De dagen van vreugde en gezellig verkeer werden door andere van ernst
en strenge dienstvervulling gevolgd. Rasinski werd door bevelen
van hooger hand genoopt, de vorming van zijn korps te bespoedigen;
dagelijks oefende men zich dus te voet en te paard, er waren wachten
te betrekken, de velddienst moest worden aangeleerd, kortom noch
officieren noch soldaten hielden tijd over, om aan uitspanning of
verstrooiing te denken. De keizer werd van den eenen dag tot den
anderen te gemoet gezien, en Rasinski wilde dezen een ten minste
eenigermate gevormd regiment voorstellen. De onderscheidene teedere
en zachte betrekkingen werden dus door de strenge hand des levens
bijna geheel verbroken. Wat Jaromirs vurigste wenschen betrof,
Rasinski had wel is waar zijne voorloopige bewilliging gegeven, en de
gelieven waren dus onuitsprekelijk gelukkig; maar tevens had hij het
noodzakelijk geacht, een ouderen oom van Lodoiska te schrijven en ook
diens toestemming te verzoeken. Zoo lang moesten de minnenden hun geluk
geheim houden en op een afstand van elkander blijven, die den jongeling
soms ondragelijk hard toescheen. Bernard en Lodewijk waren bijna altijd
in dienst; nauwelijks kon de laatste tijd vinden, om een brief aan
moeder en zuster, waarin hij haar voor de mondelinge tijding en het
geschenk, hem door Rasinski overgebracht, dankte, te voleindigen. Dat
ook Bernard onder deze omstandigheden noch aan het voortzetten zijner
waarnemingen omtrent de verleidelijke Alisette, noch aan het schilderen
van Lodoiska's beeltenis denken kon, is licht te begrijpen.
Op zekeren avond trad Rasinski de zaal, waar Jaromir, de gravin en
Lodoiska bijeen zaten, driftig binnen met de woorden: „Ons lot is
beslist. De keizer heeft den 29sten Mei Dresden verlaten, zal zich
eenige dagen in Posen ophouden en trekt dan vermoedelijk, zonder
Warschau aan te doen, op Thorn. Wij hebben bevel bekomen, om morgen op
te rukken en den weg naar Kowno in te slaan. Een dag is ons dus nog
overig, en dien willen wij in den huiselijken kring doorbrengen. Heden
nog kan ik broeder en vriend zijn, morgen ben ik niets dan soldaat.”
Zijn oog fonkelde helder bij deze woorden en verhoogde den adel van den
zachten ernst zijner wezentrekken. Op de vrouwen daarentegen maakte de
tijding, die het hart der mannen, de onzekerheid sinds lang moede, met
blijdschap vervulde, een bedroevenden indruk. Lodoiska verbleekte en
sidderde; op de trekken der gravin stond eene kommervolle bezorgdheid
te lezen: „Dus werkelijk reeds zoo spoedig?” vroeg zij opstaande en
naar den broeder toetredende.
„De oorlog,” vervolgde deze, „schijnt thans onherroepelijk verklaard.
Alle onderhandelingen, die laatstelijk door Narbonne gevoerd werden,
zijn afgebroken. Men zegt dat vooral het lot van ons vaderland den
twistappel tusschen de beide heerschers werpt; Napoleon wil ons als
eene vrije, zelfstandige natie erkend zien, doch Rusland is niet
gewoon, den roof, dien het tusschen de bloedige klauwen houdt, los te
laten. Het toont grimmig de tanden. Laat ons zien, of de Hercules,
wiens opgeheven knods Europa doet beven, den kamp met dit monster
zegevierend ten einde zal brengen!”
Een vuurgloed van verontwaardiging kleurde zijn gelaat. De zuster stond
met treurige blikken voor hem, streek hem het haar van het voorhoofd en
zeide, hare hand op zijn arm leggende: „Gij hadt vroeger een vroolijker
vertrouwen, toen minder sterren van hoop aan den gezichtseinder
blonken. Vat moed, broeder! Wanneer wij ons niet aan uwe moedige
kracht kunnen opbeuren, wat zal ons dan ondersteunen en staande houden?”
