Feodorowna was laat ingesluimerd; zij ontwaakte dus eerst, toen de zon
reeds hoog aan den hemel stond. Toen zij haar kamermeisje schelde,
trad deze snikkend en met tranen in de oogen binnen. „Wat deert u,
Jeannette?” vroeg zij verwonderd.
„Ach, genadige gravin, hoe gruwelijk wordt men hier in dit land
mishandeld! De ongelukkige man zal er voorzeker het leven niet
afbrengen!”
„Wie?” vroeg Feodorowna ongeduldig; „wat is er gebeurd? wie wordt
mishandeld?”
Onder snikken en beven stamelde Jeannette: „Mijnheer de graaf is
al te driftig! O hemel, als dat mij eens gebeuren moest! De arme
jongen—veertig zweepslagen! Hij viel al zoo bleek als een doek op den
grond, toen mijnheer de graaf het bevel gaf!”
Feodorowna was meer dood dan levend. „Wie, wie?” riep zij buiten zich
zelve, trad verbleekend terug, toen Jeannette Paul, den tuinier,
noemde, en zou in onmacht zijn neergezegen, wanneer het meisje haar
niet in de armen had opgevangen. Echter was die bezwijming slechts
eenige oogenblikken van duur; met geweldige inspanning vermande zij
zich en riep: „Geef dadelijk bevel, dat men ophoude; ik verantwoord
het! Vlieg, vlieg naar beneden, eer het te laat is.”
Jeannette vloog als een ree de voorzaal door, de trappen af, het
plein op, waar drie knechts juist bezig waren den ongelukkige aan den
geeselpaal vast te binden.
Intusschen kleedde Feodorowna zich in allerijl aan, wierp een sluier
om en spoedde zich met wankelende schreden naar haren vader. Zij vond
hem in hartstochtelijke gemoedsbeweging het vertrek op en neder gaande.
Met een gramstorigen blik en de barsche vraag: „Wat wilt gij?” werd de
komende ontvangen.
„Genade voor een ongelukkige, mijn vader! O, trek uw overijld bevel
weder in; het was niet uw menschelijk hart, dat u zulk een vonnis deed
uitspreken.”
„Kent gij zijne misdaad?” riep de graaf met rollende oogen. „Al die
vreemden zijn huichelaars en verraders; het uur is gekomen, dat de
wraak hen treft. Zoo zij er op steunen, dat onze wet hen niet geldt,
zullen zij ten minste ondervinden, dat onze macht hen straffen kan,
en dat zij, die aan geen wetten willen gehoorzamen, ook door geene
beschermd worden. Liet ik zulk een vergrijp tegen den geheiligden
persoon des meesters ongestraft, ik was waard, dat mijne vasallen
mij verachten. De hand tegen zijn gebieder op te heffen! Er ontbrak
slechts, dat eene dochter, die de kinderlijke gehoorzaamheid
verloochent, nog voor weerspannige, oproerige schurken partij trekt!”
Feodorowna, hoezeer door dit ruwe antwoord verschrikt, verloor toch
den moed niet, maar trachtte nog eens door eene roerende bede op het
hart van den vader te werken. „Ik ken de misdaad van den ongelukkige
niet, ik weet slechts, dat zijne straf gruwzaam, dat zij afgrijselijk
is. Hebben de zachte zeden van vreemde landen u niet afkeerig gemaakt,
mijn vader, van die bloedig strenge wetten, waaronder de bewoners van
dit land zuchten? Ik had mij heden bovendien reeds voorgenomen, u
eene weldaad voor den armen Paul af te smeeken. Zijn lot is zoo nauw
verbonden aan dat.....”
„Het schijnt, dat gij in verstandhouding staat met mijne losbandige
dienaars,” riep de graaf verontrust. „Dus kent gij reeds vroeger dan
ik de misdaden, die hier bedreven worden! Wie heeft het gewaagd, mijne
dochter tot vertrouwde te maken van wanbedrijven, die het vrouwelijk
oor zelfs niet mag hooren noemen?”
