HOOFDSTUK V.

Den volgenden morgen was Jaromir het eerst wakker, sprong haastig van

zijne legerstede en wekte de beide vrienden, want thans moesten de

ernstige uren van stipte dienstvervulling een aanvang nemen.

Bernard en Lodewijk waren weldra in volle uniform; men vertrok. In

het paleis was alles nog in diepe rust; ook de straten waren stil

en doodsch. De woning van Alisette voorbijgaande, wierp Bernard

bespiedende blikken naar boven. De jalousieën waren nog gesloten.

Jaromir daarentegen vestigde het oog op de breede spiegelglazen van

het paleis en scheen de witte venstergordijnen met zijn blik te willen

doorboren.

„Wat zoekt uw oog daar boven toch?” vroeg Bernard; „wend het liever

hier naar deze zijde, want in een dezer huizen moet, naar zij mij

gisteren zeide, de schoone Françoise Alisette wonen.”

„En daar woont....” riep Jaromir levendig, maar brak plotseling af,

want een der venstergordijnen begon zich te bewegen, vloog omhoog, het

raam werd geopend, en Lodoiska boog zich naar buiten.

Een donker purper verfde haar gelaat, toen zij de drie jongelieden

ontdekte; maar ook Jaromirs wangen werden door een vurigen gloed

overtogen en hij geraakte in zulk eene verwarring, dat hij bijna

verzuimde te groeten, toen Bernard en Lodewijk zich reeds vriendelijk

voor het meisje gebogen hadden.

„Welzoo, gravin,” sprak Bernard haar aan, „zijt gij niet bevreesd

voor de morgenlucht? Kenners beweren, dat zij voor de schoonheid niet

gunstig is!”

„Ik ben bijna altijd zoo vroeg in den tuin,” zeide Lodoiska eenigszins

verlegen.

„Dan moeten de kenners zich grootelijks bedriegen,” was het snel

gevatte antwoord.

Lodoiska sloeg de schoone oogen neder en glimlachte, zonder iets te

antwoorden.

De vrienden bogen zich nogmaals en ontvingen een vriendelijken

wedergroet; daarop verdween de schoone van het venster, en zij

vervolgden hun weg.

Een blik in Jaromirs oog moest een zoo fijnen kenner van menschelijke

gelaatstrekken als Bernard, zijn gansche hart verraden. Hij beminde en

werd bemind, dat bewees zijne en hare onmiskenbare vreugde, schoon zij

thans ook geen woord met elkander gewisseld hadden. Uit de ligging der

vertrekken maakte Bernard ook dadelijk op, dat het niemand anders dan

Lodoiska kon geweest zijn, die hij dezen nacht in de zaal gezien had.

„Hm!” sprak hij en zag Jaromir vorschend aan, „de jonge gravin schijnt

hier in huis het laatst en het vroegst op te zijn. Ik moet mij zeer

bedriegen, wanneer ik haar gisteren niet als eene geestverschijning

gezien heb.”

„Wat zaagt gij?” viel Jaromir hem haastig in de rede; „wat, bid ik u?”

„Hoe, zijt gij bang voor spoken?” vroeg Bernard een weinig spotachtig.

„O scherts niet,” smeekte Jaromir, half verdrietig, half verlegen; „zeg

mij, wat gij gezien hebt, ik stel er belang in!”

„Ik zag lang na middernacht,” sprak Bernard met geheimzinnigen nadruk,

„de kamerdeur van een jong officier openstaan, en hij zelf, hoe

vermoeid hij van de reis wezen moest, was nog op.”

„Hebt gij geluisterd, Bernard, ik bezweer u,” riep Jaromir.

„Wat een kwaad geweten zich al niet inbeeldt!” luidde het schertsend

antwoord. „Geluisterd? Neen! maar ik zag spoken, witte vrouwen,

geheimzinnig gesluierde gestalten.”

„Gij maakt mij nieuwsgierig,” sprak Lodewijk. „Spoken, verschijningen?

Vertel toch op!”

„Lieve vrienden!” riep Jaromir, zonder Bernards antwoord af te wachten,

en greep beider handen, „ik wil u alles bekennen, daar ik toch reeds

half verraden ben. Maar zweert mij geheimhouding, zoo mijn geluk u lief

is.”

