HOOFDSTUK VI.

Zoo snelden eenige dagen vrij gelijkvormig voorbij. Alisette en

Regnard, zelden anderen, waren de gasten, die den kring der familie,

van welke Bernard en Lodewijk zich thans als leden begonnen te

beschouwen, vergrootten. Regnard bracht steeds berichten aangaande

de krijgsgebeurtenissen, het oprukken van troepen en soortgelijk

nieuws mede en hield de kleine, vertrouwelijke vereeniging daardoor

eenigermate met de buitenwereld in betrekking. Zijn scherpziend oog had

Jaromirs neiging voor Lodoiska en de beantwoording van deze spoedig

ontdekt, niettegenstaande het jonge paar ze zorgvuldig trachtte te

verbergen; vandaar verdween de lichte vlaag van jaloerschheid, welke

Alisette bij hem had doen oprijzen, weder geheel en al, en niets

stoorde verder het vroolijk verkeer. De zangeres was sedert twee dagen

weggebleven, daar de opera, die men den volgenden avond zoude geven,

haar geheel bezig hield; de overste, die eene halve proefvoorstelling

had bijgewoond, prees die zeer, maar had den titel vergeten. „Ik was

recht verdrietig,” zeide hij, „dat ik niet tot het einde toe kon

blijven, maar ik werd door een lastig voorval gestoord. Mijn adjudant

meldde mij, dat men met zekerheid ontdekt heeft, dat een russisch

generaal, die met geheime, staatkundige opdrachten in Frankrijk

geweest en van daar ontvlucht is, zich in de stad verborgen houdt en

het voornemen heeft, dezen nacht zijne vlucht voort te zetten. Daar

mijn regiment juist de poortwachten heeft, moest ik weg om voor de

verdubbeling der posten te zorgen.”

„En wie moet de vluchteling zijn?” vroeg de gravin.

„Dat weten wij niet,” hervatte Regnard. „Eenigen beweren de generaal

Cz...., die inderdaad te Parijs in eene menigte verbintenissen

gewikkeld is geweest, op last van Napoleon in hechtenis moest genomen

worden, maar tijdig gewaarschuwd, Straatsburg achter den rug had, eer

de telegraaf het bevel kon overbrengen. Het is bijna onmogelijk, dat

hij zich zoo lang op vijandelijk grondgebied heeft schuil gehouden.

Anderen willen weten, dat het de graaf Winzingerode is, een Duitscher

in russischen dienst; dit luidt waarschijnlijker. Maar men noemt

nog andere mannen, en bij slot van rekening weet niemand iets met

zekerheid.”

De overste sprak nog, toen een ordonnans binnentrad en aan Jaromir

een verzegelden brief overhandigde. „Waarachtig, in dezelfde zaak,”

riep deze na gelezen te hebben; „ik krijg bevel, de wijk, waarin onze

stallen liggen, en vooral de uitgangen naar den Weichsel met mijne

lieden te bezetten.”

„Ja, ja, de zaak schijnt ernstig te worden behandeld,” merkte de

overste aan. „Ik werd van het gezang der schoone Françoise verstoken,

gij zult u de opoffering van uw maaltijd moeten getroosten! Dat zijn

soldatenkansen!”

„Zij zijn te verdragen,” antwoordde Jaromir glimlachend; „slechts is

het verdrietig, dat ik ook onze vrienden van hun avond en misschien

wel van den nacht moet berooven; het ontbreekt mij nog aan welberaden

mannen en ik moet toch, daar de dienst des daags zoo vermoeiend is, op

ten minste drie aflossingen rekenen. Ik kan u dus niet verschoonen,

lieve vrienden; gij zult heden uwe eerste wacht moeten betrekken!”

„Op staanden voet gekommandeerd!” riep Bernard vroolijk, „in 's hemels

naam. Als het wild bij mij opspringt, zal ik het niet laten ontsnappen.”

Er was geen tijd te verliezen; men nam afscheid van de dames en den

overste, gespte de sabels om en ging. Jaromir liet zijne trompetters

verzameling blazen, bepaalde de uit te zetten posten, deelde zijne

manschappen af en beval den afmarsch.

Bernard werd aan het verst verwijderd einde der gansche wijk geplaatst.

De weg derwaarts liep door eene stille straat tusschen twee steile

muren, waarvan de eene den tuin van een klooster begrensde. Een

dwarssteegje doorsneed ze en voerde afwaarts naar den Weichsel.

Tweehonderd schreden van dit punt stond de naaste schildwacht; verder

op geene meer, wijl zich daar geene uitgangen naar den stroom bevonden.

