Zoo snelden eenige dagen vrij gelijkvormig voorbij. Alisette en
Regnard, zelden anderen, waren de gasten, die den kring der familie,
van welke Bernard en Lodewijk zich thans als leden begonnen te
beschouwen, vergrootten. Regnard bracht steeds berichten aangaande
de krijgsgebeurtenissen, het oprukken van troepen en soortgelijk
nieuws mede en hield de kleine, vertrouwelijke vereeniging daardoor
eenigermate met de buitenwereld in betrekking. Zijn scherpziend oog had
Jaromirs neiging voor Lodoiska en de beantwoording van deze spoedig
ontdekt, niettegenstaande het jonge paar ze zorgvuldig trachtte te
verbergen; vandaar verdween de lichte vlaag van jaloerschheid, welke
Alisette bij hem had doen oprijzen, weder geheel en al, en niets
stoorde verder het vroolijk verkeer. De zangeres was sedert twee dagen
weggebleven, daar de opera, die men den volgenden avond zoude geven,
haar geheel bezig hield; de overste, die eene halve proefvoorstelling
had bijgewoond, prees die zeer, maar had den titel vergeten. „Ik was
recht verdrietig,” zeide hij, „dat ik niet tot het einde toe kon
blijven, maar ik werd door een lastig voorval gestoord. Mijn adjudant
meldde mij, dat men met zekerheid ontdekt heeft, dat een russisch
generaal, die met geheime, staatkundige opdrachten in Frankrijk
geweest en van daar ontvlucht is, zich in de stad verborgen houdt en
het voornemen heeft, dezen nacht zijne vlucht voort te zetten. Daar
mijn regiment juist de poortwachten heeft, moest ik weg om voor de
verdubbeling der posten te zorgen.”
„En wie moet de vluchteling zijn?” vroeg de gravin.
„Dat weten wij niet,” hervatte Regnard. „Eenigen beweren de generaal
Cz...., die inderdaad te Parijs in eene menigte verbintenissen
gewikkeld is geweest, op last van Napoleon in hechtenis moest genomen
worden, maar tijdig gewaarschuwd, Straatsburg achter den rug had, eer
de telegraaf het bevel kon overbrengen. Het is bijna onmogelijk, dat
hij zich zoo lang op vijandelijk grondgebied heeft schuil gehouden.
Anderen willen weten, dat het de graaf Winzingerode is, een Duitscher
in russischen dienst; dit luidt waarschijnlijker. Maar men noemt
nog andere mannen, en bij slot van rekening weet niemand iets met
zekerheid.”
De overste sprak nog, toen een ordonnans binnentrad en aan Jaromir
een verzegelden brief overhandigde. „Waarachtig, in dezelfde zaak,”
riep deze na gelezen te hebben; „ik krijg bevel, de wijk, waarin onze
stallen liggen, en vooral de uitgangen naar den Weichsel met mijne
lieden te bezetten.”
„Ja, ja, de zaak schijnt ernstig te worden behandeld,” merkte de
overste aan. „Ik werd van het gezang der schoone Françoise verstoken,
gij zult u de opoffering van uw maaltijd moeten getroosten! Dat zijn
soldatenkansen!”
„Zij zijn te verdragen,” antwoordde Jaromir glimlachend; „slechts is
het verdrietig, dat ik ook onze vrienden van hun avond en misschien
wel van den nacht moet berooven; het ontbreekt mij nog aan welberaden
mannen en ik moet toch, daar de dienst des daags zoo vermoeiend is, op
ten minste drie aflossingen rekenen. Ik kan u dus niet verschoonen,
lieve vrienden; gij zult heden uwe eerste wacht moeten betrekken!”
„Op staanden voet gekommandeerd!” riep Bernard vroolijk, „in 's hemels
naam. Als het wild bij mij opspringt, zal ik het niet laten ontsnappen.”
Er was geen tijd te verliezen; men nam afscheid van de dames en den
overste, gespte de sabels om en ging. Jaromir liet zijne trompetters
verzameling blazen, bepaalde de uit te zetten posten, deelde zijne
manschappen af en beval den afmarsch.
Bernard werd aan het verst verwijderd einde der gansche wijk geplaatst.
De weg derwaarts liep door eene stille straat tusschen twee steile
muren, waarvan de eene den tuin van een klooster begrensde. Een
dwarssteegje doorsneed ze en voerde afwaarts naar den Weichsel.
Tweehonderd schreden van dit punt stond de naaste schildwacht; verder
op geene meer, wijl zich daar geene uitgangen naar den stroom bevonden.
