HOOFDSTUK I.

Op de goederen van den graaf van Dolgorow, niet ver van Smolensko

aan den Dnieper gelegen, was alles in de grootste opschudding. Twee

narichten, die de bewoners van het slot, alsmede de tot de heerlijkheid

behoorende dorpen voor eenige uren ontvangen hadden, brachten eene

algemeene, hoewel zeer tegenstrijdige ontroering te weeg. Het eene was

verblijdend, want een vooruitgezonden jager meldde de aankomst van den

graaf uit Petersburg. Hij had zich met zijne betrekkingen meer dan

twee jaren buitenlands opgehouden; gedurende dien tijd hadden zijne

lijfeigenen het wel streng, maar naar hunne begrippen rechtvaardig

beheer dikwijls gemist. Zijne nabijzijnde terugkomst verwekte dus

eene algemeene vreugde. Deze werd intusschen zeer getemperd door

eene andere tijding, welke de rentmeester, die in de stad ter markt

was geweest, vandaar had medegebracht. De vijand, heette het, was

werkelijk in het rijk gevallen, de krijg had een aanvang genomen,

en reeds trokken de russische legers, tegen de zegevierende wapenen

van den franschen keizer niet bestand, op alle punten terug. Zooals

gewoonlijk waren de geruchten uiterst overdreven. Men wilde reeds

weten, dat vorst Bagration volkomen geslagen was; volgens anderer

zeggen, moest generaal Barclay de Tolly den maarschalk Davoust bij

Grodno ontmoet en na een bloedigen slag den terugtocht aangenomen

hebben. De grootste ontsteltenis had zich dus van de landlieden meester

gemaakt; want, van de afstanden onkundig, geloofden zij het verderf

reeds nabij. Troepsgewijze schoolden zij voor de poorten van het slot

samen en verlangden raad en uitkomst; de rentmeester had moeite hen tot

bedaren te brengen, en dit gelukte hem slechts door de verzekering, dat

de komst van den heer geen ander doel had, dan om in deze gevaarlijke

omstandigheden voor de zijnen zorg te dragen. Intusschen heerschte

er toch een bangen schrik onder de gemoederen, en de hoogbejaarde

geestelijke van het dorp, Gregorius, had al de waardigheid van zijne

bediening noodig, om de moedeloozen eenigszins op te beuren. „Vreest

niet, mijne vrienden,” sprak de waardige priester, in het midden

van den kring tredend; „Ruriks volk staat onder de bescherming des

Hemelschen Vaders, van Moeder Maria en van alle heiligen. Denkt

gij, dat zij de heilige altaren aan den roekeloozen vijand zullen

prijsgeven? Nimmermeer, zeg ik u, zullen die vreemden den ouden stam

der Russen onder het juk brengen! De heilige Iwan, wiens gouden kruis

te Moskou op den koepel der hoofdkerk staat, is machtiger dan al die

duizenden, die de vreemde veroveraar aanvoert. Ik zeg u, de stem des

verderfs is het, die zij volgen, zij vlamt bloedig voor hen uit en lokt

hen in een gewissen ondergang! Even als de scharen van koning Farao in

de golven der zee omkwamen, zoo zullen ook de boosdoeners versmachten

in onze duizendjarige bosschen, waaraan nog geen bijl geraakt heeft.

