HOOFDSTUK VII.

De opera, waarvan Regnard gesproken had, zoude dien avond worden

opgevoerd. Noch uit de benaming van het stuk, noch uit de personen, op

het aanplakbiljet genoemd, kon Lodewijk opmaken van wien het was, en

van den componist had men in het geheel geen melding gemaakt. Hij was

dus zeer begeerig de muziek te hooren, te meer, daar Françoise aan de

gravin verhaald had, dat ze verrukkend schoon was. Te zeven uur reed

men naar den schouwburg; de gravin Lodoiska, Regnard en onze drie jonge

vrienden waren te zamen in ééne loge. Met welgevallen liet Bernard

zijne blikken langs de reeks van schoone vrouwen en meisjes zweven, die

den eersten rang der loges versierde. „Waarlijk,” riep hij en stiet

Lodewijk aan, „nog nooit zag ik eene zaal met zulk een heerlijken

bloemkrans getooid als deze hier. In Drurylane, in _Kings theatre_, in

Vauxhall vond ik de loges vrij lief bezet; de engelsche vrouwen zijn

onweerstaanbaar door haar fijne leest, door haar smaakvolle kleeding,

door de zachte maagdelijke uitdrukking van haar groot blauw oog; maar

bij Sint Lukas, den patroon aller schilders, ik betuig u, 't zijn alle

slechte onechte boheemsche steenen tegen de diamanten van het zuiverste

water, die men hier ziet glanzen.”—„Lodoiska is toch nog verreweg de

schoonste,” fluisterde Lodewijk, „ofschoon ik moet toestemmen, nog

nooit een zoo rijken kring van schoone, vrouwelijke gestalten te hebben

gezien.”

„De schoonste is zij niet, daarin moogt ge een oud kenner als ik ben

vrij gelooven,” merkte Bernard op, „maar zij is de bekoorlijkste,

de aanvalligste, de liefelijkste. Als alle schoone borstbeelden in

de loges hier tegenover in marmer veranderen, zouden velen van deze

ongetwijfeld edeler vormen vertoonen, ja, ik twijfel bijna, of zelfs

de gravin haar misschien niet verdonkeren zou. Iets anders zou het

zijn, wanneer wij al deze beelden op het doek voor ons hadden, en

het tooverachtige spel der kleuren een schitterenden glans over den

helderen hemel van het aangezicht wierp. Dan, geef ik u toe, zou

Lodoiska de lenteroos, de slanke zachte lelie, het bescheiden viooltje,

kortom, al wat bekoorlijk is tevens en de liefelijkste bloesem op dit

gansche volle bloembed zijn.”

