Men was op deze wijze in een zeer levendig onderhoud gewikkeld, dat
niet belemmerd werd, ofschoon het zich dikwijls in drie verschillende
talen kruiste.
„Het zou mij verwonderen,” sprak de gravin, „zoo de overste uitbleef,
die toch anders niet licht een avond bij mij pleegt te verzuimen.
Schoon ik zeer goed weet, dat niemand mijner huisgenooten hem eenig
belang inboezemt, treft hij hier niet zelden een lieveling aan, en ook
heden zal dat het geval zijn, hoewel ik hem die verrassing aanvankelijk
niet had toegedacht.”
„En wien bedoelt gij?” vroeg Bernard met eene beleefde wending; „wien
kondt gij nog verwachten, die beter in staat was een man aan dit huis
te boeien, dan de reeds verzamelde dames?”
„Dat blijft, ik hoop nog slechts eenige minuten, mijn geheim; dan zal
ik u door de daad kunnen antwoorden. Maar waarlijk, ik kan het nu
reeds,” riep de gravin, naar de deur ziende, en zij ijlde de jonge
dame te gemoet, die juist binnentrad. „O, hoe vriendelijk,” sprak zij
de komende aan, „dat gij op mijne late uitnoodiging zoo bereidwillig
ja hebt gezegd. Maar uwe tonen boezemden mij zulk een onwederstaanbaar
verlangen naar u zelve in, dat ik niet nalaten kon het onbescheiden
verzoek te wagen.”
„Moet gij mij dan altijd beschamen?” hernam Françoise Alisette, want
zij was de binnentredende, met eene betooverende welluidendheid in toon
en stem, en boog zich, om met kinderlijke teederheid, maar tevens ook
met eerbied voor den hoogen rang der rijke gravin, de hand van deze aan
hare lippen te drukken. De gravin verhinderde dit echter en kuste het
bekoorlijke meisje recht hartelijk op den frisschen rozenmond.
„Gij weet immers maar al te goed,” sprak deze, „dat het mij
onuitsprekelijk gelukkig maakt een avond bij u te mogen doorbrengen.”
Het gelaat van het meisje vertoonde een zoo zonderling mengsel van
teederheid en schalkschheid, dat men nauwelijks wist, of zij het
ernstig met de gravin meende, dan wel den spot met haar dreef.
Intusschen, al ware ook het laatste het geval geweest, men had het
haar toch moeten vergeven, daar het met eene zoo onweerstaanbare
aanvalligheid geschiedde, dat aan toornig worden niet te denken viel.
Aan de hand der gravin naderde Françoise het gezelschap, groette
vriendelijk, alsof zij met allen bekend was, den kring rond, en nam
vervolgens tusschen Jaromir en Bernard plaats. Zij begon terstond een
vroolijk gesprek, waarin Bernard spoedig levendig deelnam; Jaromir
scheen zich minder om de bekoorlijke burin te bekommeren, maar zette
zijn vertrouwelijk onderhoud met Lodoiska voort. Alisette was nu
vroolijk, dan weemoedig, met eene ongeloofelijke snelheid verviel
zij van de eene stemming in de verst tegenovergestelde, zonder dat
daarbij eenige opzettelijke toeleg of gemaaktheid te bemerken was.
Hare gelaatstrekken vertoonden, 't zij uit gewoonte van op het tooneel
de meest verschillende hartstochten uit te drukken, 't zij uit
natuurlijken aanleg, den getrouwsten spiegel harer gewaarwordingen of
liever harer woorden. Dit verleende haar eene geheel eigenaardige,
bezwaarlijk te beschrijven aantrekkelijkheid; haar gelaat geleek in
zeker opzicht dat van een kind in den vroegsten leeftijd, waarop
zich ook de geringste opwellingen van smart of vreugde onmiddellijk
inprenten. Niets echter evenaarde hare verrukking, toen zij hoorde,
dat Bernard in Engeland en Schotland was geweest. „Ach,” riep zij uit,
„zoo vind ik toch eindelijk iemand, met wien ik van het land spreken
kan, waar ik mijne schoonste dagen doorleefd heb; schoon ook mijne
treurigste,” voegde zij er eensklaps diep bedroefd bij. Bij de eerste
woorden glansde haar gelaat zoo vroolijk als de lentehemel, en hare
lachende lippen vertoonden het blinkendst parelsnoer van witte tanden;
bij de laatste scheen eene donkere schaduw het vrije, heldere voorhoofd
te omhullen en meende men haar flonkerenden blik door een traan
verduisterd te zien.
„Uwe gelukkigste en treurigste dagen hebt ge daar doorleefd?” vroeg
Bernard. „Van mij zelf kan ik bijna hetzelfde zeggen. Maar mag ik u
vragen, wat uw geluk verstoorde? Want te willen uitvorschen wat het
grondvestte, zou voorzeker te vermetel zijn.”
