HOOFDSTUK IX.

De dagen van vreugde en gezellig verkeer werden door andere van ernst

en strenge dienstvervulling gevolgd. Rasinski werd door bevelen

van hooger hand genoopt, de vorming van zijn korps te bespoedigen;

dagelijks oefende men zich dus te voet en te paard, er waren wachten

te betrekken, de velddienst moest worden aangeleerd, kortom noch

officieren noch soldaten hielden tijd over, om aan uitspanning of

verstrooiing te denken. De keizer werd van den eenen dag tot den

anderen te gemoet gezien, en Rasinski wilde dezen een ten minste

eenigermate gevormd regiment voorstellen. De onderscheidene teedere

en zachte betrekkingen werden dus door de strenge hand des levens

bijna geheel verbroken. Wat Jaromirs vurigste wenschen betrof,

Rasinski had wel is waar zijne voorloopige bewilliging gegeven, en de

gelieven waren dus onuitsprekelijk gelukkig; maar tevens had hij het

noodzakelijk geacht, een ouderen oom van Lodoiska te schrijven en ook

diens toestemming te verzoeken. Zoo lang moesten de minnenden hun geluk

geheim houden en op een afstand van elkander blijven, die den jongeling

soms ondragelijk hard toescheen. Bernard en Lodewijk waren bijna altijd

in dienst; nauwelijks kon de laatste tijd vinden, om een brief aan

moeder en zuster, waarin hij haar voor de mondelinge tijding en het

geschenk, hem door Rasinski overgebracht, dankte, te voleindigen. Dat

ook Bernard onder deze omstandigheden noch aan het voortzetten zijner

waarnemingen omtrent de verleidelijke Alisette, noch aan het schilderen

van Lodoiska's beeltenis denken kon, is licht te begrijpen.

Op zekeren avond trad Rasinski de zaal, waar Jaromir, de gravin en

Lodoiska bijeen zaten, driftig binnen met de woorden: „Ons lot is

beslist. De keizer heeft den 29sten Mei Dresden verlaten, zal zich

eenige dagen in Posen ophouden en trekt dan vermoedelijk, zonder

Warschau aan te doen, op Thorn. Wij hebben bevel bekomen, om morgen op

te rukken en den weg naar Kowno in te slaan. Een dag is ons dus nog

overig, en dien willen wij in den huiselijken kring doorbrengen. Heden

nog kan ik broeder en vriend zijn, morgen ben ik niets dan soldaat.”

Zijn oog fonkelde helder bij deze woorden en verhoogde den adel van den

zachten ernst zijner wezentrekken. Op de vrouwen daarentegen maakte de

tijding, die het hart der mannen, de onzekerheid sinds lang moede, met

blijdschap vervulde, een bedroevenden indruk. Lodoiska verbleekte en

sidderde; op de trekken der gravin stond eene kommervolle bezorgdheid

te lezen: „Dus werkelijk reeds zoo spoedig?” vroeg zij opstaande en

naar den broeder toetredende.

„De oorlog,” vervolgde deze, „schijnt thans onherroepelijk verklaard.

Alle onderhandelingen, die laatstelijk door Narbonne gevoerd werden,

zijn afgebroken. Men zegt dat vooral het lot van ons vaderland den

twistappel tusschen de beide heerschers werpt; Napoleon wil ons als

eene vrije, zelfstandige natie erkend zien, doch Rusland is niet

gewoon, den roof, dien het tusschen de bloedige klauwen houdt, los te

laten. Het toont grimmig de tanden. Laat ons zien, of de Hercules,

wiens opgeheven knods Europa doet beven, den kamp met dit monster

zegevierend ten einde zal brengen!”

Een vuurgloed van verontwaardiging kleurde zijn gelaat. De zuster stond

met treurige blikken voor hem, streek hem het haar van het voorhoofd en

zeide, hare hand op zijn arm leggende: „Gij hadt vroeger een vroolijker

vertrouwen, toen minder sterren van hoop aan den gezichtseinder

blonken. Vat moed, broeder! Wanneer wij ons niet aan uwe moedige

kracht kunnen opbeuren, wat zal ons dan ondersteunen en staande houden?”

