HOOFDSTUK II.

Men was op deze wijze in een zeer levendig onderhoud gewikkeld, dat

niet belemmerd werd, ofschoon het zich dikwijls in drie verschillende

talen kruiste.

„Het zou mij verwonderen,” sprak de gravin, „zoo de overste uitbleef,

die toch anders niet licht een avond bij mij pleegt te verzuimen.

Schoon ik zeer goed weet, dat niemand mijner huisgenooten hem eenig

belang inboezemt, treft hij hier niet zelden een lieveling aan, en ook

heden zal dat het geval zijn, hoewel ik hem die verrassing aanvankelijk

niet had toegedacht.”

„En wien bedoelt gij?” vroeg Bernard met eene beleefde wending; „wien

kondt gij nog verwachten, die beter in staat was een man aan dit huis

te boeien, dan de reeds verzamelde dames?”

„Dat blijft, ik hoop nog slechts eenige minuten, mijn geheim; dan zal

ik u door de daad kunnen antwoorden. Maar waarlijk, ik kan het nu

reeds,” riep de gravin, naar de deur ziende, en zij ijlde de jonge

dame te gemoet, die juist binnentrad. „O, hoe vriendelijk,” sprak zij

de komende aan, „dat gij op mijne late uitnoodiging zoo bereidwillig

ja hebt gezegd. Maar uwe tonen boezemden mij zulk een onwederstaanbaar

verlangen naar u zelve in, dat ik niet nalaten kon het onbescheiden

verzoek te wagen.”

„Moet gij mij dan altijd beschamen?” hernam Françoise Alisette, want

zij was de binnentredende, met eene betooverende welluidendheid in toon

en stem, en boog zich, om met kinderlijke teederheid, maar tevens ook

met eerbied voor den hoogen rang der rijke gravin, de hand van deze aan

hare lippen te drukken. De gravin verhinderde dit echter en kuste het

bekoorlijke meisje recht hartelijk op den frisschen rozenmond.

„Gij weet immers maar al te goed,” sprak deze, „dat het mij

onuitsprekelijk gelukkig maakt een avond bij u te mogen doorbrengen.”

Het gelaat van het meisje vertoonde een zoo zonderling mengsel van

teederheid en schalkschheid, dat men nauwelijks wist, of zij het

ernstig met de gravin meende, dan wel den spot met haar dreef.

Intusschen, al ware ook het laatste het geval geweest, men had het

haar toch moeten vergeven, daar het met eene zoo onweerstaanbare

aanvalligheid geschiedde, dat aan toornig worden niet te denken viel.

Aan de hand der gravin naderde Françoise het gezelschap, groette

vriendelijk, alsof zij met allen bekend was, den kring rond, en nam

vervolgens tusschen Jaromir en Bernard plaats. Zij begon terstond een

vroolijk gesprek, waarin Bernard spoedig levendig deelnam; Jaromir

scheen zich minder om de bekoorlijke burin te bekommeren, maar zette

zijn vertrouwelijk onderhoud met Lodoiska voort. Alisette was nu

vroolijk, dan weemoedig, met eene ongeloofelijke snelheid verviel

zij van de eene stemming in de verst tegenovergestelde, zonder dat

daarbij eenige opzettelijke toeleg of gemaaktheid te bemerken was.

Hare gelaatstrekken vertoonden, 't zij uit gewoonte van op het tooneel

de meest verschillende hartstochten uit te drukken, 't zij uit

natuurlijken aanleg, den getrouwsten spiegel harer gewaarwordingen of

liever harer woorden. Dit verleende haar eene geheel eigenaardige,

bezwaarlijk te beschrijven aantrekkelijkheid; haar gelaat geleek in

zeker opzicht dat van een kind in den vroegsten leeftijd, waarop

zich ook de geringste opwellingen van smart of vreugde onmiddellijk

inprenten. Niets echter evenaarde hare verrukking, toen zij hoorde,

dat Bernard in Engeland en Schotland was geweest. „Ach,” riep zij uit,

„zoo vind ik toch eindelijk iemand, met wien ik van het land spreken

kan, waar ik mijne schoonste dagen doorleefd heb; schoon ook mijne

treurigste,” voegde zij er eensklaps diep bedroefd bij. Bij de eerste

woorden glansde haar gelaat zoo vroolijk als de lentehemel, en hare

lachende lippen vertoonden het blinkendst parelsnoer van witte tanden;

bij de laatste scheen eene donkere schaduw het vrije, heldere voorhoofd

te omhullen en meende men haar flonkerenden blik door een traan

verduisterd te zien.

