HOOFDSTUK IV.

Niet vóór middernacht begaven de jeugdige krijgsmakkers zich naar de

hun aangewezen kamers, die alle drie op één breeden kruisgang uitkwamen

en het gezicht op den tuin hadden. Door deze schikking waren de

vrienden bijeen en tevens gescheiden; elk bewoonde een eigen vertrek,

doch ééne schrede bracht hem in dat des nabuurs. Jaromir wenschte den

beiden anderen goeden nacht; hij scheen vermoeid te zijn. Bernard en

Lodewijk bleven in de kamer des eersten nog een tijdlang te zamen en

spraken van de zonderlinge wisselingen van hun levenslot, dat eensklaps

eene zoo geheel andere wending had genomen. Dit was eigenlijk het

eerste vertrouwelijke uur, dat zij sedert hunne afreis van Dresden met

elkander doorbrachten; want om verschillende redenen hadden zij de reis

zoo overhaast moeten doorzetten, dat, zelfs in het bijzijn van den

hun nog minder bekenden Jaromir, geen tijd tot een bedaard en rustig

onderhoud was overgebleven.

„'t Zal mij verwonderen,” sprak Bernard, „of Fortuna ons hier met haar

net nog eenige gelukkige trekken zal laten doen. Ik althans heb als een

statelijke graaf Lomond eene breede zegen uitgeworpen, terwijl gij,

als Lodewijk Soren, hoogstens een paar armzalige stekelvorens aan uw

jammerlijken hengel te wachten hebt. Ik visch met de wijde fuik der

gravenkroon en vertrouw, dat aan de zeven punten eene zoo van belang

blijft hangen. Ja, hier in Polen krijg ik al half berouw, dat ik mij

maar niet liever den vorstenhoed heb opgezet; in het lange echte

parelsnoer van poolsche magnaten zou toch niemand de valsche schotsche

parel ontdekt hebben. Nu, wie weet wat nog gebeurt!”

„Ik zou u die goede luim kunnen benijden,” hervatte Lodewijk; „maar

wat moeite ik doe, om ons lot van eene lichte zijde te beschouwen,

het wil mij niet gelukken. Ik geloof, dat ik de toekomst met ernst en

bedaardheid onder de oogen zal zien; maar thans ligt zij voor mij als

eene kale, steile rots, waarop ik niet zooveel vruchtbare aarde ontdek,

dat eene enkele bloem er op ontspruiten kan.”

„Er zal eene hand komen,” antwoordde Bernard, „die als Mozes tegen de

steenrots slaat en eene rijke, frissche bron doet ontspringen. Soms heb

ik oogenblikken, waarin ik door onzichtbare handen op den drievoet der

Pythia geplakt word en de wijsheid van den delphischen God uit mijn

mond doe stroomen. Thans juist verbeeld ik mij, gemakkelijk en wel in

den tooverstoel te zitten, en zie een gansch heirleger van rooskleurige

beeldjes uit onze toekomst voorbij marcheeren. Ik begrijp niet, waarom

wij niet bij het eerste gevecht de officiersepauletten verdienen, bij

het tweede in den ritmeesterszadel klauteren, bij het derde een paar

majoorssporen zouden buit maken. Heeft de russische keizer slechts

twee of drie dappere generaals, zoo begrijp ik niet, waarom de oorlog

niet zeven jaren zou kunnen duren, en die tijd is dan toch waarachtig

lang genoeg, om een maarschalkstaf met eene vorstenkroon er op te doen

groeien, waartegen ik mijn valschen schotschen adelbrief voordeelig

verruilen kan. En zou de titel Vorst van Petersburg, of Hertog van

Archangel, of zelfs, zoo het geluk wou dat ik den rechtervleugel der

armee kommandeerde, Prins van Astrakan niet even goed klinken als

Prins van Pontecorvo, Hertog van Albufera of Dalmatië? Mij dunkt, ik

zou mij zelfs tevreden kunnen stellen, als men mij slechts Hertog van

Kamschatka, of Prins van de Lena maakte en eene mammoethsrib bij mijn

wapen voegde.”

