HOOFDSTUK X.

Reeds in den vroegen morgen dreunde het roffelen der trommen en

het schetteren der trompetten door Warschau's straten en riep de

troepen tot den afmarsch te zamen. Het vervulde Lodoiska met bange

beklemdheid, daar zij thans den geliefde harer ziel aan duizend

dreigende gevaren zoude prijsgeven.

Niet zoo angstig bezorgd, maar de borst met zoete verwachtingen voor

het vaderland vervuld, zag de gravin de scheiding te gemoet; zij

was te zeer poolsch, om niet met een inmengsel van blijden trots de

krijgszuchtige tooneelen te beschouwen, welke de onrustige dagen van

dien tijd haar zoo ruimschoots aanboden. Ook haren broeder, die haar

het liefste op aarde, ja, die haar alles was, daar zij zonder hem

geheel alleen stond, ook hem zag zij met kalmte aan den spits zijner

schaar ten strijde trekken.

Een gekletter van sabels op de trap verkondigde haar het naderen van

Rasinski en zijne kameraden, die in het vertrek der vrouwen traden

om afscheid te nemen. Zij waren in volle uniform; sjerp en sabel

versierden hen en van de czapka wuifden blinkende vederbossen. Het

krijgsmanskleed verleent aan lichaam en ziel dezelfde krijgshaftigheid.

Het is, alsof men zich de roeping van dien stand door zijne uiterlijke

kenteekenen te beter bewust wordt. Vandaar waren de mannen bij het

werkelijk afscheid nemen minder geroerd, dan hunne vroegere weeke

stemming had doen vermoeden. Rasinski drukte de zuster met broederlijke

warmte aan zijne borst en sprak mannelijk en vast: „Wij trekken uit

tot eene hooge roeping; geen smartgevoel beklemme onze ziel. Slechts

heilige geestdrift voor het vaderland mag haar doorgloeien. Wij

zullen onze ontwijde altaren reinigen, den verdreven vaderlandschen

goden eene nieuwe haardstede vesten, aan onze oude grenzen het wapen

der Jagellonen weder neerplanten, hunne heilige vanen wederom laten

wapperen tot roem van ons volk! Vaarwel, zuster! niet mij, niet ons,

slechts onze wapenen verzelle uw zegen, slechts voor de overwinning

rijze uw gebed tot den Almachtige omhoog! 't Zij wij vallen of

wederkeeren, 't is hetzelfde, als slechts Polens witte arend met

trotsche vleugels uit de donderwolken van den slag tot den helderen

hemel der vrijheid opstijgt. Leef wel! God spare u voor eene betere

toekomst!”

Hij liet den opgeheven arm zinken, omhelsde de zuster nog eenmaal,

drukte ook op Lodoiska's bleeke wangen een kus, verliet met rasse

schreden het vertrek en ijlde naar beneden, om zich in den zadel te

werpen.

Jaromir klemde zijne bruid onder het storten van heete tranen aan

de borst; verlangend sloeg zijn hart den kamp voor het vaderland te

gemoet, maar het bloedde bij het scheiden van de geliefde. Zij weende

nauwelijks, want eene kille doodsangst, vreeselijker dan de diepste

smart, had hare tranen versteend. Slechts uit hare bleeke wangen en

lippen, uit haar koortsachtig rillen liet zich de hevigheid van het

lijden opmaken, dat haar in dit oogenblik bijna ontzielde.

Jaromir legde het sidderend marmerbeeld aan de borst harer moederlijke

pleegster.

Deze weende haar angst in tranen, welke zij tot hiertoe bedwongen had,

over het geliefde wezen uit. Voor het afscheid der drie jongelingen,

die haar niet zoo nauw aan het hart lagen, schoon het, vooral in het

uur der scheiding met warme vriendschap voor hen sloeg, voor dit

vaarwel had zij slechts benevelde blikken en eene in sprakeloosheid

toegereikte hand.

