Op hare kamer gekomen, had Feodorowna dadelijk haar kamermeisje
uitgezonden om eenige meisjes te roepen, die met haar in het slot
als gespelen waren opgevoed. Het lot dezer arme kinderen scheen haar
uiterst droevig, want nadat zij het geluk van eene betere betrekking
en hoogere beschaving ten halve gesmaakt hadden, moesten zij in den
nu eerst recht drukkenden stand der lijfeigenschap terugkeeren en
de akelige woningen en ruwe bezigheden der behoeftige ouders tot de
hare maken. Het waren drie dochters van landlieden, met wie zij de
gelukkige, zorgelooze uren harer jeugd doorleefd had: Kathinka, Olga en
Axinia. Alle drie waren van haren leeftijd; Kathinka en Olga, goede,
schuldelooze wezens, doch door de bekrompene, slaafsche denkwijze, die
den lijfeigenen door alle betrekkingen des levens wordt opgedrongen,
bijna geheel verstompt. Zij ontvingen de bewijzen van liefde en de
geschenken, haar door Feodorowna medegebracht, met eene deemoedige
dankbaarheid, zonder den moed te hebben hare blijdschap te uiten.
Axinia daarentegen toonde eene diepe innerlijke aandoening; zij was
dankbaarder voor de liefde dan voor de gaven; echter drukten de tranen,
die haar wangen bevochtigden, ook nog iets anders uit. Feodorowna, die
met deelneming naar alles onderzoek deed, wat tot de omstandigheden
harer drie voormalige gezellinnen betrekking had, trachtte ook de reden
van Axinia's kommer uit te vorschen. Maar het schuwe meisje blikte
beschaamd en blozend ter aarde, barstte in tranen uit, doch zweeg en
zuchtte uit beklemde borst.
Juist op dit oogenblik trad de bediende binnen, die haar het verzoek
van den graaf om bij het avondeten te verschijnen, overbracht.
„Men wacht misschien op mij?” vroeg Feodorowna.
„Zijne genade,” antwoordde de dienaar met eene diepe buiging, „heeft
althans bevolen, ten spoedigste op te dragen.”
„Bericht mijnen vader, dat ik terstond zal komen.” De bediende
verwijderde zich. „Ik moet u thans laten gaan,” sprak zij tot de
meisjes, „maar morgen in de vroegte komt gij mij weer bezoeken. Zoolang
ik hier blijf, hoop ik u ten minste elken dag ééns te zien.”
De meisjes gingen, slechts Axinia aarzelde en scheen nog iets op het
hart te hebben. „Begeert gij nog iets, mijne lieve?” zeide Feodorowna,
de besluiteloosheid van het meisje bespeurende, en nam haar vriendelijk
bij de hand.
Axinia, in tranen stikkende, was niet in staat te antwoorden; zij
sidderde merkbaar. „Wilt gij het mij alleen toevertrouwen?”—„Ja, ja!”
riep de weenende.—„Nu, kom dan morgen zeer vroeg, of als gij durft,
wacht mij hier op mijne kamer tot na het avondeten. Den ganschen nacht
door blijft het licht en Kathinka zal uw vader wel waarschuwen, dat gij
later te huis komt.”
Dankbaar kuste Axinia de hand harer weldoenster en smeekte te mogen
blijven. Feodorowna vergunde haar zulks en snelde hierop naar beneden,
om hare ouders niet te laten wachten. Toen zij in de zaal trad, werd de
tafel reeds gedekt; de vader hoorde hare verontschuldiging wegens het
lang vertoeven met somber stilzwijgen aan; Ochalskoi voegde haar eenige
hoffelijke uitdrukkingen toe, op dien kouden toon, welke tot juister
maatstaf van het gesprokene verstrekt, dan de woorden zelve. Men zette
zich aan tafel; het gesprek was gedwongen en koel. Het knellend gevoel
van innerlijke tweespalt, dat de aanwezigen drukte, belemmerde elke
vrije en warme ontboezeming van het gevoel. Zelfs Gregorius was niet in
staat de vertrouwelijke toenadering zijner kweekelinge zoo hartelijk
te beantwoorden, als anders na lange afwezigheid het geval placht te
zijn, want ook hem verontrustte de gedachte aan de mededeelingen,
welke de vader hem gedaan had. Zoo was de maaltijd spoedig afgeloopen,
en men groette elkander even koel als men bijeen had gezeten.