Feodorowna bloosde van gramschap en schaamte tevens. Met het fiere
bewustzijn van eigenwaarde wilde zij antwoorden, doch zij bedwong die
opwelling en sprak op zachten toon: „De vriendin mijner jeugd, dierbare
vader, de ongelukkige Axinia bekende mij gisteren avond onder tranen
van angst en vertwijfeling haren misstap. Was het niet natuurlijk dat
zij haar hart in een zusterlijk gezinden boezem uitstortte? Neen, mijn
vader, zoozeer zult gij uwe dochter niet miskennen, dat gij zulk een
krenkenden argwaan omtrent haar koesteren kunt!” Dit zeggende blikte
zij den vader zoo smartelijk met hare blauwe, vochtige oogen aan,
dat zijne toornige aandoening door eene zachtere aandoening scheen
getemperd te worden. Ernstig vervolgde hij: „Ik had den lichtzinnige,
die als vreemdeling de eer van een russisch meisje zoo gering schatte,
dat hij ze met voeten dorst treden, wellicht vergiffenis geschonken,
wanneer hij met deemoed en tijdig zijn misdrijf bekend had. Waarom liet
hij mij gisteren mijn woord geven? Heb ik dat ooit aan den geringsten
mijner vasallen gewroken? Kan ik het ooit, zonder voor mij zelf te
blozen? Maar de dolkop, te laf om rondborstig voor zijne schuld uit
te komen, waagt het niet den mond te openen, waagt het niet, wat hij
toch licht had kunnen doen, naar Petersburg te schrijven en mij het
voorgevallene te berichten! En heden morgen, voor dag en dauw, komt
hij als razend bij mij, begeert onstuimig, wat hij met diepen ootmoed
smeeken moest, en daar ik het hem met gestrengheid weiger, stuift hij
in dolle woede op mij in en bedreigt met dat gindsche mes mijn leven!”
Dolgorow wees op een snoeimes, dat op de tafel lag.
„O, vergeef de waanzinnigheid der vertwijfeling,” bad Feodorowna,
„en bekroon het werk uwer genade door eene nog schoonere daad van
menschelijk mededoogen!”
„Genoeg,” hervatte de graaf met vastheid, „het recht hebbe zijn loop!
Inderdaad, eene liefdevolle dochter, die den moordenaar haars vaders
beloond wil zien!”
„O, almachtige God der genade,” riep Feodorowna en wrong wanhopend de
handen; „zoo moet dan het afgrijselijk, onmenschelijk vonnis volvoerd
worden en mijn smeeken kan den ongelukkige niet redden! Vader! vader!
Er is een God in den Hemel; Hij zal u richten, gelijk gij gericht
hebt! Op welke genade kunt gij hopen, wanneer gij uw hart tegen het
medelijden verstaalt? O land des jammers, waar de willekeur geen
grenzen kent! Vader, verhoor de bede uwer dochter, oefen het goddelijk
recht der genade uit!” Feodorowna stond bleek en bevend, met smeekend
opgeheven armen voor den vader en was gereed aan zijne voeten neder te
zinken, toen het angstvolle geschrei eener vrouwelijke stem zich in de
gang hooren liet en Axinia eensklaps met vliegende haren het vertrek
binnenstormde.
„Ontferming! ontferming!” kermde zij. Hare stem verstikte in ademlooze
angst; onstuimig klemde zij het gelaat aan de voeten des gebieders,
die haar, in het gevoel van zijn onrecht, maar te trotsch, om aan de
stem der menschlievendheid gehoor te geven, gramstorig aanblikte.
„Laat mij los, ontuchtige deerne!” riep hij. „Weet het mijner
ontferming dank, dat ik uwe schande door een eerlijk huwelijk verbergen
wil!” Krachteloos liet Axinia de armen los en sloeg een strakken,
vertwijfelingsvollen blik naar boven; thans eerst werd zij Feodorowna
gewaar. „O, bid, bid voor mij!” steende zij, poogde zich op de knieën
tot haar voort te slepen, maar zeeg uitgeput en bewusteloos op den
grond neder.
[Illustratie: Feodorowna zat bleek, het hoofd achterover gezonken, aan
den wand geleund.]