Boleslaw bleef de laatste in het vertrek. In zijne ernstige, hijgende

borst woedde de storm van den hartstocht met verteerende macht. Hij

zag haar, die voor eeuwig de zijne en hem voor eeuwig ontrukt was,

als een beeld des doods voor zich, zag haar met mat gesloten oogen in

de armen der moeder hangen; hij beefde, hij vermocht nauw staande te

blijven, zoo krampachtig verscheurde hem de smart, die vruchteloos om

den zachten dauw van een traan kampte. De storm der driften dreigde hem

te overweldigen; het scheen hem, als mocht, als moest hij de geliefde

aan het hart klemmen en hare liefde vorderen, daar de zijne grooter,

waarachtiger, heiliger was dan die van Jaromir. Eene innerlijke stem

riep hem toe: Drink, drink ten minste eenmaal den beker der zaligheid

van hare lippen; drink, al moest hij u tot gloeiend gif worden! Eene

koortsrilling huiverde hem door alle leden. Doch zijn betere genius

behield de zege. „Neen,” riep hij sidderend, „dat ware meer dan

broedermoord! Weg, weg!”—met deze woorden stormde hij het vertrek uit.

Eigen smart en verdooving hadden den blik der vrouwen zoo verduisterd,

dat zij deze worsteling niet eenmaal opmerkten. Lodoiska hing nog immer

bewusteloos in de armen der moeder; eindelijk sloeg zij het oog op

en barstte in een stroom van tranen uit, doch met deze bezweken hare

laatste krachten en zij zeeg, door de armen der gravin gehouden, in

zwijm op een rustbed neder.

Daar buiten schetterden luid de trompetten. Men hoorde den dreunenden

hoefslag van af- en aanrennende ruiters. De gravin snelde naar het

venster. Het was Rasinski's nieuw regiment, dat zich voor het paleis

verzamelde, om den chef te ontvangen. Eene krijgszuchtige veldmuziek

vormde de spits van den trein; eenige officieren kwamen met lossen

teugel aanstuiven, om Rasinski te begroeten. Deze kwam op zijn

steigerenden arabischen schimmel, mannelijk schoon, in eene vorstelijke

houding uit de slotpoort te voorschijn. Jaromir volgde hem op een

slanken goudvos, die met de sierlijke vlugheid van een hert over den

grond heenvloog; eenige oogenblikken later zag men Boleslaw op een

ros, welks manen verwilderd om den trotschen nek zwierden, in eenige

stoute sprongen uit de poort hollen. Hij was bleek als de dood en zijn

oog rolde woest en somber onder de donkere wenkbrauwen, toen hij zich

half in den zadel omwendde en naar de gravin opzag, die hem met een

vriendelijk lachje haren groet toewierp.

Thans daverde de luide juichtoon der krijgslieden, die hun aanvoerder

welkom heetten; de vroolijke veldmuziek viel jubelend in, vaandels

golfden in den morgenwind, wapens flikkerden in zonneglans, rossen

brieschten en snoven, vederbosschen wapperden, levendiger en levendiger

werd het bonte gewoel. De kalmte, die bij den aanblik dezer moedige

scharen de borst der gravin doordrong, gaf haar de overtuiging, dat ook

Lodoiska's smart daardoor gelenigd en zij zelve tot een edelen moed

ontvlamd moest worden. Zij trad dus op de machteloos neergezonkene toe

en noodigde haar vriendelijk uit op het balkon te treden, ten einde den

uittocht der dapperen mede aan te zien. „Schep moed, kom tot u zelve,”

sprak zij met zachte overreding; „elk vast willen en moeten wordt een

hecht steunsel, waaraan de smart, waaronder wij meenen te bezwijken,

zich staande houdt. Het zal u troosten en sterken, den geliefde als man

en held te zien, daar hij in blinkenden wapendos te velde trekt, om

voor het vaderland te vechten. De achting doet onze liefde toenemen, en

met haar de kracht, om te dragen en te lijden. Kom, zamel uwe krachten

bijeen, toon den scheidenden vriend een bemoedigend gelaat; hij gaat

ernstige beproevingen en gevaren te gemoet, die hij lichter overwinnen

zal, als het beeld eener sterke, geloovig vertrouwende geliefde hem

verzelt, dan wanneer zij hem weeklagende en hopeloos kermende voor de

oogen zweeft.”

