HOOFDSTUK VIII.

De gravin en Lodoiska reden in gezelschap van den overste naar huis,

de drie jongelieden volgden te voet en kwamen dus iets later aan het

paleis. Toen zij de breede marmeren trappen opvlogen, kwam de gravin

hun met een geheimzinnig, maar zeer tevreden lachje te gemoet. „Niet

naar de eetzaal,” sprak zij, „volgt mij nog eerst in het spreekvertrek,

want de tafel is nog niet behoorlijk gedekt.” Gewillig volgden haar

de vrienden en vonden niemand dan den overste. „Lodoiska verkleedt

zich,” vervolgde de gastvrouw, „en wij zullen ook nog eenig geduld

moeten hebben, daar de lieve Alisette beloofd heeft van het gezelschap

te zijn.” De vrienden zaten in een vertrouwelijk gesprek met den rug

naar de deur gewend, toen Jaromir eensklaps twee handen voor zijne

oogen voelde, om hem te laten raden, wie de onbekende was; doch daartoe

bleef hem de tijd niet, want eer hij nog gissen kon, waren Lodewijk

en Bernard reeds met den luiden vreugdekreet: „Graaf Rasinski!” van

hunne stoelen opgesprongen. Boleslaw was het, die Jaromirs oogen

bedekt hield. Deze sprong op en omarmde den vriend en krijgsmakker

met onstuimige heftigheid: Rasinski begroette hem met hetzelfde vuur.

„Hoe is 't u gegaan? Zijt gij gezond en wel?” klonken de hartelijke

vragen verward dooreen, zonder dat het antwoord afgewacht werd, daar

men elkander frisch en bloeiend voor zich zag. „Duizend groeten

van de uwen,” waren de eerste woorden, welke Rasinski na de eerste

luidruchtige verwelkoming tot Lodewijk richtte; „mijne afreis kwam

zoo overhaast op, dat er geen tijd was mij wijdloopige brieven mede

te geven; intusschen heb ik toch eenige regels voor u, en met den

volgenden postdag meer.”

De groet van de zijnen, dit eerste aanknoopingspunt met een gelukkig

verleden, moest Lodewijk in eene weemoedige stemming brengen. Maar

met dien weemoed doordrong hem tevens het vertroostend gevoel, dat er

op verren afstand nog lieve wezens waren, die het donker pad zijns

levens met bezorgde deelneming volgden, welker hartelijke wenschen en

gebeden hem als wakende beschermengelen omzweefden. Hij dankte dus den

overbrenger der zoete boodschap met een innigen handdruk en verzocht,

het voor hem bestemde te mogen ontvangen.

Bernard, die steeds de omzichtigste was en zich niet licht door

eenig gevoel zoozeer liet wegslepen, dat hij daardoor de bedaarde

behoedzaamheid verloor, werd eensklaps door de gedachte verontrust,

dat Rasinski hunne aangenomen namen nog niet kende en daardoor het

gepleegde bedrog gemakkelijk verraden kon. Ongemerkt verliet hij dus

het vertrek en zond een bediende naar binnen, om den graaf in de

spreekkamer te roepen. Deze was zeer verwonderd en kon bezwaarlijk

begrijpen, wie hem in eene plaats, waar hij zich eerst sinds een

kwartier ophield, over dienstzaken kon te onderhouden hebben. Hij zond

dus Boleslaw, aan wien Bernard de reden zijner bezorgdheid mededeelde.

Als ware de zaak van de dringendste aangelegenheid, ging deze nu naar

binnen en keerde met den graaf terug, waarop Bernard zijn verlangen

nader uiteenzette.

„Voortreffelijk, mijn jonge vriend,” sprak Rasinski, „gij verraadt

aanleg tot een partijganger en houdt oog en oor open. Dat zal mij een

goed teeken zijn, graaf Lomond; gij kunt op bevordering aanspraak

maken. Bovendien is het prijselijk, dat gij een graventitel hebt

aangenomen, want hoezeer het woeste dobbelspel van den tijd oud en

nieuw in den beker 't onderstboven heeft geschud, lood zinkt nog altijd

naar den grond en olie drijft boven. Zoo zullen rang en rijkdom zelfs

dan nog gelden, als het russische rijk in eene atheensche republiek en

Madrid en Napels in een tweede Sparta herschapen zijn. Uit u, vriend,

kan iets goeds worden, en Lodewijk mag willen of niet, bij zijn Soren

moet hij een graaf of vrijheer voegen, al ware 't enkel om hem te

gemakkelijker te kunnen betitelen.”

