Den volgenden morgen was Jaromir het eerst wakker, sprong haastig van
zijne legerstede en wekte de beide vrienden, want thans moesten de
ernstige uren van stipte dienstvervulling een aanvang nemen.
Bernard en Lodewijk waren weldra in volle uniform; men vertrok. In
het paleis was alles nog in diepe rust; ook de straten waren stil
en doodsch. De woning van Alisette voorbijgaande, wierp Bernard
bespiedende blikken naar boven. De jalousieën waren nog gesloten.
Jaromir daarentegen vestigde het oog op de breede spiegelglazen van
het paleis en scheen de witte venstergordijnen met zijn blik te willen
doorboren.
„Wat zoekt uw oog daar boven toch?” vroeg Bernard; „wend het liever
hier naar deze zijde, want in een dezer huizen moet, naar zij mij
gisteren zeide, de schoone Françoise Alisette wonen.”
„En daar woont....” riep Jaromir levendig, maar brak plotseling af,
want een der venstergordijnen begon zich te bewegen, vloog omhoog, het
raam werd geopend, en Lodoiska boog zich naar buiten.
Een donker purper verfde haar gelaat, toen zij de drie jongelieden
ontdekte; maar ook Jaromirs wangen werden door een vurigen gloed
overtogen en hij geraakte in zulk eene verwarring, dat hij bijna
verzuimde te groeten, toen Bernard en Lodewijk zich reeds vriendelijk
voor het meisje gebogen hadden.
„Welzoo, gravin,” sprak Bernard haar aan, „zijt gij niet bevreesd
voor de morgenlucht? Kenners beweren, dat zij voor de schoonheid niet
gunstig is!”
„Ik ben bijna altijd zoo vroeg in den tuin,” zeide Lodoiska eenigszins
verlegen.
„Dan moeten de kenners zich grootelijks bedriegen,” was het snel
gevatte antwoord.
Lodoiska sloeg de schoone oogen neder en glimlachte, zonder iets te
antwoorden.
De vrienden bogen zich nogmaals en ontvingen een vriendelijken
wedergroet; daarop verdween de schoone van het venster, en zij
vervolgden hun weg.
Een blik in Jaromirs oog moest een zoo fijnen kenner van menschelijke
gelaatstrekken als Bernard, zijn gansche hart verraden. Hij beminde en
werd bemind, dat bewees zijne en hare onmiskenbare vreugde, schoon zij
thans ook geen woord met elkander gewisseld hadden. Uit de ligging der
vertrekken maakte Bernard ook dadelijk op, dat het niemand anders dan
Lodoiska kon geweest zijn, die hij dezen nacht in de zaal gezien had.
„Hm!” sprak hij en zag Jaromir vorschend aan, „de jonge gravin schijnt
hier in huis het laatst en het vroegst op te zijn. Ik moet mij zeer
bedriegen, wanneer ik haar gisteren niet als eene geestverschijning
gezien heb.”
„Wat zaagt gij?” viel Jaromir hem haastig in de rede; „wat, bid ik u?”
„Hoe, zijt gij bang voor spoken?” vroeg Bernard een weinig spotachtig.
„O scherts niet,” smeekte Jaromir, half verdrietig, half verlegen; „zeg
mij, wat gij gezien hebt, ik stel er belang in!”
„Ik zag lang na middernacht,” sprak Bernard met geheimzinnigen nadruk,
„de kamerdeur van een jong officier openstaan, en hij zelf, hoe
vermoeid hij van de reis wezen moest, was nog op.”
„Hebt gij geluisterd, Bernard, ik bezweer u,” riep Jaromir.
„Wat een kwaad geweten zich al niet inbeeldt!” luidde het schertsend
antwoord. „Geluisterd? Neen! maar ik zag spoken, witte vrouwen,
geheimzinnig gesluierde gestalten.”
„Gij maakt mij nieuwsgierig,” sprak Lodewijk. „Spoken, verschijningen?
Vertel toch op!”
„Lieve vrienden!” riep Jaromir, zonder Bernards antwoord af te wachten,
en greep beider handen, „ik wil u alles bekennen, daar ik toch reeds
half verraden ben. Maar zweert mij geheimhouding, zoo mijn geluk u lief
is.”