De huilende wolf zal aan hunne beenderen knagen, de krassende raaf zal

zich aan hun bloed zat drinken. Want met ons zijn de heerscharen der

engelen, en ons beschermt de gebenedijde Moeder Gods. Daarom moogt

gij niet bevreesd zijn, maar moet u wapenen, als kampvechters van den

heiligen Iwan. Van de Niemen, die Ruriks rijk in het westen begrenst,

tot aan de breede Wolga, tot aan het Uralgebergte, dat aan den

uitersten rand van Europa ligt, zal de vijand geene plaats vinden, waar

hij het hoofd veilig kan neerleggen. Gastvrij is de haard van den Rus,

herbergzaam zijne hut, maar aansteken zult gij ze met het vuur van den

eigen haard, eer zij tot schuilplaats dient aan den vijand, die gekomen

is, om de graven onzer czaren in de heilige stad om te woelen en de

altaren van onzen God omver te halen. Daarom moet gij niet vluchten,

mijne kinderen, maar vechten. Wien de bijl van den man niet neerslaat,

dien moog de vergiftigde maaltijd van de huisvrouw van de aarde

verdelgen. Krijt niet, trekt u het grijze haar niet uit het hoofd en

den baard. Ik zeg u, gij zult leven, gij en uwe kinderen, om gelukkige

dagen te zien!”

Zoo sprak de vurige priester tot het verzamelde volk der Muskovieten,

die hem met verbazing en eerbied aanhoorden; want reeds vijftig jaren

woonde hij in hun midden als een getrouw zielverzorger, en reeds

vierenzeventig malen had hij het ijs der rivieren door de lentezon zien

losdooien.

Het slot lag op eene hoogte, van waar men de bochten van den Dnieper

tot op verren afstand overzien konde. Deze kronkelde tusschen groene,

steile heuvels door, langs welke de landstraat naar Smolensko heenliep;

in het verschiet rezen de torens dier stad, door het avondrood

verlicht, omhoog. Een der landlieden, die zijn scherp oog naar die

zijde gericht hield, riep eensklaps: „Daar komt onze heer!”

Allen wendden de blikken in die richting en barstten in een luid

gejuich los, toen zij drie wagens op de straat zagen naderen. Met

vroolijk geschreeuw snelden zij den heuvel af, om de aankomenden te

begroeten. Het was inderdaad de graaf Dolgorow met zijne gade en

dochter Feodorowna: de beide vrouwen zaten in het eerste rijtuig;

in het tweede bevond zich de graaf en naast hem een vreemde van een

krijgshaftig voorkomen; in het derde volgden eenige bedienden. Zoodra

hij de verzamelde landlieden gewaar werd, liet de graaf de wagens

stilhouden en steeg uit. Met deemoed, de handen over de borst gekruist,

groetten de vasallen hun gebieder en beijverden zich de zoom van

zijn kleed te kussen. De vrouwen bogen en kromden zich met gelijke

deemoedigheid voor de gravin. Feodorowna, eene rijzige gestalte, was

de eenige die deze slaafsche eerbetuigingen niet duldde, maar vrouwen

en meisjes, die haar naderden, vriendelijk de hand reikte. De graaf

wees na eenige minuten de onstuimige genegenheidsblijken zijner

onderhoorigen slechts in zoo verre met koelheid af, als zij hem lastig

begonnen te worden. Intusschen spraken hij en zijne gemalin welwillend

met de lieden en beklommen, tusschen hen doorgaande, den heuvel. Ook de

geestelijke, wiens schreden de ouderdom vertraagde, was thans genaderd,

drong door de menigte heen en begroette den graaf met eerbied, doch

zonder kruipende gedweeheid. „Zie daar vader Gregoor, wees mij welkom,”

sprak Dolgorow. „Ik was bijna bekommerd, dat ik u niet weder zou

vinden, want bij mijn laatste afwezigheid reeds stondt gij aan den

grenspaal des levens. Het verheugt mij, dat deze lentezon ook nog voor

u is opgegaan.”

„Mijne krachten zijn nog onverzwakt,” hernam de priester; „schoon ik

elken dag de roepstem verwacht, die mij voor den troon des Almachtigen

daagt, kan ik toch, Zijner ontferming zij dank, nog op aarde de

plichten vervullen, die Hij mij hier op de schouders heeft gelegd.”

Inmiddels trad Feodorowna nader. „Heil en zegen op uw hoofd, mijn

vader! Hoe innig verheugt het mij, u nog zoo gezond en krachtig weder

te zien.”