„Van harte gaarne,” antwoordde Lodewijk en gaf hem de hand.

„Bij den Styx,” zwoer Bernard, „schoon ik alles reeds weet of ten

minste raden kan. Maar biecht op!”

„Lodoiska was de speelgenoot mijner jeugd; zij is mijne naaste

bloedverwante. Wij hebben onuitsprekelijk gelukkige dagen op het

landgoed van haren vader aan den Narew doorgebracht. Moet ik u

bekennen, dat ik als knaap het schoone meisje reeds beminde? Zij was

eerst dertien jaren oud, toen ik zeventien telde, maar bloeide als een

liefelijke rozeknop en was reeds toen zoo goed, zoo verstandig, ach,

duizendmaal beter dan ik! In dien tijd moest ik van haar scheiden, ik

werd soldaat; dat is nu zes jaren geleden. Sedert heb ik door de halve

wereld rondgezworven en in het wilde krijgsgewoel geleefd; maar gelooft

gij wel, lieve vrienden, dat het beeld van het zachte kind mij overal

verzelde en dat, hoe menig schoone Spaansche en bevallige Fransche ik

ontmoette, nog geen vrouwelijk wezen een dieper indruk op mij gemaakt

heeft dan zij? Maar de jaren en het krijgsleven doen veel vergeten!

Wanneer ik aan mijn vaderland dacht, ja dan stond ook Lodoiska voor

mij, doch telkens zeldzamer verscheen mij haar beeld en van lieverlede

verloor zich het gevoel van heimwee, dat mij lang gekneld had, in de

eeuwigdurende wisseling der gebeurtenissen. Wie nergens te huis is,

wordt spoedig overal te huis!—Eerst toen wij de torens van Warschau

voor ons zagen, ontwaakte het oude verlangen opnieuw in mijne borst, en

ook Lodoiska's beeld zweefde mij weder zacht en liefelijk voor de ziel.

Maar ik kon mij haar slechts als het kind van toenmaals voorstellen;

wel herhaalde ik duizendmaal bij mij zelf, dat zij nu tot jonkvrouw

moest zijn opgewassen, mijn hart echter zag haar nog als voorheen.”

„En mij dunkt, uw hart zag juist,” viel Bernard hem in de rede; „want

hare ziel is nog die van een kind en blinkt door hare schoonheid heen

als door een doorzichtig hulsel. Zelden vertoont zich de onschuld van

het hart zoo open achter het helder kristal van het oog als bij haar;

geloof mij, vriendje, ik versta dat, want reeds menigen engel heb ik

geportretteerd, maar helaas ook menigen satan!”

„Gij neemt mij de woorden uit de ziel,” riep Jaromir met levendige

vreugde. „Daarom waren wij dan ook dadelijk weder zoo vertrouwelijk als

op den dag, toen wij elkander vaarwel zeiden. Zoodra ik haar gisteren

avond goeden nacht gewenscht had en op mijne kamer alleen was, werd ik

echter weder geheel mismoedig; verontrustende gedachten kwelden mij,

ik wist niet, wat mij ontbrak. De maan scheen zoo helder, de nacht was

zoo zoel, ik ging aan 't venster; op eens zag ik eene witte gestalte

door de heesters van den tuin zweven. Wanneer zij het was, dacht ik,

en gij haar een oogenblik spreken kondt! Ik vloog naar beneden, zocht

haar in alle hoeken, doch te vergeefs. Eensklaps hoorde ik in de verte

de tonen van een liedje, dat zij 's avonds gezongen had, ik ging op de

zachte klanken af en ontdekte het lieve meisje in een priëel bij de

springbron. Eerst wilde ik luisteren; maar spoedig werd ik gramstorig

op mij zelf, trad eensklaps op haar toe en sprak haar aan.”

„Gij waart zeer stoutmoedig, lieve vriend,” viel Lodewijk hem op den

zachten toon van bezorgde deelneming in de rede: „gij hadt daarmede

veel kunnen bederven!”

„Dat gevoel ik thans ook; maar gisteren moest ik, ik kon niet anders,

waarachtig niet!” antwoordde Jaromir met een tevreden lachje.