Jaromir zelf had de posten opgebracht.
„Gij staat hier tamelijk afgezonderd,” zeide hij, toen Bernard de
sabel getrokken en zich in de houding gesteld had; „ik zou de post
verdubbelen, wanneer ik meer volk had. Juist daarom gaf ik u deze
plaats, wijl hier omzichtigheid noodig zal zijn; ook is het goed dat
gij fransch spreekt, want onze Polen kunnen zich bezwaarlijk aan de
vele fransche soldaten doen verstaan. Binnen twee uren zal Lodewijk u
hier aflossen.”
„Mijnentwege laat mij den ganschen nacht hier,” hervatte Bernard; „het
is zwoel en warm, vermoedelijk krijgen wij een verkwikkenden regen. En
wat de eenzaamheid betreft, wees daarover niet bezorgd; ik weet mij den
tijd te verdrijven en heb niemand noodig om mij wakker te houden.”
„Wanneer u iets bijzonders mocht ontmoeten, schiet dan uw pistool af en
gij zult dadelijk hulp van den naasten post bekomen.”
„Wees onbezorgd; de schildwacht heeft geen tweeden voor zich zelf
noodig; ik zal mij weten te redden.”
Jaromir ging, Bernard bleef alleen. De hemel werd dicht bewolkt;
middernacht was nabij; een fijne warme stofregen vermeerderde de
duisternis.
De gevelspitsen en torentjes van het oude klooster, welks omtrekken
Bernard tot hiertoe als zwarte schaduwbeelden op den nachtelijken hemel
had afgeteekend gezien, verloren zich thans in onmiskenbare vormen.
Slechts een mat lamplicht schemerde uit eenige kleine vensters. Het was
doodstil. Slechts nu en dan hoorde men in de verte een nachtegaal slaan
en het zachte ruischen van den voorbijvlietenden stroom.
„Het is goed, dat ik een paar scherpe oogen heb,” mompelde Bernard,
„want hier dient men ze waarachtig open te zetten, wil men iemand zien,
die voorbijsluipt. Ik zal verstandig doen met mijne sabel van tijd tot
tijd als een voelhoren vooruit te steken en, als bij 't blindeman, met
uitgestrekte armen rond te tasten. Ha, nu wordt het helderder; zij
hangen eene lantaarn uit daar boven in 't klooster; die komt mij goed
te pas.”
Inderdaad werd in een der bovenste vensters eene lamp zichtbaar,
waarmede iemand naar buiten scheen te lichten; het schijnsel bewoog
zich eenige malen heen en weder, vervolgens verdween het.
„Nu is 't eerst recht duister geworden; dat verwenschte licht heeft mij
geheel verblind. Wilde hier iemand ontsnappen, hij zou verstandig doen,
eene londensche straatlantaarn onder den arm te nemen, de schildwacht
daarmee eerst eens fiksch onder de oogen te lichten, ze hem vervolgens
naar den kop te gooien en dan naar de maan te loopen! Maar halt! wat
was dat?—Heeft het gebliksemd? Al weer!”
Een zeer mat, flikkerend schijnsel, als van een verwijderden bliksem
verlichtte van de stroomzijde het dichte duister. De enge straat
belemmerde het uitzicht daarop, doch eensklaps zag Bernard kleine
vonken vliegen en ontdekte dat iemand op de rivier, naar het scheen na
aan den oever, vuur sloeg.
Zijn vlugge geest bracht deze verschijning dadelijk met het licht in
het klooster in verband. Zou men elkander hier seinen? dacht hij.
Holla, vriend! de oogen in 't zeil! Het zou niet onaardig wezen, als
het wild u eens in 't net liep.—Hm! dacht hij verder, ik wil 't niet
hopen; mijn plicht vordert, dat ik den vluchteling aanhoud, en wellicht
lever ik den Franschman dan een even onschuldig offer in handen, als
Lodewijk of ik bijna geweest waren. Ik wou, dat hij een anderen uitweg
nam uit zijn schuilhoek!
Eensklaps stond hij stil en luisterde. Hij hoorde zachte schreden;
neen, het was geen bedrog. Het hoofd voorover gebogen, den adem
inhoudende, gaf hij geen geluid. Ras, maar behoedzaam kwam het nader;
eenige fluisterende en mompelende tonen lieten zich vernemen. Men
naderde, Bernard hield den blanken sabel vaardig en riep in het
poolsch: „Werda!”