„De Moeder Gods zij met u en neme u in hare heilige bescherming,” sprak

de grijsaard en klemde met zijne linkerhand die van Feodorowna vast,

terwijl hij de rechter zegenend op haar hoofd leide. „Gij hebt u wel

bevonden in de hoede van de engelen des Heeren, mijne dochter, en zijt

schooner teruggekeerd, dan gij, als eene teedere spruit, van ons henen

gingt. De heiligen hebben mijne beden verhoord, want dagelijks smeekte

ik hen, u op uwe gangen te geleiden.”

„O, voorzeker zijn uwe vrome beden verhoord, goede vader,” hervatte

Feodorowna met merkbare aandoening, „want God was ons steeds nabij in

gevaren en nood.” Zij scheen meer te willen zeggen, doch een ernstige

blik des vaders, wien de vertrouwelijke toon tusschen zijne dochter en

den priester blijkbaar onaangenaam was, deed haar afbreken en zwijgen.

Op hetzelfde oogenblik trad de vreemde, een schoon, rijzig man in den

bloei der jaren, op haar toe en bood haar den arm, om haar den steiler

wordenden weg verder op te geleiden. De graaf wandelde inmiddels

tusschen zijne vasallen voort en sprak nu dezen dan genen aan, om naar

hunne huiselijke omstandigheden en hetgeen gedurende zijne afwezigheid

voorgevallen was, onderzoek te doen. „Gij hebt uwe vrouw verloren,

Isaäk,” zeide hij tot een reeds bejaarden landman. „Ja, genadige heer,”

was het antwoord, „zij stierf in den verloopen winter, en sedert

ontbreekt eene huishoudster in mijn hut.”

„Uw oudste zoon zal trouwen,” hervatte de graaf; „Wasiliews dochter

kan zijne vrouw worden; ik zal dezer dagen voor de bruiloft zorgen.”

De oude man boog zich nederig bij dit bevel; want dat was het woord

van den heer.

De rentmeester vernam behoedzaam naar de krijgsgebeurtenissen.

„De vijand rukt tegen onze grenzen op,” hernam de graaf; „met man en

macht dringt hij voorwaarts; ik ben hoofdzakelijk hier gekomen, om de

vereischte maatregelen van voorzorg te nemen.”

„Ik hoorde heden morgen in Smolensko...” begon de oude met een

geheimzinnig en tevens bedenkelijk gelaat.

„Denkelijk dezelfde oudewijvenpraat, die ook mij vervolgde,” viel de

graaf hem barsch in de rede, zonder zich verder uit te laten.

De nieuwsgierige rentmeester beproefde nog eenmaal zijn geluk en

vervolgde met een bedrukt gelaat: „Men was hier reeds zeer bezorgd...”

De graaf, niet gewoon, zich met zijne dienstbaren in gesprek in te

laten, keerde hem zonder antwoord den rug toe en sprak den geestelijke

aan: „Ik zal uwe hulp van noode hebben, Gregoor, om den moed mijner

onderdanen staande te houden, vooral wanneer men hen door de

uitstrooiing van ongerijmde sprookjes onnutte bezorgdheid verwekt.”

De rentmeester verschool zich onder den hoop, weltevreden, dat zijne

voorbarigheid niet strenger gestraft werd.

„Ik zal de harten des volks ontvlammen voor het geloof hunner vaderen,

voor den ouden troon der czaren, voor het heiligdom des vaderlands,”

antwoordde de grijsaard.

„Gij zult wèldoen,” hernam de graaf; „doch haat vermag meer dan liefde,

en daarom zag ik liever, dat gij hunne zielen met onverzoenlijken

wrok tegen de vijanden vervullen wildet. Schilder de Franschen af als

roovers, slechts gekomen, om onze velden te verwoesten, onze dorpen

en steden met vuur te vernielen, de kudden weg te voeren, vrouwen en

dochters te onteeren en de mannen te vermoorden.”