De invallende ouverture brak het gesprek af; Lodewijk werd aan

den eersten toon gewaar, dat het geen andere opera dan _die

Schweizerfamilie_ was, die men hooren zoude. Hij glimlachte wel een

weinig over de sterke geestdrift, waarmede de overste van het werk

gesproken had, maar begreep toch, dat Alisette als Emmeline, die op

het biljet den herdersnaam Dorina bekomen had, eene zeer bevallige

verschijning moest zijn. En dat was inderdaad zoo. De eerste inleidende

tooneelen, trouwens ook niet dan zeer middelmatig voorgesteld, liepen

af zonder bijzonderen indruk te verwekken. Maar reeds het eerste

optreden van Alisette maakte de belangstelling in de hoogste mate

gaande. Zij had het karakter zeer eigenaardig opgevat en uit de

beperkte vormen en verven van den zwitserschen volksaard in een half

denkbeeldig gebied overgedragen, zonder daarom zijne kenschetsende

eigendommelijkheid geheel uit het oog te verliezen. In hare

kleeding had zij wel is waar eenige aanduidingen van de zwitsersche

volksdracht behouden, maar toch hier en daar eene smaakvolle wijziging

aangebracht. Het haar droeg zij in vrije lokken, slechts met eenige

linten saamgebonden, waarvan een van eene donkere kleur, het heldere,

blanke voorhoofd begrensde; hals, boezem en nek waren niet zoo

zorgvuldig bedekt als in de werkelijke landdracht, schoon zij het

sierlijke, zwarte keurslijfje behouden had. Het kleed daarentegen

hing, welvoegelijker dan gewoonlijk, tot ver over de enkels neer; ook

was het niet zoo bolvormig, eirond opgevuld, maar deed de gestalte

zeer voordeelig uitkomen. Met groote behendigheid wist zij den kleinen

voet, die, met sneeuwwitte kousen bekleed en in een eng schoeisel

besloten, de sierlijkheid zelve was, te doen opmerken, waardoor haar

gang, haar stand en hare bewegingen iets zeer bevalligs erlangden. Zij

geleek half een zwitsersch landmeisje, half eene herderin, zooals de

idylle ze ons vertoont, en had op deze wijze de vorderingen van het

eigenaardige volkskarakter zeer gelukkig met die der volmakende kunst

in overeenstemming gebracht. Toen de eerste klanken harer liefelijke

stem in zijn oor drongen, kon Lodewijk zich niet genoeg verwonderen,

dat dit schijnbaar zoo teeder orgaan in staat was, de gansche ruimte

der inderdaad niet kleine zaal in zulk eene mate met welluidende tonen

te vervullen. Van het zachtste aanademen der tonen tot het zoete,

zielvolle aanzwellen, was de klank in zijne zilveren helderheid overal

te vernemen; men ontwaarde nergens eenige leemte, maar van de zachtste

tot de hevigste uitdrukking van den hartstocht vond de betooverende

kunstenares immer de juiste maat. Daar zij bovendien het gansche

lichaam in al zijne bewegingen, tot zelfs het fijnste spel der gebaren

en blikken, met de ziel harer tonen vervulde, moest het bekoorlijke

beeld, dat zij voorstelde, wel aller harten onweerstaanbaar boeien.

Reeds bij het eerste bedrijf versmolt Lodoiska in tranen. Bij de

woorden: „Wie hoorde me immer klachten uiten!” waarin Alisette als ware

het den doodsangst der overstelpende vreugde uitdrukte, terwijl haar

oog toch een zoo onbeschrijfelijk smartelijken blik ten hemel sloeg,

dat men gevoelde, hoe haar hart dreigde te breken onder den last van

het overmatig geluk—bij deze woorden bracht het geschokte meisje de

hand onwillekeurig aan het hart, als wilde zij het daardoor tot bedaren

brengen. Terwijl twee groote tranen in hare oogen opwelden slaakte hare

borst een zachten, half gesmoorden zucht; zij was zoozeer door innig

mededoogen getroffen, dat zij de smart, welke Alisette zoo bedriegelijk

voorstelde, bijna zelf gevoelde. Of was het eene voorzeggende stem, die

zich half verstaanbaar in hare borst liet vernemen? Was het een duister

voorgevoel, levendig geworden door de nabijheid van haar, die een

verderfelijken invloed op het gesternte van haar leven dreigde uit te

oefenen? Zag zij reeds den zwarten kop der adder, die zich nu nog onder

geurige rozen schuil hield?

Jaromir, wiens frisch, levendig gemoed door elken indruk ras geboeid

werd, was geheel oog en oor. Als eene betooverende Armida wist

Alisette zijn hart te leiden; Bernard meende inderdaad te bespeuren,

dat zij spel en blikken, gelijk reeds op den eersten avond, dikwijls

uitsluitend tot den schoonen jongeling richtte. Doch ook hij zelf,

wiens vrije blik anders zoo zelden beperkt werd, was thans door de

kunst van het meisje te zeer betooverd, om zijne waarnemingen met de

vereischte koele bedaardheid te kunnen voortzetten. En dit scheen bij

alle verzamelde toeschouwers en hoorders het geval; door den wenk van

haar oog beheerschte Alisette elke borst; onweerstaanbaar sleepte zij

het hart uit den diepsten afgrond der smarten tot het toppunt der

vreugde met zich voort en deed het even snel weder dalen als rijzen.