Jaromir zelf had de posten opgebracht.

„Gij staat hier tamelijk afgezonderd,” zeide hij, toen Bernard de

sabel getrokken en zich in de houding gesteld had; „ik zou de post

verdubbelen, wanneer ik meer volk had. Juist daarom gaf ik u deze

plaats, wijl hier omzichtigheid noodig zal zijn; ook is het goed dat

gij fransch spreekt, want onze Polen kunnen zich bezwaarlijk aan de

vele fransche soldaten doen verstaan. Binnen twee uren zal Lodewijk u

hier aflossen.”

„Mijnentwege laat mij den ganschen nacht hier,” hervatte Bernard; „het

is zwoel en warm, vermoedelijk krijgen wij een verkwikkenden regen. En

wat de eenzaamheid betreft, wees daarover niet bezorgd; ik weet mij den

tijd te verdrijven en heb niemand noodig om mij wakker te houden.”

„Wanneer u iets bijzonders mocht ontmoeten, schiet dan uw pistool af en

gij zult dadelijk hulp van den naasten post bekomen.”

„Wees onbezorgd; de schildwacht heeft geen tweeden voor zich zelf

noodig; ik zal mij weten te redden.”

Jaromir ging, Bernard bleef alleen. De hemel werd dicht bewolkt;

middernacht was nabij; een fijne warme stofregen vermeerderde de

duisternis.

De gevelspitsen en torentjes van het oude klooster, welks omtrekken

Bernard tot hiertoe als zwarte schaduwbeelden op den nachtelijken hemel

had afgeteekend gezien, verloren zich thans in onmiskenbare vormen.

Slechts een mat lamplicht schemerde uit eenige kleine vensters. Het was

doodstil. Slechts nu en dan hoorde men in de verte een nachtegaal slaan

en het zachte ruischen van den voorbijvlietenden stroom.

„Het is goed, dat ik een paar scherpe oogen heb,” mompelde Bernard,

„want hier dient men ze waarachtig open te zetten, wil men iemand zien,

die voorbijsluipt. Ik zal verstandig doen met mijne sabel van tijd tot

tijd als een voelhoren vooruit te steken en, als bij 't blindeman, met

uitgestrekte armen rond te tasten. Ha, nu wordt het helderder; zij

hangen eene lantaarn uit daar boven in 't klooster; die komt mij goed

te pas.”

Inderdaad werd in een der bovenste vensters eene lamp zichtbaar,

waarmede iemand naar buiten scheen te lichten; het schijnsel bewoog

zich eenige malen heen en weder, vervolgens verdween het.

„Nu is 't eerst recht duister geworden; dat verwenschte licht heeft mij

geheel verblind. Wilde hier iemand ontsnappen, hij zou verstandig doen,

eene londensche straatlantaarn onder den arm te nemen, de schildwacht

daarmee eerst eens fiksch onder de oogen te lichten, ze hem vervolgens

naar den kop te gooien en dan naar de maan te loopen! Maar halt! wat

was dat?—Heeft het gebliksemd? Al weer!”

Een zeer mat, flikkerend schijnsel, als van een verwijderden bliksem

verlichtte van de stroomzijde het dichte duister. De enge straat

belemmerde het uitzicht daarop, doch eensklaps zag Bernard kleine

vonken vliegen en ontdekte dat iemand op de rivier, naar het scheen na

aan den oever, vuur sloeg.

Zijn vlugge geest bracht deze verschijning dadelijk met het licht in

het klooster in verband. Zou men elkander hier seinen? dacht hij.

Holla, vriend! de oogen in 't zeil! Het zou niet onaardig wezen, als

het wild u eens in 't net liep.—Hm! dacht hij verder, ik wil 't niet

hopen; mijn plicht vordert, dat ik den vluchteling aanhoud, en wellicht

lever ik den Franschman dan een even onschuldig offer in handen, als

Lodewijk of ik bijna geweest waren. Ik wou, dat hij een anderen uitweg

nam uit zijn schuilhoek!

Eensklaps stond hij stil en luisterde. Hij hoorde zachte schreden;

neen, het was geen bedrog. Het hoofd voorover gebogen, den adem

inhoudende, gaf hij geen geluid. Ras, maar behoedzaam kwam het nader;

eenige fluisterende en mompelende tonen lieten zich vernemen. Men

naderde, Bernard hield den blanken sabel vaardig en riep in het

poolsch: „Werda!”