Rasinski glimlachte. „Ik heb soms uren, zuster, dat ik alles uit een

somber oogpunt zie; zulks is echter spoedig voorbij, en waar ik kracht

en vertrouwen tot handelen noodig heb, ontbreken ze mij niet. Doch

laat dat daar; heden en morgen behoor ik aan u, aan de lieve beperking

van den huiselijken kring, en wil mij daarin geheel verplaatsen. Zelfs

mijne blikken zullen de heilige grens niet overschrijden, die, als een

gewijde toovercirkel, de zwarte geesten des levens van ons verwijderd

houdt. Want treed ik over die tooverlijn, dan word ik een speelbal van

de woeste zee, en de losgelaten stormen mogen mijne boot naar willekeur

voortzweepen. Wij hebben immers ook nog huiselijke zaken af te doen,”

vervolgde hij en wierp een blik op Lodoiska, „uwe schoone pleegdochter

maakt aanspraak op onze zorg.” Het meisje sloeg het zachte oog ter

aarde en een licht rood schemerde op hare wangen. „Ja, mijne kinderen,”

vervolgde hij, tusschen de gelieven tredende, „hebt gij wel overlegd,

wat gij doen wilt? Wie zou uwe liefde niet met vreugde aanzien? Gij

zijt elkander waardig; Jaromir ken ik, hij zal een hart als het uwe,

Lodoiska, als een kostbaar kleinood weten te schatten en te beschermen.

Maar zijn dit tijden, om banden der liefde aan te knoopen? Mag men

op een zaad hopen, dat in den stormwind wordt uitgestrooid? Wie gaat

scheep, als de zee woelt en bruist; wie geeft een vreugdefeest in een

huis, dat boven den afgrond waggelt? Hebt gij een maatstaf, waarnaar

gij de vervulling uwer hoop berekenen kunt? Gij werpt u in den woeligen

stroom, zonder te weten of de naaste golf u scheiden, dan aan een

veiligen oever werpen zal.”

Lodoiska blikte Rasinski schroomvallig aan en zeide: „Zijn het dan

niet juist de tijden van zorgen en gevaar, die men gemeenschappelijk

te lichter draagt? Het geluk, den zonneschijn des levens geniet ook de

eenzame voor zich zelf.”

„Maar de man zal geen wezen aan zijn lot verbinden, wanneer dit zelf

onzeker is als de wentelende baar.”

„Waarlijk,” riep Jaromir levendig, „ik mag thans niet om u aanhouden,

want alles staat op een te onzeker spel! Maar een verbond der hoop zou

ik toch gaarne met u aanknoopen.”

Hij sprak deze laatste woorden met een zoo onschuldig smeekend gelaat,

dat Rasinski onwillekeurig moest glimlachen. „Wanneer gij,” vervolgde

hij, beider handen aangrijpende, „ernstig bedacht en overwogen hebt,

wat gij doen wilt; wanneer het niet enkel de vluchtige roes van een

oogenblik is; wanneer gij, Jaromir, uwe jeugdige lichtzinnigheid genoeg

beheerschen kunt, om de proef van lange, ernstige jaren te doorstaan,

dan hebt gij recht om eene verbintenis der trouw te sluiten en geen

gevaar, dat haar van buiten bedreigt, mag u terugschrikken. Ook ik

weet de edele gezindheid in den mensch op prijs te stellen, die in een

donker uur des levens minnende harten meer voor de bezwaren dan voor

de genoegens daarvan te zamen bindt. Uw oom, Lodoiska, heeft mij eene

vaderlijke volmacht gezonden, om u met Jaromir te verloven. Wanneer gij

dus niet beschroomd zijt, den ernstigen stap in het gebied der plichten

te wagen, mag ik uwe handen ineen leggen en de ringen uwer gelofte

wisselen.”