Een oogenblik bleef het stil; vervolgens trad eene mannelijke gestalte
met vaste schreden vooruit, eenige woorden mompelende, die Bernard niet
verstond. Zij klonken bijna als een vrome groet.
„Ik spreek geen poolsch!” zeide hij in die taal, en gaf door eene
beweging met zijn sabel te kennen, dat hij niemand mocht doorlaten.
„Dus fransch?” vroeg eene welluidende vrouwelijke stem.
„Desnoods; doch liever duitsch,” hernam Bernard in het fransch.
„Een duitsch soldaat,” riep dezelfde stem, als onwillekeurig, op den
toon van blijde verrassing.
„Ja, een Duitscher,” hervatte Bernard; „en daar gij deze taal verstaat,
zeg ik u hiermede, dat ik niemand mag doorlaten, die niet van een
bewijs is voorzien, dat hij zich aan de hoofdwacht gemeld heeft en daar
onverdacht is bevonden.”
„O mijn God!” hernam het vrouwelijke wezen met eene gesmoorde bevende
stem: „wij hebben haast; deze vrome man moet eenen stervende, die aan
de overzijde met den dood worstelt, den laatsten troost brengen; daarom
hebben wij hem hier uit het klooster gehaald. Gij zult het heilige werk
toch niet verhinderen?”
Eerst thans zag Bernard, dat de vreemde in monniksdracht gehuld scheen;
achter hem stond nog eene vrouwelijke gedaante. Duidelijk liet zich in
de diepe duisternis niets onderkennen.
„Ik mag van mijne bevelen niet afwijken; is alles waarheid wat gij
zegt, ga dan tusschen de muren voort; na twee honderd passen stoot gij
op den eersten post en vraagt dezen naar den officier. Hij is in het
wachthuis, en zal u zeker door eenige mannen, die zich van de waarheid
overtuigen kunnen, laten geleiden, zoodat gij uw vroom werk ongestoord
verrichten kunt.”
„Twee honderd schreden van hier staat de naaste post?” vroeg de monnik
thans met eene stem, die niet meer de vrome zalving van zoo even had.
„Tweehonderd.”
„Dat is tamelijk ver.”
„Ik kan 't niet veranderen.”
De vreemde scheen besluiteloos; er heerschte een gespannen stilzwijgen.
Eensklaps vertoonde zich weder het helder lichtgeflonker in de richting
van den stroom, maar ditmaal zeer in de nabijheid, en tevens kon men
het slaan der roeiriemen duidelijk onderscheiden. Bernard werd onthutst
en wendde het hoofd naar de rivier: een voorgevoel zeide hem, dat
deze verschijning met die vóór hem in het nauwste verband stond. Maar
niet zoodra was deze gedachte in zijne ziel opgerezen, of plotseling
voelde hij zich door eene sterke vuist in den nek gegrepen en zag eene
dolkspits tegen zijne borst flikkeren. De stoot trof, gleed echter
op den breeden riem der sabelkoppel af en schramde slechts de huid.
Door een koenen sprong rukte hij zich los, greep de vuist, waarin de
aanvaller den dolk hield, met zijne linkerhand krachtig in het gewricht
aan en deed met de rechter een forschen sabelhouw naar het hoofd van
zijn onbekenden vijand. Deze week terug, ontdook den slag, maar gleed
uit en viel op den grond; thans trok Bernard zijn pistool uit den
gordel, zette haar den liggende op de borst en riep: „Gij zijt des
doods, als gij u beweegt.”
Doch op hetzelfde oogenblik wierp de vrouwelijke gestalte zich aan
zijne voeten, hief de armen biddende tot hem omhoog en riep met de
uitdrukking van den doodelijksten angst:
„Erbarmen! Erbarmen! dood hem niet!”
Bernard was verbaasd; de stem drong tot het binnenste zijner ziel door.
Hij was voornemens geweest, luide om hulp te roepen, doch de aanblik
der smeekende, die zijne knie hield vastgekneld, bewees hem, dat hij
hier geen gevaar meer te duchten had.
„Ik wil geen wraak nemen,” sprak hij vast en beraden, „maar mijn plicht
vordert gestrengheid. Ik moet nu achterdocht voeden; gij zijt mijn
gevangene.”
„Schiet mij slechts door de borst, jonkman,” sprak de nog ter aarde
liggende somber; „uw gevangene te zijn, is mij onverdragelijker dan de
dood.”
„O, mijn vader!” snikte het jonge meisje en greep zijne hand. „Neen,
neen, niet sterven. Hij zal medelijden hebben! Ik wil voor u bidden!”
