworden, om uit eene eerste schemering

van hoop moed te kunnen vatten. Eerst thans, nu Feodorowna hem de

verzekering gaf, dat zijn lot geheel in hare macht stond, keerde het

vertrouwen in zijn hart, het bloed in zijne wangen terug. Zij beval

hem, haar te volgen; in hare kamer gekomen, voerde zij zelve hem op de

blozende Axinia toe en legde beider handen ineen. „Zijt gelukkig!—Gij

waart niet zonder schuld, doch hebt zwaar daarvoor geboet. Laat nu uwe

liefde door den heiligen band des huwelijks inwijden. Vervolgens, Paul,

verlaat gij dit land en keert naar dat uwer geboorte terug. Wee hem,

die het vaderland doemen moet; wel hem, die een ander toevluchtsoord

kent! Beschermen kan ik u slechts, zoolang ik hier bij u ben; dit zal

misschien maar voor eenige weken zijn. Zoodra gij dus den weg geopend

ziet, trekt gij naar die landen, waar eene zachte wet voor _allen_

waakt. Laat mij thans alleen; gaat, weest gelukkig!”

Zij wendde zich af om de smart te verbergen, die haar overweldigde.

Beschaamd en blozende, doch op den toon der innigste liefde, vroeg

Axinia nog eenmaal: „Hebt gij mij waarlijk alles vergeven? Ach, en

verdien ik het ook? O, zie mij nog eens vriendelijk aan!”

Feodorowna richtte het hoofd op en lachte haar door tranen vriendelijk

toe. „Uw hart is rein! Gij bemint! Om der liefde wil wordt ons veel,

veel vergeven. Ik vergeef u alles. En al kon de bloesem van uw geluk

slechts uit mijn graf ontspruiten—nog uit het stille, koele graf zou

ik u zegenen. Doch gaat, gaat!”

Zij verlieten stilzwijgend het vertrek.

„Hemelsche beschermster! Genadige moeder Gods!” riep Feodorowna thans

en boog hare knie voor het Mariabeeld, „geef mij troost en kracht. Aan

uwe genaderijke goedheid geef ik mij over. Gij zult mij niet verlaten

in den kouden, akeligen nacht des levens. Uw zacht gesternte zal over

mij lichten, ook als de gansche hemel verduistert!”

Na dit gebed drong een troostvolle kalmte in hare borst. Dankbaar

gevoelde zij dat er eene hand is, die onze brandendste wonden vermag

te heelen, een oog dat over ons waakt, ook in de donkerste diepte

van den afgrond. Van tusschen de grijze, dreigende nevelwolken harer

toekomst brak een lichtstraal door en deed eene zachte kiem der hoop

in hare ziel ontspruiten. Wanhoop niet, riep het haar toe, schoon ook

uw sterfelijk oog geen pad meer ziet, dat u tot een gelukkig doel kan

voeren, achter dezen donkeren nevelsluier rust immers de hemel in zijne

eeuwige klaarheid. Een ademtocht des Almachtigen en het wolkenfloers

opent zich, en boven u glanst het reine, blauwe gewelf des aethers met

zijn koesterenden zonnegloed.

Feodorowna trad aan het venster. De lente tooide het aardrijk en

verleende daaraan, zelfs in deze noordsche wildernis, de frischheid der

jeugd. De stroom liet zijn donkerblauwen band door de groene velden

wapperen; de toppen der dennen werden door een zacht koeltje bewogen;

uit de struiken klonk het gefluit der meerlen; boven de velden verhief

zich de leeuwrik; zwaluwen kruisten over den spiegel des waters; aan de

steile, groene heuvelzijden, die naar den stroom afdaalden, graasden de

kudden; overal waarheen het oog zich wendde, zag men leven, vreugde,

liefde! Juist riep de statige toon der kerkklok ter vroegmis, want het

was feestdag! Eene zoete weemoedigheid beving de lijdende; de beelden

en droomen der jeugd drongen met de oude, heilige kracht in haar hart;

zij vergoot zachte tranen. Met elken droppel, die haar oog ontvloeide,

werd hare borst meer verruimd, voelde zij haar geloovig vertrouwen

terugkeeren. „God is mij nabij,” riep zij getroost en bemoedigd: „ik

ontwaar zijne zegenende kracht. Moed dan, Feodorowna, gij hebt naar

Zijn gebod gehandeld. Hij zal u niet verlaten.”

Hierop besloot zij naar de kerk te gaan en in de gebeden der

landslieden te deelen.