Gregorius vertrok en nam een hartelijk afscheid van Feodorowna. Zijne
medelijdende blikken ontroerden haar, want zij verstond die. O God!
alles, wat hare ziel lijden moest, had zij aan die ouders te wijten,
voor welke zij van hare jeugd af de vurigste liefde gekoesterd, wie
zij duizend offers gebracht had! Om hare tranen te verbergen, trad
zij aan een der vensters en vestigde het oog op de landstreek, die
nog altijd in de roodachtige schemering van den avondhemel gloeide,
daar de zon in deze noordelijke streken slechts een weinig onder den
horizont daalt, zoodat avond- en morgenrood als inéénsmelten en den
ganschen luwen Juninacht met een zacht schijnsel verlichten. De stroom
wentelde zijne ruischende golven tusschen de steile heuveloevers
voort; twee visschersbooten doorkliefden met regelmatige riemslagen
zijne zwellende vlakte; een gier-arend met breed uitgespannen vlerken
zweefde statig boven de woudkruinen van den anderen oever; de torens
der vesting Smolensko rezen als zwarte basalt-rotsen uit de vuurzee
van den avondhemel omhoog. Eene plechtige stilte heerschte over de
gansche landouw. Feodorowna blikte weemoedig over de velden heen,
waar zij de dagen harer kindsheid doorleefd had. „Ach,” zuchtte zij
heimelijk, „is mijn hart dan een vreemde plant op dezen bodem? Heeft
hij het niet gekweekt? Of hebben zachter zeden en warmer streken mij
zóó ontaard, dat ik moet wegkwijnen in het ruwe noorden? De wieg mijner
dagen lacht mij niet vroolijk meer toe als voorheen, maar schijnt mij
zwart en donker, als moest zij mijn graf worden. Is dan niets waar en
eeuwig in de natuur? Bedriegen zelfs de heiligste banden? Goedertieren
God! vergeef mij; maar gelijk de plaats mijner geboorte mij vreemd is
geworden, zoo is het mij ook, als de heilige bron mijns levens troebel
wordt, alsof het hart van het kind niet meer warm en vrij voor de
ouders kan slaan. Koud als eene slang bekruipt dat gevoel mijne borst!
Zou het dan waar zijn, dat er nog slechts een _plicht_ der liefde voor
mij bestaat, maar dat deze zelve geheel in mij is uitgedoofd? Neen,
neen! Dat kan, dat mag niet zijn, het is slechts de eeuwige vijand, die
mij verblindt. De natuur is heilig, waar, rechtvaardig, slechts ons
hart ontaardt. Hemelsche Moeder Gods, louter het mijne, doe de oude,
heilige liefde daarin weder ontbranden, die het schuldelooze kind zoo
gelukkig deed zijn.”
Een groot, edel besluit was in dit oogenblik in hare ziel tot rijpheid
gekomen; biddende, berouwvol, weenende wilde zij zich aan de voeten der
moeder en des vaders werpen en van hunne liefde afsmeeken, wat zij zich
tot hiertoe voorgenomen had door eigen standvastigheid te verkrijgen.
Haastig wendde zij zich om; de zaal was ledig; slechts de bedienden
waren nog bezig de tafel af te nemen. Hare ouders en vorst Ochalskoi
hadden zich reeds onverschillig, zonder nachtgroet verwijderd. Hevig
geschokt nu zij de vurige ontboezeming, de volle uitstorting van haar
overkropt hart op zulk een grievende wijze verhinderd zag, kostte het
Feodorowna moeite, hare uiterlijke bedaardheid te behouden. Eensklaps
echter rees de zacht vertroostende gedachte bij haar op; er is immers
ook eene ongelukkige, die verzachting van haar lijden van mij verwacht;
ik wil haar vriendelijk aan dit hart drukken; wat haar kwelle of
beangstige, bij mij zal zij die liefde vinden, waarnaar ik zelve zoo
vruchteloos uitzie.—Met deze gedachte ging zij naar boven, om Axinia's
klachten aan te hooren.
Toen zij hare kamer opende, zag zij het meisje voor een Mariabeeld
geknield liggen, dat tegenover de deur in eene nis geplaatst was. Om
haar niet te storen, bleef Feodorowna aan den ingang staan. Axinia
knielde zoo, dat slechts een klein deel van haar gelaat zichtbaar
was, dat echter door het zachte schijnsel, dat van ter zijde door de
vensters inviel, tooverachtig verlicht werd. De sneeuwwitte armen
had zij omhoog geheven en de handen gevouwen; het hoofd was naar de
hemelsche beschermvrouw gekeerd. In twee sierlijke vlechten golfde
het rijke, bruine haar over den nek naar beneden. Behoedzaam trok
Feodorowna de deur achter zich toe en deed zachtkens eenige schreden
voorwaarts, zoodat zij het gezicht van het meisje nu bijna geheel van
ter zijde kon opnemen. Thans eerst bespeurde zij de koude, versteende
tranen, die het arme kind op de bleeke wangen hingen, welke zelfs de
heldere gloed van den avond die haar omgaf, niet vroolijk kleuren
wilde. Haar boezem zwoegde onder bange, diepe zuchten, de lippen
bewogen zich al fluisterend tot een gebed; het oog hing zoo strak
en roerloos aan het gelaat der hemelsche moeder, hare ziel was zoo
geheel van de buitenwereld afgetrokken, dat zij de komende nog niet
bemerkt had, toen deze reeds naast haar stond. Eerst toen Feodorowna
haar toefluisterde: „Axinia, gij bidt?” rees zij verschrikt op, stond
sidderend voor de liefderijke meesteres en wilde zich deemoedig
nederbuigen om hare hand te kussen.