Lodoiska voelde zich door deze zachte, overtuigende toespraak gesterkt;

haar minnend hart erkende, dat het plicht was, den vriend het uur des

afscheids min smartelijk te maken. Zij verzamelde dus al hare krachten

en volgde de gravin, die haar door de aangrenzende zaal op het balkon

bracht.

Reeds het gezicht der woelende, golvende gelederen verruimde den

geprangden boezem; kracht toch verwekt kracht. Juist begonnen de

klokken der hoofdkerk ter vroegmis te luiden, zoodat deze ernstige,

statige tonen zich met het luidruchtige krijgsgejoel vermengden.

Het lichtblauw gewelf des hemels werd door geen wolkje ontluisterd,

de vogels dartelden vroolijk door het groen; de frissche adem van

den schoonsten, heldersten morgen deelde aan alles lust, leven en

veerkracht mede. Het was, alsof de goedheid Gods zich eens recht

levendig vertegenwoordigen en door duizend teekenen aan den mensch

verkondigen wilde: Ik ben u eeuwig nabij met mijne onuitputtelijke

liefde en ontferming. Welke smarten, welk lijden gij in uwen waanzin

ook bereiden moogt, ik ben altijd tegenwoordig, om met zachte hand de

wonden te heelen, die gij u zelven in uwe verblinding toebrengt.

Rasinski had de vrouwen opgemerkt en wenkte haar een vriendelijken

groet toe. Zijn gelaat gloeide van geestdrift, alle sporen van smart

waren verdwenen; want met mannelijke zelfbeheersching wist zijn

vaste geest de onstuimige opwellingen van het gevoel te beteugelen

en in eigen boezem kracht tot eene vroolijke plichtsvervulling te

vinden. Met een ongefronst voorhoofd wilde hij voor zijne manschappen

verschijnen, opdat des aanvoerders opgeruimd vertrouwen ook aan hen

moed en hoopvolle verwachting mocht inboezemen; hij wilde het, wilde

het met vastheid, en derhalve was het hem mogelijk. De verschijning

der vrouwen stoorde hem dus hoegenaamd niet in het geven zijner

verordeningen; zonder een blik van zijne lieden af te wenden, zonder de

geringste kleinigheid uit het oog te verliezen, wist hij zijne zuster

toch herhaalde malen te kennen te geven, dat hare aanwezigheid en

bemoedigende deelneming hem aangenaam was. Anders was het met Jaromir;

deze liet zich door den aanblik der geliefde verstrooien en gaf zijnen

makkers dikwijls aanleiding tot een moedwillig lachje, wanneer hij, de

oogen naar het paleis gericht, onachtzaam door zijne eigen manschappen

heenreed en ruiters en paarden daardoor in verwarring bracht. Boleslaw

daarentegen had al zijne krachten bijeengeraapt en vestigde de

nauwlettendste opmerkzaamheid op zijn dienst. Met doordringend oog

monsterde hij man, paard, tuig, pakkage en wapening; slechts eens

wierp hij, als tot een vluchtigen, heimelijken roof, een blik naar de

vrouwelijke gestalten op het balkon.

Het regiment stond thans in de vrij breede straat tegenover het paleis

in front opgemarcheerd. Alle vensters der huizen aan de overzijde

waren met toeschouwers opgevuld. Menige traan glansde in schoone oogen

of verborg zich achter den sluier, die naar oud-poolsch volksgebruik

de meisjes bij hare openlijke verschijning van de gehuwde vrouwen

onderscheidt.

