De opera, waarvan Regnard gesproken had, zoude dien avond worden
opgevoerd. Noch uit de benaming van het stuk, noch uit de personen, op
het aanplakbiljet genoemd, kon Lodewijk opmaken van wien het was, en
van den componist had men in het geheel geen melding gemaakt. Hij was
dus zeer begeerig de muziek te hooren, te meer, daar Françoise aan de
gravin verhaald had, dat ze verrukkend schoon was. Te zeven uur reed
men naar den schouwburg; de gravin Lodoiska, Regnard en onze drie jonge
vrienden waren te zamen in ééne loge. Met welgevallen liet Bernard
zijne blikken langs de reeks van schoone vrouwen en meisjes zweven, die
den eersten rang der loges versierde. „Waarlijk,” riep hij en stiet
Lodewijk aan, „nog nooit zag ik eene zaal met zulk een heerlijken
bloemkrans getooid als deze hier. In Drurylane, in _Kings theatre_, in
Vauxhall vond ik de loges vrij lief bezet; de engelsche vrouwen zijn
onweerstaanbaar door haar fijne leest, door haar smaakvolle kleeding,
door de zachte maagdelijke uitdrukking van haar groot blauw oog; maar
bij Sint Lukas, den patroon aller schilders, ik betuig u, 't zijn alle
slechte onechte boheemsche steenen tegen de diamanten van het zuiverste
water, die men hier ziet glanzen.”—„Lodoiska is toch nog verreweg de
schoonste,” fluisterde Lodewijk, „ofschoon ik moet toestemmen, nog
nooit een zoo rijken kring van schoone, vrouwelijke gestalten te hebben
gezien.”
„De schoonste is zij niet, daarin moogt ge een oud kenner als ik ben
vrij gelooven,” merkte Bernard op, „maar zij is de bekoorlijkste,
de aanvalligste, de liefelijkste. Als alle schoone borstbeelden in
de loges hier tegenover in marmer veranderen, zouden velen van deze
ongetwijfeld edeler vormen vertoonen, ja, ik twijfel bijna, of zelfs
de gravin haar misschien niet verdonkeren zou. Iets anders zou het
zijn, wanneer wij al deze beelden op het doek voor ons hadden, en
het tooverachtige spel der kleuren een schitterenden glans over den
helderen hemel van het aangezicht wierp. Dan, geef ik u toe, zou
Lodoiska de lenteroos, de slanke zachte lelie, het bescheiden viooltje,
kortom, al wat bekoorlijk is tevens en de liefelijkste bloesem op dit
gansche volle bloembed zijn.”
De invallende ouverture brak het gesprek af; Lodewijk werd aan
den eersten toon gewaar, dat het geen andere opera dan _die
Schweizerfamilie_ was, die men hooren zoude. Hij glimlachte wel een
weinig over de sterke geestdrift, waarmede de overste van het werk
gesproken had, maar begreep toch, dat Alisette als Emmeline, die op
het biljet den herdersnaam Dorina bekomen had, eene zeer bevallige
verschijning moest zijn. En dat was inderdaad zoo. De eerste inleidende
tooneelen, trouwens ook niet dan zeer middelmatig voorgesteld, liepen
af zonder bijzonderen indruk te verwekken. Maar reeds het eerste
optreden van Alisette maakte de belangstelling in de hoogste mate
gaande. Zij had het karakter zeer eigenaardig opgevat en uit de
beperkte vormen en verven van den zwitserschen volksaard in een half
denkbeeldig gebied overgedragen, zonder daarom zijne kenschetsende
eigendommelijkheid geheel uit het oog te verliezen. In hare
kleeding had zij wel is waar eenige aanduidingen van de zwitsersche
volksdracht behouden, maar toch hier en daar eene smaakvolle wijziging
aangebracht. Het haar droeg zij in vrije lokken, slechts met eenige
linten saamgebonden, waarvan een van eene donkere kleur, het heldere,
blanke voorhoofd begrensde; hals, boezem en nek waren niet zoo
