HOOFDSTUK III.

Feodorowna was laat ingesluimerd; zij ontwaakte dus eerst, toen de zon

reeds hoog aan den hemel stond. Toen zij haar kamermeisje schelde,

trad deze snikkend en met tranen in de oogen binnen. „Wat deert u,

Jeannette?” vroeg zij verwonderd.

„Ach, genadige gravin, hoe gruwelijk wordt men hier in dit land

mishandeld! De ongelukkige man zal er voorzeker het leven niet

afbrengen!”

„Wie?” vroeg Feodorowna ongeduldig; „wat is er gebeurd? wie wordt

mishandeld?”

Onder snikken en beven stamelde Jeannette: „Mijnheer de graaf is

al te driftig! O hemel, als dat mij eens gebeuren moest! De arme

jongen—veertig zweepslagen! Hij viel al zoo bleek als een doek op den

grond, toen mijnheer de graaf het bevel gaf!”

Feodorowna was meer dood dan levend. „Wie, wie?” riep zij buiten zich

zelve, trad verbleekend terug, toen Jeannette Paul, den tuinier,

noemde, en zou in onmacht zijn neergezegen, wanneer het meisje haar

niet in de armen had opgevangen. Echter was die bezwijming slechts

eenige oogenblikken van duur; met geweldige inspanning vermande zij

zich en riep: „Geef dadelijk bevel, dat men ophoude; ik verantwoord

het! Vlieg, vlieg naar beneden, eer het te laat is.”

Jeannette vloog als een ree de voorzaal door, de trappen af, het

plein op, waar drie knechts juist bezig waren den ongelukkige aan den

geeselpaal vast te binden.

Intusschen kleedde Feodorowna zich in allerijl aan, wierp een sluier

om en spoedde zich met wankelende schreden naar haren vader. Zij vond

hem in hartstochtelijke gemoedsbeweging het vertrek op en neder gaande.

Met een gramstorigen blik en de barsche vraag: „Wat wilt gij?” werd de

komende ontvangen.

„Genade voor een ongelukkige, mijn vader! O, trek uw overijld bevel

weder in; het was niet uw menschelijk hart, dat u zulk een vonnis deed

uitspreken.”

„Kent gij zijne misdaad?” riep de graaf met rollende oogen. „Al die

vreemden zijn huichelaars en verraders; het uur is gekomen, dat de

wraak hen treft. Zoo zij er op steunen, dat onze wet hen niet geldt,

zullen zij ten minste ondervinden, dat onze macht hen straffen kan,

en dat zij, die aan geen wetten willen gehoorzamen, ook door geene

beschermd worden. Liet ik zulk een vergrijp tegen den geheiligden

persoon des meesters ongestraft, ik was waard, dat mijne vasallen

mij verachten. De hand tegen zijn gebieder op te heffen! Er ontbrak

slechts, dat eene dochter, die de kinderlijke gehoorzaamheid

verloochent, nog voor weerspannige, oproerige schurken partij trekt!”

Feodorowna, hoezeer door dit ruwe antwoord verschrikt, verloor toch

den moed niet, maar trachtte nog eens door eene roerende bede op het

hart van den vader te werken. „Ik ken de misdaad van den ongelukkige

niet, ik weet slechts, dat zijne straf gruwzaam, dat zij afgrijselijk

is. Hebben de zachte zeden van vreemde landen u niet afkeerig gemaakt,

mijn vader, van die bloedig strenge wetten, waaronder de bewoners van

dit land zuchten? Ik had mij heden bovendien reeds voorgenomen, u

eene weldaad voor den armen Paul af te smeeken. Zijn lot is zoo nauw

verbonden aan dat.....”

„Het schijnt, dat gij in verstandhouding staat met mijne losbandige

dienaars,” riep de graaf verontrust. „Dus kent gij reeds vroeger dan

ik de misdaden, die hier bedreven worden! Wie heeft het gewaagd, mijne

dochter tot vertrouwde te maken van wanbedrijven, die het vrouwelijk

oor zelfs niet mag hooren noemen?”

