HOOFDSTUK II.

Op hare kamer gekomen, had Feodorowna dadelijk haar kamermeisje

uitgezonden om eenige meisjes te roepen, die met haar in het slot

als gespelen waren opgevoed. Het lot dezer arme kinderen scheen haar

uiterst droevig, want nadat zij het geluk van eene betere betrekking

en hoogere beschaving ten halve gesmaakt hadden, moesten zij in den

nu eerst recht drukkenden stand der lijfeigenschap terugkeeren en

de akelige woningen en ruwe bezigheden der behoeftige ouders tot de

hare maken. Het waren drie dochters van landlieden, met wie zij de

gelukkige, zorgelooze uren harer jeugd doorleefd had: Kathinka, Olga en

Axinia. Alle drie waren van haren leeftijd; Kathinka en Olga, goede,

schuldelooze wezens, doch door de bekrompene, slaafsche denkwijze, die

den lijfeigenen door alle betrekkingen des levens wordt opgedrongen,

bijna geheel verstompt. Zij ontvingen de bewijzen van liefde en de

geschenken, haar door Feodorowna medegebracht, met eene deemoedige

dankbaarheid, zonder den moed te hebben hare blijdschap te uiten.

Axinia daarentegen toonde eene diepe innerlijke aandoening; zij was

dankbaarder voor de liefde dan voor de gaven; echter drukten de tranen,

die haar wangen bevochtigden, ook nog iets anders uit. Feodorowna, die

met deelneming naar alles onderzoek deed, wat tot de omstandigheden

harer drie voormalige gezellinnen betrekking had, trachtte ook de reden

van Axinia's kommer uit te vorschen. Maar het schuwe meisje blikte

beschaamd en blozend ter aarde, barstte in tranen uit, doch zweeg en

zuchtte uit beklemde borst.

Juist op dit oogenblik trad de bediende binnen, die haar het verzoek

van den graaf om bij het avondeten te verschijnen, overbracht.

„Men wacht misschien op mij?” vroeg Feodorowna.

„Zijne genade,” antwoordde de dienaar met eene diepe buiging, „heeft

althans bevolen, ten spoedigste op te dragen.”

„Bericht mijnen vader, dat ik terstond zal komen.” De bediende

verwijderde zich. „Ik moet u thans laten gaan,” sprak zij tot de

meisjes, „maar morgen in de vroegte komt gij mij weer bezoeken. Zoolang

ik hier blijf, hoop ik u ten minste elken dag ééns te zien.”

De meisjes gingen, slechts Axinia aarzelde en scheen nog iets op het

hart te hebben. „Begeert gij nog iets, mijne lieve?” zeide Feodorowna,

de besluiteloosheid van het meisje bespeurende, en nam haar vriendelijk

bij de hand.

Axinia, in tranen stikkende, was niet in staat te antwoorden; zij

sidderde merkbaar. „Wilt gij het mij alleen toevertrouwen?”—„Ja, ja!”

riep de weenende.—„Nu, kom dan morgen zeer vroeg, of als gij durft,

wacht mij hier op mijne kamer tot na het avondeten. Den ganschen nacht

door blijft het licht en Kathinka zal uw vader wel waarschuwen, dat gij

later te huis komt.”

Dankbaar kuste Axinia de hand harer weldoenster en smeekte te mogen

blijven. Feodorowna vergunde haar zulks en snelde hierop naar beneden,

om hare ouders niet te laten wachten. Toen zij in de zaal trad, werd de

tafel reeds gedekt; de vader hoorde hare verontschuldiging wegens het

lang vertoeven met somber stilzwijgen aan; Ochalskoi voegde haar eenige

hoffelijke uitdrukkingen toe, op dien kouden toon, welke tot juister

maatstaf van het gesprokene verstrekt, dan de woorden zelve. Men zette

zich aan tafel; het gesprek was gedwongen en koel. Het knellend gevoel

van innerlijke tweespalt, dat de aanwezigen drukte, belemmerde elke

vrije en warme ontboezeming van het gevoel. Zelfs Gregorius was niet in

staat de vertrouwelijke toenadering zijner kweekelinge zoo hartelijk

te beantwoorden, als anders na lange afwezigheid het geval placht te

zijn, want ook hem verontrustte de gedachte aan de mededeelingen,

welke de vader hem gedaan had. Zoo was de maaltijd spoedig afgeloopen,

en men groette elkander even koel als men bijeen had gezeten.