zorgvuldig bedekt als in de werkelijke landdracht, schoon zij het
sierlijke, zwarte keurslijfje behouden had. Het kleed daarentegen
hing, welvoegelijker dan gewoonlijk, tot ver over de enkels neer; ook
was het niet zoo bolvormig, eirond opgevuld, maar deed de gestalte
zeer voordeelig uitkomen. Met groote behendigheid wist zij den kleinen
voet, die, met sneeuwwitte kousen bekleed en in een eng schoeisel
besloten, de sierlijkheid zelve was, te doen opmerken, waardoor haar
gang, haar stand en hare bewegingen iets zeer bevalligs erlangden. Zij
geleek half een zwitsersch landmeisje, half eene herderin, zooals de
idylle ze ons vertoont, en had op deze wijze de vorderingen van het
eigenaardige volkskarakter zeer gelukkig met die der volmakende kunst
in overeenstemming gebracht. Toen de eerste klanken harer liefelijke
stem in zijn oor drongen, kon Lodewijk zich niet genoeg verwonderen,
dat dit schijnbaar zoo teeder orgaan in staat was, de gansche ruimte
der inderdaad niet kleine zaal in zulk eene mate met welluidende tonen
te vervullen. Van het zachtste aanademen der tonen tot het zoete,
zielvolle aanzwellen, was de klank in zijne zilveren helderheid overal
te vernemen; men ontwaarde nergens eenige leemte, maar van de zachtste
tot de hevigste uitdrukking van den hartstocht vond de betooverende
kunstenares immer de juiste maat. Daar zij bovendien het gansche
lichaam in al zijne bewegingen, tot zelfs het fijnste spel der gebaren
en blikken, met de ziel harer tonen vervulde, moest het bekoorlijke
beeld, dat zij voorstelde, wel aller harten onweerstaanbaar boeien.
Reeds bij het eerste bedrijf versmolt Lodoiska in tranen. Bij de
woorden: „Wie hoorde me immer klachten uiten!” waarin Alisette als ware
het den doodsangst der overstelpende vreugde uitdrukte, terwijl haar
oog toch een zoo onbeschrijfelijk smartelijken blik ten hemel sloeg,
dat men gevoelde, hoe haar hart dreigde te breken onder den last van
het overmatig geluk—bij deze woorden bracht het geschokte meisje de
hand onwillekeurig aan het hart, als wilde zij het daardoor tot bedaren
brengen. Terwijl twee groote tranen in hare oogen opwelden slaakte hare
borst een zachten, half gesmoorden zucht; zij was zoozeer door innig
mededoogen getroffen, dat zij de smart, welke Alisette zoo bedriegelijk
voorstelde, bijna zelf gevoelde. Of was het eene voorzeggende stem, die
zich half verstaanbaar in hare borst liet vernemen? Was het een duister
voorgevoel, levendig geworden door de nabijheid van haar, die een
verderfelijken invloed op het gesternte van haar leven dreigde uit te
oefenen? Zag zij reeds den zwarten kop der adder, die zich nu nog onder
geurige rozen schuil hield?
Jaromir, wiens frisch, levendig gemoed door elken indruk ras geboeid
werd, was geheel oog en oor. Als eene betooverende Armida wist
Alisette zijn hart te leiden; Bernard meende inderdaad te bespeuren,
dat zij spel en blikken, gelijk reeds op den eersten avond, dikwijls
uitsluitend tot den schoonen jongeling richtte. Doch ook hij zelf,
wiens vrije blik anders zoo zelden beperkt werd, was thans door de
kunst van het meisje te zeer betooverd, om zijne waarnemingen met de
vereischte koele bedaardheid te kunnen voortzetten. En dit scheen bij
alle verzamelde toeschouwers en hoorders het geval; door den wenk van
haar oog beheerschte Alisette elke borst; onweerstaanbaar sleepte zij
het hart uit den diepsten afgrond der smarten tot het toppunt der
vreugde met zich voort en deed het even snel weder dalen als rijzen.