„Uwe gelukkigste en treurigste dagen hebt ge daar doorleefd?” vroeg

Bernard. „Van mij zelf kan ik bijna hetzelfde zeggen. Maar mag ik u

vragen, wat uw geluk verstoorde? Want te willen uitvorschen wat het

grondvestte, zou voorzeker te vermetel zijn.”

„Hoe moedwillig en ijdel op hetzelfde oogenblik,” riep Alisette met

luimigen toorn uit, en fronste het voorhoofd in ernstige vouwen; „recht

naar mannentrant; want waarlijk, gij allen beeldt u in, dat men slechts

door u gelukkig kan worden.”

„En is het niet al bescheiden genoeg,” hervatte Bernard, de scherts

beantwoordende, „dat ik voor het ongeluk ook andere gronden gelden

laat?”

„Neen, daarmede moet gij niet spotten,” sprak Françoise weemoedig

en zacht, zoodat zij hare woorden slechts tot Bernard richtte: „ik

verloor mijne eenige, boven alles beminde zuster, die kort te voren

weduwe geworden was en mij geen ander aandenken achterliet, dan haar

nu ouderloos dochtertje Nadine, dat mij eenmaal het verlies der moeder

vergoeden zal. Ach, mijnheer, gij zoudt niet gelooven, hoeveel jammer

zich in dit leven kan opeenhoopen! Gij rijken en aanzienlijken weet

niet met wat heillooze rampen de arme en vooral het hulpelooze meisje

maar al te dikwijls overstelpt wordt! Doch laat ons daarvan zwijgen:

het is hier de plaats niet van lijden te spreken; vertel mij liever,

hoe het u in Engeland bevallen is.”

„Minder goed dan in Schotland,” antwoordde Bernard; „want hier boeide

mij de wonderbare natuur des lands en der menschen; terwijl in Londen

de wonderlijke niet-natuur der laatsten mij terugstiet. In Schotland

vond ik duizendwerf meer voorwerpen voor mijn penseel—want ik ben

schilder—dan in Engeland.”

„Gij zijt schilder!” riep Alisette vroolijk uit. „O, dat is heerlijk!

Dan hebt gij zeker vele teekeningen medegebracht, die gij mij moet

laten zien, want ook ik heb het land in alle richtingen doorkruist.”

„Zeer gaarne,” hernam Bernard; „doch voor elk blad dat ik u toon, moet

gij een lied zingen!”

„Duizend, als gij wilt,” riep Alisette, en het laatste spoor van ernst

of smart was van haar gelaat uitgewischt. „Of meent gij, dat ik niet

gaarne zing? Ach, mijn gansche ziel is gelukkig, als ik maar zingen

kan.” Bernard wilde juist antwoorden: „Wel nu, maak dan u zelve en

tevens ons allen gelukkig,” toen hun gesprek door het binnentreden

van een vreemde, den overste Regnard, werd afgebroken. Hij was een

man van een trotsch voorkomen en wellicht veertig jaren oud, schoon

zijne gelaatstrekken schenen aan te duiden, dat hij het leven sneller

had genoten dan heilzaam pleegt te zijn. Zijn voorhoofd werd door

het breede litteeken, dat zich van het oog tot de slapen uitstrekte,

niet ontsierd; zijn blik verried nog slechts een afnemend vuur; zijne

trekken waren scherp geteekend, belangwekkend, geestrijk, doch zonder

levendigheid. Voor het overige vertoonde hij de fijnste ongedwongenheid

in al zijne bewegingen en de bedaardheid in voorkomen en houding, die

den Franschman zelden eerder dan op den leeftijd van den overste eigen

wordt. De Duitscher verkrijgt ze tien jaren vroeger.

