De gravin en Lodoiska reden in gezelschap van den overste naar huis,
de drie jongelieden volgden te voet en kwamen dus iets later aan het
paleis. Toen zij de breede marmeren trappen opvlogen, kwam de gravin
hun met een geheimzinnig, maar zeer tevreden lachje te gemoet. „Niet
naar de eetzaal,” sprak zij, „volgt mij nog eerst in het spreekvertrek,
want de tafel is nog niet behoorlijk gedekt.” Gewillig volgden haar
de vrienden en vonden niemand dan den overste. „Lodoiska verkleedt
zich,” vervolgde de gastvrouw, „en wij zullen ook nog eenig geduld
moeten hebben, daar de lieve Alisette beloofd heeft van het gezelschap
te zijn.” De vrienden zaten in een vertrouwelijk gesprek met den rug
naar de deur gewend, toen Jaromir eensklaps twee handen voor zijne
oogen voelde, om hem te laten raden, wie de onbekende was; doch daartoe
bleef hem de tijd niet, want eer hij nog gissen kon, waren Lodewijk
en Bernard reeds met den luiden vreugdekreet: „Graaf Rasinski!” van
hunne stoelen opgesprongen. Boleslaw was het, die Jaromirs oogen
bedekt hield. Deze sprong op en omarmde den vriend en krijgsmakker
met onstuimige heftigheid: Rasinski begroette hem met hetzelfde vuur.
„Hoe is 't u gegaan? Zijt gij gezond en wel?” klonken de hartelijke
vragen verward dooreen, zonder dat het antwoord afgewacht werd, daar
men elkander frisch en bloeiend voor zich zag. „Duizend groeten
van de uwen,” waren de eerste woorden, welke Rasinski na de eerste
luidruchtige verwelkoming tot Lodewijk richtte; „mijne afreis kwam
zoo overhaast op, dat er geen tijd was mij wijdloopige brieven mede
te geven; intusschen heb ik toch eenige regels voor u, en met den
volgenden postdag meer.”
De groet van de zijnen, dit eerste aanknoopingspunt met een gelukkig
verleden, moest Lodewijk in eene weemoedige stemming brengen. Maar
met dien weemoed doordrong hem tevens het vertroostend gevoel, dat er
op verren afstand nog lieve wezens waren, die het donker pad zijns
levens met bezorgde deelneming volgden, welker hartelijke wenschen en
gebeden hem als wakende beschermengelen omzweefden. Hij dankte dus den
overbrenger der zoete boodschap met een innigen handdruk en verzocht,
het voor hem bestemde te mogen ontvangen.
Bernard, die steeds de omzichtigste was en zich niet licht door
eenig gevoel zoozeer liet wegslepen, dat hij daardoor de bedaarde
behoedzaamheid verloor, werd eensklaps door de gedachte verontrust,
dat Rasinski hunne aangenomen namen nog niet kende en daardoor het
gepleegde bedrog gemakkelijk verraden kon. Ongemerkt verliet hij dus
het vertrek en zond een bediende naar binnen, om den graaf in de
spreekkamer te roepen. Deze was zeer verwonderd en kon bezwaarlijk
begrijpen, wie hem in eene plaats, waar hij zich eerst sinds een
kwartier ophield, over dienstzaken kon te onderhouden hebben. Hij zond
dus Boleslaw, aan wien Bernard de reden zijner bezorgdheid mededeelde.
Als ware de zaak van de dringendste aangelegenheid, ging deze nu naar
binnen en keerde met den graaf terug, waarop Bernard zijn verlangen
nader uiteenzette.
„Voortreffelijk, mijn jonge vriend,” sprak Rasinski, „gij verraadt
aanleg tot een partijganger en houdt oog en oor open. Dat zal mij een
goed teeken zijn, graaf Lomond; gij kunt op bevordering aanspraak
maken. Bovendien is het prijselijk, dat gij een graventitel hebt
aangenomen, want hoezeer het woeste dobbelspel van den tijd oud en
nieuw in den beker 't onderstboven heeft geschud, lood zinkt nog altijd
naar den grond en olie drijft boven. Zoo zullen rang en rijkdom zelfs
dan nog gelden, als het russische rijk in eene atheensche republiek en
Madrid en Napels in een tweede Sparta herschapen zijn. Uit u, vriend,
kan iets goeds worden, en Lodewijk mag willen of niet, bij zijn Soren
moet hij een graaf of vrijheer voegen, al ware 't enkel om hem te
gemakkelijker te kunnen betitelen.”