Na het eindigen van het bedrijf verliet Regnard de loge; Bernard, die

hem met argusoogen bewaakte, zag dat hij naar het tooneel ging. Hij

werd meer en meer overtuigd, dat tusschen Alisette en den overste eene

zeer nauwe betrekking moest bestaan, doch even stellig hield hij zich

ook verzekerd, dat het hart van het meisje daarin weinig deel had.

Jaromir wendde zich tot Lodoiska en vroeg: „Is dat niet

onbeschrijfelijk schoon?”

„Maar ook onbeschrijfelijk beangstigend,” antwoordde deze en haalde

diep adem.

Lodewijk, de eenige die de opera kende, en geoefend kunstgevoel

genoeg bezat, om de welsprekende voorstelling niet met de wezenlijke

waarde van het werk te verwisselen, uitte zich daarover veeleer als

beoordeelaar dan wel als bewonderaar. De gravin, door hare jaren reeds

boven de macht van onmiddellijke gemoedsindrukken verheven, luisterde

met belangstelling naar zijne opmerkingen; ook Lodoiska liet zich

gaarne uit hare onrustige, gejaagde stemming in die van een kalmer

genieten overbrengen en was niet verstoord, dat Lodewijk haar door

zijne bezadigde oordeelvellingen menige begoocheling aangaande de

schoonheid van het kunstwerk ontroofde. Slechts Jaromir wilde niet

gelooven, dat in hetgeen zijn jeugdig hart zoo diep getroffen had,

iets gebrekkigs, iets minder schoons zoude te vinden zijn. Hij was tot

hiertoe zoo ver van alle kunst verwijderd geweest, had zoolang met de

ruwste bouwstoffen des uiterlijken levens te worstelen gehad, dat deze

eerste stralen en klanken uit eene hem nog onbekende schoonere wereld

hem natuurlijk als iets onovertrefbaars moesten voorkomen.

Het tweede bedrijf begon, en reeds de eerste tooneelen daarvan

bewezen den onervarene, dat hij nog op verre na niet aan de grenzen

van het bereikbare gestaan had; want gestadig nam de belangrijkheid

toe, en toen eindelijk de laatste ontknooping van het werk daar was,

met hare diep weemoedige vreugde, met haar weenenden jubel, toen

dreigden de jonge, minnende harten onder den overstelpenden vloed van

hartstochtelijke gewaarwordingen te bezwijken. Alisette was echter ook

zoo schoon, zoo roerend, zoo verheven in hare vreugde, dat zij zelfs

voor den met bewustzijn genietenden Lodewijk het kunstwerk uit de

lagere kringen, waarin het op zwakke, matte vleugels omzweeft, in eene

hoogere meer zuivere sfeer overbracht, waar het zich op vrije vlerken

in den zonneglans wiegen kon.

Lodoiska was tot in het diepste der ziel getroffen, maar niet gelukkig;

duister rees het beklemmend gevoel in haar op, dat zij niet vermogend

was zich met deze machtige tooveres, die haar zelve zoo tegen wil en

dank medesleepte, te meten. Hoe zou zij den geliefde boeien, wanneer

gene hare verleidelijke netten uitspande, hare zoetlokkende stem

klinken liet en de zachte, blanke armen naar hem uitstrekte? Zij dacht

dit alles wel niet dadelijk, maar het drukkend gevoel van armoede en

zwakheid, dat edele zielen zoo licht bekruipt, daar zij hare eigene

hooge waarde miskennen, doordrong hare borst. Wie ben ik, dacht zij, om

met mijne liefde het hart des vriends te vervullen in eene wereld, die

zoo oneindig veel schooners aanbiedt?—Het schuldelooze meisje besefte

niet, dat een rein hart de schoonste diamant is, die het eigen leven en

dat des vreemden versieren kan. Slechts de verblinde gaat dit kleinood

achteloos voorbij, slechts de waanzinnige werpt het roekeloos van zich.

Doch hoevelen legt een nijdige genius een zwarten blinddoek voor de

oogen, zoodat zij in eeuwig duister door het leven ronddwalen en het

geluk niet vinden, wanneer het de open armen naar hen uitstrekt!

1812: Historische roman · 第 38 / 154 题