„Neen, neen, dat niet,” sprak Feodorowna, nam haar vriendelijk in de
armen en blikte haar met onbeschrijfelijke teederheid aan, „wees weder
de oude vertrouwelijke vriendin. Stort uw gansche hart voor mij uit,
mijn goed meisje, want ik zie, gij hebt diepen kommer!”
„Ach, gij zult mij verstooten, zult mij verachten,” snikte Axinia,
rukte zich los en wrong wanhopig de handen.
„Axinia, wat deert u, spreek, verklaar u,” vroeg Feodorowna met
angstvol vermoeden.
„Neen, neen, ik kan niet,” riep de ongelukkige en bedekte haar gloeiend
gelaat met beide handen.
Wat waren er nog woorden noodig! Elke trek van het onder angst,
schaamte en wanhoop bezwijkende meisje sprak te duidelijk. „Axinia, gij
zijt gevallen! Gij?” sprak Feodorowna met smartelijke ontroering, doch
zonder verwijt.
Het meisje zeeg, als bezwijmende, aan hare voeten neder.
„Vertreed de rampzalige in het stof,” riep zij woest en onstuimig;
„ach, wees barmhartig en laat mij niet langer bidden!”
Feodorowna boog zich tot haar neder en trachtte haar op te richten. „O
gij ongelukkige! Sta op, wees bedaard; gij hebt troost bij mij gezocht,
ik zal u niet van mij stooten.”
„Neen, laat mij aan uwe voeten liggen!” riep Axinia en klemde zich,
het gelaat in de plooien van haar kleed verbergende, aan Feodorowna's
knieën vast.
Feodorowna legde hare beide handen als zegenend op het hoofd der
knielende en sprak diep ontroerd: „God richt uwe schuld. Mijn hart, dat
zelfs menschelijk dwaalt, zal u niet veroordeelen; ik wil met u weenen,
wil uwe smart lenigen, als dit in mijn vermogen is. O, gij waart goed,
Axinia, gij waart goed ook jegens mij. Gij hadt een zacht, gevoelig
hart; het kan niet slecht geworden zijn. Ik wil u niet van mij stooten,
daar ik weet, wat het hart der ongelukkige zoekt. Stel vertrouwen in
mij, sta op, wees geheel openhartig; dat is de eerste schrede der
berouwvolle afgedwaalde.”
Axinia hief het gelaat langzaam omhoog en zag naar Feodorowna op. „O,
gij zijt zacht en goed, als eene heilige,” riep zij, terwijl heete
tranen haar over de wangen rolden, bedekte de hulpvaardig uitgestrekte
hand met kussen en liet zich door de liefderijke gebiedster oprichten,
daar hare bevende knieën haar die dienst ontzeiden. Feodorowna leidde
haar naar eene rustbank en zette zich bij haar neder.
Lang duurde het, eer de ontroering en schaamte Axinia vergunden,
de bekentenis harer zwakheid af te leggen. De graaf had een jongen
Duitscher, met name Paul, als tuinier in dienst, dien hij zeer
begunstigde. Deze koesterde sinds lang eene vurige genegenheid voor
de bevallige Axinia, schoon haar vader, Wasiliew, zich tegen beider
verkeering verzette, daar de graaf afwezig en diens toestemming tot een
huwelijk volstrekt noodzakelijk was. Zijn verblijf was toenmaals aan de
bewoners der goederen geheel onbekend, daar hij sinds jaren reeds in de
verst verwijderde landen van Europa rondreisde. Ook koesterde de oude
bezwaren, wijl Paul de protestantsche godsdienst was toegedaan. Axinia
intusschen was door de innigste liefde aan den jongeling verbonden,
en onderhield met hem eene heimelijke, teedere betrekking. Toen nu de
naderende lente alle levensgeesten met zoete krachten vervulde, kreeg
ook in de jeugdige gemoederen de hartstocht op het strenge verbod
der plichten de overhand. Paul, wiens duitsch hart zich niet met de
slaafsche gezindheid der lijfeigenen vereenigen kon, geloofde bovendien
het recht van den vrijen mensch te mogen uitoefenen en vertrouwde, dat,
wanneer Axinia eens door de banden der liefde zijne vrouw was, zich
ook de wetten naar zijn wil zouden voegen. Met koene onstuimigheid
bestormde hij het zwakke, teedere meisje; haar wederstrevende wil werd
zwakker en zwakker en gaf zich ten laatste krachteloos aan de zoete
bedwelming van het hart over. Zijn gloeiende beden, zijne vurige kussen
overwonnen hare tranen, hare bange zuchten; en te laat ontwaakte zij
uit die smartelijk zalige verdooving, te laat ontdekte zij de adder,
die onder de rozen schuifelde, waarop zij was ingesluimerd.