„Richt u!” klonk Rasinski's donderstem, en als een pijl vloog hij

naar den rechtervleugel, om met zijn valkenblik de linie te meten.

Thans heerschte de ademlooze stilte van den dienst; elk oog was op

den nevenman gericht, elk oor voor het commando geopend. „Sabel uit!”

De klingen bliksemden. „Eerste colonne, voorwaarts! In colonne rechts

zwenkt! Marsch!”—De frontlijn brak; de vroolijke krijgschmarsch der

trompetten schalde; Rasinski plaatste zich aan de spits van zijn

regiment en voerde het in statigen optocht de vensters van het paleis

voorbij. Het balkon genaderd, groette hij met den degen en wierp

tevens een warmen liefdeblik naar boven. De gravin wuifde met een

witten zijden doek, dien zij achteloos om den hals had geknoopt. Naar

de schoone oud-poolsche gewoonte, die aan de vrouwen vergunde, den

uittrekkenden krijgsman openlijk een aandenken van hare hand mede te

geven en zoo door de zachte, maar machtige aanblazing uit vrouwelijke

borst den moed hooger te ontvlammen; naar die gewoonte, welke in

vroegere tijden vooral door vorstinnen gehuldigd werd, liet zij den

doek naar beneden fladderen. Rasinski ving dien met zijne sabelspits

op en bond hem om den arm. Een luide kreet van toejuiching ging op.

Dadelijk golfden doeken, strikken, linten, sluiers uit alle vensters

naar beneden. Niet de zuster schonk den broeder, niet de bruid den

verloofde, niet de gade den echtgenoot eene gedachtenis; neen, de

Poolsche schonk die den Pool. Met de lansen, met de sabels vingen de

krijgers de geschenken op. Eene beeldschoone vrouw, met rijke, donkere

haarlokken, die tegenover het paleis aan een venster stond, scheurde

haren sluier doormidden en liet beide helften neerdwarlen. Toevallig

waren juist Lodewijk en Bernard de gelukkigen, die ze met hunne

lanspunten opvingen. De laatste wierp vurige, vlammende blikken en, in

overmoedige stoutheid, zelfs een warmen handkus naar boven; de schoone

lachte betooverend vriendelijk. Lodewijk groette met weemoedigen ernst

en dacht aan eene andere gestalte, die hij misschien voor altijd

verloren had. Bernard riep in het fransch uit: „Ik ben geen Pool, maar

bloed en leven heb ik voor Polen veil.” Zijn loon was eene roos, die

zij van een in het venster staanden struik afbrak en hem toewierp.

Behendig ving hij de bloem in het vallen op, stak haar aan zijne borst,

groette nog eenmaal de bevallige geefster en sprong ijlings weder in

het gelid.

Lodoiska was besluiteloos. Den sluier kon zij niet wegschenken, daar

deze hare diepe droefheid voor de oogen der menigte verborgen hield.

IJlings maakte zij een strik van haren boezem los en liet hem voor

Jaromir neervallen. Maar de nijdige wind voerde het lichte geschenk

weg, en Boleslaw was de gelukkige in wiens hand het geraakte. Hij

drukte den ongehoopten schat aan zijne lippen en wierp het meisje een

vurigen blik toe. Jaromir bemerkte zulks en vatte den argwaan op, dat

het lint niet hem was toegedacht, schoon Lodoiska juist een tweede liet

neerfladderen, dat door een gunstig windje gedragen, zich van zelf op

zijn schouder neerliet. Ras ontvlammend in gramschap als in liefde,

had hij even snel weder vergeven als hij vertoornd was, nam den strik,

dankte de dierbare met wenk en blik, en hechtte, niet weinig trotsch op

dien tooi, het liefdeteeken op zijne borst.