Feodorowna kampte met een vreeselijk besluit; haar boezem golfde, zij
rilde krampachtig. Eindelijk waggelde zij met onzekere schreden op den
vader toe. „Vader!” riep zij, „erbarmen, vader!—Ik wil, ik moet,—o,
op deze pijnbank wordt mij het _ja_ ontwrongen!—Welaan dan, het zij
zoo! Het geldt hier de redding van twee schuldelooze offers! Ik
kan ze niet laten bloeden.—Ik mag niet.—Genade voor hen—en ik ben
Ochalskoi's gade!” Als een ijskoud marmerbeeld zonk zij in Dolgorows
armen.
Deze liet haar op een stoel neerglijden en schelde. „Ga naar beneden en
laat den tuinier Paul losbinden; zijne straf is voorloopig uitgesteld,”
riep hij den dienaar toe. „Roep ook de kamenier der gravin; mijne
dochter is ongesteld geworden!”
Feodorowna zat bleek, het hoofd achterover gezonken, aan den wand
geleund; de armen hingen machteloos bij haar neder, de donkerblauwe
hemel van het oog was door het gesloten ooglid bedekt. Axinia lag
nog steeds in doffe bedwelming op den grond. Een tijger zou deze
aanblik van hartverscheurenden jammer, dit aandoenlijke beeld van
zelfopoffering en lijdzaamheid vermurwd hebben, maar op de koude,
door het bederf der in de hoogere standen heerschende liefdeloosheid
van jongs af versteende en vergiftigde borst van Dolgorow gleed de
pijl, als op een ijzeren pantser, af. Het zal wel voorbij gaan, dacht
hij en hield Feodorowna's smart voor de dwaasheid eener dweepster;
terwijl Axinia's jammer hem geen de minste aandoening veroorzaakte,
daar zij tot een soort van wezens behoorde, welke hij nimmer anders
dan als eigendommen beschouwd had. Hij verheugde zich slechts, dat
deze toevallige gebeurtenis de hinderpalen uit den weg ruimde, die hem
nog gisteren hadden doen wanhopen aan de bereiking zijner plannen,
en ijlde haastig naar Ochalskoi, om ook dezen van het voorgevallene
te onderrichten, terwijl hij aan de juist binnentredende Jeannette
de zorg voor haar gebiedster overliet. Deze sloeg weldra de oogen
weder op en beijverde zich nu ook Axinia weder in het leven terug
te roepen. Toen het meisje eindelijk uit hare verdooving ontwaakte,
blikte zij verwilderd in het rond en scheen met de oogen een voorwerp
te zoeken, dat zij niet vermocht te noemen. Aanvankelijk was haar oor
voor de troostende toespraak van Feodorowna doof en gevoelloos; zij
wist niet, wat de ijdele klank der woorden, die zij vernam, moest te
kennen geven. Eindelijk toch, toen de gravin haar toefluisterde: „Wees
gerust, Axinia, de akelige droom is voorbij; gij zult gelukkig zijn!”
keerde haar bewustzijn terug. In den roes der verrukking en met heete
vreugdetranen wierp zij zich aan de borst harer weldoenster, die de
beide armen opende en haar liefderijk aan het hart sloot. „Gij zult
gelukkig zijn, Axinia!” riep zij nog eenmaal met een onbeschrijfelijk
smartelijk gevoel. Maar gij weet niet tot welk een prijs! klonk het
snijdend in haar binnenste. Lang hingen beiden wang aan wang, borst
aan borst; de machtige, overstelpende golven der smart en der vreugde,
waaraan hare harten ten speelbal verstrekten, hadden elken dam, die
anders beider levensbedding scheidde, overstroomd, en als geredde
schipbreukelingen omarmden zij elkander aan het strand, waarop de
vloed des levens haar had uitgeworpen. Ten laatste begaven Feodorowna
de krachten en zij smeekte: „O, breng mij naar mijne kamer! Ik ben
zeer uitgeput!”—Goedertieren hemel! dacht zij, heb ik dan niet op de
folterbank gelegen, tot mij de smart mijn eigen doodvonnis afperste!
Maar zij zweeg, en geen geluid verried het onmetelijk offer, hetwelk
zij aan de menschelijkheid gebracht had. Langzaam geleidde Jeannette en
Axinia haar naar hare kamer; hier vond zij eenzaamheid en rust, om een
helderen blik op de ontknooping van het verwarde raadsel van haar lot
te werpen.