Gregorius vertrok en nam een hartelijk afscheid van Feodorowna. Zijne

medelijdende blikken ontroerden haar, want zij verstond die. O God!

alles, wat hare ziel lijden moest, had zij aan die ouders te wijten,

voor welke zij van hare jeugd af de vurigste liefde gekoesterd, wie

zij duizend offers gebracht had! Om hare tranen te verbergen, trad

zij aan een der vensters en vestigde het oog op de landstreek, die

nog altijd in de roodachtige schemering van den avondhemel gloeide,

daar de zon in deze noordelijke streken slechts een weinig onder den

horizont daalt, zoodat avond- en morgenrood als inéénsmelten en den

ganschen luwen Juninacht met een zacht schijnsel verlichten. De stroom

wentelde zijne ruischende golven tusschen de steile heuveloevers

voort; twee visschersbooten doorkliefden met regelmatige riemslagen

zijne zwellende vlakte; een gier-arend met breed uitgespannen vlerken

zweefde statig boven de woudkruinen van den anderen oever; de torens

der vesting Smolensko rezen als zwarte basalt-rotsen uit de vuurzee

van den avondhemel omhoog. Eene plechtige stilte heerschte over de

gansche landouw. Feodorowna blikte weemoedig over de velden heen,

waar zij de dagen harer kindsheid doorleefd had. „Ach,” zuchtte zij

heimelijk, „is mijn hart dan een vreemde plant op dezen bodem? Heeft

hij het niet gekweekt? Of hebben zachter zeden en warmer streken mij

zóó ontaard, dat ik moet wegkwijnen in het ruwe noorden? De wieg mijner

dagen lacht mij niet vroolijk meer toe als voorheen, maar schijnt mij

zwart en donker, als moest zij mijn graf worden. Is dan niets waar en

eeuwig in de natuur? Bedriegen zelfs de heiligste banden? Goedertieren

God! vergeef mij; maar gelijk de plaats mijner geboorte mij vreemd is

geworden, zoo is het mij ook, als de heilige bron mijns levens troebel

wordt, alsof het hart van het kind niet meer warm en vrij voor de

ouders kan slaan. Koud als eene slang bekruipt dat gevoel mijne borst!

Zou het dan waar zijn, dat er nog slechts een _plicht_ der liefde voor

mij bestaat, maar dat deze zelve geheel in mij is uitgedoofd? Neen,

neen! Dat kan, dat mag niet zijn, het is slechts de eeuwige vijand, die

mij verblindt. De natuur is heilig, waar, rechtvaardig, slechts ons

hart ontaardt. Hemelsche Moeder Gods, louter het mijne, doe de oude,

heilige liefde daarin weder ontbranden, die het schuldelooze kind zoo

gelukkig deed zijn.”

Een groot, edel besluit was in dit oogenblik in hare ziel tot rijpheid

gekomen; biddende, berouwvol, weenende wilde zij zich aan de voeten der

moeder en des vaders werpen en van hunne liefde afsmeeken, wat zij zich

tot hiertoe voorgenomen had door eigen standvastigheid te verkrijgen.

Haastig wendde zij zich om; de zaal was ledig; slechts de bedienden

waren nog bezig de tafel af te nemen. Hare ouders en vorst Ochalskoi

hadden zich reeds onverschillig, zonder nachtgroet verwijderd. Hevig

geschokt nu zij de vurige ontboezeming, de volle uitstorting van haar

overkropt hart op zulk een grievende wijze verhinderd zag, kostte het

Feodorowna moeite, hare uiterlijke bedaardheid te behouden. Eensklaps

echter rees de zacht vertroostende gedachte bij haar op; er is immers

ook eene ongelukkige, die verzachting van haar lijden van mij verwacht;

ik wil haar vriendelijk aan dit hart drukken; wat haar kwelle of

beangstige, bij mij zal zij die liefde vinden, waarnaar ik zelve zoo

vruchteloos uitzie.—Met deze gedachte ging zij naar boven, om Axinia's

klachten aan te hooren.

Toen zij hare kamer opende, zag zij het meisje voor een Mariabeeld

geknield liggen, dat tegenover de deur in eene nis geplaatst was. Om

haar niet te storen, bleef Feodorowna aan den ingang staan. Axinia

knielde zoo, dat slechts een klein deel van haar gelaat zichtbaar

was, dat echter door het zachte schijnsel, dat van ter zijde door de

vensters inviel, tooverachtig verlicht werd. De sneeuwwitte armen

had zij omhoog geheven en de handen gevouwen; het hoofd was naar de

hemelsche beschermvrouw gekeerd. In twee sierlijke vlechten golfde

het rijke, bruine haar over den nek naar beneden. Behoedzaam trok

Feodorowna de deur achter zich toe en deed zachtkens eenige schreden

voorwaarts, zoodat zij het gezicht van het meisje nu bijna geheel van

ter zijde kon opnemen. Thans eerst bespeurde zij de koude, versteende

tranen, die het arme kind op de bleeke wangen hingen, welke zelfs de

heldere gloed van den avond die haar omgaf, niet vroolijk kleuren

wilde. Haar boezem zwoegde onder bange, diepe zuchten, de lippen

bewogen zich al fluisterend tot een gebed; het oog hing zoo strak

en roerloos aan het gelaat der hemelsche moeder, hare ziel was zoo

geheel van de buitenwereld afgetrokken, dat zij de komende nog niet

bemerkt had, toen deze reeds naast haar stond. Eerst toen Feodorowna

haar toefluisterde: „Axinia, gij bidt?” rees zij verschrikt op, stond

sidderend voor de liefderijke meesteres en wilde zich deemoedig

nederbuigen om hare hand te kussen.