Het schoone wezen stond bevend en met donkeren rozegloed op de wangen

voor den ernstigen, vaderlijken vriend. „Gij wilt dus?” sprak deze.

In plaats van antwoord te geven, zonk zij sprakeloos aan de borst der

gravin, doch liet hare rechterhand aan Rasinski die ze zachtkens in

die van den verrukten jongeling nederlegde.

„O, hoe onuitsprekelijk gelukkig ben ik,” riep hij uit, terwijl hij de

hand van het bevende meisje aan zijne lippen bracht.

„Zij is nu uwe bruid,” sprak Rasinski, „en door de heiligste plichten

zijt gij aan haar verbonden. Zult gij den moed hebben, die te

vervullen?”

„Tot aan mijn dood!” riep Jaromir heftig en drukte het bekoorlijke

wezen, dat zich met de gansche teederheid van het vrouwelijke hart aan

hem overgaf, onstuimig aan zijne borst.

Juist trad Boleslaw binnen en werd bleek als de dood, toen hij de twee

in elkanders armen zag; ook hij toch had eene ernstige, diepe liefde

voor de schoone Lodoiska opgevat, en niet vermoed, dat zij de verloofde

van den vriend zijn konde. Met eene zelfbeheersching echter, die zijn

streng, wel hartstochtelijk, maar toch vast karakter alleen mogelijk

maakte, bedwong hij schrik en smart tevens en vertoonde een kalm

gelaat, terwijl de doodsteek hem de borst verscheurde. Met vasten tred

ging hij op de aanwezenden, van wie niemand zijne komst bespeurd had,

toe. „Mag ik u geluk wenschen?” vroeg hij, zich tot Jaromir wendende.

„Neen,” riep deze vurig, „want ik bezit reeds het zaligste geluk, dat

de aarde ons aanbiedt!”

De vrienden omhelsden elkander hartelijk; voor Lodoiska boog de

jongeling zich ernstig, greep hare hand en sprak: „Wees gelukkig, in

alles gelukkig!”—Nu sidderde en verbleekte hij toch; zijne jeugdige

heldenkracht dreigde te bezwijken. „Weet gij al, dat wij overmorgen

oprukken, graaf Rasinski?” richtte hij zich tot dezen, om het gesprek

eene andere wending te geven.

„Voorzeker,” was het antwoord.

„Ook dat de overste Regnard met zijn regiment marcheert en de

dragonders en de drie compagnieën rijdende artillerie eveneens?”

„Ik had slechts zooveel van het bevel vernomen, als mij zelf betreft.

Overigens moet ik bekennen, dat dit geleide mij niet uitstekend

behaagt, want hoe talrijker wij zijn, hoe slechter nachtkwartieren

wij te wachten hebben. Ik bemin ons vaderland, maar zijne gastvrije

steden en dorpen zijn eer geschikt om vijandelijke legers te laten

verhongeren, dan om bevriende den kost te geven.”

Bernard en Lodewijk, die tegelijk met Boleslaw te huis gekomen,

zich eerst naar hunne kamers hadden begeven, traden thans binnen en

maakten den vriendenkring voltallig. Ook aan hen werd het bruidspaar

voorgesteld, ook zij ontboezemden hunne beste wenschen.

Rasinski liet in den loop van den avond eene zachte opgeruimdheid

blijken, die hem uiterst beminnelijk maakte. „Hoe jammer,” riep hij

in het vervolg van het gesprek uit, „dat onze vriend Bernard sabel en

lans zoo druk te hanteeren heeft gehad. Hij had waarlijk geen tijd, om

aan penseel of krijt te denken; anders had hij mij het beeld der lieve

bruid moeten teekenen.”

„En hij had het mij zelfs beloofd. Ten voeten uit wou hij haar

schilderen!” riep Jaromir.