Zij traden het vertrek weder binnen.
„Nu, die dienstzaken moeten wel dringend zijn,” riep de gravin hun te
gemoet, „daar zij u reeds in het eerste oogenblik uwer aankomst aan ons
onttrekken.”
„Gij weet,” antwoordde Rasinski, „de soldaat is eenvoudig een rad van
het groote werktuig, dat zich naar de beweging van het geheel moet
regelen, zal dit niet gestremd of het weerspannige deel verpletterd
worden. Intusschen is alles voor dezen avond vermoedelijk afgeloopen
en kunnen wij ons onverdeeld aan u toewijden.” Hij zette zich onder
deze woorden naast zijne zuster neder en nam vriendelijk hare hand. Zij
beschouwde hem met eene zekere liefderijke bezorgdheid, als wilde zij
onderzoeken, of hij nog de oude, beminde broeder ware. „Ik weet niet,”
sprak zij na eenige oogenblikken, „maar gij schijnt mij een weinig
verouderd, Stephanus; hier op het voorhoofd ontdek ik een rimpel,
die, dunkt mij, naar droefgeestigheid zweemt. Waarlijk, broeder, uw
voorhoofd is niet meer de heldere, onbewolkte hemel, wiens aanblik mij
voorheen zoo vaak bemoedigde.”
„De ouderdom, Johanna, oefent zijne rechten op mij uit,” hernam hij met
een glimlach, zonder dat zich echter de diepe ernst zijner trekken door
een zoo licht hulsel van opgeruimdheid omsluieren liet.
„Het is geen trek van den ouderdom, hij is door zorg of kommer
ingeprent. Deel der zuster de helft van uw last mede, anders draagt zij
de dubbele zwaarte, zonder dat gij het verhinderen kunt; gij weet, elke
onzekerheid vergroot gevaren en zorgen.”
Het gesprek werd tusschen beiden gevoerd, zonder de aandacht van het
gezelschap tot zich te trekken; daarom herhaalde de gravin met meer
aandrang hare bede om mededeeling, daar de broeder de eerste slechts
door een ernstig zwijgen en peinzend hoofdschudden had beantwoord.
„Het vaderland,” zeide hij nu, „eischt buiten de gansche kracht van ons
leven ook menig ander offer; wij brengen ze gewillig, maar beschuldigen
zal men ons daarom toch niet, wanneer wij niet ongevoelig voor de
smart zijn, die ons het verlies of het opgeven van zulke goederen
veroorzaakt, die door de meesten als het hoogste geschat worden, ja
niet zelden voor het doel van ons aanzijn gelden.”
De zuster zag hem medelijdend aan en reikte hem de hand; hij drukte ze
zwijgend en blikte haar welwillend en dankbaar in het liefdevolle oog.
De opmerkzaamheid der overigen werd thans door een ander voorwerp in
beslag genomen. Alisette trad binnen. Als eene lentegodin zweefde zij
over den drempel van het vertrek en hield een vollen ruiker jonge
rozen, waarvan er eene aan hare borst prijkte, in de hand. Vriendelijk
groetend spoedde zij de heeren voorbij en trad op de gravin toe, die
mijmerend en in gedachten verzonken, de verschijning dezer liefelijke
Flora niet bemerkt had. Ook Rasinski ontdekte haar eerst, toen zij
dicht vóór hem stond, en sprong beleefd op, om haar als eene vreemde te
begroeten.
„Daar ben ik,” fluisterde zij, zich bevallig buigend; „maar mag het
zwitsersch meisje wel in zulk een voornamen kring verschijnen?”