Rasinski glimlachte. „Ik heb soms uren, zuster, dat ik alles uit een
somber oogpunt zie; zulks is echter spoedig voorbij, en waar ik kracht
en vertrouwen tot handelen noodig heb, ontbreken ze mij niet. Doch
laat dat daar; heden en morgen behoor ik aan u, aan de lieve beperking
van den huiselijken kring, en wil mij daarin geheel verplaatsen. Zelfs
mijne blikken zullen de heilige grens niet overschrijden, die, als een
gewijde toovercirkel, de zwarte geesten des levens van ons verwijderd
houdt. Want treed ik over die tooverlijn, dan word ik een speelbal van
de woeste zee, en de losgelaten stormen mogen mijne boot naar willekeur
voortzweepen. Wij hebben immers ook nog huiselijke zaken af te doen,”
vervolgde hij en wierp een blik op Lodoiska, „uwe schoone pleegdochter
maakt aanspraak op onze zorg.” Het meisje sloeg het zachte oog ter
aarde en een licht rood schemerde op hare wangen. „Ja, mijne kinderen,”
vervolgde hij, tusschen de gelieven tredende, „hebt gij wel overlegd,
wat gij doen wilt? Wie zou uwe liefde niet met vreugde aanzien? Gij
zijt elkander waardig; Jaromir ken ik, hij zal een hart als het uwe,
Lodoiska, als een kostbaar kleinood weten te schatten en te beschermen.
Maar zijn dit tijden, om banden der liefde aan te knoopen? Mag men
op een zaad hopen, dat in den stormwind wordt uitgestrooid? Wie gaat
scheep, als de zee woelt en bruist; wie geeft een vreugdefeest in een
huis, dat boven den afgrond waggelt? Hebt gij een maatstaf, waarnaar
gij de vervulling uwer hoop berekenen kunt? Gij werpt u in den woeligen
stroom, zonder te weten of de naaste golf u scheiden, dan aan een
veiligen oever werpen zal.”
Lodoiska blikte Rasinski schroomvallig aan en zeide: „Zijn het dan
niet juist de tijden van zorgen en gevaar, die men gemeenschappelijk
te lichter draagt? Het geluk, den zonneschijn des levens geniet ook de
eenzame voor zich zelf.”
„Maar de man zal geen wezen aan zijn lot verbinden, wanneer dit zelf
onzeker is als de wentelende baar.”
„Waarlijk,” riep Jaromir levendig, „ik mag thans niet om u aanhouden,
want alles staat op een te onzeker spel! Maar een verbond der hoop zou
ik toch gaarne met u aanknoopen.”
Hij sprak deze laatste woorden met een zoo onschuldig smeekend gelaat,
dat Rasinski onwillekeurig moest glimlachen. „Wanneer gij,” vervolgde
hij, beider handen aangrijpende, „ernstig bedacht en overwogen hebt,
wat gij doen wilt; wanneer het niet enkel de vluchtige roes van een
oogenblik is; wanneer gij, Jaromir, uwe jeugdige lichtzinnigheid genoeg
beheerschen kunt, om de proef van lange, ernstige jaren te doorstaan,
dan hebt gij recht om eene verbintenis der trouw te sluiten en geen
gevaar, dat haar van buiten bedreigt, mag u terugschrikken. Ook ik
weet de edele gezindheid in den mensch op prijs te stellen, die in een
donker uur des levens minnende harten meer voor de bezwaren dan voor
de genoegens daarvan te zamen bindt. Uw oom, Lodoiska, heeft mij eene
vaderlijke volmacht gezonden, om u met Jaromir te verloven. Wanneer gij
dus niet beschroomd zijt, den ernstigen stap in het gebied der plichten
te wagen, mag ik uwe handen ineen leggen en de ringen uwer gelofte
wisselen.”
