Reeds in den vroegen morgen dreunde het roffelen der trommen en
het schetteren der trompetten door Warschau's straten en riep de
troepen tot den afmarsch te zamen. Het vervulde Lodoiska met bange
beklemdheid, daar zij thans den geliefde harer ziel aan duizend
dreigende gevaren zoude prijsgeven.
Niet zoo angstig bezorgd, maar de borst met zoete verwachtingen voor
het vaderland vervuld, zag de gravin de scheiding te gemoet; zij
was te zeer poolsch, om niet met een inmengsel van blijden trots de
krijgszuchtige tooneelen te beschouwen, welke de onrustige dagen van
dien tijd haar zoo ruimschoots aanboden. Ook haren broeder, die haar
het liefste op aarde, ja, die haar alles was, daar zij zonder hem
geheel alleen stond, ook hem zag zij met kalmte aan den spits zijner
schaar ten strijde trekken.
Een gekletter van sabels op de trap verkondigde haar het naderen van
Rasinski en zijne kameraden, die in het vertrek der vrouwen traden
om afscheid te nemen. Zij waren in volle uniform; sjerp en sabel
versierden hen en van de czapka wuifden blinkende vederbossen. Het
krijgsmanskleed verleent aan lichaam en ziel dezelfde krijgshaftigheid.
Het is, alsof men zich de roeping van dien stand door zijne uiterlijke
kenteekenen te beter bewust wordt. Vandaar waren de mannen bij het
werkelijk afscheid nemen minder geroerd, dan hunne vroegere weeke
stemming had doen vermoeden. Rasinski drukte de zuster met broederlijke
warmte aan zijne borst en sprak mannelijk en vast: „Wij trekken uit
tot eene hooge roeping; geen smartgevoel beklemme onze ziel. Slechts
heilige geestdrift voor het vaderland mag haar doorgloeien. Wij
zullen onze ontwijde altaren reinigen, den verdreven vaderlandschen
goden eene nieuwe haardstede vesten, aan onze oude grenzen het wapen
der Jagellonen weder neerplanten, hunne heilige vanen wederom laten
wapperen tot roem van ons volk! Vaarwel, zuster! niet mij, niet ons,
slechts onze wapenen verzelle uw zegen, slechts voor de overwinning
rijze uw gebed tot den Almachtige omhoog! 't Zij wij vallen of
wederkeeren, 't is hetzelfde, als slechts Polens witte arend met
trotsche vleugels uit de donderwolken van den slag tot den helderen
hemel der vrijheid opstijgt. Leef wel! God spare u voor eene betere
toekomst!”
Hij liet den opgeheven arm zinken, omhelsde de zuster nog eenmaal,
drukte ook op Lodoiska's bleeke wangen een kus, verliet met rasse
schreden het vertrek en ijlde naar beneden, om zich in den zadel te
werpen.
Jaromir klemde zijne bruid onder het storten van heete tranen aan
de borst; verlangend sloeg zijn hart den kamp voor het vaderland te
gemoet, maar het bloedde bij het scheiden van de geliefde. Zij weende
nauwelijks, want eene kille doodsangst, vreeselijker dan de diepste
smart, had hare tranen versteend. Slechts uit hare bleeke wangen en
lippen, uit haar koortsachtig rillen liet zich de hevigheid van het
lijden opmaken, dat haar in dit oogenblik bijna ontzielde.
Jaromir legde het sidderend marmerbeeld aan de borst harer moederlijke
pleegster.
Deze weende haar angst in tranen, welke zij tot hiertoe bedwongen had,
over het geliefde wezen uit. Voor het afscheid der drie jongelingen,
die haar niet zoo nauw aan het hart lagen, schoon het, vooral in het
uur der scheiding met warme vriendschap voor hen sloeg, voor dit
vaarwel had zij slechts benevelde blikken en eene in sprakeloosheid
toegereikte hand.
Boleslaw bleef de laatste in het vertrek. In zijne ernstige, hijgende
borst woedde de storm van den hartstocht met verteerende macht. Hij
zag haar, die voor eeuwig de zijne en hem voor eeuwig ontrukt was,
als een beeld des doods voor zich, zag haar met mat gesloten oogen in
de armen der moeder hangen; hij beefde, hij vermocht nauw staande te
blijven, zoo krampachtig verscheurde hem de smart, die vruchteloos om
den zachten dauw van een traan kampte. De storm der driften dreigde hem
te overweldigen; het scheen hem, als mocht, als moest hij de geliefde
aan het hart klemmen en hare liefde vorderen, daar de zijne grooter,
waarachtiger, heiliger was dan die van Jaromir. Eene innerlijke stem
riep hem toe: Drink, drink ten minste eenmaal den beker der zaligheid
van hare lippen; drink, al moest hij u tot gloeiend gif worden! Eene
koortsrilling huiverde hem door alle leden. Doch zijn betere genius
behield de zege. „Neen,” riep hij sidderend, „dat ware meer dan
broedermoord! Weg, weg!”—met deze woorden stormde hij het vertrek uit.