Feodorowna bloosde van gramschap en schaamte tevens. Met het fiere

bewustzijn van eigenwaarde wilde zij antwoorden, doch zij bedwong die

opwelling en sprak op zachten toon: „De vriendin mijner jeugd, dierbare

vader, de ongelukkige Axinia bekende mij gisteren avond onder tranen

van angst en vertwijfeling haren misstap. Was het niet natuurlijk dat

zij haar hart in een zusterlijk gezinden boezem uitstortte? Neen, mijn

vader, zoozeer zult gij uwe dochter niet miskennen, dat gij zulk een

krenkenden argwaan omtrent haar koesteren kunt!” Dit zeggende blikte

zij den vader zoo smartelijk met hare blauwe, vochtige oogen aan,

dat zijne toornige aandoening door eene zachtere aandoening scheen

getemperd te worden. Ernstig vervolgde hij: „Ik had den lichtzinnige,

die als vreemdeling de eer van een russisch meisje zoo gering schatte,

dat hij ze met voeten dorst treden, wellicht vergiffenis geschonken,

wanneer hij met deemoed en tijdig zijn misdrijf bekend had. Waarom liet

hij mij gisteren mijn woord geven? Heb ik dat ooit aan den geringsten

mijner vasallen gewroken? Kan ik het ooit, zonder voor mij zelf te

blozen? Maar de dolkop, te laf om rondborstig voor zijne schuld uit

te komen, waagt het niet den mond te openen, waagt het niet, wat hij

toch licht had kunnen doen, naar Petersburg te schrijven en mij het

voorgevallene te berichten! En heden morgen, voor dag en dauw, komt

hij als razend bij mij, begeert onstuimig, wat hij met diepen ootmoed

smeeken moest, en daar ik het hem met gestrengheid weiger, stuift hij

in dolle woede op mij in en bedreigt met dat gindsche mes mijn leven!”

Dolgorow wees op een snoeimes, dat op de tafel lag.

„O, vergeef de waanzinnigheid der vertwijfeling,” bad Feodorowna,

„en bekroon het werk uwer genade door eene nog schoonere daad van

menschelijk mededoogen!”

„Genoeg,” hervatte de graaf met vastheid, „het recht hebbe zijn loop!

Inderdaad, eene liefdevolle dochter, die den moordenaar haars vaders

beloond wil zien!”

„O, almachtige God der genade,” riep Feodorowna en wrong wanhopend de

handen; „zoo moet dan het afgrijselijk, onmenschelijk vonnis volvoerd

worden en mijn smeeken kan den ongelukkige niet redden! Vader! vader!

Er is een God in den Hemel; Hij zal u richten, gelijk gij gericht

hebt! Op welke genade kunt gij hopen, wanneer gij uw hart tegen het

medelijden verstaalt? O land des jammers, waar de willekeur geen

grenzen kent! Vader, verhoor de bede uwer dochter, oefen het goddelijk

recht der genade uit!” Feodorowna stond bleek en bevend, met smeekend

opgeheven armen voor den vader en was gereed aan zijne voeten neder te

zinken, toen het angstvolle geschrei eener vrouwelijke stem zich in de

gang hooren liet en Axinia eensklaps met vliegende haren het vertrek

binnenstormde.

„Ontferming! ontferming!” kermde zij. Hare stem verstikte in ademlooze

angst; onstuimig klemde zij het gelaat aan de voeten des gebieders,

die haar, in het gevoel van zijn onrecht, maar te trotsch, om aan de

stem der menschlievendheid gehoor te geven, gramstorig aanblikte.

„Laat mij los, ontuchtige deerne!” riep hij. „Weet het mijner

ontferming dank, dat ik uwe schande door een eerlijk huwelijk verbergen

wil!” Krachteloos liet Axinia de armen los en sloeg een strakken,

vertwijfelingsvollen blik naar boven; thans eerst werd zij Feodorowna

gewaar. „O, bid, bid voor mij!” steende zij, poogde zich op de knieën

tot haar voort te slepen, maar zeeg uitgeput en bewusteloos op den

grond neder.

[Illustratie: Feodorowna zat bleek, het hoofd achterover gezonken, aan

den wand geleund.]

