Het lied was geëindigd. De gravin snelde op Alisette toe, greep hare
hand, streelde haar vriendelijk de kin en zeide: „Hoe teeder, hoe
zachtroerend! O, mij dunkt, zulke smeltende tonen moeten den hevigsten
storm in de borst tot zwijgen brengen. Zij zijn de verzachtende olie,
die de zeeman in de branding uitgiet, om de onstuimige golven te
bedaren. Welk een geluk wanneer men eene zoo hemelsche vertroosting
gestadig met zich omvoert!”
„Ach,” antwoordde Alisette met een half gesmoorden zucht, „zij mag het
leed van anderen verzachten, de brandende wonde in den eigen boezem
heelt zij niet!”
„Hoe?” sprak Lodewijk, „zoude op zulk een geschenk des hemels, de
omgekeerde vloek van Cassandra rusten?”
„Hoe zoo?” vroeg de gravin.
„Zij,” was het antwoord, „verkondigde de waarheid en niemand geloofde
haar; aan deze schoone profetes schenkt elk geloof; slechts haar zelve
zou de zoete waarheid eeuwig onverstaanbaar blijven?”
Alisette scheen door deze aanmerking getroffen; Bernard, die ze
gehoord had, trad nader en zeide: „Onze Cassandra heeft gelijk. In
vele gevallen gelijkt de kunst aan de zon, die alles verwarmt en
bezielt, maar zelve òf een koud lichaam is, òf een vuurkolos, die
door eigen gloed wordt verteerd. Gewoonlijk vindt het laatste plaats.
De wereld noemt de kunstenaars gelukkig, wijl zij geluk verspreiden;
weinigen echter weten, hoe duur het kunstwerk dikwijls door den
kunstenaar betaald wordt. Wilde ik een zachter beeld, zoo kon ik de
gaven der kunst bij eene dauwende wolk vergelijken, die het veld
met verkwikkende paarlen bestrooit, maar zelve verteert en in nevel
verdwijnt.”
„O, dat is zoo waar,” riep Alisette met een weemoedigen blik; „hoe
vaak was het mij, alsof ik in mijne tonen sterven moest, en welk een
smartelijk zoeten dood!”
„Ik kan mij niet voorstellen,” hervatte Lodewijk, „dat de ware kunst
niet eene troostende, opbeurende leidsvrouw door het leven zijn zoude,
wier vleugel ons draagt en verkoelend beschaduwt, wanneer het pad door
verzengde woestijnen leidt.”
„Dat doet zij ook,” riep Bernard, „als gij u eerst in zulk eene
woestijn bevindt; maar daarvoor drijft deze schijnbaar zoo zacht
leidende en troostende genius u ook met duivelsch geweld uit alle
effene en gebaande wegen des levens de wildernis in; hij sleept u langs
afgronden voort, sleurt u bij steile rotsen op en slingert u in de
schuimende kolk van den woedenden oceaan, om u door de koude golven op
de kust van het een en ander eenzaam eiland te doen uitwerpen.”
Lodewijk schudde ernstig het hoofd. „Wat gij zegt is gedeeltelijk
waar,” hervatte hij; „doch gij schildert slechts de helft, spreekt
slechts van de onstuimige nachten van het kunstenaarsleven, van de
onweders der lentedagen, maar niet van den goddelijken dag, dien het
voor u aanbreken, niet van de duizende bloesems, die het op uwe paden
ontspruiten, niet van den zachten maneschijn, dien het tot in de meest
verborgen diepten der treurende borst vertroostend schemeren doet.”
„Hoe dieper wonden, hoe zoeter troost; ziedaar alles in één woord
gezegd,” antwoordde Bernard kort, hevig, schoon niet zonder een lichten
zweem van weemoed.
De gravin en Françoise hadden met belangstelling het gesprek
aangehoord. „Hoe vreemd is het toch,” sprak de laatste, „dat men niet
zelden iets kent en ondervonden heeft zonder het eigenlijk te weten;
hoe dikwijls heb ik dat alles gevoeld, en toch wordt het mij nu eerst
recht duidelijk! Hoe benijd ik de mannen, die hunne gedachten en
gewaarwordingen zoo klaar en helder weten uit te drukken! En gij hebt
beiden gelijk,” sprak zij tot Bernard en Lodewijk, „ofschoon gij van
verschillende meening schijnt te zijn.”
Het ernstig onderhoud was nog een tijdlang voortgezet, had niet de
overste daaraan een einde gemaakt door zich tot Alisette te wenden
en haar naar gezellig gebruik eenige verplichtende woorden over haar
verrukkelijk gezang toe te voegen.