„Schoon ik tot het laatste geen tijd gehad heb, kan ik ten minste nog

eene teekening beproeven,” viel Bernard hem in de rede. „De avond is

lang; eene, hoe vluchtige schets is toch beter dan niets, en weinige

uren zijn daartoe volkomen toereikend. Het is eene goede eigenschap

van ons bedrijf, dat het in zulke gevallen slechts op een deel onzer

krachten aanspraak maakt en noch ons zelf, noch anderen in het gezellig

onderhoud hinderlijk is; ten minste verlangen wij slechts zeer geringe

opoffering. Hand en oog arbeiden, maar het oor kan den loop van het

gesprek vrij volgen en de geest leent zich gemakkelijk tot beide

verrichtingen. Vergunt mij dus, mijne kleine, vluchtige werkplaats hier

voor eenige oogenblikken op te slaan, laat mij de lichten naar mijn

zin plaatsen, geeft mijne oogen de anders niet zeer kiesche vrijheid,

om zich scherp op het voorwerp mijner bezigheid te richten, en ik hoop

nog iets te leveren, dat althans tot eene kleine vergoeding voor de

grootere uitvoering, waartoe ons thans geen tijd blijft, dienen kan.

Geeft u vrij en ongedwongen aan het gesprek over. Dikwijls heeft eene

beeltenis oneindig meer waarheid en leven wanneer wij haar, zonder dat

ons doel vermoed wordt, heimelijk afloeren, dan wanneer het voorwerp er

zich toe zet, om op het doek te worden overgedragen. Het rampzaligst

van alles is, wanneer iemand alle plooien en plooitjes van zijn gezicht

met angstvallige bezorgdheid in orde schikt, om er de uitdrukking van

ongedwongenheid toch recht kunstmatig in te brengen, of wel om het nog

mooier te maken, een onnatuurlijk lachje om de lippen beitelt, zooals

de naaister een kleed met linten garneert.”

Zijn gereedschap werd door een bediende binnengebracht, hij verplaatste

de lichten, koos een geschikt standpunt en ging ijverig aan het werk.

Het gesprek der overigen werd inmiddels voortgezet en ook hij nam

daaraan ongedwongen deel, schoon hij soms slechts toeluisterde en

slechts nu en dan enkele woorden daartusschen wierp om eene geuite

meening goed te keuren, haar door eene losse opmerking te ondersteunen

of een scherpen pijl der tegenspraak daarop los te laten.

Men behandelde intusschen slechts algemeene onderwerpen, die wel

eene zekere deelnemende levendigheid verwekken, maar toch geene

hartstochtelijke bewegingen der ziel veroorzaken konden. Zulks had

Bernard uitdrukkelijk gevorderd, daar hij bij het losbarsten van

onstuimige gemoedsdriften onmogelijk op de rustig begonnen wijze had

kunnen voortteekenen; met groote behendigheid wist hij deze stemming te

doen standhouden en steeds te rechter tijd het gesprek te beteugelen of

aan te sporen, al naarmate het dreigde te verflauwen of al te levendig

te worden.

„Ik ben klaar,” riep hij, nadat er twee uren verloopen waren, en sprong

met het blad in de hand op. Nieuwsgierig drongen allen om hem heen, om

zijn werk te beschouwen. Hij trad eenige schreden achteruit en hield

plagend het blad met de rugzijde naar het gezelschap toe.

„Geen spanning, geen verwachting!” riep hij; „het is eene half mislukte

schets, meer niets. Had ik tijd, die morgen te herhalen, ik zou het

blad verbranden, eer iemand van u het gezien had; dat betuig ik u bij

mijne kunstenaarseer, die ik juist op het punt ben een weinig aan de

kaak te stellen.”

Thans wendde hij het blad om; men zag twee teekeningen. De eerste

stelde Lodoiska voor, de tweede Jaromir, beide in borstbeeld, slechts

vluchtig, maar geestig uitgevoerd en sprekend gelijkende. Allen

verheugden zich in het geslaagde werk en bewonderden de zinrijke

uitvoering; maar vooral Jaromir was verrukt en riep uit: „Welk een

heerlijk geschenk, welk eene dubbele verrassing! Nu kan ik het beeld

van mijn meisje medenemen en haar het mijne achterlaten.”