De trein sloeg thans de engere zijstraat in, waar Alisette woonde. Zij

stond aan het raam en zag de ruiters voorbijtrekken. Alle officieren,

die ze kende, knikte zij toe; zij zelve werd, als de bevallige

zangeres, bijna door allen herkend en gegroet. Met fransche vlugheid en

levendigheid wenkte zij nu vroolijk, dan treurig met hoofd en hand, en

wanneer iemand dicht onder hare niet hooge vensters voorbijreed, riep

zij hem ook wel een zoet, welluidend vaarwel toe. Vooral Bernard werd

een buitengewoon vriendelijken groet toegeroepen, dien hij even zoo

beantwoordde, hoewel niet zonder eenig inwendig gevoel van weemoed, dat

hij thans van dit aanvallige wezen wellicht voor altijd scheiden moest.

Zijne vroegere achterdocht zou thans geheel verdwenen zijn, wanneer hij

niet, nog eenmaal omziende, bespeurd had hoe zij van kleur veranderde,

toen Jaromir, die een rot achter hem reed, het venster naderde. Zij

kreeg een krans van rozen en vergeet-mij-niet, dien zij tot hiertoe

verborgen had, te voorschijn, wierp dien den jeugdig schoonen ruiter

toe en zeide hem met woorden en blikken het roerendst vaarwel. Jaromir,

dien èn beschaming èn vreugde de wangen verfde, hield de teugels aan,

sprak eenige oogenblikken met het beminnelijke meisje en dankte haar in

bijna teedere uitdrukkingen.

Hm! dacht Bernard en schudde bedenkelijk het hoofd, vooral toen hij

bemerkte, dat Lodoiska, om de troepen nog verder na te zien, aan

een venster der eetzaal was getreden en het voorval mede aanzag,

zonder dat Jaromir haar bespeurde. Spoedig daarop maakte hij van eene

oogenblikkelijke verwarring, waarin de gelederen door de enge ruimte

der straat gebracht waren, gebruik om op Jaromir toe te rijden en hem

half ernstig, half spotachtig in het oor te fluisteren: „Trouwelooze!

Wat hebt gij gedaan? Dus aan die schoone, verleidelijke Phryne hebt gij

den laatsten afscheidsgroet toegeworpen? Zij is de laatste aan wie gij

hier blijft terugdenken?”

„Neen, waarlijk niet,” riep Jaromir, „nu en eeuwig behoort mijn hart

aan Lodoiska. Maar Alisette was altijd zoo vriendelijk jegens mij!”

„Misschien te vriendelijk! Neem u in acht!” hernam Bernard.

Jaromir glimlachte. „Het heeft geen gevaar! Maar keer thans naar uw rot

terug, want zoo dadelijk komen wij aan de brug van Praga, waarover wij

in goede orde defileeren moeten.”

De voortgang werd nu gestremd, daar de spits op verschillende

troepenafdeelingen stiet, die uit andere straten kwamen oprukken.

De overste Regnard vertoonde zich aan het hoofd zijner colonne. De

marschorde was intusschen spoedig geregeld; Rasinski met zijne lichte

cavalerie rukte vooraan, eene afdeeling dragonders volgde hem, Regnard

met het voetvolk sloot achter deze aan, de artillerie eindelijk vormde

de achterhoede. Het was een verheven schouwspel, toen de trein nu de

brug bedekte, en de prachtige Weichselspiegel de glansrijke gestalten

terugkaatste, die in afwisselende groepen over hem heentogen. Beide

oevers waren door eene tallooze menigte omkranst; tot in de wijde verte

klonk het vroolijk jubelen en juichen; de witte lansvanen glinsterden

in den zonneschijn; het gekletter der wapenen, de hoefslag der paarden,

het ratelend dreunen der kanonnen voltooiden de indrukwekkende

verhevenheid van het grootsche tooneel.

1812: Historische roman · 第 41 / 154 题