Regnard trad op de gastvrouw toe en begroette haar met de fijne

wellevendheid van een man naar de wereld; voor de overigen maakte

hij eene lichte, koele buiging; slechts Alisette wierp hij een

vriendelijken, vertrouwelijken blik toe. „Ik zie hier iets,” begon hij

na eenige oogenblikken, „dat mijn belangstelling dubbel gaande maakt;

drie mij geheel vreemde heeren in eene mij even onbekende uniform.

Mag ik u bidden,” dus wendde hij zich tot de gravin, „mij met mijne

kameraden bekend te maken?” Zij stelde hem de nieuwe aankomelingen voor.

„Dus zal graaf Rasinski spoedig hier zijn?” vroeg de overste, toen

hem de betrekking, waarin de jongelieden tot dezen stonden, werd

bekend gemaakt. „Dat verheugt mij zeer, want wij hebben in Spanje en

Italië menig heeten dag met elkander doorgebracht. Een voortreffelijk

soldaat,” vervolgde hij, zich half tot de gravin, half tot de drie

vrienden wendende; „de keizer kon de aanvoering van een vrijkorps aan

niemand beter toevertrouwen. De graaf heeft den echten krijgsmansblik,

hij overziet den samenhang van groote bewegingen en beoordeelt

met scherpzinnigheid op welk punt de schijnbaar geringe hulp van

onberekenbaar belang kan worden. De meeste hoofden van dergelijke

korpsen tasten dáárin mis, dat zij hunne ondernemingen slechts op

zich zelf beschouwen en uitvoeren. Het is goed en wel, dat men den

vijand een transport levensmiddelen ontkaapt, zoo de kans gunstig is,

of hem nu en dan van ter zijde bestookt en daardoor afmat; doch tot

den uitslag der groote zaak doet zulks al zeer weinig af. De ware

partijganger moet òf de rol der bij spelen, die den jager in de hand

steekt op het oogenblik, dat hij losbranden wil; òf die van de muis,

die het net doorknaagt, waarin de leeuw zich verward heeft.”

De overste sprak over krijgskundige onderwerpen met eene groote

duidelijkheid en zeer beslist, zonder echter in den onaangenamen

toon te vervallen, die steeds schijnt te vooronderstellen, dat men

geheel onkundigen te onderrichten en hun uiterst belangrijke schatten

van wetenschap heeft mede te deelen. Hij droeg zijne persoonlijke

denkbeelden en gevoelens vluchtig, als dingen, die eigenlijk van

zelf spreken, voor, en op zijne bovendien weinig veranderlijke

gelaatstrekken vertoonde zich niets, dat op een vleiende goedkeuring

van zijne geuite meeningen scheen te wachten. Daar Jaromir de

opmerkingen van den overste toestemmend beantwoordde, waren beiden

spoedig in een gesprek over de hedendaagsche wijze van krijgvoeren

gewikkeld, dat Bernard en Lodewijk met belangstelling volgden. Dit

trok hunne aandacht een weinig van het onderhoud der dames af en zij

werden dus te aangenamer verrast, toen zich eensklaps eenige heldere

klavierakkoorden lieten hooren. Het was Françoise Alisette, die tot

zingen uitgenoodigd, met beminlijke levendigheid voor het speeltuig had

plaats genomen en, terwijl zij als onwillekeurig eenige grepen deed,

peinzend opwaarts blikte, als overleide zij, wat tot voordracht te

kiezen.

„St!” sprak de overste. „Laat ons nu toeluisteren, mijne vrienden!

Onherstelbaar verlies zou het zijn, zoo een toon dier zilverstem voor

ons verloren ging.”