Een oogenblik bleef het stil; vervolgens trad eene mannelijke gestalte

met vaste schreden vooruit, eenige woorden mompelende, die Bernard niet

verstond. Zij klonken bijna als een vrome groet.

„Ik spreek geen poolsch!” zeide hij in die taal, en gaf door eene

beweging met zijn sabel te kennen, dat hij niemand mocht doorlaten.

„Dus fransch?” vroeg eene welluidende vrouwelijke stem.

„Desnoods; doch liever duitsch,” hernam Bernard in het fransch.

„Een duitsch soldaat,” riep dezelfde stem, als onwillekeurig, op den

toon van blijde verrassing.

„Ja, een Duitscher,” hervatte Bernard; „en daar gij deze taal verstaat,

zeg ik u hiermede, dat ik niemand mag doorlaten, die niet van een

bewijs is voorzien, dat hij zich aan de hoofdwacht gemeld heeft en daar

onverdacht is bevonden.”

„O mijn God!” hernam het vrouwelijke wezen met eene gesmoorde bevende

stem: „wij hebben haast; deze vrome man moet eenen stervende, die aan

de overzijde met den dood worstelt, den laatsten troost brengen; daarom

hebben wij hem hier uit het klooster gehaald. Gij zult het heilige werk

toch niet verhinderen?”

Eerst thans zag Bernard, dat de vreemde in monniksdracht gehuld scheen;

achter hem stond nog eene vrouwelijke gedaante. Duidelijk liet zich in

de diepe duisternis niets onderkennen.

„Ik mag van mijne bevelen niet afwijken; is alles waarheid wat gij

zegt, ga dan tusschen de muren voort; na twee honderd passen stoot gij

op den eersten post en vraagt dezen naar den officier. Hij is in het

wachthuis, en zal u zeker door eenige mannen, die zich van de waarheid

overtuigen kunnen, laten geleiden, zoodat gij uw vroom werk ongestoord

verrichten kunt.”

„Twee honderd schreden van hier staat de naaste post?” vroeg de monnik

thans met eene stem, die niet meer de vrome zalving van zoo even had.

„Tweehonderd.”

„Dat is tamelijk ver.”

„Ik kan 't niet veranderen.”

De vreemde scheen besluiteloos; er heerschte een gespannen stilzwijgen.

Eensklaps vertoonde zich weder het helder lichtgeflonker in de richting

van den stroom, maar ditmaal zeer in de nabijheid, en tevens kon men

het slaan der roeiriemen duidelijk onderscheiden. Bernard werd onthutst

en wendde het hoofd naar de rivier: een voorgevoel zeide hem, dat

deze verschijning met die vóór hem in het nauwste verband stond. Maar

niet zoodra was deze gedachte in zijne ziel opgerezen, of plotseling

voelde hij zich door eene sterke vuist in den nek gegrepen en zag eene

dolkspits tegen zijne borst flikkeren. De stoot trof, gleed echter

op den breeden riem der sabelkoppel af en schramde slechts de huid.

Door een koenen sprong rukte hij zich los, greep de vuist, waarin de

aanvaller den dolk hield, met zijne linkerhand krachtig in het gewricht

aan en deed met de rechter een forschen sabelhouw naar het hoofd van

zijn onbekenden vijand. Deze week terug, ontdook den slag, maar gleed

uit en viel op den grond; thans trok Bernard zijn pistool uit den

gordel, zette haar den liggende op de borst en riep: „Gij zijt des

doods, als gij u beweegt.”

Doch op hetzelfde oogenblik wierp de vrouwelijke gestalte zich aan

zijne voeten, hief de armen biddende tot hem omhoog en riep met de

uitdrukking van den doodelijksten angst:

„Erbarmen! Erbarmen! dood hem niet!”

Bernard was verbaasd; de stem drong tot het binnenste zijner ziel door.

Hij was voornemens geweest, luide om hulp te roepen, doch de aanblik

der smeekende, die zijne knie hield vastgekneld, bewees hem, dat hij

hier geen gevaar meer te duchten had.

„Ik wil geen wraak nemen,” sprak hij vast en beraden, „maar mijn plicht

vordert gestrengheid. Ik moet nu achterdocht voeden; gij zijt mijn

gevangene.”

„Schiet mij slechts door de borst, jonkman,” sprak de nog ter aarde

liggende somber; „uw gevangene te zijn, is mij onverdragelijker dan de

dood.”

„O, mijn vader!” snikte het jonge meisje en greep zijne hand. „Neen,

neen, niet sterven. Hij zal medelijden hebben! Ik wil voor u bidden!”