Het schoone wezen stond bevend en met donkeren rozegloed op de wangen
voor den ernstigen, vaderlijken vriend. „Gij wilt dus?” sprak deze.
In plaats van antwoord te geven, zonk zij sprakeloos aan de borst der
gravin, doch liet hare rechterhand aan Rasinski die ze zachtkens in
die van den verrukten jongeling nederlegde.
„O, hoe onuitsprekelijk gelukkig ben ik,” riep hij uit, terwijl hij de
hand van het bevende meisje aan zijne lippen bracht.
„Zij is nu uwe bruid,” sprak Rasinski, „en door de heiligste plichten
zijt gij aan haar verbonden. Zult gij den moed hebben, die te
vervullen?”
„Tot aan mijn dood!” riep Jaromir heftig en drukte het bekoorlijke
wezen, dat zich met de gansche teederheid van het vrouwelijke hart aan
hem overgaf, onstuimig aan zijne borst.
Juist trad Boleslaw binnen en werd bleek als de dood, toen hij de twee
in elkanders armen zag; ook hij toch had eene ernstige, diepe liefde
voor de schoone Lodoiska opgevat, en niet vermoed, dat zij de verloofde
van den vriend zijn konde. Met eene zelfbeheersching echter, die zijn
streng, wel hartstochtelijk, maar toch vast karakter alleen mogelijk
maakte, bedwong hij schrik en smart tevens en vertoonde een kalm
gelaat, terwijl de doodsteek hem de borst verscheurde. Met vasten tred
ging hij op de aanwezenden, van wie niemand zijne komst bespeurd had,
toe. „Mag ik u geluk wenschen?” vroeg hij, zich tot Jaromir wendende.
„Neen,” riep deze vurig, „want ik bezit reeds het zaligste geluk, dat
de aarde ons aanbiedt!”
De vrienden omhelsden elkander hartelijk; voor Lodoiska boog de
jongeling zich ernstig, greep hare hand en sprak: „Wees gelukkig, in
alles gelukkig!”—Nu sidderde en verbleekte hij toch; zijne jeugdige
heldenkracht dreigde te bezwijken. „Weet gij al, dat wij overmorgen
oprukken, graaf Rasinski?” richtte hij zich tot dezen, om het gesprek
eene andere wending te geven.
„Voorzeker,” was het antwoord.
„Ook dat de overste Regnard met zijn regiment marcheert en de
dragonders en de drie compagnieën rijdende artillerie eveneens?”
„Ik had slechts zooveel van het bevel vernomen, als mij zelf betreft.
Overigens moet ik bekennen, dat dit geleide mij niet uitstekend
behaagt, want hoe talrijker wij zijn, hoe slechter nachtkwartieren
wij te wachten hebben. Ik bemin ons vaderland, maar zijne gastvrije
steden en dorpen zijn eer geschikt om vijandelijke legers te laten
verhongeren, dan om bevriende den kost te geven.”
Bernard en Lodewijk, die tegelijk met Boleslaw te huis gekomen,
zich eerst naar hunne kamers hadden begeven, traden thans binnen en
maakten den vriendenkring voltallig. Ook aan hen werd het bruidspaar
voorgesteld, ook zij ontboezemden hunne beste wenschen.
Rasinski liet in den loop van den avond eene zachte opgeruimdheid
blijken, die hem uiterst beminnelijk maakte. „Hoe jammer,” riep hij
in het vervolg van het gesprek uit, „dat onze vriend Bernard sabel en
lans zoo druk te hanteeren heeft gehad. Hij had waarlijk geen tijd, om
aan penseel of krijt te denken; anders had hij mij het beeld der lieve
bruid moeten teekenen.”
„En hij had het mij zelfs beloofd. Ten voeten uit wou hij haar
schilderen!” riep Jaromir.