Feodorowna kampte met een vreeselijk besluit; haar boezem golfde, zij

rilde krampachtig. Eindelijk waggelde zij met onzekere schreden op den

vader toe. „Vader!” riep zij, „erbarmen, vader!—Ik wil, ik moet,—o,

op deze pijnbank wordt mij het _ja_ ontwrongen!—Welaan dan, het zij

zoo! Het geldt hier de redding van twee schuldelooze offers! Ik

kan ze niet laten bloeden.—Ik mag niet.—Genade voor hen—en ik ben

Ochalskoi's gade!” Als een ijskoud marmerbeeld zonk zij in Dolgorows

armen.

Deze liet haar op een stoel neerglijden en schelde. „Ga naar beneden en

laat den tuinier Paul losbinden; zijne straf is voorloopig uitgesteld,”

riep hij den dienaar toe. „Roep ook de kamenier der gravin; mijne

dochter is ongesteld geworden!”

Feodorowna zat bleek, het hoofd achterover gezonken, aan den wand

geleund; de armen hingen machteloos bij haar neder, de donkerblauwe

hemel van het oog was door het gesloten ooglid bedekt. Axinia lag

nog steeds in doffe bedwelming op den grond. Een tijger zou deze

aanblik van hartverscheurenden jammer, dit aandoenlijke beeld van

zelfopoffering en lijdzaamheid vermurwd hebben, maar op de koude,

door het bederf der in de hoogere standen heerschende liefdeloosheid

van jongs af versteende en vergiftigde borst van Dolgorow gleed de

pijl, als op een ijzeren pantser, af. Het zal wel voorbij gaan, dacht

hij en hield Feodorowna's smart voor de dwaasheid eener dweepster;

terwijl Axinia's jammer hem geen de minste aandoening veroorzaakte,

daar zij tot een soort van wezens behoorde, welke hij nimmer anders

dan als eigendommen beschouwd had. Hij verheugde zich slechts, dat

deze toevallige gebeurtenis de hinderpalen uit den weg ruimde, die hem

nog gisteren hadden doen wanhopen aan de bereiking zijner plannen,

en ijlde haastig naar Ochalskoi, om ook dezen van het voorgevallene

te onderrichten, terwijl hij aan de juist binnentredende Jeannette

de zorg voor haar gebiedster overliet. Deze sloeg weldra de oogen

weder op en beijverde zich nu ook Axinia weder in het leven terug

te roepen. Toen het meisje eindelijk uit hare verdooving ontwaakte,

blikte zij verwilderd in het rond en scheen met de oogen een voorwerp

te zoeken, dat zij niet vermocht te noemen. Aanvankelijk was haar oor

voor de troostende toespraak van Feodorowna doof en gevoelloos; zij

wist niet, wat de ijdele klank der woorden, die zij vernam, moest te

kennen geven. Eindelijk toch, toen de gravin haar toefluisterde: „Wees

gerust, Axinia, de akelige droom is voorbij; gij zult gelukkig zijn!”

keerde haar bewustzijn terug. In den roes der verrukking en met heete

vreugdetranen wierp zij zich aan de borst harer weldoenster, die de

beide armen opende en haar liefderijk aan het hart sloot. „Gij zult

gelukkig zijn, Axinia!” riep zij nog eenmaal met een onbeschrijfelijk

smartelijk gevoel. Maar gij weet niet tot welk een prijs! klonk het

snijdend in haar binnenste. Lang hingen beiden wang aan wang, borst

aan borst; de machtige, overstelpende golven der smart en der vreugde,

waaraan hare harten ten speelbal verstrekten, hadden elken dam, die

anders beider levensbedding scheidde, overstroomd, en als geredde

schipbreukelingen omarmden zij elkander aan het strand, waarop de

vloed des levens haar had uitgeworpen. Ten laatste begaven Feodorowna

de krachten en zij smeekte: „O, breng mij naar mijne kamer! Ik ben

zeer uitgeput!”—Goedertieren hemel! dacht zij, heb ik dan niet op de

folterbank gelegen, tot mij de smart mijn eigen doodvonnis afperste!

Maar zij zweeg, en geen geluid verried het onmetelijk offer, hetwelk

zij aan de menschelijkheid gebracht had. Langzaam geleidde Jeannette en

Axinia haar naar hare kamer; hier vond zij eenzaamheid en rust, om een

helderen blik op de ontknooping van het verwarde raadsel van haar lot

te werpen.

1812: Historische roman · 第 45 / 154 题