Na het eindigen van het bedrijf verliet Regnard de loge; Bernard, die
hem met argusoogen bewaakte, zag dat hij naar het tooneel ging. Hij
werd meer en meer overtuigd, dat tusschen Alisette en den overste eene
zeer nauwe betrekking moest bestaan, doch even stellig hield hij zich
ook verzekerd, dat het hart van het meisje daarin weinig deel had.
Jaromir wendde zich tot Lodoiska en vroeg: „Is dat niet
onbeschrijfelijk schoon?”
„Maar ook onbeschrijfelijk beangstigend,” antwoordde deze en haalde
diep adem.
Lodewijk, de eenige die de opera kende, en geoefend kunstgevoel
genoeg bezat, om de welsprekende voorstelling niet met de wezenlijke
waarde van het werk te verwisselen, uitte zich daarover veeleer als
beoordeelaar dan wel als bewonderaar. De gravin, door hare jaren reeds
boven de macht van onmiddellijke gemoedsindrukken verheven, luisterde
met belangstelling naar zijne opmerkingen; ook Lodoiska liet zich
gaarne uit hare onrustige, gejaagde stemming in die van een kalmer
genieten overbrengen en was niet verstoord, dat Lodewijk haar door
zijne bezadigde oordeelvellingen menige begoocheling aangaande de
schoonheid van het kunstwerk ontroofde. Slechts Jaromir wilde niet
gelooven, dat in hetgeen zijn jeugdig hart zoo diep getroffen had,
iets gebrekkigs, iets minder schoons zoude te vinden zijn. Hij was tot
hiertoe zoo ver van alle kunst verwijderd geweest, had zoolang met de
ruwste bouwstoffen des uiterlijken levens te worstelen gehad, dat deze
eerste stralen en klanken uit eene hem nog onbekende schoonere wereld
hem natuurlijk als iets onovertrefbaars moesten voorkomen.
Het tweede bedrijf begon, en reeds de eerste tooneelen daarvan
bewezen den onervarene, dat hij nog op verre na niet aan de grenzen
van het bereikbare gestaan had; want gestadig nam de belangrijkheid
toe, en toen eindelijk de laatste ontknooping van het werk daar was,
met hare diep weemoedige vreugde, met haar weenenden jubel, toen
dreigden de jonge, minnende harten onder den overstelpenden vloed van
hartstochtelijke gewaarwordingen te bezwijken. Alisette was echter ook
zoo schoon, zoo roerend, zoo verheven in hare vreugde, dat zij zelfs
voor den met bewustzijn genietenden Lodewijk het kunstwerk uit de
lagere kringen, waarin het op zwakke, matte vleugels omzweeft, in eene
hoogere meer zuivere sfeer overbracht, waar het zich op vrije vlerken
in den zonneglans wiegen kon.
Lodoiska was tot in het diepste der ziel getroffen, maar niet gelukkig;
duister rees het beklemmend gevoel in haar op, dat zij niet vermogend
was zich met deze machtige tooveres, die haar zelve zoo tegen wil en
dank medesleepte, te meten. Hoe zou zij den geliefde boeien, wanneer
gene hare verleidelijke netten uitspande, hare zoetlokkende stem
klinken liet en de zachte, blanke armen naar hem uitstrekte? Zij dacht
dit alles wel niet dadelijk, maar het drukkend gevoel van armoede en
zwakheid, dat edele zielen zoo licht bekruipt, daar zij hare eigene
hooge waarde miskennen, doordrong hare borst. Wie ben ik, dacht zij, om
met mijne liefde het hart des vriends te vervullen in eene wereld, die
zoo oneindig veel schooners aanbiedt?—Het schuldelooze meisje besefte
niet, dat een rein hart de schoonste diamant is, die het eigen leven en
dat des vreemden versieren kan. Slechts de verblinde gaat dit kleinood
achteloos voorbij, slechts de waanzinnige werpt het roekeloos van zich.
Doch hoevelen legt een nijdige genius een zwarten blinddoek voor de
oogen, zoodat zij in eeuwig duister door het leven ronddwalen en het
geluk niet vinden, wanneer het de open armen naar hen uitstrekt!