„Neen, neen, dat niet,” sprak Feodorowna, nam haar vriendelijk in de

armen en blikte haar met onbeschrijfelijke teederheid aan, „wees weder

de oude vertrouwelijke vriendin. Stort uw gansche hart voor mij uit,

mijn goed meisje, want ik zie, gij hebt diepen kommer!”

„Ach, gij zult mij verstooten, zult mij verachten,” snikte Axinia,

rukte zich los en wrong wanhopig de handen.

„Axinia, wat deert u, spreek, verklaar u,” vroeg Feodorowna met

angstvol vermoeden.

„Neen, neen, ik kan niet,” riep de ongelukkige en bedekte haar gloeiend

gelaat met beide handen.

Wat waren er nog woorden noodig! Elke trek van het onder angst,

schaamte en wanhoop bezwijkende meisje sprak te duidelijk. „Axinia, gij

zijt gevallen! Gij?” sprak Feodorowna met smartelijke ontroering, doch

zonder verwijt.

Het meisje zeeg, als bezwijmende, aan hare voeten neder.

„Vertreed de rampzalige in het stof,” riep zij woest en onstuimig;

„ach, wees barmhartig en laat mij niet langer bidden!”

Feodorowna boog zich tot haar neder en trachtte haar op te richten. „O

gij ongelukkige! Sta op, wees bedaard; gij hebt troost bij mij gezocht,

ik zal u niet van mij stooten.”

„Neen, laat mij aan uwe voeten liggen!” riep Axinia en klemde zich,

het gelaat in de plooien van haar kleed verbergende, aan Feodorowna's

knieën vast.

Feodorowna legde hare beide handen als zegenend op het hoofd der

knielende en sprak diep ontroerd: „God richt uwe schuld. Mijn hart, dat

zelfs menschelijk dwaalt, zal u niet veroordeelen; ik wil met u weenen,

wil uwe smart lenigen, als dit in mijn vermogen is. O, gij waart goed,

Axinia, gij waart goed ook jegens mij. Gij hadt een zacht, gevoelig

hart; het kan niet slecht geworden zijn. Ik wil u niet van mij stooten,

daar ik weet, wat het hart der ongelukkige zoekt. Stel vertrouwen in

mij, sta op, wees geheel openhartig; dat is de eerste schrede der

berouwvolle afgedwaalde.”

Axinia hief het gelaat langzaam omhoog en zag naar Feodorowna op. „O,

gij zijt zacht en goed, als eene heilige,” riep zij, terwijl heete

tranen haar over de wangen rolden, bedekte de hulpvaardig uitgestrekte

hand met kussen en liet zich door de liefderijke gebiedster oprichten,

daar hare bevende knieën haar die dienst ontzeiden. Feodorowna leidde

haar naar eene rustbank en zette zich bij haar neder.

Lang duurde het, eer de ontroering en schaamte Axinia vergunden,

de bekentenis harer zwakheid af te leggen. De graaf had een jongen

Duitscher, met name Paul, als tuinier in dienst, dien hij zeer

begunstigde. Deze koesterde sinds lang eene vurige genegenheid voor

de bevallige Axinia, schoon haar vader, Wasiliew, zich tegen beider

verkeering verzette, daar de graaf afwezig en diens toestemming tot een

huwelijk volstrekt noodzakelijk was. Zijn verblijf was toenmaals aan de

bewoners der goederen geheel onbekend, daar hij sinds jaren reeds in de

verst verwijderde landen van Europa rondreisde. Ook koesterde de oude

bezwaren, wijl Paul de protestantsche godsdienst was toegedaan. Axinia

intusschen was door de innigste liefde aan den jongeling verbonden,

en onderhield met hem eene heimelijke, teedere betrekking. Toen nu de

naderende lente alle levensgeesten met zoete krachten vervulde, kreeg

ook in de jeugdige gemoederen de hartstocht op het strenge verbod

der plichten de overhand. Paul, wiens duitsch hart zich niet met de

slaafsche gezindheid der lijfeigenen vereenigen kon, geloofde bovendien

het recht van den vrijen mensch te mogen uitoefenen en vertrouwde, dat,

wanneer Axinia eens door de banden der liefde zijne vrouw was, zich

ook de wetten naar zijn wil zouden voegen. Met koene onstuimigheid

bestormde hij het zwakke, teedere meisje; haar wederstrevende wil werd

zwakker en zwakker en gaf zich ten laatste krachteloos aan de zoete

bedwelming van het hart over. Zijn gloeiende beden, zijne vurige kussen

overwonnen hare tranen, hare bange zuchten; en te laat ontwaakte zij

uit die smartelijk zalige verdooving, te laat ontdekte zij de adder,

die onder de rozen schuifelde, waarop zij was ingesluimerd.