Met stommen doodsangst in de borst, hield zij zich nu in huis van haren
vader verscholen en zag zelfs den geliefde niet weder. Jammervolle
nachten volgden op treurige dagen. Zoo verliep er eene maand. Paul
zwierf intusschen stom en radeloos om. Het bericht, dat de graaf
terugkeerde, deed de hoop herleven. Den meester, die hem liefhad,
wilde hij alles bekennen, van zijne gunst de geliefde afsmeeken.
Onder de schaar der landlieden snelde hij hem met bange verwachtingen
te gemoet. Daar was het eerste woord, dat hij uit den mond van zijn
gebieder hoorde, de belofte, om zijne geliefde, Wasiliews dochter,
aan den zoon des ouden Iwans tot vrouw te geven. Dat de graaf zulke
besluiten, zulke toezeggingen niet terugnam, was hem maar al te goed
bewust. In doodsangst ijlde hij naar Axinia, die, terwijl de overigen
de aankomende heerschappen begroetten, stil en treurig te huis was
gebleven, daar zij het niet wagen durfde, de anders zoo vurig beminde
gebiedster onder de oogen te treden. Terwijl hij nog in stomme
vertwijfeling bij het meisje vertoefde en met haar vruchteloos op raad
en uitkomst zon, kwam Feodorowna's boodschap, die de oude speelnoot
naar het kasteel riep. Door de kracht der liefde bemoedigd, door het
gestadig nader komende onheil tot handelen gedreven, besloot Axinia aan
hare meesteres alles te ontdekken, en door de zwakke schemering van
hoop, aan dit besluit verbonden, opgebeurd, spoedde zij zich naar het
slot.—Thans had zij het volvoerd en voor haar ongeluk vertroostende
deelneming, voor hare afdwaling liefderijke vergiffenis gevonden.
Nadat Feodorowna deze bekentenis had aangehoord, trachtte zij de
radelooze door vriendelijke toespraak op te beuren. „Alles kan
misschien nog geschikt worden, Axinia; morgen zoo vroeg mogelijk zal
ik mijn vader bidden, dat hij uwe verloving met Paul inwillige; voor
de belofte, welke hij aan den ouden Iwan gedaan heeft, zal wel eene
andere vergoeding te vinden zijn. Denkt mijn vader als ik, dan zal
hij uwe verbintenis met Paul voor een plicht houden, waaraan hij zich
niet kan onttrekken. Ga nu naar huis en leg u welgemoed ter rust;
voor dezen avond is het te laat, maar morgen in de vroegte wil ik
Paul laten roepen en zelve met hem spreken. Goeden nacht dan, Axinia.
God heeft uwe tranen, uw berouw gezien; Hij zal u vergeven. Hebt gij
bittere nachten, troostelooze dagen te doorworstelen gehad, geloof
vrij, dat gij niet de eenige ongelukkige op deze aarde zijt.” Haastig
wendde zij zich om, bedekte het gelaat met haren zakdoek en liet het
afgematte hoofd op het kussen nederzinken. Axinia greep diep geroerd
en vol dankbaarheid de krachteloos neerhangende hand harer gebiedster,
overdekte ze met kussen en tranen en verliet snikkend het vertrek.—In
het slot was alles reeds in diepe rust; het kamermeisje, Jeannette,
eene duitsch en fransch sprekende Zwitsersche, die Feodorowna eerst
voor eenige weken te Petersburg in haar dienst had genomen, wachtte
nog in de voorzaal op de bevelen harer gebiedster. Zij geleidde Axinia
tot aan de groote poort, die de oude portier gemelijk opende. Naar
den vastgestelden regel van het huis, die, vooral nu de heer zelf
was teruggekeerd, met stipte nauwkeurigheid werd in acht genomen,
bevonden zich alle dienaars en beambten reeds in hunne woningen. Hoe
gaarne Axinia haren vriend van de gelukkige wending van haar lot
onderricht had; hoe stellig zij zich overtuigd hield, dat hij met bange
angstvalligheid daarop wachtte, was haar dit thans toch niet meer
mogelijk; haastig, door het late uur een weinig huiverig, sloop zij dus
naar de vaderlijke hut, waar zij, voor het eerst sedert eene maand,
den nacht doorbracht, zonder weenend en in hopeloozen jammer op hare
legerstede te waken.