Niet vóór middernacht begaven de jeugdige krijgsmakkers zich naar de
hun aangewezen kamers, die alle drie op één breeden kruisgang uitkwamen
en het gezicht op den tuin hadden. Door deze schikking waren de
vrienden bijeen en tevens gescheiden; elk bewoonde een eigen vertrek,
doch ééne schrede bracht hem in dat des nabuurs. Jaromir wenschte den
beiden anderen goeden nacht; hij scheen vermoeid te zijn. Bernard en
Lodewijk bleven in de kamer des eersten nog een tijdlang te zamen en
spraken van de zonderlinge wisselingen van hun levenslot, dat eensklaps
eene zoo geheel andere wending had genomen. Dit was eigenlijk het
eerste vertrouwelijke uur, dat zij sedert hunne afreis van Dresden met
elkander doorbrachten; want om verschillende redenen hadden zij de reis
zoo overhaast moeten doorzetten, dat, zelfs in het bijzijn van den
hun nog minder bekenden Jaromir, geen tijd tot een bedaard en rustig
onderhoud was overgebleven.
„'t Zal mij verwonderen,” sprak Bernard, „of Fortuna ons hier met haar
net nog eenige gelukkige trekken zal laten doen. Ik althans heb als een
statelijke graaf Lomond eene breede zegen uitgeworpen, terwijl gij,
als Lodewijk Soren, hoogstens een paar armzalige stekelvorens aan uw
jammerlijken hengel te wachten hebt. Ik visch met de wijde fuik der
gravenkroon en vertrouw, dat aan de zeven punten eene zoo van belang
blijft hangen. Ja, hier in Polen krijg ik al half berouw, dat ik mij
maar niet liever den vorstenhoed heb opgezet; in het lange echte
parelsnoer van poolsche magnaten zou toch niemand de valsche schotsche
parel ontdekt hebben. Nu, wie weet wat nog gebeurt!”
„Ik zou u die goede luim kunnen benijden,” hervatte Lodewijk; „maar
wat moeite ik doe, om ons lot van eene lichte zijde te beschouwen,
het wil mij niet gelukken. Ik geloof, dat ik de toekomst met ernst en
bedaardheid onder de oogen zal zien; maar thans ligt zij voor mij als
eene kale, steile rots, waarop ik niet zooveel vruchtbare aarde ontdek,
dat eene enkele bloem er op ontspruiten kan.”
„Er zal eene hand komen,” antwoordde Bernard, „die als Mozes tegen de
steenrots slaat en eene rijke, frissche bron doet ontspringen. Soms heb
ik oogenblikken, waarin ik door onzichtbare handen op den drievoet der
Pythia geplakt word en de wijsheid van den delphischen God uit mijn
mond doe stroomen. Thans juist verbeeld ik mij, gemakkelijk en wel in
den tooverstoel te zitten, en zie een gansch heirleger van rooskleurige
beeldjes uit onze toekomst voorbij marcheeren. Ik begrijp niet, waarom
wij niet bij het eerste gevecht de officiersepauletten verdienen, bij
het tweede in den ritmeesterszadel klauteren, bij het derde een paar
majoorssporen zouden buit maken. Heeft de russische keizer slechts
twee of drie dappere generaals, zoo begrijp ik niet, waarom de oorlog
niet zeven jaren zou kunnen duren, en die tijd is dan toch waarachtig
lang genoeg, om een maarschalkstaf met eene vorstenkroon er op te doen
groeien, waartegen ik mijn valschen schotschen adelbrief voordeelig
verruilen kan. En zou de titel Vorst van Petersburg, of Hertog van
Archangel, of zelfs, zoo het geluk wou dat ik den rechtervleugel der
armee kommandeerde, Prins van Astrakan niet even goed klinken als
Prins van Pontecorvo, Hertog van Albufera of Dalmatië? Mij dunkt, ik
zou mij zelfs tevreden kunnen stellen, als men mij slechts Hertog van
Kamschatka, of Prins van de Lena maakte en eene mammoethsrib bij mijn
wapen voegde.”
