HOOFDSTUK III.

Het lied was geëindigd. De gravin snelde op Alisette toe, greep hare

hand, streelde haar vriendelijk de kin en zeide: „Hoe teeder, hoe

zachtroerend! O, mij dunkt, zulke smeltende tonen moeten den hevigsten

storm in de borst tot zwijgen brengen. Zij zijn de verzachtende olie,

die de zeeman in de branding uitgiet, om de onstuimige golven te

bedaren. Welk een geluk wanneer men eene zoo hemelsche vertroosting

gestadig met zich omvoert!”

„Ach,” antwoordde Alisette met een half gesmoorden zucht, „zij mag het

leed van anderen verzachten, de brandende wonde in den eigen boezem

heelt zij niet!”

„Hoe?” sprak Lodewijk, „zoude op zulk een geschenk des hemels, de

omgekeerde vloek van Cassandra rusten?”

„Hoe zoo?” vroeg de gravin.

„Zij,” was het antwoord, „verkondigde de waarheid en niemand geloofde

haar; aan deze schoone profetes schenkt elk geloof; slechts haar zelve

zou de zoete waarheid eeuwig onverstaanbaar blijven?”

Alisette scheen door deze aanmerking getroffen; Bernard, die ze

gehoord had, trad nader en zeide: „Onze Cassandra heeft gelijk. In

vele gevallen gelijkt de kunst aan de zon, die alles verwarmt en

bezielt, maar zelve òf een koud lichaam is, òf een vuurkolos, die

door eigen gloed wordt verteerd. Gewoonlijk vindt het laatste plaats.

De wereld noemt de kunstenaars gelukkig, wijl zij geluk verspreiden;

weinigen echter weten, hoe duur het kunstwerk dikwijls door den

kunstenaar betaald wordt. Wilde ik een zachter beeld, zoo kon ik de

gaven der kunst bij eene dauwende wolk vergelijken, die het veld

met verkwikkende paarlen bestrooit, maar zelve verteert en in nevel

verdwijnt.”

„O, dat is zoo waar,” riep Alisette met een weemoedigen blik; „hoe

vaak was het mij, alsof ik in mijne tonen sterven moest, en welk een

smartelijk zoeten dood!”

„Ik kan mij niet voorstellen,” hervatte Lodewijk, „dat de ware kunst

niet eene troostende, opbeurende leidsvrouw door het leven zijn zoude,

wier vleugel ons draagt en verkoelend beschaduwt, wanneer het pad door

verzengde woestijnen leidt.”

„Dat doet zij ook,” riep Bernard, „als gij u eerst in zulk eene

woestijn bevindt; maar daarvoor drijft deze schijnbaar zoo zacht

leidende en troostende genius u ook met duivelsch geweld uit alle

effene en gebaande wegen des levens de wildernis in; hij sleept u langs

afgronden voort, sleurt u bij steile rotsen op en slingert u in de

schuimende kolk van den woedenden oceaan, om u door de koude golven op

de kust van het een en ander eenzaam eiland te doen uitwerpen.”

Lodewijk schudde ernstig het hoofd. „Wat gij zegt is gedeeltelijk

waar,” hervatte hij; „doch gij schildert slechts de helft, spreekt

slechts van de onstuimige nachten van het kunstenaarsleven, van de

onweders der lentedagen, maar niet van den goddelijken dag, dien het

voor u aanbreken, niet van de duizende bloesems, die het op uwe paden

ontspruiten, niet van den zachten maneschijn, dien het tot in de meest

verborgen diepten der treurende borst vertroostend schemeren doet.”

„Hoe dieper wonden, hoe zoeter troost; ziedaar alles in één woord

gezegd,” antwoordde Bernard kort, hevig, schoon niet zonder een lichten

zweem van weemoed.

De gravin en Françoise hadden met belangstelling het gesprek

aangehoord. „Hoe vreemd is het toch,” sprak de laatste, „dat men niet

zelden iets kent en ondervonden heeft zonder het eigenlijk te weten;

hoe dikwijls heb ik dat alles gevoeld, en toch wordt het mij nu eerst

recht duidelijk! Hoe benijd ik de mannen, die hunne gedachten en

gewaarwordingen zoo klaar en helder weten uit te drukken! En gij hebt

beiden gelijk,” sprak zij tot Bernard en Lodewijk, „ofschoon gij van

verschillende meening schijnt te zijn.”

Het ernstig onderhoud was nog een tijdlang voortgezet, had niet de

overste daaraan een einde gemaakt door zich tot Alisette te wenden

en haar naar gezellig gebruik eenige verplichtende woorden over haar

verrukkelijk gezang toe te voegen.