„Schoon ik tot het laatste geen tijd gehad heb, kan ik ten minste nog
eene teekening beproeven,” viel Bernard hem in de rede. „De avond is
lang; eene, hoe vluchtige schets is toch beter dan niets, en weinige
uren zijn daartoe volkomen toereikend. Het is eene goede eigenschap
van ons bedrijf, dat het in zulke gevallen slechts op een deel onzer
krachten aanspraak maakt en noch ons zelf, noch anderen in het gezellig
onderhoud hinderlijk is; ten minste verlangen wij slechts zeer geringe
opoffering. Hand en oog arbeiden, maar het oor kan den loop van het
gesprek vrij volgen en de geest leent zich gemakkelijk tot beide
verrichtingen. Vergunt mij dus, mijne kleine, vluchtige werkplaats hier
voor eenige oogenblikken op te slaan, laat mij de lichten naar mijn
zin plaatsen, geeft mijne oogen de anders niet zeer kiesche vrijheid,
om zich scherp op het voorwerp mijner bezigheid te richten, en ik hoop
nog iets te leveren, dat althans tot eene kleine vergoeding voor de
grootere uitvoering, waartoe ons thans geen tijd blijft, dienen kan.
Geeft u vrij en ongedwongen aan het gesprek over. Dikwijls heeft eene
beeltenis oneindig meer waarheid en leven wanneer wij haar, zonder dat
ons doel vermoed wordt, heimelijk afloeren, dan wanneer het voorwerp er
zich toe zet, om op het doek te worden overgedragen. Het rampzaligst
van alles is, wanneer iemand alle plooien en plooitjes van zijn gezicht
met angstvallige bezorgdheid in orde schikt, om er de uitdrukking van
ongedwongenheid toch recht kunstmatig in te brengen, of wel om het nog
mooier te maken, een onnatuurlijk lachje om de lippen beitelt, zooals
de naaister een kleed met linten garneert.”
Zijn gereedschap werd door een bediende binnengebracht, hij verplaatste
de lichten, koos een geschikt standpunt en ging ijverig aan het werk.
Het gesprek der overigen werd inmiddels voortgezet en ook hij nam
daaraan ongedwongen deel, schoon hij soms slechts toeluisterde en
slechts nu en dan enkele woorden daartusschen wierp om eene geuite
meening goed te keuren, haar door eene losse opmerking te ondersteunen
of een scherpen pijl der tegenspraak daarop los te laten.
Men behandelde intusschen slechts algemeene onderwerpen, die wel
eene zekere deelnemende levendigheid verwekken, maar toch geene
hartstochtelijke bewegingen der ziel veroorzaken konden. Zulks had
Bernard uitdrukkelijk gevorderd, daar hij bij het losbarsten van
onstuimige gemoedsdriften onmogelijk op de rustig begonnen wijze had
kunnen voortteekenen; met groote behendigheid wist hij deze stemming te
doen standhouden en steeds te rechter tijd het gesprek te beteugelen of
aan te sporen, al naarmate het dreigde te verflauwen of al te levendig
te worden.
„Ik ben klaar,” riep hij, nadat er twee uren verloopen waren, en sprong
met het blad in de hand op. Nieuwsgierig drongen allen om hem heen, om
zijn werk te beschouwen. Hij trad eenige schreden achteruit en hield
plagend het blad met de rugzijde naar het gezelschap toe.
„Geen spanning, geen verwachting!” riep hij; „het is eene half mislukte
schets, meer niets. Had ik tijd, die morgen te herhalen, ik zou het
blad verbranden, eer iemand van u het gezien had; dat betuig ik u bij
mijne kunstenaarseer, die ik juist op het punt ben een weinig aan de
kaak te stellen.”
Thans wendde hij het blad om; men zag twee teekeningen. De eerste
stelde Lodoiska voor, de tweede Jaromir, beide in borstbeeld, slechts
vluchtig, maar geestig uitgevoerd en sprekend gelijkende. Allen
verheugden zich in het geslaagde werk en bewonderden de zinrijke
uitvoering; maar vooral Jaromir was verrukt en riep uit: „Welk een
heerlijk geschenk, welk eene dubbele verrassing! Nu kan ik het beeld
van mijn meisje medenemen en haar het mijne achterlaten.”