„Van harte gaarne,” antwoordde Lodewijk en gaf hem de hand.
„Bij den Styx,” zwoer Bernard, „schoon ik alles reeds weet of ten
minste raden kan. Maar biecht op!”
„Lodoiska was de speelgenoot mijner jeugd; zij is mijne naaste
bloedverwante. Wij hebben onuitsprekelijk gelukkige dagen op het
landgoed van haren vader aan den Narew doorgebracht. Moet ik u
bekennen, dat ik als knaap het schoone meisje reeds beminde? Zij was
eerst dertien jaren oud, toen ik zeventien telde, maar bloeide als een
liefelijke rozeknop en was reeds toen zoo goed, zoo verstandig, ach,
duizendmaal beter dan ik! In dien tijd moest ik van haar scheiden, ik
werd soldaat; dat is nu zes jaren geleden. Sedert heb ik door de halve
wereld rondgezworven en in het wilde krijgsgewoel geleefd; maar gelooft
gij wel, lieve vrienden, dat het beeld van het zachte kind mij overal
verzelde en dat, hoe menig schoone Spaansche en bevallige Fransche ik
ontmoette, nog geen vrouwelijk wezen een dieper indruk op mij gemaakt
heeft dan zij? Maar de jaren en het krijgsleven doen veel vergeten!
Wanneer ik aan mijn vaderland dacht, ja dan stond ook Lodoiska voor
mij, doch telkens zeldzamer verscheen mij haar beeld en van lieverlede
verloor zich het gevoel van heimwee, dat mij lang gekneld had, in de
eeuwigdurende wisseling der gebeurtenissen. Wie nergens te huis is,
wordt spoedig overal te huis!—Eerst toen wij de torens van Warschau
voor ons zagen, ontwaakte het oude verlangen opnieuw in mijne borst, en
ook Lodoiska's beeld zweefde mij weder zacht en liefelijk voor de ziel.
Maar ik kon mij haar slechts als het kind van toenmaals voorstellen;
wel herhaalde ik duizendmaal bij mij zelf, dat zij nu tot jonkvrouw
moest zijn opgewassen, mijn hart echter zag haar nog als voorheen.”
„En mij dunkt, uw hart zag juist,” viel Bernard hem in de rede; „want
hare ziel is nog die van een kind en blinkt door hare schoonheid heen
als door een doorzichtig hulsel. Zelden vertoont zich de onschuld van
het hart zoo open achter het helder kristal van het oog als bij haar;
geloof mij, vriendje, ik versta dat, want reeds menigen engel heb ik
geportretteerd, maar helaas ook menigen satan!”
„Gij neemt mij de woorden uit de ziel,” riep Jaromir met levendige
vreugde. „Daarom waren wij dan ook dadelijk weder zoo vertrouwelijk als
op den dag, toen wij elkander vaarwel zeiden. Zoodra ik haar gisteren
avond goeden nacht gewenscht had en op mijne kamer alleen was, werd ik
echter weder geheel mismoedig; verontrustende gedachten kwelden mij,
ik wist niet, wat mij ontbrak. De maan scheen zoo helder, de nacht was
zoo zoel, ik ging aan 't venster; op eens zag ik eene witte gestalte
door de heesters van den tuin zweven. Wanneer zij het was, dacht ik,
en gij haar een oogenblik spreken kondt! Ik vloog naar beneden, zocht
haar in alle hoeken, doch te vergeefs. Eensklaps hoorde ik in de verte
de tonen van een liedje, dat zij 's avonds gezongen had, ik ging op de
zachte klanken af en ontdekte het lieve meisje in een priëel bij de
springbron. Eerst wilde ik luisteren; maar spoedig werd ik gramstorig
op mij zelf, trad eensklaps op haar toe en sprak haar aan.”
„Gij waart zeer stoutmoedig, lieve vriend,” viel Lodewijk hem op den
zachten toon van bezorgde deelneming in de rede: „gij hadt daarmede
veel kunnen bederven!”