„Gij hebt ons getroffen, ik zou kunnen zeggen, te veel verteederd,”

sprak hij; „maar ik weet, dat gij ons heimelijk uitlacht en u zelve wel

bewust zijt, de tooverkracht te bezitten, waardoor gij de vroolijkheid

even licht weder terugkeeren en opnieuw ronddartelen laat, als gij

haar thans de moedwillige vleugels gebonden hebt. Wij weten dat gij

niet slechts een Proteus zijt, die zich zelven, maar ook een Circe,

die anderen naar willekeur verandert. Maar wat baat het, zich tegen

de macht der bekoorlijke tooveres te verzetten? Zij zou des te

moedwilliger aan hare luimen den teugel vieren; er blijft ons dus niets

over dan tot bidden de toevlucht te nemen. Dat doe ik dan ook, schoone,

grootmachtige gebiedster! Zou het u niet kunnen behagen, de donkere

nachtvogels, welke gij door uw klaaglied uitgelokt hebt, te verdrijven

en eenige bonte dagvlinders te doen rondfladderen, die zich met hunne

glansrijke vlerken zoo liefelijk in de zonnestralen wiegelen?”

Alisette zag hem met een bevallig, schalkachtig lachje aan en gaf een

welluidend: „Gaarne, zeer gaarne!” ten antwoord.—Bijna in hetzelfde

oogenblik begon zij ook reeds het voorspel van een vroolijk liedje, dat

zij met zulke heldere frissche tonen aanhief, dat men den leeuwrik

waande te hooren, die op een schoonen lentemorgen over het bedauwde

veld in den blauwen hemel opstijgt; en deze ochtendfrischheid verruimde

ieders borst, zoodat zelfs de ernstige Lodoiska een tevreden lachje om

haar lippen liet spelen.

Zoodra Françoise geëindigd had, sprong zij op en ijlde naar Lodoiska,

die in den hoek van de sofa zat. „Nu, lieve gravin,” smeekte zij, „moet

gij ook een lied zingen; uwe kleine, poolsche volksliederen hoor ik zoo

gaarne, hoe weinig ik dan ook van de woorden mag verstaan.”

„O neen, neen,” hernam Lodoiska, haar zacht afwijzende, „hoe zoude ik

mijn treurig gezang, mijne bevende stem na zulke liefelijke tonen laten

hooren!”

„O, zij klinkt zoo teeder, zoo roerend! Of meent gij, dat ik u nooit

beluisterd heb, wanneer gij soms laat in den nacht op uwe kamer die

lieve liederen onbeschroomd voor u zelve zongt? Ja,” vervolgde zij,

de hand van het blozende meisje zoet vleiend in de hare klemmende,

„de nacht en open vensters verraden dikwijls de zoetste geheimen. Het

kleine lied,” hier neuriede zij de eerste noten er van, „zou ik nu zoo

gaarne eens hooren zingen, daar ik het reeds twee achtereenvolgende

nachten gehoord heb.”

Lodoiska gloeide als eene donkere roos; want, zonder het te weten, had

Françoise haar zeer in verlegenheid gebracht, daar de woorden van het

lied hem, die het poolsch verstond, inderdaad hartsgeheimen moesten

schijnen te verraden.

„Het lied,” sprak zij, „is eene herinnering uit mijne vroegste jeugd,

toen ik het dikwijls van mijne moeder hoorde; zeer toevallig heb ik het

twee avonden na elkander gezongen, daar de nachtegaal hier tegenover

mij uit den slaap hield.”

„Zoo zing het ook den derden avond,” hervatte Françoise; „ik smeek

er u om, lieve gravin!” Zij vleide hierbij zoo onwederstaanbaar, dat

Lodoiska zeer dringende gronden moest gehad hebben, wilde zij deze bede

afslaan. Zij zoude die wel is waar gaarne hebben ingebracht; doch thans

besefte zij, dat het beter was in te willigen dan door weigeren aan de

woorden van het lied, in plaats van eene toevallige eene werkelijke

beteekenis te geven, te meer daar zij veronderstellen moest, dat

Jaromir en de gravin het aan de melodie reeds herkend hadden. Zij liet

zich dus, hoewel eenigszins verlegen, door de vleister naar het klavier

geleiden, zette zich neder en begon:

Eenzaam richt ik mijne gangen

Naar een stil en vredig oord,

Waar geen vreugdetoon de zangen

Van den droeven vogel stoort;

In een sombre streek,

Aan den zoom der beek,

Vlei ik me op de bloemsprei neder:—

Gij, ach, wanneer keert gij weder!

Op de wiek der bloesemgeuren

Daalt de zachte lente neer,

Vreugde en kalmte hun die treuren,

Troost den droeven brengt zij weer;

Bloem en loover spruit,

Filomeele fluit

De oude klachten, smeltend, teeder—

Gij, ach, wanneer keert gij weder!