Zij sprong op en wendde zich tot Bernard. „O, uwe spraak verraadt,
dat gij tot de beschaafden behoort! Uw hart zal den angst der dochter
beseffen. Wij zijn verloren, als gij ons niet laat ontvluchten. Wees
grootmoedig, houdt ons niet terug. Ik zou u goud bieden, maar ik durf
den man niet beleedigen, van wien ik eene edele daad vorder!”
Bernard was met zich zelf in tweestrijd. „Ik vermag niet—houd op! Elk
uwer woorden verzwaart de hardheid van mijn plicht. Ik vermoed nu, wie
ik voor mij heb!”
De onbekende had zich intusschen weder opgericht. „Gij zijt een
Duitscher,” sprak hij; „wat u hier ook brengen mag, uwe eerste
plichten behooren het vaderland. Ik betuig u, gij schendt ze niet door
mij de vlucht te vergunnen.”
„Neen, bij den hemel hierboven, dat doet gij niet,” riep het jonge
meisje en hief de hand als tot eene bezwering omhoog; „het is geen
misdaad, waartoe u mijn smeeken verleiden zal. Nooit, nooit zal uw hart
u eenig verwijt behoeven te doen.”
In de verte liet zich het kletteren van wapens vernemen; men scheen te
komen. Bernard wendde zich verschrikt om.
„O hemel!” riep de biddende, „als gij nog eene minuut toeft, is het te
laat! Hoor het smeeken der radelooze!”
Bernard werd door de hevigste twijfeling geslingerd. Zou hij den
eersten plicht der eer, dien zijn stand hem oplegde, schenden? Zou hij
wellicht den vriend, die hem hielp redden, in het verderf storten? En
toch, zijn eigen noodlot, maar bovenal de hem onbeschrijfelijk diep in
het hart dringende stem der smeekende overwon hem. „Vlucht dan,” sprak
hij haastig en liet zijne gewapende hand zinken, „maar ik mag, ik wil
niet zien waarheen! Weg! weg!”
„Dank, dank!” fluisterde de schoone gestalte hem met eene in tranen
en vreugde smorende stem toe, greep zijne hand en wilde ze aan haar
vochtig gelaat brengen. Bernard verhinderde dit: „Haast u,” zuchtte
hij, „om Gods wil, men komt nader!”
Toen hij den warmen handdruk der dankbaarheid ontving, bestormde een
smartelijk, zalig gevoel zijne borst. Vinden en verliezen in hetzelfde
oogenblik! Zou deze wonderbare, groote minuut, die twee zielen in ééne
heilige gewaarwording deed samensmelten, spoorloos verdwijnen, als
een regendrop die in den oceaan valt? Neen, dat mocht zij niet! Een
aandenken, een herkenningsteeken voor toekomstige dagen wilde Bernard
ten minste behouden. Daarom trok hij haastig den lichten handschoen
van de hand van het belangrijke wezen, om dezen te behouden. Doch
terwijl zijne vingers over hare zachte, bevende hand heengleden, voelde
hij eensklaps een ring aan de hare. De gedachte, dat deze een teeken
kon zijn, waardoor zij zich aan een ander voor eeuwig verbonden had,
drong hem ijskoud door de ziel. Alsof hij haar aan de macht van dezen
zou ontrukken, wanneer hij het onderpand der trouw roofde, greep hij
driftig naar den ring en vorderde dien haar af. „Ik weet niet, wie ik
hier ontmoette, ik mag het niet weten,” riep hij omstuimig, terwijl hij
de sidderende, die zich juist wilde losrukken, om den reeds naar den
oever ijlenden vader in te halen, half vasthield, half geleidde; „laat
mij daarom dit aandenken, waardoor we elkander in gelukkiger dagen
kunnen wedervinden.”
Terwijl hij sprak, trachtte hij haar het kleinood reeds van den vinger
te schuiven. Zij bood een oogenblik tegenstand. „Juist dezen ring,
ach juist dezen!” zuchtte zij; doch Bernard, vreezende, dat zij zou
uitspreken, wat hem in duister voorgevoel beangstigde, viel haar heftig
in de rede:
„Juist dezen wil ik; voleind niet; juist dezen of niets!” Maar hij
had den roof reeds bemachtigd en haar tevens zijn eigen ring met
onstuimigheid aan den vinger gedrukt. „De uwe kan u niet dierbaarder
zijn dan mij de mijne,” ging hij voort, „ik geef u veel, misschien
alles, wat ik te hopen heb. Maar mijn geloof staat vast, dat ik hem
eens zal inlossen.”