Lodewijk was de eenige, die de teekeningen nauwkeuriger beschouwde;
na eenige oogenblikken zeide hij glimlachend: „Inderdaad, ik wist in
den beginne niet, waarom gij die ouderwetsche lijsten om de beelden
getrokken hadt; daar ik u ken, vermoedde ik dadelijk eene oorzaak, die
ik nu meen gevonden te hebben. Waarlijk, de inval is goed en nog beter
uitgevoerd.”
„Ja, ja, gij kent mijne streken,” hernam Bernard, „en weet, dat ik
zelden honderd schreden rechtuit ga. Bokkesprongen op den effen weg
zijn mij nu eenmaal tot behoefte geworden, want de Uilenspiegel zit mij
onveranderlijk, van mijne geboorte af, in den nek.”
Na dit gesprek werden de overigen zeer begeerig, het geheim ontraadseld
te zien. Nu men er eens opmerkzaam op gemaakt was, werd dit zeer
gemakkelijk. Bernard had namelijk om elken kop een vierkante,
schijnbaar ouderwetsch opgeluisterde lijst geteekend, elke hoek
vertoonde een gezicht, en wel de uiterst welgelijkende beeltenissen
der aanwezigen. Aan de beide bovenzijden waren Rasinski en zijne
zuster, beneden Lodewijk en Boleslaw afgebeeld. Bovendien had hij aan
elke lijst een knop gegeven, waaruit zijn eigen gezicht met hekelende
spotachtige trekken op het gansche werk scheen neder te zien.
Deze luimige toegift tot het geschenk werd met levendigen bijval
bekroond. Van alle zijden werd de schilder met lofspraken overstelpt en
vooral Jaromir gaf zijne vreugde door luide ontboezemingen te kennen.
„Zulk een beeld,” riep hij uit, „maakt mij waarlijk gelukkig, ja
verheugt mij meer dan de schoonste schilderij; dit immers kan ik altijd
bij mij dragen en mij in den aanblik verkwikken zoo vaak ik wil. Hoe
trouw haar beeld mij ook overal verzellen zal, het is toch iets anders,
als men het zoo werkelijk met de oogen zien kan.”
„Evenals het nog niet iets anders en duizendmaal schooner is,” hernam
Bernard, „als men de geliefde zelve voor zich ziet, niet waar?”
Lodoiska sloeg het oog neder, daar Bernard haar bij deze woorden
aanzag; doch spoedig hief zij het weder op en blikte Jaromir met eene
onbeschrijfelijke uitdrukking van liefde aan, als wilde zij daardoor
Bernards woorden bevestigen.
Hoeveel reden ook elk der aanwezigen hebben mocht om sombere gedachten
te koesteren, door deze kleine verrassing was toch zulk een aangenaam,
helder licht op de donkere grondkleur der gemoederen gevallen, dat
men, zoo al niet in een vroolijke, dan toch in eene kalme en zacht
opgeruimde stemming geraakte.
Zoo voldeed de kunst dan ook hier aan hare schoone roeping, door zacht
bemiddelend in den ruwen strijd des levens te treden en zijne donkere,
moeielijke paden te verlichten en te effenen. O, niet genoeg kunnen
wij den goedertieren Schepper danken, dat Hij eene schoone gestalte
uit zijn Hemel deed nederdalen, wier taak het is, de scherpe omtrekken
der werkelijkheid door eene zachte schakeering der kleuren te doen
wegsmelten en over de woest neerbruisende stortbeek der hartstochten
den schemerenden stofregenboog uit te spannen, die ons bewijst, dat de
stralen der goddelijke zon tot in de diepste, verborgenste aardkloof
doordringen.