Met stommen doodsangst in de borst, hield zij zich nu in huis van haren

vader verscholen en zag zelfs den geliefde niet weder. Jammervolle

nachten volgden op treurige dagen. Zoo verliep er eene maand. Paul

zwierf intusschen stom en radeloos om. Het bericht, dat de graaf

terugkeerde, deed de hoop herleven. Den meester, die hem liefhad,

wilde hij alles bekennen, van zijne gunst de geliefde afsmeeken.

Onder de schaar der landlieden snelde hij hem met bange verwachtingen

te gemoet. Daar was het eerste woord, dat hij uit den mond van zijn

gebieder hoorde, de belofte, om zijne geliefde, Wasiliews dochter,

aan den zoon des ouden Iwans tot vrouw te geven. Dat de graaf zulke

besluiten, zulke toezeggingen niet terugnam, was hem maar al te goed

bewust. In doodsangst ijlde hij naar Axinia, die, terwijl de overigen

de aankomende heerschappen begroetten, stil en treurig te huis was

gebleven, daar zij het niet wagen durfde, de anders zoo vurig beminde

gebiedster onder de oogen te treden. Terwijl hij nog in stomme

vertwijfeling bij het meisje vertoefde en met haar vruchteloos op raad

en uitkomst zon, kwam Feodorowna's boodschap, die de oude speelnoot

naar het kasteel riep. Door de kracht der liefde bemoedigd, door het

gestadig nader komende onheil tot handelen gedreven, besloot Axinia aan

hare meesteres alles te ontdekken, en door de zwakke schemering van

hoop, aan dit besluit verbonden, opgebeurd, spoedde zij zich naar het

slot.—Thans had zij het volvoerd en voor haar ongeluk vertroostende

deelneming, voor hare afdwaling liefderijke vergiffenis gevonden.

Nadat Feodorowna deze bekentenis had aangehoord, trachtte zij de

radelooze door vriendelijke toespraak op te beuren. „Alles kan

misschien nog geschikt worden, Axinia; morgen zoo vroeg mogelijk zal

ik mijn vader bidden, dat hij uwe verloving met Paul inwillige; voor

de belofte, welke hij aan den ouden Iwan gedaan heeft, zal wel eene

andere vergoeding te vinden zijn. Denkt mijn vader als ik, dan zal

hij uwe verbintenis met Paul voor een plicht houden, waaraan hij zich

niet kan onttrekken. Ga nu naar huis en leg u welgemoed ter rust;

voor dezen avond is het te laat, maar morgen in de vroegte wil ik

Paul laten roepen en zelve met hem spreken. Goeden nacht dan, Axinia.

God heeft uwe tranen, uw berouw gezien; Hij zal u vergeven. Hebt gij

bittere nachten, troostelooze dagen te doorworstelen gehad, geloof

vrij, dat gij niet de eenige ongelukkige op deze aarde zijt.” Haastig

wendde zij zich om, bedekte het gelaat met haren zakdoek en liet het

afgematte hoofd op het kussen nederzinken. Axinia greep diep geroerd

en vol dankbaarheid de krachteloos neerhangende hand harer gebiedster,

overdekte ze met kussen en tranen en verliet snikkend het vertrek.—In

het slot was alles reeds in diepe rust; het kamermeisje, Jeannette,

eene duitsch en fransch sprekende Zwitsersche, die Feodorowna eerst

voor eenige weken te Petersburg in haar dienst had genomen, wachtte

nog in de voorzaal op de bevelen harer gebiedster. Zij geleidde Axinia

tot aan de groote poort, die de oude portier gemelijk opende. Naar

den vastgestelden regel van het huis, die, vooral nu de heer zelf

was teruggekeerd, met stipte nauwkeurigheid werd in acht genomen,

bevonden zich alle dienaars en beambten reeds in hunne woningen. Hoe

gaarne Axinia haren vriend van de gelukkige wending van haar lot

onderricht had; hoe stellig zij zich overtuigd hield, dat hij met bange

angstvalligheid daarop wachtte, was haar dit thans toch niet meer

mogelijk; haastig, door het late uur een weinig huiverig, sloop zij dus

naar de vaderlijke hut, waar zij, voor het eerst sedert eene maand,

den nacht doorbracht, zonder weenend en in hopeloozen jammer op hare

legerstede te waken.

1812: Historische roman · 第 44 / 154 题