Eigen smart en verdooving hadden den blik der vrouwen zoo verduisterd,
dat zij deze worsteling niet eenmaal opmerkten. Lodoiska hing nog immer
bewusteloos in de armen der moeder; eindelijk sloeg zij het oog op
en barstte in een stroom van tranen uit, doch met deze bezweken hare
laatste krachten en zij zeeg, door de armen der gravin gehouden, in
zwijm op een rustbed neder.
Daar buiten schetterden luid de trompetten. Men hoorde den dreunenden
hoefslag van af- en aanrennende ruiters. De gravin snelde naar het
venster. Het was Rasinski's nieuw regiment, dat zich voor het paleis
verzamelde, om den chef te ontvangen. Eene krijgszuchtige veldmuziek
vormde de spits van den trein; eenige officieren kwamen met lossen
teugel aanstuiven, om Rasinski te begroeten. Deze kwam op zijn
steigerenden arabischen schimmel, mannelijk schoon, in eene vorstelijke
houding uit de slotpoort te voorschijn. Jaromir volgde hem op een
slanken goudvos, die met de sierlijke vlugheid van een hert over den
grond heenvloog; eenige oogenblikken later zag men Boleslaw op een
ros, welks manen verwilderd om den trotschen nek zwierden, in eenige
stoute sprongen uit de poort hollen. Hij was bleek als de dood en zijn
oog rolde woest en somber onder de donkere wenkbrauwen, toen hij zich
half in den zadel omwendde en naar de gravin opzag, die hem met een
vriendelijk lachje haren groet toewierp.
Thans daverde de luide juichtoon der krijgslieden, die hun aanvoerder
welkom heetten; de vroolijke veldmuziek viel jubelend in, vaandels
golfden in den morgenwind, wapens flikkerden in zonneglans, rossen
brieschten en snoven, vederbosschen wapperden, levendiger en levendiger
werd het bonte gewoel. De kalmte, die bij den aanblik dezer moedige
scharen de borst der gravin doordrong, gaf haar de overtuiging, dat ook
Lodoiska's smart daardoor gelenigd en zij zelve tot een edelen moed
ontvlamd moest worden. Zij trad dus op de machteloos neergezonkene toe
en noodigde haar vriendelijk uit op het balkon te treden, ten einde den
uittocht der dapperen mede aan te zien. „Schep moed, kom tot u zelve,”
sprak zij met zachte overreding; „elk vast willen en moeten wordt een
hecht steunsel, waaraan de smart, waaronder wij meenen te bezwijken,
zich staande houdt. Het zal u troosten en sterken, den geliefde als man
en held te zien, daar hij in blinkenden wapendos te velde trekt, om
voor het vaderland te vechten. De achting doet onze liefde toenemen, en
met haar de kracht, om te dragen en te lijden. Kom, zamel uwe krachten
bijeen, toon den scheidenden vriend een bemoedigend gelaat; hij gaat
ernstige beproevingen en gevaren te gemoet, die hij lichter overwinnen
zal, als het beeld eener sterke, geloovig vertrouwende geliefde hem
verzelt, dan wanneer zij hem weeklagende en hopeloos kermende voor de
oogen zweeft.”
Lodoiska voelde zich door deze zachte, overtuigende toespraak gesterkt;
haar minnend hart erkende, dat het plicht was, den vriend het uur des
afscheids min smartelijk te maken. Zij verzamelde dus al hare krachten
en volgde de gravin, die haar door de aangrenzende zaal op het balkon
bracht.
Reeds het gezicht der woelende, golvende gelederen verruimde den
geprangden boezem; kracht toch verwekt kracht. Juist begonnen de
klokken der hoofdkerk ter vroegmis te luiden, zoodat deze ernstige,
statige tonen zich met het luidruchtige krijgsgejoel vermengden.
Het lichtblauw gewelf des hemels werd door geen wolkje ontluisterd,
de vogels dartelden vroolijk door het groen; de frissche adem van
den schoonsten, heldersten morgen deelde aan alles lust, leven en
veerkracht mede. Het was, alsof de goedheid Gods zich eens recht
levendig vertegenwoordigen en door duizend teekenen aan den mensch
verkondigen wilde: Ik ben u eeuwig nabij met mijne onuitputtelijke
liefde en ontferming. Welke smarten, welk lijden gij in uwen waanzin
ook bereiden moogt, ik ben altijd tegenwoordig, om met zachte hand de
wonden te heelen, die gij u zelven in uwe verblinding toebrengt.