Zij traden het vertrek weder binnen.

„Nu, die dienstzaken moeten wel dringend zijn,” riep de gravin hun te

gemoet, „daar zij u reeds in het eerste oogenblik uwer aankomst aan ons

onttrekken.”

„Gij weet,” antwoordde Rasinski, „de soldaat is eenvoudig een rad van

het groote werktuig, dat zich naar de beweging van het geheel moet

regelen, zal dit niet gestremd of het weerspannige deel verpletterd

worden. Intusschen is alles voor dezen avond vermoedelijk afgeloopen

en kunnen wij ons onverdeeld aan u toewijden.” Hij zette zich onder

deze woorden naast zijne zuster neder en nam vriendelijk hare hand. Zij

beschouwde hem met eene zekere liefderijke bezorgdheid, als wilde zij

onderzoeken, of hij nog de oude, beminde broeder ware. „Ik weet niet,”

sprak zij na eenige oogenblikken, „maar gij schijnt mij een weinig

verouderd, Stephanus; hier op het voorhoofd ontdek ik een rimpel,

die, dunkt mij, naar droefgeestigheid zweemt. Waarlijk, broeder, uw

voorhoofd is niet meer de heldere, onbewolkte hemel, wiens aanblik mij

voorheen zoo vaak bemoedigde.”

„De ouderdom, Johanna, oefent zijne rechten op mij uit,” hernam hij met

een glimlach, zonder dat zich echter de diepe ernst zijner trekken door

een zoo licht hulsel van opgeruimdheid omsluieren liet.

„Het is geen trek van den ouderdom, hij is door zorg of kommer

ingeprent. Deel der zuster de helft van uw last mede, anders draagt zij

de dubbele zwaarte, zonder dat gij het verhinderen kunt; gij weet, elke

onzekerheid vergroot gevaren en zorgen.”

Het gesprek werd tusschen beiden gevoerd, zonder de aandacht van het

gezelschap tot zich te trekken; daarom herhaalde de gravin met meer

aandrang hare bede om mededeeling, daar de broeder de eerste slechts

door een ernstig zwijgen en peinzend hoofdschudden had beantwoord.

„Het vaderland,” zeide hij nu, „eischt buiten de gansche kracht van ons

leven ook menig ander offer; wij brengen ze gewillig, maar beschuldigen

zal men ons daarom toch niet, wanneer wij niet ongevoelig voor de

smart zijn, die ons het verlies of het opgeven van zulke goederen

veroorzaakt, die door de meesten als het hoogste geschat worden, ja

niet zelden voor het doel van ons aanzijn gelden.”

De zuster zag hem medelijdend aan en reikte hem de hand; hij drukte ze

zwijgend en blikte haar welwillend en dankbaar in het liefdevolle oog.

De opmerkzaamheid der overigen werd thans door een ander voorwerp in

beslag genomen. Alisette trad binnen. Als eene lentegodin zweefde zij

over den drempel van het vertrek en hield een vollen ruiker jonge

rozen, waarvan er eene aan hare borst prijkte, in de hand. Vriendelijk

groetend spoedde zij de heeren voorbij en trad op de gravin toe, die

mijmerend en in gedachten verzonken, de verschijning dezer liefelijke

Flora niet bemerkt had. Ook Rasinski ontdekte haar eerst, toen zij

dicht vóór hem stond, en sprong beleefd op, om haar als eene vreemde te

begroeten.

„Daar ben ik,” fluisterde zij, zich bevallig buigend; „maar mag het

zwitsersch meisje wel in zulk een voornamen kring verschijnen?”