Zij sprong op en wendde zich tot Bernard. „O, uwe spraak verraadt,

dat gij tot de beschaafden behoort! Uw hart zal den angst der dochter

beseffen. Wij zijn verloren, als gij ons niet laat ontvluchten. Wees

grootmoedig, houdt ons niet terug. Ik zou u goud bieden, maar ik durf

den man niet beleedigen, van wien ik eene edele daad vorder!”

Bernard was met zich zelf in tweestrijd. „Ik vermag niet—houd op! Elk

uwer woorden verzwaart de hardheid van mijn plicht. Ik vermoed nu, wie

ik voor mij heb!”

De onbekende had zich intusschen weder opgericht. „Gij zijt een

Duitscher,” sprak hij; „wat u hier ook brengen mag, uwe eerste

plichten behooren het vaderland. Ik betuig u, gij schendt ze niet door

mij de vlucht te vergunnen.”

„Neen, bij den hemel hierboven, dat doet gij niet,” riep het jonge

meisje en hief de hand als tot eene bezwering omhoog; „het is geen

misdaad, waartoe u mijn smeeken verleiden zal. Nooit, nooit zal uw hart

u eenig verwijt behoeven te doen.”

In de verte liet zich het kletteren van wapens vernemen; men scheen te

komen. Bernard wendde zich verschrikt om.

„O hemel!” riep de biddende, „als gij nog eene minuut toeft, is het te

laat! Hoor het smeeken der radelooze!”

Bernard werd door de hevigste twijfeling geslingerd. Zou hij den

eersten plicht der eer, dien zijn stand hem oplegde, schenden? Zou hij

wellicht den vriend, die hem hielp redden, in het verderf storten? En

toch, zijn eigen noodlot, maar bovenal de hem onbeschrijfelijk diep in

het hart dringende stem der smeekende overwon hem. „Vlucht dan,” sprak

hij haastig en liet zijne gewapende hand zinken, „maar ik mag, ik wil

niet zien waarheen! Weg! weg!”

„Dank, dank!” fluisterde de schoone gestalte hem met eene in tranen

en vreugde smorende stem toe, greep zijne hand en wilde ze aan haar

vochtig gelaat brengen. Bernard verhinderde dit: „Haast u,” zuchtte

hij, „om Gods wil, men komt nader!”

Toen hij den warmen handdruk der dankbaarheid ontving, bestormde een

smartelijk, zalig gevoel zijne borst. Vinden en verliezen in hetzelfde

oogenblik! Zou deze wonderbare, groote minuut, die twee zielen in ééne

heilige gewaarwording deed samensmelten, spoorloos verdwijnen, als

een regendrop die in den oceaan valt? Neen, dat mocht zij niet! Een

aandenken, een herkenningsteeken voor toekomstige dagen wilde Bernard

ten minste behouden. Daarom trok hij haastig den lichten handschoen

van de hand van het belangrijke wezen, om dezen te behouden. Doch

terwijl zijne vingers over hare zachte, bevende hand heengleden, voelde

hij eensklaps een ring aan de hare. De gedachte, dat deze een teeken

kon zijn, waardoor zij zich aan een ander voor eeuwig verbonden had,

drong hem ijskoud door de ziel. Alsof hij haar aan de macht van dezen

zou ontrukken, wanneer hij het onderpand der trouw roofde, greep hij

driftig naar den ring en vorderde dien haar af. „Ik weet niet, wie ik

hier ontmoette, ik mag het niet weten,” riep hij omstuimig, terwijl hij

de sidderende, die zich juist wilde losrukken, om den reeds naar den

oever ijlenden vader in te halen, half vasthield, half geleidde; „laat

mij daarom dit aandenken, waardoor we elkander in gelukkiger dagen

kunnen wedervinden.”

Terwijl hij sprak, trachtte hij haar het kleinood reeds van den vinger

te schuiven. Zij bood een oogenblik tegenstand. „Juist dezen ring,

ach juist dezen!” zuchtte zij; doch Bernard, vreezende, dat zij zou

uitspreken, wat hem in duister voorgevoel beangstigde, viel haar heftig

in de rede:

„Juist dezen wil ik; voleind niet; juist dezen of niets!” Maar hij

had den roof reeds bemachtigd en haar tevens zijn eigen ring met

onstuimigheid aan den vinger gedrukt. „De uwe kan u niet dierbaarder

zijn dan mij de mijne,” ging hij voort, „ik geef u veel, misschien

alles, wat ik te hopen heb. Maar mijn geloof staat vast, dat ik hem

eens zal inlossen.”