„Dat gevoel ik thans ook; maar gisteren moest ik, ik kon niet anders,
waarachtig niet!” antwoordde Jaromir met een tevreden lachje.
„_Habeas absolutionem, sed confiteri pergas_,” sprak Bernard met
deftigheid, „mij dunkt, ik had evenzoo gedaan.—Maar de gravin, wat
deed zij?”
„Zij was verschrikt, werd toornig, smeekte....”
„Ik ken dat,” merkte Bernard op; „is men nog niet dol en razend van
liefde, dan wordt men het daardoor. Verder!”
„Maar zij reikte mij de hand en zag mij aan met dien engelreinen blik,
en....” Hier liep het volle hart van den jongeling over, de reinste
zaligheid straalde uit zijne oogen, verder spreken kon hij niet, hij
viel Bernard, viel Lodewijk om den hals en drukte hen onstuimig aan
zijne borst. „Lodewijk,” riep hij uit, „zij wil de mijne zijn; zacht
weerstrevende gaf zij mij het zoete jawoord, maar ontvluchtte mij ook
dadelijk met angstvallige gejaagdheid. Op dit oogenblik wellicht stort
zij haar onbedorven hart voor hare moeder uit: o vrienden, hoe kan men
nog gelukkiger zijn?”
Jaromir, die zich geheel aan de onstuimigheid der jeugd en der liefde
overgaf, bemerkte niet hoe ernstig en diepgetroffen Lodewijk voor hem
stond, hoe zelfs op Bernards voorhoofd sombere rimpels samentrokken.
De eerste dacht aan zijne liefde, die als een vluchtig droombeeld uit
de werkelijkheid was verdwenen; hij plaatste de schaduwgestalte van
zijn eigen verleden naast het beeld der toekomst, dat den jongeling
aan zijne zijde met blijde hoop en levenslust bezielde. De smart,
die Bernard gevoelde, was wellicht nog bitterder, daar de liefde
duisterder en dieper in zijne borst verscholen lag. Voor Lodewijk was
zij eene aan den gezichteinder nedergedaalde zon, wier avondrood den
ganschen nacht door naschemert, tot de heldere morgen aanbreekt en het
koesterend gesternte herrijzen doet; voor Bernard slechts eene schoone,
ongenaakbare ster, die een mat schijnsel in de diepste groeve der borst
nederwerpt, zonder ze te verlichten. Wanneer Jaromir hem langer gekend,
hem over het geheel beter in zijne diepste diepte doorgrond had, zoude
hij uit zijn antwoord den waren toestand van zijn binnenste hebben
kunnen opmaken.
„Geluk er mee!” sprak hij en schudde hem de hand; „gij kunt zalig
zijn, ten minste gelukkig, of vergenoegd, of redelijk goed geluimd.
Zachte armen zijn zachte ketens, maar het blijven toch ketenen. Eene
kooi blijft eene kooi, al is zij zoo eng als de vogelknip, waarin men
Jan van Leiden aan den dom te Munster te pronk hing, of zoo donker als
het zwarte hol in Indië, of beide te gelijk, zooals het kot, waarin
wij allen rondkruipen. Ik meen de aarde, namelijk die, waarop wij
schijnlevend omwandelen, niet dat onmetelijke groote graf—kortom,
zooals ik zeide, ketenen zijn ketenen en men mag zich gelukkig achten,
als men nog een paar ongekortwiekte vlerken heeft, om in 't rond
te fladderen. Maar wat wilde ik zeggen? Ja, nu begrijp ik ook de
geestverschijning, die ik ontmoette, toen ik zelf rondwaarde en in de
ridderzaal uit spoken ging.”
Jaromir zag hem verwonderd aan. Bernard verhaalde nu zijne ontmoeting
in de zaal, waarbij hij echter zorg droeg zich zelf slechts als een
zonderling te doen voorkomen, die gaarne bij nacht en ontijden in
vreemde gebouwen rondsloop; de oorzaak, die hem gedreven had, alsook
den argwaan, hem door Alisette ingeboezemd, verzweeg hij zorgvuldig.