„Mochten zij dit alles, mochten zij nog vreeselijker gruweldaden met

ons voor hebben,” hervatte Gregoor, „mijn plicht als priester zou

daarom nog vorderen, vergevensgezindheid en liefde jegens hen te

prediken; maar zij komen als vijanden Gods, als omverwerpers onzer

tempels, en dien gruwel moeten wij wreken; de andere goederen, de

vergankelijke schatten des levens, mogen wij slechts verdedigen.”

Een diepe rimpel op des graven voorhoofd bewees, dat hij met dit

antwoord niet tevreden was. Doch hij zweeg, wel bewust, dat hij eer

eene steenrots dan Gregoors geloofsbelijdenis en godsdienstige meening

aan het wankelen kon brengen.

Middelerwijl had men de slotpoort bereikt en de graaf trad zijne

woonstede binnen, terwijl de landlieden buiten bleven. Slechts

vader Gregoor volgde hem op zijn wenk de trappen op. „Wacht ons in

de eetzaal, vrome vader,” sprak hij; „zoodra wij onze reiskleeding

afgelegd hebben, zullen wij u daar opzoeken. Ik zelf zal binnen eenige

minuten weer bij u zijn, om eene belangrijke aangelegenheid met u te

bespreken.” Met deze woorden verdween hij; de vrouwen begaven zich

eveneens naar hare vertrekken; de vreemdeling werd naar de voor hem

bestemde kamer geleid.

Gregorius trad de zaal binnen, waar hij den graaf moest wachten.

Sinds twee jaren had hij dit gedeelte van het slot niet betreden. Het

vertrek was in een voorvaderlijken, zonderling gemengden stijl gebouwd.

Vier hooge gothische boogvensters zagen naar de rivierzijde op het

landschap uit, zoodat de gloeiende avondhemel zijn gulden weerschijn

in de verwulfde hal wierp. De wanden waren met zuilen van zwart

marmer versierd; in de tusschenruimten hingen de levensgroote, in

ouderwetsche lijsten gevatte beeltenissen van het grafelijk geslacht.

De vloer was van hout; even zoo de lambrizeeringen en paneelwerken,

naar den trant der eeuw van Lodewijk XIV, met vergulde richels

afgezet. Twee reusachtige kroonlichters hingen van het verwulfsel der

zoldering naar beneden; ter weerszijden aan de wanden prijkten zware,

dubbelarmige kandelaars. Het geheel getuigde van pracht en rijkdom,

maar had tevens een somber, bijna huiveringwekkend aanzien, dat zich

zelfs aan de landstreek en den hemel, voor zoover beiden zich in de

gothische boogswijze vensterlijsten vertoonden, mededeelde en, schoon

men zich eerst in Juni, de eigenlijke lentemaand dezer gewesten,

bevond, daaraan een herfstachtigen, treurigen tint verleende.

Gregorius zette zich in een der breede leunstoelen neder en gaf aan

zijne ernstige, sombere mijmeringen den vrijen loop. Vierenzeventig

jaren heb ik geleefd, dacht hij, en mijn werken was vroom en vreedzaam;

geen snood geweld bedreigde de heiligdommen, die aan mijne zorg waren

toevertrouwd. En nu, in de late herfstdagen mijns levens, daar mijn

pad reeds dicht aan den rand van het graf heenloopt, nu moet ik nog

de palm des vredes met het zwaard der wraak verwisselen! Maar Gods

wil geschiede. Hem is de frissche dauw, de zachte regen, de warme

zonnestraal; Hem zijn ook de bliksems en donders van den verduisterden

hemel. Hij zende zijne dienaren tot zegen of ter wrake uit, om de

vromen te bemoedigen en liefderijk tot hem op te leiden of om de

goddeloozen in den afgrond der hel, waaruit zij gekomen zijn, terug te

slingeren: Gregorius zal zijn grijs hoofd gewillig buigen onder den

last, dien de Vader hem oplegt.