„_Habeas absolutionem, sed confiteri pergas_,” sprak Bernard met

deftigheid, „mij dunkt, ik had evenzoo gedaan.—Maar de gravin, wat

deed zij?”

„Zij was verschrikt, werd toornig, smeekte....”

„Ik ken dat,” merkte Bernard op; „is men nog niet dol en razend van

liefde, dan wordt men het daardoor. Verder!”

„Maar zij reikte mij de hand en zag mij aan met dien engelreinen blik,

en....” Hier liep het volle hart van den jongeling over, de reinste

zaligheid straalde uit zijne oogen, verder spreken kon hij niet, hij

viel Bernard, viel Lodewijk om den hals en drukte hen onstuimig aan

zijne borst. „Lodewijk,” riep hij uit, „zij wil de mijne zijn; zacht

weerstrevende gaf zij mij het zoete jawoord, maar ontvluchtte mij ook

dadelijk met angstvallige gejaagdheid. Op dit oogenblik wellicht stort

zij haar onbedorven hart voor hare moeder uit: o vrienden, hoe kan men

nog gelukkiger zijn?”

Jaromir, die zich geheel aan de onstuimigheid der jeugd en der liefde

overgaf, bemerkte niet hoe ernstig en diepgetroffen Lodewijk voor hem

stond, hoe zelfs op Bernards voorhoofd sombere rimpels samentrokken.

De eerste dacht aan zijne liefde, die als een vluchtig droombeeld uit

de werkelijkheid was verdwenen; hij plaatste de schaduwgestalte van

zijn eigen verleden naast het beeld der toekomst, dat den jongeling

aan zijne zijde met blijde hoop en levenslust bezielde. De smart,

die Bernard gevoelde, was wellicht nog bitterder, daar de liefde

duisterder en dieper in zijne borst verscholen lag. Voor Lodewijk was

zij eene aan den gezichteinder nedergedaalde zon, wier avondrood den

ganschen nacht door naschemert, tot de heldere morgen aanbreekt en het

koesterend gesternte herrijzen doet; voor Bernard slechts eene schoone,

ongenaakbare ster, die een mat schijnsel in de diepste groeve der borst

nederwerpt, zonder ze te verlichten. Wanneer Jaromir hem langer gekend,

hem over het geheel beter in zijne diepste diepte doorgrond had, zoude

hij uit zijn antwoord den waren toestand van zijn binnenste hebben

kunnen opmaken.

„Geluk er mee!” sprak hij en schudde hem de hand; „gij kunt zalig

zijn, ten minste gelukkig, of vergenoegd, of redelijk goed geluimd.

Zachte armen zijn zachte ketens, maar het blijven toch ketenen. Eene

kooi blijft eene kooi, al is zij zoo eng als de vogelknip, waarin men

Jan van Leiden aan den dom te Munster te pronk hing, of zoo donker als

het zwarte hol in Indië, of beide te gelijk, zooals het kot, waarin

wij allen rondkruipen. Ik meen de aarde, namelijk die, waarop wij

schijnlevend omwandelen, niet dat onmetelijke groote graf—kortom,

zooals ik zeide, ketenen zijn ketenen en men mag zich gelukkig achten,

als men nog een paar ongekortwiekte vlerken heeft, om in 't rond

te fladderen. Maar wat wilde ik zeggen? Ja, nu begrijp ik ook de

geestverschijning, die ik ontmoette, toen ik zelf rondwaarde en in de

ridderzaal uit spoken ging.”

Jaromir zag hem verwonderd aan. Bernard verhaalde nu zijne ontmoeting

in de zaal, waarbij hij echter zorg droeg zich zelf slechts als een

zonderling te doen voorkomen, die gaarne bij nacht en ontijden in

vreemde gebouwen rondsloop; de oorzaak, die hem gedreven had, alsook

den argwaan, hem door Alisette ingeboezemd, verzweeg hij zorgvuldig.