Zie 'k de zwaluw opwaarts stijgen,

't Nestje aan 't vreedzaam dak ontvlucht,

Gaarne zou ik met haar tijgen

Door het ruim der blauwe lucht.

Wierd de wang me al bleek,

Aan uw zijde eerst streek

Ik op matte vlerken neder—

Gij, ach, wanneer keert gij weder!

Als de beek haar kleine vlieten

Rustloos voortstuwt naar het meer,

Zal ik traan op traan vergieten,

En die wel verdroogt niet weer.

Ach, toeft gij nog lang,

't Leed wordt mij te bang,

'k Leg het matte hoofd ter neder—

Gij, ach, wanneer keert gij weder!

Lodoiska had eene zachte, ongemeen roerende stem, welke zij uit

beschroomdheid slechts zwakke tonen ontlokte, die echter door hunne

zuivere uitdrukking aan de bevende, wegsmeltende klanken der windharp

geleken. Vereenigd met den lichten blos, die, bij het denkbeeld dat

de woorden van het lied de geheime gevoelens van haar hart schenen

te verraden, haar edel gelaat kleurde, maakte haar gezang een geheel

eigenaardigen indruk. Het was de maagdelijke onschuld zelve, die

hier als het ware in tonen verzinlijkt werd; geen kunstwerk, maar

een lieftallig beeld der natuur, door deze in een heilig oogenblik

geschapen en met alle roerende bevalligheid des levens uitgerust.

Gemakkelijk liet het zich verklaren, waarom Lodoiska het lied, dat zij

gisteren nog zonder eenige beschroomdheid zou gezongen hebben, heden

met eenige verlegenheid voordroeg. Daar zich toch sedert eenige uren

in hare borst de eerste kiemen tot eene bijzondere betrekking dezer

woorden op haar eigen leven begonnen te ontwikkelen, bracht dit duister

gevoel die huiverige beklemdheid te weeg, welke zij anders niet zoude

gekend hebben.—Eer dan het meisje, is de jongeling geneigd aan het

louter toevallige, wanneer het met zijne wenschen overeenkomt, eene

vaste bedoeling te hechten; derhalve waagde het Jaromir, en zijn hart

klopte daarbij van onstuimige vreugde, deze woorden op zich zelf toe

te passen. Hij bedacht, dat zij, gelijk Françoise verraden had, dit

lied in de stille uren van den nacht placht te zingen. Had zij daarbij

aan hem gedacht? Ja! Ja! zeide hij bij zich zelf en geloofde, wat hij

zoo vurig wenschte. Deze vermeende bekentenis harer liefde ontvlamde

dan ook de zijne tot een machtigen gloed; hij genoot het zeldzame

geluk, niet te twijfelen, of de geliefde ook voor hem dezelfde neiging

koesterde, maar meende ook haar hart reeds onthuld te zien. Wel is

waar niet door haar eigen toedoen, want zij droeg het als de roos in

den binnensten bloesemknop verborgen; maar de hand van een gelukkig

toeval spreidde de zachte bladeren van den kelk uiteen en vertoonde het

kleinood, dat daarin verholen lag; als een diamanten dauwdrup glansde

het in den diepen bloemschoot, en in den luchtschijn, waardoor het

omstraald werd, waande Jaromir zijn beeld te zien rondzweven.

Het was geene gedachtelooze, armzalige ijdelheid, die deze overtuiging

in hem deed oprijzen, maar het vertrouwend geloof van een minnend hart,

de koene hoop der jeugd, die vurige wenschen en blijde vervullingen

in zoete beguicheling pleegt te verwisselen. Hier echter bedroog hij

zich niet, schoon hij wellicht ook meer geraden had, dan verraden werd,

ja, dan Lodoiska kon verraden, daar zij zich hare gevoelens nog niet

volkomen bewust was.

De wensch van den overste, dien de muziek eer vermaakte dan trof, drong

op een duet aan; doch Lodoiska sprak een bescheiden, maar beslissend

neen. Daar hij niet in deze eerste poging scheen te willen berusten,

wist de gravin een tweede aanzoek te voorkomen, door hem te verzoeken

haar naar tafel te geleiden. Hij reikte haar beleefd den arm; Jaromir

bood den zijnen Lodoiska aan, Lodewijk, die bij een der oudere dames

stond, geleidde deze, en Bernard nam Alisette aan den linker, de

andere, nog alleen overige vriendin der gravin aan den rechterarm. „U

heb ik aan de zijde, waar mijn hart slaat,” fluisterde hij Françoise

in het oor, die hem door een vertrouwelijken blik antwoordde. De

vleugeldeuren der glansrijk verlichte eetzaal vlogen open; men trad

binnen.

1812: Historische roman · 第 34 / 154 题