Terwijl hij, in deze gedachten verdiept, zijn gelaat naar de

ondergaande zon, het schoone beeld zijns aardschen levens, gewend

had, waren de vleugeldeuren der zaal geopend en was graaf Dolgorow

binnengetreden. Niettegenstaande zijn trotschen gang, niettegenstaande

den heerschersblik, die onder het fiere voorhoofd vlamde, scheen toch

zijn gansche wezen onder den knellenden last van kommer en bezwaren

gebukt te gaan. „Ik heb ernstige dingen met u te verhandelen, vader

Gregoor,” begon hij, driftig op den grijsaard toetredend en hem

verhinderend van zijn zetel op te staan; „wij moeten van dit oogenblik,

dat wij alleen kunnen zijn, gebruik maken.” Dit zeggende greep hij een

stoel en nam tegenover den priester plaats.

„Het is een ernstige tijd,” hernam Gregoor en schudde bedenkelijk het

eerwaardige hoofd.

„Eer wij over zaken handelen, die het land en ons allen betreffen,

heb ik dingen met u te bespreken, die mij in het bijzonder aangaan.

De vreemde heer, die mij verzelt, is de vorst Ochalskoi, overste

in het keizerlijk leger. Ik wil mijne dochter Feodorowna aan hem

uithuwelijken, maar zij zoekt uitvluchten en tracht zich door het

kinderachtig besluit van in een klooster te gaan aan mijne vaderlijke

bevelen te onttrekken. Gij Gregoor, hebt den meesten invloed op haar

hart; van u verwacht ik dus, dat gij haar tot gehoorzaamheid bewegen

zult.”

De priester wilde antwoorden, doch Dolgorow kwam hem voor: „Laat mij

uitspreken, vader. Gij weet wellicht niet, wat ik in deze gevaarvolle

tijden voor het vaderland heb opgeofferd. De vurige begeerte, om in

eene gewichtige betrekking te geraken en eereposten en beambten te

erlangen, waardoor ik deel kon nemen in het bestuur der zaken, deed

mij alles op het spel zetten. Mijn aanzienlijk vermogen is te niet en

nog ben ik niet aan het doel, dat ik mij had voorgesteld. Het huwelijk

mijner dochter met den prins moet het mij doen bereiken; niet slechts

zijn onmetelijke rijkdom, maar ook zijne machtige betrekkingen geven

mij daartoe de middelen in handen; zelfs ben ik reeds op dit oogenblik

door zulke verplichtingen aan hem verbonden, dat ik mij slechts door

hem op het standpunt kan handhaven, waarop ik mij thans bevind. Het

geldt het geluk, de eer des vaders; na deze verklaring zult gij

Feodorowna's plichten uit het juiste oogpunt weten te beschouwen. Op

u stelt zij vertrouwen; van u, vrome vader, verwacht ik hulp. Ik zou

haar kunnen dwingen; doch liefst wil ik dat uiterste vermijden. Ook

vrees ik, dat des vorsten trotschheid hem eene gade zou doen weigeren,

die niet vrije verkiezing, maar nooddwang in zijne armen voert. Want

waarlijk, hij bemint Feodorowna.”

Gregorius zweeg eenige oogenblikken, vervolgens antwoordde hij zacht,

maar met vastheid: „Het grieft mij, vader en dochter in onmin te zien;

maar ik ken Feodorowna's hart; het is groot, edel, zacht en goed.

Heeft zij het aan eene heilige bestemming gewijd, wil zij werkelijk

afstand doen van de genietingen dezes levens, om in de stilte des

kloosters gemoedsrust en zielstevredenheid te vinden, dan mag de

dienaar des Heeren haar van dien naasten en heiligsten weg ter eeuwige

gelukzaligheid niet afkeerig maken.”

De graaf sprong driftig op en blikte den priester met rollende oogen

aan. „Hoe, ook van u ondervind ik tegenstand? Is dat misschien de vrome

roeping van den geestelijke, weerspannige kinderen tegen den vader in

bescherming te nemen? Maar weet, wilt gij het tot het uiterste drijven,

ik doe het ook, en de tijd zal leeren of de hardnekkigheid van een

meisje, door een priester ondersteund, den ijzeren wil eens vaders

breken kan.”