„Welkom, welkom,” hervatte de verraste vrouw des huizes; „en welk een

keur van gaven brengt mijne schoone sirene mede!” riep zij, de geurige

bloemen bemerkende; „in geheel mijn tuin is nog geen enkele knop te

ontdekken, maar in uw hand bloeit reeds de rijkste rozengaard!”

„Het is eene beleefdheid, die ik, wien weet ik niet, te danken heb,”

hernam Alisette. „Ik bevond mij nog in de kleedkamer, toen men

aantikte. Constance, mijne kamenier, opende de deur op een reetje en

vroeg, wie het was. In plaats van antwoord, reikte eene onbekende

hand mij dezen heerlijken ruiker over. Het is eigenlijk wreed, niet

waar? zoovele schoone rozen een rassen dood te wijden. Alle tuinen in

Warschau moet de onbekende, verkwistende vriend geplunderd hebben, want

zij zijn nog zeldzaam en op den kouden grond bloeien er nog geene.”

„Gelukkig zij, die tot eene zoo schoone bestemming geplukt zijn,”

merkte Rasinski op. Eerst thans bemerkte Françoise hem en was verrast,

een vreemde te zien. „Mijn broeder,” sprak de gravin en maakte dezen

met haar bekend door dadelijk van het onbeschrijfelijk genot te

verhalen, dat Alisette's kunst dezen avond allen bereid had. Het meisje

scheen zeer gelukkig met een zoo vleiende getuigenis, maar weerde toch

met bescheidenheid alle verdere lofspraken af. Vervolgens nam zij de

rozen en riep: „Ik moet dankbaar zijn voor zooveel goedheid. Zooveel

huldigingen, zooveel rozen! Hier, hier!” Tevens bood zij aan ieder met

schertsende vriendelijkheid eene roos; Regnard echter bekwam er geen.

„Gij hebt mij niet geprezen, u geef ik ook geen bloem; daarentegen zult

gij er twee hebben,” wendde zij zich tot Jaromir en gaf hem de twee

schoonste van den ganschen ruiker. Zonder zijn dank af te wachten,

keerde zij met ledige handen tot de gravin terug, die haar met dreigend

opgeheven vinger en met de woorden ontving: „Stoute verkwistster! zoo

lichtzinnig verspilt gij de gaven van uwen vereerder? Als hij nu eens

hier tegenwoordig was?” voegde zij er bij, een blik op Regnard werpende.

„O dat mag hij; hij zou slechts zien, dat zijn geschenk mij de grootste

vreugde verschaft heeft, duizendmaal meer, dan wanneer ik het in een

glas op mijne kaptafel zag verwelken. Om mij genoegen te doen, heeft

hij het mij waarschijnlijk toch geschonken.”

Lodoiska was, stil als eene verschijning, in de zaal getreden en stond

onverhoeds naast de gravin.

„Ach, daar zijt gij immers,” riep Alisette uit en trad op haar toe;

„hoe, en gij zoudt geene roos hebben, die mij zoo welsprekend geprezen

hebt? Of meent gij, dat ik uwe tranen niet bemerkt heb? Wanneer ik u

aanzag, waande ik in een spiegel te zien, welks zuiver kristal mij de

onverhulde waarheid toonde. Als mijne tonen u tot glimlachen of tot

tranen bewogen, dan wist ik, dat zij waarlijk tot het hart drongen.

En u zoude ik niet eenmaal eene roos ten dank geven! Maar hier is er

immers nog eene,” riep zij verheugd en zag op die, welke in den gordel

van haar kleed aan de zwoegende borst liefelijk bloeide. Zij nam ze en

wilde haar aan Lodoiska's boezem steken, doch deze weerde de hand af en

bleef vriendelijk maar dringend weigeren.

Het was inderdaad een bevallig schouwspel, dezen kleinen twist der

beide schoone meisjes aan te zien. Alisette, in haar wit golvend

gewaad een beeld der lente, der jeugdige Hebe; Lodoiska, in het donker

zijden kleed, ernstig en tevens vriendelijk; Alisette's wangen en

lippen met het gloeiendst purperrood overgoten, in haar blauw oog de

vreugde zelve, het helder voorhoofd met lichtbruine haarlokken omgeven;

Lodoiska aan de lelie gelijk, eene zachte doorschijnende rooskleur op

de wangen, het oog ernstig, zachtzinnig, groot, het marmeren voorhoofd

en de sneeuwwitte nek door rijk, zwart haar overschaduwd, vrouwelijk

edel in gelaat en houding; Alisette haar met rustelooze levendigheid

omzwevende, vleiende, overredende, smeekende.