Onder deze gesprekken hadden zij het doel hunner wandeling bereikt,
de wapenplaats namelijk, waar Bernard en Lodewijk hun werkelijken
dienst beginnen en zich in de eerste gronden oefenen zouden. Men
vond reeds ruiters en onderofficieren van twee onvolledige eskadrons
poolsche lanciers, die het nieuw op te richten regiment ten grondslag
moesten dienen, verzameld. Jaromirs eerste werk moest zijn, uit deze
verwarde bouwstoffen een geheel te vormen. Inmiddels vertrouwde
hij zijne vrienden aan een ouden duchtigen groenrok, die hen in de
behandeling van paard en wapen onderrichten moest. Johan Petrowski,
een onderofficier, die nog onder Kosciuszko gevochten had, werd hun
leermeester. Deze aanvaardde de hem opgelegde taak met een zekeren
eerbied, die hem niet zoozeer de voorname stand zijner rekruten,
als wel het ernstig doeleinde der zaak zelve inboezemde. Het gold
de vorming van twee krijgslieden, die voor het vaderland zouden
strijden, voor het heilige, dierbare vaderland, waarvoor hij zelf
in zijn krachtigen, mannelijken leeftijd, toen zijn oude veldheer
Kosciuszko Polens zonen te wapen riep, zoo gewillig bloed en leven
in de waagschaal had gelegd. Thans naderde hij met rassche schreden
den ouderdom; want als het weder lente werd, kon hij zich onder
de zestigers tellen; maar den grijzen schedel, die reeds door zoo
menigen sabelhouw geteekend was, bood hij nog met vreugde aan het
lieve vaderland ten offer, en in het oude hart gloeide nog, als wijn
die door de jaren slechts veredeld wordt, de oude, heilige vlam van
vaderlandsliefde en heldenmoed. Onder het half kale, half met grijze
lokken omkranste voorhoofd flonkerden twee vurige, met borstelige
wenkbrauwen overschaduwde oogen; de arendsneus kromde zich statig over
de ernstige lippen, die door den grijzen knevel, waarop Johan Petrowski
een weinig trotsch was, ternauwernood zichtbaar waren. Zijn commando:
rechts zwenkt! links zwenkt! marsch! en halt! sprak hij met denzelfden
ernst, als de priester bij de mis het _Dominus vobiscum_! Zijne
leerlingen gehoorzaamden hem met evenveel ijver als liefde; daardoor
maakten zij snelle vorderingen, en meester en kweekelingen waren met
elkander tevreden. Zoo spoedde de dag in dienstverrichtingen voorbij,
en eerst tegen den avond was het den vrienden vergund in den kring
hunner beminnenswaardige huisgenooten verademing en ontspanning te
zoeken.
Uit Lodoiska's oogen straalde het zuiverste geluk; de gravin heette
Jaromir zoo vriendelijk welkom, dat deze over hare gezindheid geen den
minsten twijfel meer behoefde te voeden. Bernard en Lodewijk beseften,
dat eenige oogenblikken van ongestoord onderhoud voor Jaromir de
hoogste waarde moesten hebben; zij verschaften hem die, door zich naar
hunne kamers te begeven, nog eer hij hen daarom verzocht had. Tegen
etenstijd kwam de gelukkige jongeling hen zelf roepen en vertelde in
de volle vreugde van zijn hart: „Ook de gravin is mij gunstig en de
moederlijke goedheid zelve; maar gestreng is zij ook, want zij heeft
mij bevolen tot Rasinski's komst mijn hart te bedwingen, daar zij aan
hem de beslissing wil overlaten. Dus nu geen woord, geen blik, lieve
vrienden, waardoor onze liefde verraden kon worden. Ik heb Lodoiska
beloofd, mij bedaard te houden, en wil mijn woord mannelijk gestand
doen.”
„Braaf, fiks!” sprak Bernard ruw en barsch, naar hij gewoon was; „en
wij willen uw voorbeeld volgen. Blijft gij standvastig, dan wil ik u
ter belooning het beeld uwer bruid schilderen, of ten minste teekenen,
als wij niet meer tijd hebben.”
Zoo traden zij de gezelschapszaal binnen; geen woord verried het geluk,
maar het verwijlde toch in den stillen vredigen kring en lachte uit
aller blikken.