„Welkom, welkom,” hervatte de verraste vrouw des huizes; „en welk een
keur van gaven brengt mijne schoone sirene mede!” riep zij, de geurige
bloemen bemerkende; „in geheel mijn tuin is nog geen enkele knop te
ontdekken, maar in uw hand bloeit reeds de rijkste rozengaard!”
„Het is eene beleefdheid, die ik, wien weet ik niet, te danken heb,”
hernam Alisette. „Ik bevond mij nog in de kleedkamer, toen men
aantikte. Constance, mijne kamenier, opende de deur op een reetje en
vroeg, wie het was. In plaats van antwoord, reikte eene onbekende
hand mij dezen heerlijken ruiker over. Het is eigenlijk wreed, niet
waar? zoovele schoone rozen een rassen dood te wijden. Alle tuinen in
Warschau moet de onbekende, verkwistende vriend geplunderd hebben, want
zij zijn nog zeldzaam en op den kouden grond bloeien er nog geene.”
„Gelukkig zij, die tot eene zoo schoone bestemming geplukt zijn,”
merkte Rasinski op. Eerst thans bemerkte Françoise hem en was verrast,
een vreemde te zien. „Mijn broeder,” sprak de gravin en maakte dezen
met haar bekend door dadelijk van het onbeschrijfelijk genot te
verhalen, dat Alisette's kunst dezen avond allen bereid had. Het meisje
scheen zeer gelukkig met een zoo vleiende getuigenis, maar weerde toch
met bescheidenheid alle verdere lofspraken af. Vervolgens nam zij de
rozen en riep: „Ik moet dankbaar zijn voor zooveel goedheid. Zooveel
huldigingen, zooveel rozen! Hier, hier!” Tevens bood zij aan ieder met
schertsende vriendelijkheid eene roos; Regnard echter bekwam er geen.
„Gij hebt mij niet geprezen, u geef ik ook geen bloem; daarentegen zult
gij er twee hebben,” wendde zij zich tot Jaromir en gaf hem de twee
schoonste van den ganschen ruiker. Zonder zijn dank af te wachten,
keerde zij met ledige handen tot de gravin terug, die haar met dreigend
opgeheven vinger en met de woorden ontving: „Stoute verkwistster! zoo
lichtzinnig verspilt gij de gaven van uwen vereerder? Als hij nu eens
hier tegenwoordig was?” voegde zij er bij, een blik op Regnard werpende.
„O dat mag hij; hij zou slechts zien, dat zijn geschenk mij de grootste
vreugde verschaft heeft, duizendmaal meer, dan wanneer ik het in een
glas op mijne kaptafel zag verwelken. Om mij genoegen te doen, heeft
hij het mij waarschijnlijk toch geschonken.”
Lodoiska was, stil als eene verschijning, in de zaal getreden en stond
onverhoeds naast de gravin.
„Ach, daar zijt gij immers,” riep Alisette uit en trad op haar toe;
„hoe, en gij zoudt geene roos hebben, die mij zoo welsprekend geprezen
hebt? Of meent gij, dat ik uwe tranen niet bemerkt heb? Wanneer ik u
aanzag, waande ik in een spiegel te zien, welks zuiver kristal mij de
onverhulde waarheid toonde. Als mijne tonen u tot glimlachen of tot
tranen bewogen, dan wist ik, dat zij waarlijk tot het hart drongen.
En u zoude ik niet eenmaal eene roos ten dank geven! Maar hier is er
immers nog eene,” riep zij verheugd en zag op die, welke in den gordel
van haar kleed aan de zwoegende borst liefelijk bloeide. Zij nam ze en
wilde haar aan Lodoiska's boezem steken, doch deze weerde de hand af en
bleef vriendelijk maar dringend weigeren.