Rasinski had de vrouwen opgemerkt en wenkte haar een vriendelijken
groet toe. Zijn gelaat gloeide van geestdrift, alle sporen van smart
waren verdwenen; want met mannelijke zelfbeheersching wist zijn
vaste geest de onstuimige opwellingen van het gevoel te beteugelen
en in eigen boezem kracht tot eene vroolijke plichtsvervulling te
vinden. Met een ongefronst voorhoofd wilde hij voor zijne manschappen
verschijnen, opdat des aanvoerders opgeruimd vertrouwen ook aan hen
moed en hoopvolle verwachting mocht inboezemen; hij wilde het, wilde
het met vastheid, en derhalve was het hem mogelijk. De verschijning
der vrouwen stoorde hem dus hoegenaamd niet in het geven zijner
verordeningen; zonder een blik van zijne lieden af te wenden, zonder de
geringste kleinigheid uit het oog te verliezen, wist hij zijne zuster
toch herhaalde malen te kennen te geven, dat hare aanwezigheid en
bemoedigende deelneming hem aangenaam was. Anders was het met Jaromir;
deze liet zich door den aanblik der geliefde verstrooien en gaf zijnen
makkers dikwijls aanleiding tot een moedwillig lachje, wanneer hij, de
oogen naar het paleis gericht, onachtzaam door zijne eigen manschappen
heenreed en ruiters en paarden daardoor in verwarring bracht. Boleslaw
daarentegen had al zijne krachten bijeengeraapt en vestigde de
nauwlettendste opmerkzaamheid op zijn dienst. Met doordringend oog
monsterde hij man, paard, tuig, pakkage en wapening; slechts eens
wierp hij, als tot een vluchtigen, heimelijken roof, een blik naar de
vrouwelijke gestalten op het balkon.
Het regiment stond thans in de vrij breede straat tegenover het paleis
in front opgemarcheerd. Alle vensters der huizen aan de overzijde
waren met toeschouwers opgevuld. Menige traan glansde in schoone oogen
of verborg zich achter den sluier, die naar oud-poolsch volksgebruik
de meisjes bij hare openlijke verschijning van de gehuwde vrouwen
onderscheidt.
„Richt u!” klonk Rasinski's donderstem, en als een pijl vloog hij
naar den rechtervleugel, om met zijn valkenblik de linie te meten.
Thans heerschte de ademlooze stilte van den dienst; elk oog was op
den nevenman gericht, elk oor voor het commando geopend. „Sabel uit!”
De klingen bliksemden. „Eerste colonne, voorwaarts! In colonne rechts
zwenkt! Marsch!”—De frontlijn brak; de vroolijke krijgschmarsch der
trompetten schalde; Rasinski plaatste zich aan de spits van zijn
regiment en voerde het in statigen optocht de vensters van het paleis
voorbij. Het balkon genaderd, groette hij met den degen en wierp
tevens een warmen liefdeblik naar boven. De gravin wuifde met een
witten zijden doek, dien zij achteloos om den hals had geknoopt. Naar
de schoone oud-poolsche gewoonte, die aan de vrouwen vergunde, den
uittrekkenden krijgsman openlijk een aandenken van hare hand mede te
geven en zoo door de zachte, maar machtige aanblazing uit vrouwelijke
borst den moed hooger te ontvlammen; naar die gewoonte, welke in
vroegere tijden vooral door vorstinnen gehuldigd werd, liet zij den
doek naar beneden fladderen. Rasinski ving dien met zijne sabelspits
op en bond hem om den arm. Een luide kreet van toejuiching ging op.
Dadelijk golfden doeken, strikken, linten, sluiers uit alle vensters
naar beneden. Niet de zuster schonk den broeder, niet de bruid den
verloofde, niet de gade den echtgenoot eene gedachtenis; neen, de
Poolsche schonk die den Pool. Met de lansen, met de sabels vingen de
krijgers de geschenken op. Eene beeldschoone vrouw, met rijke, donkere
haarlokken, die tegenover het paleis aan een venster stond, scheurde
haren sluier doormidden en liet beide helften neerdwarlen. Toevallig
waren juist Lodewijk en Bernard de gelukkigen, die ze met hunne
lanspunten opvingen. De laatste wierp vurige, vlammende blikken en, in
overmoedige stoutheid, zelfs een warmen handkus naar boven; de schoone
lachte betooverend vriendelijk. Lodewijk groette met weemoedigen ernst
en dacht aan eene andere gestalte, die hij misschien voor altijd
verloren had. Bernard riep in het fransch uit: „Ik ben geen Pool, maar
bloed en leven heb ik voor Polen veil.” Zijn loon was eene roos, die
zij van een in het venster staanden struik afbrak en hem toewierp.
Behendig ving hij de bloem in het vallen op, stak haar aan zijne borst,
groette nog eenmaal de bevallige geefster en sprong ijlings weder in
het gelid.