Gregorius zag den graaf ernstig, maar bedaard aan. „Gij verstaat mij

zeer verkeerd, heer graaf,” antwoordde hij, „wanneer gij gelooft,

dat ik de ongehoorzaamheid eener dochter tegen den vader verdedigen

wil; veeleer het tegendeel. Maar ik wil haar beproeven en zien of zij

werkelijk een gebod van haren Vader in den hemel vervult; en dit zult

gij toch toestemmen, dat Zijne bevelen meer kracht hebben, dan de uwe.”

De graaf knarsetandde van woede en stapte onstuimig de zaal op en

neder, terwijl Gregorius bedaard zijne plaats hield, en, daar de

stralen van het avondrood op zijne zilveren lokken neervielen, in zijne

ernstige, vrome houding een heilige geleek. Dolgorow trad weder op hem

toe en sprak met gedwongen kalmte: „Wees verstandig, Gregorius, schik u

naar mijne wenschen. Herinner u, dat gij mij nog veel te vragen hebt.

Uw wensch, de kerk vernieuwd te zien, zal niet slechts vervuld, maar

zelfs verre overtroffen worden. Van den grond af zal ik haar prachtig

opbouwen, het Lieve vrouwenbeeld.....”

„Wilt gij den Heer des hemels en der aarde omkoopen?” hervatte

Gregorius, het hoofd schuddende. „O heer graaf, reeds dertig jaren woon

ik op dit goed, en nog kent gij mij zoo weinig. Uw vader.....”

„Het is genoeg,” viel Dolgorow hem grimmig in de rede. „Ik hoopte met

goedheid mijn doel te bereiken, uwe stijfkoppigheid dwingt mij tot

geweld. Welaan dan, gij moogt uw zin doen, en Feodorowna mag beproeven

of zij macht heeft, den vader weerstand te bieden, die haar huwelijk

onherroepelijk besloten heeft.”

„De keus van een echtgenoot hangt van u af,” hervatte Gregorius; „doch

haar wil is vrij; verlangt zij ongehuwd te blijven en den sluier aan te

nemen, zij mag het; want zij is vrij geboren en niet uwe lijfeigene.”

„Zij is....” barstte de graaf, door Gregorius' onveranderlijke

bedaardheid nog meer verbitterd, in woede uit, maar bedwong zich

eensklaps, daar de deur geopend werd en de gravin binnentrad. „Wij

spreken er morgen verder over,” sprak hij haastig, doch zacht, en

ging zijne echtgenoote te gemoet. Met de behendigheid eens hovelings

wist hij de hartstochtelijke beweging zijner ziel onder een vroolijk,

welwillend lachje te verbergen en sprak haar op de ongedwongenste wijze

aan. „Nu, lieve, wees welkom in deze welbekende zalen. De menigvuldige

zorgen, die ons zoo lang ontrustten, zullen, hoop ik, niet verhinderen,

dat wij ons hier eenige dagen recht thuis en tevreden gevoelen.”

„Ook ik hoop het,” hervatte de gravin, „ofschoon ik de toekomst met

zorg en kommer te gemoet zie. Wat zullen de eerstkomende maanden,

die anders slechts het schoone brengen, niet al de rampen over ons

vaderland uitstorten!”

„Daarvoor zal, vertrouw ik, de winter, die ons anders zoo ruw en

barsch toeschijnt, voor ditmaal de weldadige beschermer van ons land

worden. De verschrikkingen, die Rusland boven het hoofd hangen, komen

ons vreeselijker voor dan zij inderdaad zijn; de vijand weet niet,

achter welke wallen en muren dit rijk zeven maanden lang elken aanval

trotseeren kan. Wij zullen misschien den oogst van een jaar, den

tienjarigen wasdom van onze onmetelijke bosschen verliezen; meer ducht

ik niet. Geven wij dien vijand dezen grond voor één zomer ten beste,

den naastvolgenden zal hij ons dien, door zijn bloed gemest, des te

vruchtbaarder teruggeven. In veldslagen mag de groote wereldveroveraar

onoverwinnelijk zijn; laat zien of hij ook op velden van zand en asch

oogsttijd houden, of hij zijne soldaten onder den vrijen hemel tegen

den noordschen herfst, laat staan tegen den winter beschutten kan.