Onder deze gesprekken hadden zij het doel hunner wandeling bereikt,

de wapenplaats namelijk, waar Bernard en Lodewijk hun werkelijken

dienst beginnen en zich in de eerste gronden oefenen zouden. Men

vond reeds ruiters en onderofficieren van twee onvolledige eskadrons

poolsche lanciers, die het nieuw op te richten regiment ten grondslag

moesten dienen, verzameld. Jaromirs eerste werk moest zijn, uit deze

verwarde bouwstoffen een geheel te vormen. Inmiddels vertrouwde

hij zijne vrienden aan een ouden duchtigen groenrok, die hen in de

behandeling van paard en wapen onderrichten moest. Johan Petrowski,

een onderofficier, die nog onder Kosciuszko gevochten had, werd hun

leermeester. Deze aanvaardde de hem opgelegde taak met een zekeren

eerbied, die hem niet zoozeer de voorname stand zijner rekruten,

als wel het ernstig doeleinde der zaak zelve inboezemde. Het gold

de vorming van twee krijgslieden, die voor het vaderland zouden

strijden, voor het heilige, dierbare vaderland, waarvoor hij zelf

in zijn krachtigen, mannelijken leeftijd, toen zijn oude veldheer

Kosciuszko Polens zonen te wapen riep, zoo gewillig bloed en leven

in de waagschaal had gelegd. Thans naderde hij met rassche schreden

den ouderdom; want als het weder lente werd, kon hij zich onder

de zestigers tellen; maar den grijzen schedel, die reeds door zoo

menigen sabelhouw geteekend was, bood hij nog met vreugde aan het

lieve vaderland ten offer, en in het oude hart gloeide nog, als wijn

die door de jaren slechts veredeld wordt, de oude, heilige vlam van

vaderlandsliefde en heldenmoed. Onder het half kale, half met grijze

lokken omkranste voorhoofd flonkerden twee vurige, met borstelige

wenkbrauwen overschaduwde oogen; de arendsneus kromde zich statig over

de ernstige lippen, die door den grijzen knevel, waarop Johan Petrowski

een weinig trotsch was, ternauwernood zichtbaar waren. Zijn commando:

rechts zwenkt! links zwenkt! marsch! en halt! sprak hij met denzelfden

ernst, als de priester bij de mis het _Dominus vobiscum_! Zijne

leerlingen gehoorzaamden hem met evenveel ijver als liefde; daardoor

maakten zij snelle vorderingen, en meester en kweekelingen waren met

elkander tevreden. Zoo spoedde de dag in dienstverrichtingen voorbij,

en eerst tegen den avond was het den vrienden vergund in den kring

hunner beminnenswaardige huisgenooten verademing en ontspanning te

zoeken.

Uit Lodoiska's oogen straalde het zuiverste geluk; de gravin heette

Jaromir zoo vriendelijk welkom, dat deze over hare gezindheid geen den

minsten twijfel meer behoefde te voeden. Bernard en Lodewijk beseften,

dat eenige oogenblikken van ongestoord onderhoud voor Jaromir de

hoogste waarde moesten hebben; zij verschaften hem die, door zich naar

hunne kamers te begeven, nog eer hij hen daarom verzocht had. Tegen

etenstijd kwam de gelukkige jongeling hen zelf roepen en vertelde in

de volle vreugde van zijn hart: „Ook de gravin is mij gunstig en de

moederlijke goedheid zelve; maar gestreng is zij ook, want zij heeft

mij bevolen tot Rasinski's komst mijn hart te bedwingen, daar zij aan

hem de beslissing wil overlaten. Dus nu geen woord, geen blik, lieve

vrienden, waardoor onze liefde verraden kon worden. Ik heb Lodoiska

beloofd, mij bedaard te houden, en wil mijn woord mannelijk gestand

doen.”

„Braaf, fiks!” sprak Bernard ruw en barsch, naar hij gewoon was; „en

wij willen uw voorbeeld volgen. Blijft gij standvastig, dan wil ik u

ter belooning het beeld uwer bruid schilderen, of ten minste teekenen,

als wij niet meer tijd hebben.”

Zoo traden zij de gezelschapszaal binnen; geen woord verried het geluk,

maar het verwijlde toch in den stillen vredigen kring en lachte uit

aller blikken.

1812: Historische roman · 第 36 / 154 题