Lodoiska was besluiteloos. Den sluier kon zij niet wegschenken, daar
deze hare diepe droefheid voor de oogen der menigte verborgen hield.
IJlings maakte zij een strik van haren boezem los en liet hem voor
Jaromir neervallen. Maar de nijdige wind voerde het lichte geschenk
weg, en Boleslaw was de gelukkige in wiens hand het geraakte. Hij
drukte den ongehoopten schat aan zijne lippen en wierp het meisje een
vurigen blik toe. Jaromir bemerkte zulks en vatte den argwaan op, dat
het lint niet hem was toegedacht, schoon Lodoiska juist een tweede liet
neerfladderen, dat door een gunstig windje gedragen, zich van zelf op
zijn schouder neerliet. Ras ontvlammend in gramschap als in liefde,
had hij even snel weder vergeven als hij vertoornd was, nam den strik,
dankte de dierbare met wenk en blik, en hechtte, niet weinig trotsch op
dien tooi, het liefdeteeken op zijne borst.
De trein sloeg thans de engere zijstraat in, waar Alisette woonde. Zij
stond aan het raam en zag de ruiters voorbijtrekken. Alle officieren,
die ze kende, knikte zij toe; zij zelve werd, als de bevallige
zangeres, bijna door allen herkend en gegroet. Met fransche vlugheid en
levendigheid wenkte zij nu vroolijk, dan treurig met hoofd en hand, en
wanneer iemand dicht onder hare niet hooge vensters voorbijreed, riep
zij hem ook wel een zoet, welluidend vaarwel toe. Vooral Bernard werd
een buitengewoon vriendelijken groet toegeroepen, dien hij even zoo
beantwoordde, hoewel niet zonder eenig inwendig gevoel van weemoed, dat
hij thans van dit aanvallige wezen wellicht voor altijd scheiden moest.
Zijne vroegere achterdocht zou thans geheel verdwenen zijn, wanneer hij
niet, nog eenmaal omziende, bespeurd had hoe zij van kleur veranderde,
toen Jaromir, die een rot achter hem reed, het venster naderde. Zij
kreeg een krans van rozen en vergeet-mij-niet, dien zij tot hiertoe
verborgen had, te voorschijn, wierp dien den jeugdig schoonen ruiter
toe en zeide hem met woorden en blikken het roerendst vaarwel. Jaromir,
dien èn beschaming èn vreugde de wangen verfde, hield de teugels aan,
sprak eenige oogenblikken met het beminnelijke meisje en dankte haar in
bijna teedere uitdrukkingen.
Hm! dacht Bernard en schudde bedenkelijk het hoofd, vooral toen hij
bemerkte, dat Lodoiska, om de troepen nog verder na te zien, aan
een venster der eetzaal was getreden en het voorval mede aanzag,
zonder dat Jaromir haar bespeurde. Spoedig daarop maakte hij van eene
oogenblikkelijke verwarring, waarin de gelederen door de enge ruimte
der straat gebracht waren, gebruik om op Jaromir toe te rijden en hem
half ernstig, half spotachtig in het oor te fluisteren: „Trouwelooze!
Wat hebt gij gedaan? Dus aan die schoone, verleidelijke Phryne hebt gij
den laatsten afscheidsgroet toegeworpen? Zij is de laatste aan wie gij
hier blijft terugdenken?”
„Neen, waarlijk niet,” riep Jaromir, „nu en eeuwig behoort mijn hart
aan Lodoiska. Maar Alisette was altijd zoo vriendelijk jegens mij!”
„Misschien te vriendelijk! Neem u in acht!” hernam Bernard.
Jaromir glimlachte. „Het heeft geen gevaar! Maar keer thans naar uw rot
terug, want zoo dadelijk komen wij aan de brug van Praga, waarover wij
in goede orde defileeren moeten.”
De voortgang werd nu gestremd, daar de spits op verschillende
troepenafdeelingen stiet, die uit andere straten kwamen oprukken.
De overste Regnard vertoonde zich aan het hoofd zijner colonne. De
marschorde was intusschen spoedig geregeld; Rasinski met zijne lichte
cavalerie rukte vooraan, eene afdeeling dragonders volgde hem, Regnard
met het voetvolk sloot achter deze aan, de artillerie eindelijk vormde
de achterhoede. Het was een verheven schouwspel, toen de trein nu de
brug bedekte, en de prachtige Weichselspiegel de glansrijke gestalten
terugkaatste, die in afwisselende groepen over hem heentogen. Beide
oevers waren door eene tallooze menigte omkranst; tot in de wijde verte
klonk het vroolijk jubelen en juichen; de witte lansvanen glinsterden
in den zonneschijn; het gekletter der wapenen, de hoefslag der paarden,
het ratelend dreunen der kanonnen voltooiden de indrukwekkende
verhevenheid van het grootsche tooneel.