„Gij wilt den oorlog wat al te lang rekken,” hervatte Lodewijk
glimlachend; „intusschen blijf ik er bij, gij zijt te benijden, daar
gij op den zwarten achtergrond der toekomst zulke vroolijke beelden
weet te tooveren.”
„Dat is een schilderstalent,” riep Bernard, „en ik heb er mij veel in
geoefend. Sta ik voor een recht zwarten onweershemel, dan zie ik in
de dreigend opeengepakte wolken en getakte zwavelmassa's de schoonste
luchtpaleizen en gebergten van de wereld. Maar gij schijnt moê en
ik ben het; laat ons dus onderzoeken of de legersteden bij de Juno,
die ons zoo gastvrij herbergt, met haar overigens waarlijk olympisch
onthaal overeenstemmen.”
Lodewijk reikte Bernard de hand, wenschte hem een goeden nacht en
ging naar zijne kamer. Bernard voelde den geest des edelen tokayers,
dien hij niet spaarzaam gedronken had, nog te vurig door zijne aderen
bruisen, om zich dadelijk aan den loomen slaap te kunnen overgeven.
Hij trad aan het venster, opende het en blikte in den tuin, die zich
langs den eenen zijvleugel van het paleis uitstrekte. Eene koele
avondwind ruischte door de populieren en wiegde de toppen der heesters
heen en weder; de maan stond laag aan den hemel en wierp de lange,
donkere schaduwen van het gebouw over het groene loovertapijt heen;
dáár echter, waar hare stralen door niets gebroken werden, verlichtte
zij de bloeiende jasmijn-priëelen en breede grasperken met bijna
zonneklaarheid. Bernard herinnerde zich, dat Alisette hem aan tafel
had gezegd: „Wij zitten hier juist tegenover mijne vensters, die den
ganschen nacht door de maan vriendelijk verlicht worden.” De gedachte
rees hierdoor bij hem op, om eene nachtelijke wandeling naar de,
in den anderen vleugel van het slot gelegen eetzaal te ondernemen,
ten einde vandaar de vensters van het schoone meisje een weinig te
bespieden. Besluit en uitvoering waren bij hem gewoonlijk het werk
van hetzelfde oogenblik; hij schoot zijn overjas aan en verliet het
vertrek. Slechts eene enkele matte lamp schemerde aan het eind van den
gang. Behoedzaam luisterde hij, of alles stil was; geen geluid liet
zich in het uitgestrekte gebouw vernemen. Met zachte schreden ging hij
op de lamp, die in het hoofdverwulfsel brandde en vandaar haar licht
naar beide zijden uitwierp, toe. Zonder iemand te ontmoeten, sloop
hij het wijde voorportaal door en bereikte den anderen vleugel; op
de plaats, waar de zijgang den hoek omsloeg, flikkerde eene tweede
lamp, die aan het uitgaan was. Zij gaf intusschen nog schijnsel
genoeg, om de verschillende deuren, die uit den gang in de vertrekken
voerden, te onderkennen. De derde was die der eetzaal; dit had Bernard,
die zeer veel opmerkzaamheid en geheugen, vooral voor bouwkundige
plaatsgelegenheden bezat, nauwkeurig onthouden. Behoedzaam draaide
hij aan den knop, om te ontdekken of de deur ook gesloten was; zij
was het niet, hij trad binnen en stond nu in de groote, donkere zaal,
welker witte, toegeschoven venstervoorhangen hem bleek en spookachtig
toeschemerden. Voorzichtig naderde hij het venster, sloeg het golvende
satijnen voorhangsel een weinig terug en zag naar buiten. Aan de
overzijde der niet breede straat, in den helderen maneschijn stond
een klein huis, welks vensters der tweede verdieping met jalousieën
gesloten waren. De slagschaduw van het paleis strekte zich zoo ver
uit, dat het onderste deel der woning daardoor geheel bedekt werd. Zoo
bezwaarlijk men dus iemand in de benedenverdieping of aan de huisdeur
kon onderkennen, zoo gemakkelijk was het, de voorwerpen dáár, waar
zij door de maan bestraald werden, nauwkeurig op te nemen. Volgens de
beschrijving moest Alisette in dat huis haar verblijf houden en hare
vensters die der middelverdieping zijn. Bernards scherpziende blik zag
door de jalousieën licht schemeren, en eene zich bewegende schaduw gaf
hem de zekerheid, dat zich nog iemand wakend moest bevinden.