„Gij hebt ons getroffen, ik zou kunnen zeggen, te veel verteederd,”
sprak hij; „maar ik weet, dat gij ons heimelijk uitlacht en u zelve wel
bewust zijt, de tooverkracht te bezitten, waardoor gij de vroolijkheid
even licht weder terugkeeren en opnieuw ronddartelen laat, als gij
haar thans de moedwillige vleugels gebonden hebt. Wij weten dat gij
niet slechts een Proteus zijt, die zich zelven, maar ook een Circe,
die anderen naar willekeur verandert. Maar wat baat het, zich tegen
de macht der bekoorlijke tooveres te verzetten? Zij zou des te
moedwilliger aan hare luimen den teugel vieren; er blijft ons dus niets
over dan tot bidden de toevlucht te nemen. Dat doe ik dan ook, schoone,
grootmachtige gebiedster! Zou het u niet kunnen behagen, de donkere
nachtvogels, welke gij door uw klaaglied uitgelokt hebt, te verdrijven
en eenige bonte dagvlinders te doen rondfladderen, die zich met hunne
glansrijke vlerken zoo liefelijk in de zonnestralen wiegelen?”
Alisette zag hem met een bevallig, schalkachtig lachje aan en gaf een
welluidend: „Gaarne, zeer gaarne!” ten antwoord.—Bijna in hetzelfde
oogenblik begon zij ook reeds het voorspel van een vroolijk liedje, dat
zij met zulke heldere frissche tonen aanhief, dat men den leeuwrik
waande te hooren, die op een schoonen lentemorgen over het bedauwde
veld in den blauwen hemel opstijgt; en deze ochtendfrischheid verruimde
ieders borst, zoodat zelfs de ernstige Lodoiska een tevreden lachje om
haar lippen liet spelen.
Zoodra Françoise geëindigd had, sprong zij op en ijlde naar Lodoiska,
die in den hoek van de sofa zat. „Nu, lieve gravin,” smeekte zij, „moet
gij ook een lied zingen; uwe kleine, poolsche volksliederen hoor ik zoo
gaarne, hoe weinig ik dan ook van de woorden mag verstaan.”
„O neen, neen,” hernam Lodoiska, haar zacht afwijzende, „hoe zoude ik
mijn treurig gezang, mijne bevende stem na zulke liefelijke tonen laten
hooren!”
„O, zij klinkt zoo teeder, zoo roerend! Of meent gij, dat ik u nooit
beluisterd heb, wanneer gij soms laat in den nacht op uwe kamer die
lieve liederen onbeschroomd voor u zelve zongt? Ja,” vervolgde zij,
de hand van het blozende meisje zoet vleiend in de hare klemmende,
„de nacht en open vensters verraden dikwijls de zoetste geheimen. Het
kleine lied,” hier neuriede zij de eerste noten er van, „zou ik nu zoo
gaarne eens hooren zingen, daar ik het reeds twee achtereenvolgende
nachten gehoord heb.”
Lodoiska gloeide als eene donkere roos; want, zonder het te weten, had
Françoise haar zeer in verlegenheid gebracht, daar de woorden van het
lied hem, die het poolsch verstond, inderdaad hartsgeheimen moesten
schijnen te verraden.
„Het lied,” sprak zij, „is eene herinnering uit mijne vroegste jeugd,
toen ik het dikwijls van mijne moeder hoorde; zeer toevallig heb ik het
twee avonden na elkander gezongen, daar de nachtegaal hier tegenover
mij uit den slaap hield.”
„Zoo zing het ook den derden avond,” hervatte Françoise; „ik smeek
er u om, lieve gravin!” Zij vleide hierbij zoo onwederstaanbaar, dat
Lodoiska zeer dringende gronden moest gehad hebben, wilde zij deze bede
afslaan. Zij zoude die wel is waar gaarne hebben ingebracht; doch thans
besefte zij, dat het beter was in te willigen dan door weigeren aan de
woorden van het lied, in plaats van eene toevallige eene werkelijke
beteekenis te geven, te meer daar zij veronderstellen moest, dat
Jaromir en de gravin het aan de melodie reeds herkend hadden. Zij liet
zich dus, hoewel eenigszins verlegen, door de vleister naar het klavier
geleiden, zette zich neder en begon:
Eenzaam richt ik mijne gangen
Naar een stil en vredig oord,
Waar geen vreugdetoon de zangen
Van den droeven vogel stoort;
In een sombre streek,
Aan den zoom der beek,
Vlei ik me op de bloemsprei neder:—
Gij, ach, wanneer keert gij weder!
Op de wiek der bloesemgeuren
Daalt de zachte lente neer,
Vreugde en kalmte hun die treuren,
Troost den droeven brengt zij weer;
Bloem en loover spruit,
Filomeele fluit
De oude klachten, smeltend, teeder—
Gij, ach, wanneer keert gij weder!