Zijne drift had elke weigering vruchteloos doen zijn, ook wanneer de
plicht der dankbaarheid het der onbekende niet onmogelijk gemaakt had,
haren redder thans zijne eenige bede, al eischte deze wat haar het
dierbaarst was, af te slaan.
„Zoo neem hem dan,” fluisterde zij onder het voortsnellen, „maar ik
moet hem terug hebben, wanneer de krijg niet meer elken zachteren band
tusschen de menschen vaneen scheurt.—Leef dan gelukkig en zij de
Algoede steeds met mijn redder!”
Bij deze laatste woorden begaf haar de stem; zij wilde hare hand
zachtkens uit de zijne losmaken, doch hij hield haar vast en drukte er
een gloeienden kus op. Eindelijk reet hij zich met een bloedend hart
los en ijlde terug.
Nauwelijks had hij zijne standplaats bereikt, of hij hoorde, dat
de boot van den oever stiet en met vlugge riemslagen de golven
doorkliefde. Hij haalde ruimer adem. „Thans zijn zij gered; het was
hoog tijd!” En waarlijk, de aflossing naderde; nog kon hij het ruischen
der roeispanen in de verte vernemen, toen ze voor hem stond.
„Niets nieuws op uw post?” vroeg de onderofficier; het was Petrowski.
„Niets,” sprak Bernard met bedaardheid.
„Afgelost!”
Lodewijk nam thans de plaats van zijn vriend in; voor Bernard was de
dienst van dezen nacht afgeloopen. Haastig snelde deze naar huis; onder
het voortspoeden vatte hij het besluit op, om het gansche voorval
in zijn hart te begraven en noch aan Lodewijk, noch aan Jaromir het
geringste mede te deelen, ten einde hen, bij mogelijke ontdekking,
niet misschien ook met de verantwoordelijkheid belast te zien. Hij
bereikte zijne kamer; in allerijl ontstak hij eene waskaars, om den
ring nauwkeuriger te bezien. „Duivel!” riep hij uit, toen hij dien
tegen het licht hield. „Is dat een goochelspel van den satan, of ben ik
krankzinnig geworden?” Hij had zijn eigen ring in de hand. „O dwaas,
die ik ben!” riep hij uit en drukte zich de vuist gramstorig tegen het
voorhoofd; „die plompe, botte vingers hebben de ringen verwisseld. De
hersens kon ik mij inslaan en met Frans Moor uitroepen: „Dat was dom,
dom!””
Driftig stapte hij op en neder. „Ha! ha! ha!—Nu moet ik waarachtig
de geschiedenis voor geheel de wereld uitkraaien; ha, zij is te
potsierlijk fraai, om verborgen te blijven, als zij niet tevens zoo
venijnig boosaardig was! En als zij nu de dwaling bemerkt! In welk
hemelsch daglicht van onnoozele belachelijkheid moet de slimme redder
voor haar staan. Bernard! Bernard! dat was een meesterstuk. Als die sul
van een tooverleerling, staat gij thans voor de gesloten poort en hebt
het woord vergeten, waarop zij openspringt.”
Hij werd week; tranen drongen in zijn oog. Hij wierp zich op een stoel
en leunde met het hoofd op de hand.
„Ja, ja, dat gaat zoo,” mompelde hij voor zich zelf, „'t is mij
geen nieuws meer; ik heb het immers meermalen ervaren. Het is de
Nemesis van 't lot, dat mij, omdat ik het in mijne grimmigheid
altijd een grijnslachend masker vertoon, in plaats van een krijtend
melkmuilsgezicht, gewoonlijk met gelijke munt betaalt. Hoe vaak, als
ik een vriend of eene geliefde aan 't hart dacht te drukken, schoof
het mij eene smalle stroopop in de armen! Het doet toch zeer!—Een
aandenken aan die schoone minuut had ik toch gaarne gehad.—Het is mij
niet om 't weervinden te doen; want duizend tegen een, dat ik haar
ooit weer te zien krijg. Wat de nacht met zijn geheimzinnig donker mij
tooverachtig schoon deed voorkomen, is wellicht alledaagsch, als de zon
er hare gemeene stralen op neer werpt!—En wil ik haar vinden, dan vind
ik haar toch zonder den ring of andere nesterijen—maar—een aandenken
had ik toch gaarne van haar gehad!”
Half treurende, half verdrietig wierp hij zich op zijn leger, om er
den slaap niet te vinden.