„Gij wilt den oorlog wat al te lang rekken,” hervatte Lodewijk

glimlachend; „intusschen blijf ik er bij, gij zijt te benijden, daar

gij op den zwarten achtergrond der toekomst zulke vroolijke beelden

weet te tooveren.”

„Dat is een schilderstalent,” riep Bernard, „en ik heb er mij veel in

geoefend. Sta ik voor een recht zwarten onweershemel, dan zie ik in

de dreigend opeengepakte wolken en getakte zwavelmassa's de schoonste

luchtpaleizen en gebergten van de wereld. Maar gij schijnt moê en

ik ben het; laat ons dus onderzoeken of de legersteden bij de Juno,

die ons zoo gastvrij herbergt, met haar overigens waarlijk olympisch

onthaal overeenstemmen.”

Lodewijk reikte Bernard de hand, wenschte hem een goeden nacht en

ging naar zijne kamer. Bernard voelde den geest des edelen tokayers,

dien hij niet spaarzaam gedronken had, nog te vurig door zijne aderen

bruisen, om zich dadelijk aan den loomen slaap te kunnen overgeven.

Hij trad aan het venster, opende het en blikte in den tuin, die zich

langs den eenen zijvleugel van het paleis uitstrekte. Eene koele

avondwind ruischte door de populieren en wiegde de toppen der heesters

heen en weder; de maan stond laag aan den hemel en wierp de lange,

donkere schaduwen van het gebouw over het groene loovertapijt heen;

dáár echter, waar hare stralen door niets gebroken werden, verlichtte

zij de bloeiende jasmijn-priëelen en breede grasperken met bijna

zonneklaarheid. Bernard herinnerde zich, dat Alisette hem aan tafel

had gezegd: „Wij zitten hier juist tegenover mijne vensters, die den

ganschen nacht door de maan vriendelijk verlicht worden.” De gedachte

rees hierdoor bij hem op, om eene nachtelijke wandeling naar de,

in den anderen vleugel van het slot gelegen eetzaal te ondernemen,

ten einde vandaar de vensters van het schoone meisje een weinig te

bespieden. Besluit en uitvoering waren bij hem gewoonlijk het werk

van hetzelfde oogenblik; hij schoot zijn overjas aan en verliet het

vertrek. Slechts eene enkele matte lamp schemerde aan het eind van den

gang. Behoedzaam luisterde hij, of alles stil was; geen geluid liet

zich in het uitgestrekte gebouw vernemen. Met zachte schreden ging hij

op de lamp, die in het hoofdverwulfsel brandde en vandaar haar licht

naar beide zijden uitwierp, toe. Zonder iemand te ontmoeten, sloop

hij het wijde voorportaal door en bereikte den anderen vleugel; op

de plaats, waar de zijgang den hoek omsloeg, flikkerde eene tweede

lamp, die aan het uitgaan was. Zij gaf intusschen nog schijnsel

genoeg, om de verschillende deuren, die uit den gang in de vertrekken

voerden, te onderkennen. De derde was die der eetzaal; dit had Bernard,

die zeer veel opmerkzaamheid en geheugen, vooral voor bouwkundige

plaatsgelegenheden bezat, nauwkeurig onthouden. Behoedzaam draaide

hij aan den knop, om te ontdekken of de deur ook gesloten was; zij

was het niet, hij trad binnen en stond nu in de groote, donkere zaal,

welker witte, toegeschoven venstervoorhangen hem bleek en spookachtig

toeschemerden. Voorzichtig naderde hij het venster, sloeg het golvende

satijnen voorhangsel een weinig terug en zag naar buiten. Aan de

overzijde der niet breede straat, in den helderen maneschijn stond

een klein huis, welks vensters der tweede verdieping met jalousieën

gesloten waren. De slagschaduw van het paleis strekte zich zoo ver

uit, dat het onderste deel der woning daardoor geheel bedekt werd. Zoo

bezwaarlijk men dus iemand in de benedenverdieping of aan de huisdeur

kon onderkennen, zoo gemakkelijk was het, de voorwerpen dáár, waar

zij door de maan bestraald werden, nauwkeurig op te nemen. Volgens de

beschrijving moest Alisette in dat huis haar verblijf houden en hare

vensters die der middelverdieping zijn. Bernards scherpziende blik zag

door de jalousieën licht schemeren, en eene zich bewegende schaduw gaf

hem de zekerheid, dat zich nog iemand wakend moest bevinden.