Lodewijk was de eenige, die de teekeningen nauwkeuriger beschouwde;

na eenige oogenblikken zeide hij glimlachend: „Inderdaad, ik wist in

den beginne niet, waarom gij die ouderwetsche lijsten om de beelden

getrokken hadt; daar ik u ken, vermoedde ik dadelijk eene oorzaak, die

ik nu meen gevonden te hebben. Waarlijk, de inval is goed en nog beter

uitgevoerd.”

„Ja, ja, gij kent mijne streken,” hernam Bernard, „en weet, dat ik

zelden honderd schreden rechtuit ga. Bokkesprongen op den effen weg

zijn mij nu eenmaal tot behoefte geworden, want de Uilenspiegel zit mij

onveranderlijk, van mijne geboorte af, in den nek.”

Na dit gesprek werden de overigen zeer begeerig, het geheim ontraadseld

te zien. Nu men er eens opmerkzaam op gemaakt was, werd dit zeer

gemakkelijk. Bernard had namelijk om elken kop een vierkante,

schijnbaar ouderwetsch opgeluisterde lijst geteekend, elke hoek

vertoonde een gezicht, en wel de uiterst welgelijkende beeltenissen

der aanwezigen. Aan de beide bovenzijden waren Rasinski en zijne

zuster, beneden Lodewijk en Boleslaw afgebeeld. Bovendien had hij aan

elke lijst een knop gegeven, waaruit zijn eigen gezicht met hekelende

spotachtige trekken op het gansche werk scheen neder te zien.

Deze luimige toegift tot het geschenk werd met levendigen bijval

bekroond. Van alle zijden werd de schilder met lofspraken overstelpt en

vooral Jaromir gaf zijne vreugde door luide ontboezemingen te kennen.

„Zulk een beeld,” riep hij uit, „maakt mij waarlijk gelukkig, ja

verheugt mij meer dan de schoonste schilderij; dit immers kan ik altijd

bij mij dragen en mij in den aanblik verkwikken zoo vaak ik wil. Hoe

trouw haar beeld mij ook overal verzellen zal, het is toch iets anders,

als men het zoo werkelijk met de oogen zien kan.”

„Evenals het nog niet iets anders en duizendmaal schooner is,” hernam

Bernard, „als men de geliefde zelve voor zich ziet, niet waar?”

Lodoiska sloeg het oog neder, daar Bernard haar bij deze woorden

aanzag; doch spoedig hief zij het weder op en blikte Jaromir met eene

onbeschrijfelijke uitdrukking van liefde aan, als wilde zij daardoor

Bernards woorden bevestigen.

Hoeveel reden ook elk der aanwezigen hebben mocht om sombere gedachten

te koesteren, door deze kleine verrassing was toch zulk een aangenaam,

helder licht op de donkere grondkleur der gemoederen gevallen, dat

men, zoo al niet in een vroolijke, dan toch in eene kalme en zacht

opgeruimde stemming geraakte.

Zoo voldeed de kunst dan ook hier aan hare schoone roeping, door zacht

bemiddelend in den ruwen strijd des levens te treden en zijne donkere,

moeielijke paden te verlichten en te effenen. O, niet genoeg kunnen

wij den goedertieren Schepper danken, dat Hij eene schoone gestalte

uit zijn Hemel deed nederdalen, wier taak het is, de scherpe omtrekken

der werkelijkheid door eene zachte schakeering der kleuren te doen

wegsmelten en over de woest neerbruisende stortbeek der hartstochten

den schemerenden stofregenboog uit te spannen, die ons bewijst, dat de

stralen der goddelijke zon tot in de diepste, verborgenste aardkloof

doordringen.

1812: Historische roman · 第 40 / 154 题