Zijne drift had elke weigering vruchteloos doen zijn, ook wanneer de

plicht der dankbaarheid het der onbekende niet onmogelijk gemaakt had,

haren redder thans zijne eenige bede, al eischte deze wat haar het

dierbaarst was, af te slaan.

„Zoo neem hem dan,” fluisterde zij onder het voortsnellen, „maar ik

moet hem terug hebben, wanneer de krijg niet meer elken zachteren band

tusschen de menschen vaneen scheurt.—Leef dan gelukkig en zij de

Algoede steeds met mijn redder!”

Bij deze laatste woorden begaf haar de stem; zij wilde hare hand

zachtkens uit de zijne losmaken, doch hij hield haar vast en drukte er

een gloeienden kus op. Eindelijk reet hij zich met een bloedend hart

los en ijlde terug.

Nauwelijks had hij zijne standplaats bereikt, of hij hoorde, dat

de boot van den oever stiet en met vlugge riemslagen de golven

doorkliefde. Hij haalde ruimer adem. „Thans zijn zij gered; het was

hoog tijd!” En waarlijk, de aflossing naderde; nog kon hij het ruischen

der roeispanen in de verte vernemen, toen ze voor hem stond.

„Niets nieuws op uw post?” vroeg de onderofficier; het was Petrowski.

„Niets,” sprak Bernard met bedaardheid.

„Afgelost!”

Lodewijk nam thans de plaats van zijn vriend in; voor Bernard was de

dienst van dezen nacht afgeloopen. Haastig snelde deze naar huis; onder

het voortspoeden vatte hij het besluit op, om het gansche voorval

in zijn hart te begraven en noch aan Lodewijk, noch aan Jaromir het

geringste mede te deelen, ten einde hen, bij mogelijke ontdekking,

niet misschien ook met de verantwoordelijkheid belast te zien. Hij

bereikte zijne kamer; in allerijl ontstak hij eene waskaars, om den

ring nauwkeuriger te bezien. „Duivel!” riep hij uit, toen hij dien

tegen het licht hield. „Is dat een goochelspel van den satan, of ben ik

krankzinnig geworden?” Hij had zijn eigen ring in de hand. „O dwaas,

die ik ben!” riep hij uit en drukte zich de vuist gramstorig tegen het

voorhoofd; „die plompe, botte vingers hebben de ringen verwisseld. De

hersens kon ik mij inslaan en met Frans Moor uitroepen: „Dat was dom,

dom!””

Driftig stapte hij op en neder. „Ha! ha! ha!—Nu moet ik waarachtig

de geschiedenis voor geheel de wereld uitkraaien; ha, zij is te

potsierlijk fraai, om verborgen te blijven, als zij niet tevens zoo

venijnig boosaardig was! En als zij nu de dwaling bemerkt! In welk

hemelsch daglicht van onnoozele belachelijkheid moet de slimme redder

voor haar staan. Bernard! Bernard! dat was een meesterstuk. Als die sul

van een tooverleerling, staat gij thans voor de gesloten poort en hebt

het woord vergeten, waarop zij openspringt.”

Hij werd week; tranen drongen in zijn oog. Hij wierp zich op een stoel

en leunde met het hoofd op de hand.

„Ja, ja, dat gaat zoo,” mompelde hij voor zich zelf, „'t is mij

geen nieuws meer; ik heb het immers meermalen ervaren. Het is de

Nemesis van 't lot, dat mij, omdat ik het in mijne grimmigheid

altijd een grijnslachend masker vertoon, in plaats van een krijtend

melkmuilsgezicht, gewoonlijk met gelijke munt betaalt. Hoe vaak, als

ik een vriend of eene geliefde aan 't hart dacht te drukken, schoof

het mij eene smalle stroopop in de armen! Het doet toch zeer!—Een

aandenken aan die schoone minuut had ik toch gaarne gehad.—Het is mij

niet om 't weervinden te doen; want duizend tegen een, dat ik haar

ooit weer te zien krijg. Wat de nacht met zijn geheimzinnig donker mij

tooverachtig schoon deed voorkomen, is wellicht alledaagsch, als de zon

er hare gemeene stralen op neer werpt!—En wil ik haar vinden, dan vind

ik haar toch zonder den ring of andere nesterijen—maar—een aandenken

had ik toch gaarne van haar gehad!”

Half treurende, half verdrietig wierp hij zich op zijn leger, om er

den slaap niet te vinden.

1812: Historische roman · 第 37 / 154 题