Eensklaps hoorde hij het geknars van een, hoewel met behoedzaamheid

in het slot rondgedraaiden sleutel; de huisdeur tegenover werd

voorzichtig geopend, en eene lange gestalte, die zich zorgvuldig

in een mantel had gewikkeld, sloop op de teenen naar buiten, stak

haastig de straat over en verdween in de schaduw van het paleis,

zoodat Bernard de richting welke zij nam, niet met het oog volgen,

noch ook uit het geraas der voetstappen met zekerheid gissen konde. De

jongeling was geheel onthutst door deze ontdekking, die, in verband

gebracht met onderscheiden andere waarnemingen en vermoedens, waartoe

Françoise hem aanleiding had gegeven, hem de overtuiging opdrong,

dat die onbekende niemand anders zijn kon dan de overste, die een

nachtelijk bezoek bij de lichtvaardige schoone had afgelegd. Met

arendsblikken hield hij nu hare vensters bewaakt, verwachtende, dat

zij zich misschien nog vertoonen en daardoor zijn vermoeden bevestigen

zoude, maar alles bleef stil; de matte lichtschijn schemerde nog

immer door de enge vensterreten en werd slechts van tijd tot tijd

door eene voorbijzwevende schaduwgedaante verduisterd; verder liet

zich niets zien of hooren. Langer dan een half uur vertoefde hij nog

in zijn donkeren schuilhoek; eindelijk besloot hij naar zijne kamer

terug te keeren. Hij keerde zich om en wilde op de deur toetreden,

toen hij eensklaps roerloos van verbazing bleef staan, want de deur

opende zich en eene witte, in een sluier gehulde gestalte, welke de

door het venster van den gang invallende stralen der maan met een

twijfelachtigen lichtglans overgoten, zweefde de zaal binnen. Eene

koude rilling liep hem over de leden; het was echter, hoe raadselachtig

de verschijning anders wezen mocht, niet eene nachtelijke geestenvrees,

welke hem die huivering aanjoeg, maar veel meer de bezorgdheid van

op eene zoo zeldzame, ja bijna onverklaarbare nachtwandeling betrapt

te worden. Met ingehouden adem en verheugd, de witte, doorschijnende

gordijnen niet meer tot achtergrond te hebben, klemde hij zich aan een

uitstekenden pijler vast. De deur sloot zich achter de geheimzinnige

gedaante, die met nauwelijks hoorbare schreden de zaal in hare gansche

lengte doorkruiste en in het duister dat de groote ruimte vulde, voor

het oog slechts als een voorbij zwevende witte nevelvorm zichtbaar

werd, die zich langzamerhand in nacht en verte verloor. Met hoeveel

inspanning Bernards scherpe blikken de verschijning ook trachtten te

volgen, het was hem niet mogelijk te ontdekken, werwaarts zij haren weg

richtte. Zij verdween aan het uiterste einde der zaal; men hoorde niet

dat eene deur geopend of gesloten werd, en echter keerde niemand terug,

ook liet zich niet het geringste gedruisch vernemen. In den beginne

vermoedde Bernard, dat de gedaante zich nog in het vertrek bevond, en

hij bleef dus, om zich zelf niet te verraden, nog een geruimen tijd

bewegingloos staan; niets bespeurende, naderde hij behoedzaam de deur,

bereikte gelukkig den gang en, schoon alle lampen waren uitgegaan,

eindelijk de deur zijner kamer. Toen hij die van Jaromir voorbijging,

trok het zijne aandacht, dat deze nog niet ter rust was; hij hoorde

hem met driftige schreden het vertrek op- en nederwandelen. Dadelijk

begaf hij zich nu te bed; maar er verliep nog een geruime tijd, eer

de menigvuldige gewaarwordingen en gissingen, welke de avontuurlijke

ontmoeting bij hem had verwekt, hem lieten insluimeren.

1812: Historische roman · 第 35 / 154 题