Eensklaps hoorde hij het geknars van een, hoewel met behoedzaamheid
in het slot rondgedraaiden sleutel; de huisdeur tegenover werd
voorzichtig geopend, en eene lange gestalte, die zich zorgvuldig
in een mantel had gewikkeld, sloop op de teenen naar buiten, stak
haastig de straat over en verdween in de schaduw van het paleis,
zoodat Bernard de richting welke zij nam, niet met het oog volgen,
noch ook uit het geraas der voetstappen met zekerheid gissen konde. De
jongeling was geheel onthutst door deze ontdekking, die, in verband
gebracht met onderscheiden andere waarnemingen en vermoedens, waartoe
Françoise hem aanleiding had gegeven, hem de overtuiging opdrong,
dat die onbekende niemand anders zijn kon dan de overste, die een
nachtelijk bezoek bij de lichtvaardige schoone had afgelegd. Met
arendsblikken hield hij nu hare vensters bewaakt, verwachtende, dat
zij zich misschien nog vertoonen en daardoor zijn vermoeden bevestigen
zoude, maar alles bleef stil; de matte lichtschijn schemerde nog
immer door de enge vensterreten en werd slechts van tijd tot tijd
door eene voorbijzwevende schaduwgedaante verduisterd; verder liet
zich niets zien of hooren. Langer dan een half uur vertoefde hij nog
in zijn donkeren schuilhoek; eindelijk besloot hij naar zijne kamer
terug te keeren. Hij keerde zich om en wilde op de deur toetreden,
toen hij eensklaps roerloos van verbazing bleef staan, want de deur
opende zich en eene witte, in een sluier gehulde gestalte, welke de
door het venster van den gang invallende stralen der maan met een
twijfelachtigen lichtglans overgoten, zweefde de zaal binnen. Eene
koude rilling liep hem over de leden; het was echter, hoe raadselachtig
de verschijning anders wezen mocht, niet eene nachtelijke geestenvrees,
welke hem die huivering aanjoeg, maar veel meer de bezorgdheid van
op eene zoo zeldzame, ja bijna onverklaarbare nachtwandeling betrapt
te worden. Met ingehouden adem en verheugd, de witte, doorschijnende
gordijnen niet meer tot achtergrond te hebben, klemde hij zich aan een
uitstekenden pijler vast. De deur sloot zich achter de geheimzinnige
gedaante, die met nauwelijks hoorbare schreden de zaal in hare gansche
lengte doorkruiste en in het duister dat de groote ruimte vulde, voor
het oog slechts als een voorbij zwevende witte nevelvorm zichtbaar
werd, die zich langzamerhand in nacht en verte verloor. Met hoeveel
inspanning Bernards scherpe blikken de verschijning ook trachtten te
volgen, het was hem niet mogelijk te ontdekken, werwaarts zij haren weg
richtte. Zij verdween aan het uiterste einde der zaal; men hoorde niet
dat eene deur geopend of gesloten werd, en echter keerde niemand terug,
ook liet zich niet het geringste gedruisch vernemen. In den beginne
vermoedde Bernard, dat de gedaante zich nog in het vertrek bevond, en
hij bleef dus, om zich zelf niet te verraden, nog een geruimen tijd
bewegingloos staan; niets bespeurende, naderde hij behoedzaam de deur,
bereikte gelukkig den gang en, schoon alle lampen waren uitgegaan,
eindelijk de deur zijner kamer. Toen hij die van Jaromir voorbijging,
trok het zijne aandacht, dat deze nog niet ter rust was; hij hoorde
hem met driftige schreden het vertrek op- en nederwandelen. Dadelijk
begaf hij zich nu te bed; maar er verliep nog een geruime tijd, eer
de menigvuldige gewaarwordingen en gissingen, welke de avontuurlijke
ontmoeting bij hem had verwekt, hem lieten insluimeren.