Allen richtten het oog op Alisette, die thans onder een zacht wiegelen

van het bevallig hoofdje een fransche romance zong, wier smeltende

melodie zij met verteederende innigheid voordroeg. Het was inderdaad

een genot haar daarbij aan te zien; want zonder eenige gemaaktheid,

zonder eenige gedwongenheid te verraden, stemden toch haar gebarenspel

en de uitdrukking harer trekken met die woorden en tonen tot in de

fijnste bijzonderheden overeen. De schoone golvende lijnen van haar

gelaat schenen door den zachten adem der klanken bewogen te worden,

gelijk de heldere spiegelvlakte van het meer zich aan het spel der

lentekoeltjes al wiegelend aansluit. En welk eene wegsleepende

tooverkracht lag in die heldere zilvertonen, die met zulk een zoet

gevlei in het oor drongen, door zulke roerende beden het hart schenen

te willen verteederen! Alles luisterde met ingehouden adem. Bernard

liet zijne vorschende blikken in het rond gaan en had gaarne alles

geportretteerd, wat in het vertrek oog en oor had, daar de aandoening,

die op elks gelaat te lezen stond, ook aan elks wezen een eigenaardig

schilderachtig karakter verleende. Steeds gewoon de uitdrukking der

trekken uit de verborgenste diepten der ziel te verklaren, wijl hij

overtuigd was, dat alle uitwendige bewegingen aan innerlijke roerselen

gehoorzamen, schoon die voor onze zintuiglijke bevatting niet altijd

dadelijk verstaanbaar zijn, beijverde hij zich ook nu, dit schoonste

hiëroglyphenschrift te ontraadselen; bij welke poging men wel is waar

niet zelden op even donkere dwaalwegen geraakt, als wanneer men de

geheimen der egyptische grafsteden uit het duister beeldschrift der

priesters tracht op te sporen. Intusschen trokken twee bijzonderheden

zijne aandacht. Lodoiska scheen zelve minder door het gezang getroffen

te worden, dan wel met gespannen, bijna angstige opmerkzaamheid den

indruk gade te slaan, dien het op Jaromir te weeg bracht; de jongeling

daarentegen was zoo geheel in den aanblik der zangeres verzonken, dat

hij niet bemerkte, hoe deze op eene in het oog loopende wijs blikken

en woorden bijna uitsluitend tot hem richtte. Nog een derde opmerking

deed Bernard kort voor het einde van het lied, namelijk, dat de overste

het laatste gedeelte zijner waarneming ook scheen gemaakt te hebben

en daarover het voorhoofd in toornige rimpels trok. Bernard was te

zeer geoefend in de school der ervaring, om uit hetgeen hij zag niet

menige gissing af te leiden. Eenige uitdrukkingen der gravin hadden

duidelijk genoeg te kennen gegeven, dat de overste zich aan de gunst

der schoone Alisette bijzonder veel liet gelegen liggen, wanneer deze

dus aan den bloeienden, jeugdigen Jaromir de voorkeur gaf, kon dit

lichtelijk tot bittere onaangenaamheden aanleiding geven, daar de

overste niet de man scheen, die een medeminnaar straffeloos zou kunnen

dulden. Bij allen schijn van maagdelijke onschuld en reinheid, die

in Françoises gedrag en wezen doorblonk, kwam het Bernard toch niet

onmogelijk voor dat die schijn bedriegen kon. Te dikwerf reeds was hij

in de gelegenheid geweest, te ondervinden, in welk eene mate de vrouwen

door haar uiterlijk het innerlijke weten te vermommen, en hoe moeielijk

het valt te beslissen, of eene schuldelooze blik uit eene schuldelooze

ziel voortkomt. Hij had weinig grond om Alisette te verdenken, en wat

hij zooeven opmerkte, kon, daar Jaromir juist tegenover haar stond,

zoowel toeval als opzet zijn; intusschen was het, alsof eene stem in

zijn binnenste hem heimelijk toefluisterde: de blauwe, heldere spiegel

van dit water, dat zonnelicht en hemel zoo heerlijk terugkaatst, bedekt

eene gevaarlijke diepte!—Daarentegen drukten Lodoiska's edele, zachte

trekken onfeilbaar de diepste verborgenheid harer ziel uit, en zonder

door de bekoorlijkheid dezer gestalte meer dan vluchtig getroffen te

worden, scheen haar beeld hem toch gestadig toe te roepen: deze kunt

gij vertrouwen; haar oog is ook haar hart.—Maar scheen niet dat zelfde

oog, nu het zoo angstig op den jongeling gevestigd was, te kennen te

geven: Jaromir, vriend mijner jeugd, u bemin ik uit den diepsten grond

dezer trouwe borst? Moet ik zien, dat deze lokkende sirene u met den

zilveren tooverdraad harer tonen omspint, om u aan mij te ontrukken?

1812: Historische roman · 第 33 / 154 题