Hij moet, terwijl wij spreken, over de Niemen zijn getrokken; het is

zijn Rubicon; Caesars schijngeluk nam een droevig einde. Niet waar,

eerwaarde vader,” wendde hij zich tot Gregorius, „ook gij hebt hoop,

dat Rusland dezen kamp roemrijk zal ten einde brengen.”

„De kracht des volks en de genade van God zullen het staande houden,”

hervatte de geestelijke. „Wanneer alle gemeenten tegen de bloedige

verdelgers onzer heiligdommen zoo handelen, als ik het van de mij

toevertrouwde schaar verwachten mag, dan zouden de heirscharen van

Xerxes niet toereikend zijn, om ons vaderland ten onder te brengen.”

Vorst Ochalskoi trad, in de uniform van zijn regiment, de zaal binnen.

Dolgorow verwelkomde hem en trok hem dadelijk in het gesprek. „Het

verheugt mij,” ging hij hierop voort, „dat gij reeds uit eigen beweging

werkzaam geweest zijt, vader Gregoor; want eene hoofdreden, waarom ik

thans mijne goederen bezoek, is, daarover met u te spreken en u den wil

des keizers omtrent het een en ander mede te deelen. In den grooten

krijgsraad te Petersburg is besloten, den _schijn_ der overwinning

zoo lang mogelijk aan den vijand te laten, ten einde de _zekerheid_

des te gemakkelijker voor ons zelven te kunnen behouden. Onze legers

zullen hem dus slechts daar weerstand bieden, waar hij elk voordeel

met tallooze offers betalen moet; te vergeefs zal hij op een slag

hopen, te vergeefs in rustelooze marschen dag en nacht de krachten van

zijn leger uitputten, om het eeuwig voor hem uitzwevende schijnbeeld

der overwinning te grijpen. Nergens zal hij eene rustplaats voor de

vermoeiden vinden, overal moet hem de ledige, schrikbarende wildernis

ontvangen, tot eindelijk moedeloosheid en muiterij de banden tusschen

leger en veldheer losknoopen.”

„De hemel geve,” sprak de gravin half zuchtende, „dat het plan gelukke,

dat zoo vele offers niet vruchteloos zijn mogen!”

„Wat zal er worden opgeofferd,” hernam Ochalskoi, „dan eenige weinige

dorpen en steden, die tegen de onmetelijke uitgestrektheid van ons rijk

in het niet verdwijnen! En hun, die verliezen moeten, zal de genade des

keizers rijkelijk vergoeding schenken.”

„Doch waar blijft Feodorowna?” vroeg Dolgorow, die reeds meermalen

onrustig naar de deur gezien had. „Ga naar boven,” gebood hij den

bediende, die aan de deur postvatte om op den eersten wenk des

meesters bij de hand te zijn, „en zeg aan gravin Feodorowna, dat hare

tegenwoordigheid ons hoogst aangenaam zal zijn.” De bediende ging en

berichtte na eenige minuten, dat de gravin eenige meisjes uit het dorp

bij zich had.

„Waarschijnlijk de gespelen harer jeugd,” zeide de moeder, „welke zij

dadelijk heeft laten ontbieden.”

„Dan zullen wij nog een uur geduld moeten hebben,” sprak Dolgorow

gemelijk. „Ga in allen gevalle zeggen, dat wij de gravin bij het

avondeten wachten, en draag zorg, dat de tafel spoedig gereed zij. Want

ik denk,” hiermede wendde hij zich tot de overigen, „dat gij allen even

hongerig en vermoeid zijt als ik, die door de reis inderdaad een weinig

overspannen ben.”

1812: Historische roman · 第 43 / 154 题