Toen zij terugkeerde was alles op het slot in drukke beweging. Een op

het plein vastgebonden kozakkenpaard deed haar de aankomst van een

renbode vermoeden. Nauwelijks was zij dan ook op hare kamer gekomen,

of haar vader trad binnen en sprak haar in dezer voege aan: „Gij

weet, mijne dochter, dat ik gewoon ben mijn gegeven woord stiptelijk

te houden; thans kom ik echter, om mij ten deele daarvan te laten

ontslaan. Gij wildet drie dagen voor u zelve hebben. Gaarne had

ik die toegestaan. Maar voor eenige minuten is een bode, door den

generaal aan ons afgezonden, met brieven voor mij en Ochalskoi hier

aangekomen. De vijand is werkelijk over de Niemen getrokken en rukt

met onbegrijpelijke snelheid voort. Dit dwingt ons, nog heden naar het

leger te vertrekken; mijne afreize is noodzakelijk, die van den graaf

nog meer. Onder zulke omstandigheden zult gij gewisselijk van het u

verleende uitstel afzien, daar het voor mij van het grootste belang is,

deze zaak zoover mogelijk geregeld te zien, eer ik mijn leven en dat

van uw toekomstigen gemaal aan den onzekeren uitslag van een veldtocht

prijs geef.”

Slechts door de kinderlijk vrome gemoedsstemming, waarin zij zich op

dit oogenblik bevond was het voor Feodorowna mogelijk, den wensch haars

vaders te vervullen. Echter liep haar eene koude rilling over de leden

en niet dan met moeite kon zij antwoorden: „Wanneer het zijn moet, ben

ik gereed te gehoorzamen. Laat mij nog slechts een uur alleen, mijn

vader!”

„Wij zullen ons inmiddels tot de afreis gereed maken,” hernam deze,

„want elke minuut is ons thans kostbaar. Na verloop van een uur zal ik

u laten roepen.” Hij verliet het vertrek.

Feodorowna zonk uitgeput op een stoel neder. Zij had den moed gehad

het offer te brengen, het oogenblik der onherroepelijke beslissing

vernieuwde den smartelijken kampstrijd in hare borst. „Nog is

terugkeeren mogelijk—nog kan dit hart kiezen—,” riep zij en wrong de

handen, „één uur verder, en alles is voorbij!—Neen, het is thans reeds

voorbij, want gij hebt uw onschendbaar woord gegeven. Volbreng dan met

gelatenheid den plicht, dien de drukkende arm des Almachtigen u oplegt.

Hij alleen, die uw hart verbrijzelt, vermag het weder te heelen,

vertrouw u aan Hem toe!”

Zij schelde. Jeannette verscheen.

„Gij moet mij voor mijne verloving opschikken, meisje,” sprak zij

weemoedig glimlachend, „binnen een uur spreek ik het beslissend ja uit.”

Jeannette vermoedde, wat er in het hart harer meesteres omging, en

verrichtte heimelijk weenende hare kleine diensten.

„Welk kleed?” vroeg zij.

„Het zwarte... neen, het witte; ik treur immers om niemand, ik ben

immers zelve het offer. O ware ik eene bruid, die men voor het graf

tooide!”

Het was een uitroep van diepen, hartverscheurenden jammer, die der

lijdende ontvoer. Duizelend zonk zij in Jeannette's arm en weende aan

hare borst.

Na eenige minuten richtte zij zich weder op en wierp een vromen blik

op het Mariabeeld, dat juist door eenige zonnestralen beschenen werd.

„Een troost, een hoop blijft ons immers nog over,” zuchtte zij, „waarom

zoude ik dan versagen? Na dit aardsche lijden moet het uur komen, dat

gij uw kind tot eene eeuwige zaligheid tot u roept.”

Van nu af bleef zij bedaard. Schoon als eene lelie vertoonde zij zich

in het licht zijden gewaad. Aan Jeannette's arm zweefde zij naar de

zaal, waar zij hare ouders, Ochalskoi en Gregorius reeds bijeen vond.

Stilzwijgend begroette men elkander.

„Ik wensch, dat vader Gregorius mijne verloving inzegene, schoon dit

anders niet gebruikelijk is,” verzocht Feodorowna vriendelijk, maar op

een toon, die geene weigering toeliet.

De priester sprak eenige woorden. Hierop werden de ringen gewisseld

en de bruid duldde zonder tegenstand den kus en de omarming van hem,

aan wien zij zich thans zoo plechtig had overgeleverd. In zijne armen

verbleekte zij echter, haalde diep adem, wankelde, en bewusteloos moest

men haar naar hare kamer dragen.

Zij werd aan de zorg der moeder overgelaten, want reeds trappelden de

paarden voor den wagen, waarin Dolgorow en Ochalskoi onverwijld naar

het leger afreisden.

1812: Historische roman · 第 46 / 154 题