Zie 'k de zwaluw opwaarts stijgen,
't Nestje aan 't vreedzaam dak ontvlucht,
Gaarne zou ik met haar tijgen
Door het ruim der blauwe lucht.
Wierd de wang me al bleek,
Aan uw zijde eerst streek
Ik op matte vlerken neder—
Gij, ach, wanneer keert gij weder!
Als de beek haar kleine vlieten
Rustloos voortstuwt naar het meer,
Zal ik traan op traan vergieten,
En die wel verdroogt niet weer.
Ach, toeft gij nog lang,
't Leed wordt mij te bang,
'k Leg het matte hoofd ter neder—
Gij, ach, wanneer keert gij weder!
Lodoiska had eene zachte, ongemeen roerende stem, welke zij uit
beschroomdheid slechts zwakke tonen ontlokte, die echter door hunne
zuivere uitdrukking aan de bevende, wegsmeltende klanken der windharp
geleken. Vereenigd met den lichten blos, die, bij het denkbeeld dat
de woorden van het lied de geheime gevoelens van haar hart schenen
te verraden, haar edel gelaat kleurde, maakte haar gezang een geheel
eigenaardigen indruk. Het was de maagdelijke onschuld zelve, die
hier als het ware in tonen verzinlijkt werd; geen kunstwerk, maar
een lieftallig beeld der natuur, door deze in een heilig oogenblik
geschapen en met alle roerende bevalligheid des levens uitgerust.
Gemakkelijk liet het zich verklaren, waarom Lodoiska het lied, dat zij
gisteren nog zonder eenige beschroomdheid zou gezongen hebben, heden
met eenige verlegenheid voordroeg. Daar zich toch sedert eenige uren
in hare borst de eerste kiemen tot eene bijzondere betrekking dezer
woorden op haar eigen leven begonnen te ontwikkelen, bracht dit duister
gevoel die huiverige beklemdheid te weeg, welke zij anders niet zoude
gekend hebben.—Eer dan het meisje, is de jongeling geneigd aan het
louter toevallige, wanneer het met zijne wenschen overeenkomt, eene
vaste bedoeling te hechten; derhalve waagde het Jaromir, en zijn hart
klopte daarbij van onstuimige vreugde, deze woorden op zich zelf toe
te passen. Hij bedacht, dat zij, gelijk Françoise verraden had, dit
lied in de stille uren van den nacht placht te zingen. Had zij daarbij
aan hem gedacht? Ja! Ja! zeide hij bij zich zelf en geloofde, wat hij
zoo vurig wenschte. Deze vermeende bekentenis harer liefde ontvlamde
dan ook de zijne tot een machtigen gloed; hij genoot het zeldzame
geluk, niet te twijfelen, of de geliefde ook voor hem dezelfde neiging
koesterde, maar meende ook haar hart reeds onthuld te zien. Wel is
waar niet door haar eigen toedoen, want zij droeg het als de roos in
den binnensten bloesemknop verborgen; maar de hand van een gelukkig
toeval spreidde de zachte bladeren van den kelk uiteen en vertoonde het
kleinood, dat daarin verholen lag; als een diamanten dauwdrup glansde
het in den diepen bloemschoot, en in den luchtschijn, waardoor het
omstraald werd, waande Jaromir zijn beeld te zien rondzweven.
Het was geene gedachtelooze, armzalige ijdelheid, die deze overtuiging
in hem deed oprijzen, maar het vertrouwend geloof van een minnend hart,
de koene hoop der jeugd, die vurige wenschen en blijde vervullingen
in zoete beguicheling pleegt te verwisselen. Hier echter bedroog hij
zich niet, schoon hij wellicht ook meer geraden had, dan verraden werd,
ja, dan Lodoiska kon verraden, daar zij zich hare gevoelens nog niet
volkomen bewust was.
De wensch van den overste, dien de muziek eer vermaakte dan trof, drong
op een duet aan; doch Lodoiska sprak een bescheiden, maar beslissend
neen. Daar hij niet in deze eerste poging scheen te willen berusten,
wist de gravin een tweede aanzoek te voorkomen, door hem te verzoeken
haar naar tafel te geleiden. Hij reikte haar beleefd den arm; Jaromir
bood den zijnen Lodoiska aan, Lodewijk, die bij een der oudere dames
stond, geleidde deze, en Bernard nam Alisette aan den linker, de
andere, nog alleen overige vriendin der gravin aan den rechterarm. „U
heb ik aan de zijde, waar mijn hart slaat,” fluisterde hij Françoise
in het oor, die hem door een vertrouwelijken blik antwoordde. De
vleugeldeuren der glansrijk verlichte eetzaal vlogen open; men trad
binnen.