Het was inderdaad een bevallig schouwspel, dezen kleinen twist der
beide schoone meisjes aan te zien. Alisette, in haar wit golvend
gewaad een beeld der lente, der jeugdige Hebe; Lodoiska, in het donker
zijden kleed, ernstig en tevens vriendelijk; Alisette's wangen en
lippen met het gloeiendst purperrood overgoten, in haar blauw oog de
vreugde zelve, het helder voorhoofd met lichtbruine haarlokken omgeven;
Lodoiska aan de lelie gelijk, eene zachte doorschijnende rooskleur op
de wangen, het oog ernstig, zachtzinnig, groot, het marmeren voorhoofd
en de sneeuwwitte nek door rijk, zwart haar overschaduwd, vrouwelijk
edel in gelaat en houding; Alisette haar met rustelooze levendigheid
omzwevende, vleiende, overredende, smeekende.
Eindelijk gelukte het haar de roos in den gouden gordelband, die het
kleed der wederstrevende omsloot, vast te hechten en de zachte bloem
schemerde bevallig op den donkeren grond.
„Nu ben ik tevreden, nu ben ik gelukkig!” riep Françoise uit, toen
zij van hare overwinning verzekerd was. „Nu eerst schijnt mij de roos
schoon;—ik verdien haar waarlijk niet.”
Bij deze laatste woorden bespeurde Bernard een zweem van
zwaarmoedigheid op de heldere gelaatstrekken van het meisje; het was
alsof zij met spijt gevoelde, dat in dit gezegde eene bittere waarheid
voor haar zelve lag opgesloten.
Zoude zij werkelijk eene schoone Magdalena zijn, voor wie de tijd der
boete nog niet gekomen is? dacht hij bij zich zelf en besloot zijne
navorschende waarnemingen voort te zetten. Toen de vleugeldeuren der
eetzaal geopend werden, trad hij dus op haar toe en bood haar, als voor
drie dagen, den arm. Zij nam dien vriendelijk aan en zeide: „Gij hebt
geen woord gehouden, in vele opzichten niet. Gij woudt mij voor elk
lied eene teekening schenken, mij uw schetsenboek laten zien, ja mij
zelve schilderen! Maar gij hebt dat alles vergeten, mij zelfs niet eens
bezocht, schoon wij toch buren zijn. Nu, ik moet wel dankbaar zijn, dat
gij thans toch aan mij denken en mijn nabuur aan tafel wilt zijn.”
Bernard antwoordde op deze schertsende beschuldiging door eene
vernieuwing zijner beloften; men zette zich neder en hij nam met
genoegen aan de zijde der bekoorlijke zangeres plaats.
Boleslaw zat aan de eene, Jaromir aan de andere zijde van Lodoiska.
Deels uit welwillende beleefdheid, deels ook wijl de gravin haar een
wenk had gegeven, zich niet te verraden en voor het doordringend oog
van Regnard en de fijne opmerkzaamheid van Alisette op hare hoede te
zijn, richtte Lodoiska dikwijls het woord tot Boleslaw, met wien zij,
als haar landsman en den, schoon minder vertrouwelijken vriend harer
jeugd, in vele punten van aanraking stond.
Lodewijk bemerkte dat de ernstige jongeling warm werd, dat een zacht
vuur uit zijne oogen straalde. Zou, dacht hij, de schoone burin hem
ook gevaarlijk kunnen worden? Hij zag het met bezorgdheid, want zijn
juist oordeel zeide hem, dat eene vlam in Boleslaws borst niet vluchtig
kon opwakkeren en gebluscht worden. Vatte de vonk vuur, dan moest de
gloed tot in het diepste binnenste en duurzaam voortbranden. Gaarne
had hij hem gewaarschuwd; maar dit was niet mogelijk, en bovendien had
hij aan Jaromir een onvoorwaardelijk stilzwijgen beloofd. Wat zoude
het ook gebaat hebben? Wanneer Boleslaw in dit schoone wezen vond, wat
zijne ernstig gestemde ziel geheel vervullen kon, wanneer de macht der
liefde zich snel en goddelijk in hem openbaarde, zou dan het kennen der
zachte banden, die den vriend reeds omstrikt hielden, dit veranderen?
Neen, slechts met te grievender smarten ware de gloeiende pijl den
ongelukkige in het hart gedrongen. Nu bleef het ten minste de vluchtig
voorbijzwevende minuut eens schoonen drooms en het kortstondig geluk
eener zoete, hoopvolle verwachting.