Eindelijk gelukte het haar de roos in den gouden gordelband, die het

kleed der wederstrevende omsloot, vast te hechten en de zachte bloem

schemerde bevallig op den donkeren grond.

„Nu ben ik tevreden, nu ben ik gelukkig!” riep Françoise uit, toen

zij van hare overwinning verzekerd was. „Nu eerst schijnt mij de roos

schoon;—ik verdien haar waarlijk niet.”

Bij deze laatste woorden bespeurde Bernard een zweem van

zwaarmoedigheid op de heldere gelaatstrekken van het meisje; het was

alsof zij met spijt gevoelde, dat in dit gezegde eene bittere waarheid

voor haar zelve lag opgesloten.

Zoude zij werkelijk eene schoone Magdalena zijn, voor wie de tijd der

boete nog niet gekomen is? dacht hij bij zich zelf en besloot zijne

navorschende waarnemingen voort te zetten. Toen de vleugeldeuren der

eetzaal geopend werden, trad hij dus op haar toe en bood haar, als voor

drie dagen, den arm. Zij nam dien vriendelijk aan en zeide: „Gij hebt

geen woord gehouden, in vele opzichten niet. Gij woudt mij voor elk

lied eene teekening schenken, mij uw schetsenboek laten zien, ja mij

zelve schilderen! Maar gij hebt dat alles vergeten, mij zelfs niet eens

bezocht, schoon wij toch buren zijn. Nu, ik moet wel dankbaar zijn, dat

gij thans toch aan mij denken en mijn nabuur aan tafel wilt zijn.”

Bernard antwoordde op deze schertsende beschuldiging door eene

vernieuwing zijner beloften; men zette zich neder en hij nam met

genoegen aan de zijde der bekoorlijke zangeres plaats.

Boleslaw zat aan de eene, Jaromir aan de andere zijde van Lodoiska.

Deels uit welwillende beleefdheid, deels ook wijl de gravin haar een

wenk had gegeven, zich niet te verraden en voor het doordringend oog

van Regnard en de fijne opmerkzaamheid van Alisette op hare hoede te

zijn, richtte Lodoiska dikwijls het woord tot Boleslaw, met wien zij,

als haar landsman en den, schoon minder vertrouwelijken vriend harer

jeugd, in vele punten van aanraking stond.

Lodewijk bemerkte dat de ernstige jongeling warm werd, dat een zacht

vuur uit zijne oogen straalde. Zou, dacht hij, de schoone burin hem

ook gevaarlijk kunnen worden? Hij zag het met bezorgdheid, want zijn

juist oordeel zeide hem, dat eene vlam in Boleslaws borst niet vluchtig

kon opwakkeren en gebluscht worden. Vatte de vonk vuur, dan moest de

gloed tot in het diepste binnenste en duurzaam voortbranden. Gaarne

had hij hem gewaarschuwd; maar dit was niet mogelijk, en bovendien had

hij aan Jaromir een onvoorwaardelijk stilzwijgen beloofd. Wat zoude

het ook gebaat hebben? Wanneer Boleslaw in dit schoone wezen vond, wat

zijne ernstig gestemde ziel geheel vervullen kon, wanneer de macht der

liefde zich snel en goddelijk in hem openbaarde, zou dan het kennen der

zachte banden, die den vriend reeds omstrikt hielden, dit veranderen?

Neen, slechts met te grievender smarten ware de gloeiende pijl den

ongelukkige in het hart gedrongen. Nu bleef het ten minste de vluchtig

voorbijzwevende minuut eens schoonen drooms en het kortstondig geluk

eener zoete, hoopvolle verwachting.

1812: Historische roman · 第 39 / 154 题