„Hoe moedwillig en ijdel op hetzelfde oogenblik,” riep Alisette met
luimigen toorn uit, en fronste het voorhoofd in ernstige vouwen; „recht
naar mannentrant; want waarlijk, gij allen beeldt u in, dat men slechts
door u gelukkig kan worden.”
„En is het niet al bescheiden genoeg,” hervatte Bernard, de scherts
beantwoordende, „dat ik voor het ongeluk ook andere gronden gelden
laat?”
„Neen, daarmede moet gij niet spotten,” sprak Françoise weemoedig
en zacht, zoodat zij hare woorden slechts tot Bernard richtte: „ik
verloor mijne eenige, boven alles beminde zuster, die kort te voren
weduwe geworden was en mij geen ander aandenken achterliet, dan haar
nu ouderloos dochtertje Nadine, dat mij eenmaal het verlies der moeder
vergoeden zal. Ach, mijnheer, gij zoudt niet gelooven, hoeveel jammer
zich in dit leven kan opeenhoopen! Gij rijken en aanzienlijken weet
niet met wat heillooze rampen de arme en vooral het hulpelooze meisje
maar al te dikwijls overstelpt wordt! Doch laat ons daarvan zwijgen:
het is hier de plaats niet van lijden te spreken; vertel mij liever,
hoe het u in Engeland bevallen is.”
„Minder goed dan in Schotland,” antwoordde Bernard; „want hier boeide
mij de wonderbare natuur des lands en der menschen; terwijl in Londen
de wonderlijke niet-natuur der laatsten mij terugstiet. In Schotland
vond ik duizendwerf meer voorwerpen voor mijn penseel—want ik ben
schilder—dan in Engeland.”
„Gij zijt schilder!” riep Alisette vroolijk uit. „O, dat is heerlijk!
Dan hebt gij zeker vele teekeningen medegebracht, die gij mij moet
laten zien, want ook ik heb het land in alle richtingen doorkruist.”
„Zeer gaarne,” hernam Bernard; „doch voor elk blad dat ik u toon, moet
gij een lied zingen!”
„Duizend, als gij wilt,” riep Alisette, en het laatste spoor van ernst
of smart was van haar gelaat uitgewischt. „Of meent gij, dat ik niet
gaarne zing? Ach, mijn gansche ziel is gelukkig, als ik maar zingen
kan.” Bernard wilde juist antwoorden: „Wel nu, maak dan u zelve en
tevens ons allen gelukkig,” toen hun gesprek door het binnentreden
van een vreemde, den overste Regnard, werd afgebroken. Hij was een
man van een trotsch voorkomen en wellicht veertig jaren oud, schoon
zijne gelaatstrekken schenen aan te duiden, dat hij het leven sneller
had genoten dan heilzaam pleegt te zijn. Zijn voorhoofd werd door
het breede litteeken, dat zich van het oog tot de slapen uitstrekte,
niet ontsierd; zijn blik verried nog slechts een afnemend vuur; zijne
trekken waren scherp geteekend, belangwekkend, geestrijk, doch zonder
levendigheid. Voor het overige vertoonde hij de fijnste ongedwongenheid
in al zijne bewegingen en de bedaardheid in voorkomen en houding, die
den Franschman zelden eerder dan op den leeftijd van den overste eigen
wordt. De Duitscher verkrijgt ze tien jaren vroeger.
Regnard trad op de gastvrouw toe en begroette haar met de fijne
wellevendheid van een man naar de wereld; voor de overigen maakte
hij eene lichte, koele buiging; slechts Alisette wierp hij een
vriendelijken, vertrouwelijken blik toe. „Ik zie hier iets,” begon hij
na eenige oogenblikken, „dat mijn belangstelling dubbel gaande maakt;
drie mij geheel vreemde heeren in eene mij even onbekende uniform.
Mag ik u bidden,” dus wendde hij zich tot de gravin, „mij met mijne
kameraden bekend te maken?” Zij stelde hem de nieuwe aankomelingen voor.
„Dus zal graaf Rasinski spoedig hier zijn?” vroeg de overste, toen
hem de betrekking, waarin de jongelieden tot dezen stonden, werd
bekend gemaakt. „Dat verheugt mij zeer, want wij hebben in Spanje en
Italië menig heeten dag met elkander doorgebracht. Een voortreffelijk
soldaat,” vervolgde hij, zich half tot de gravin, half tot de drie
vrienden wendende; „de keizer kon de aanvoering van een vrijkorps aan
niemand beter toevertrouwen. De graaf heeft den echten krijgsmansblik,
hij overziet den samenhang van groote bewegingen en beoordeelt
met scherpzinnigheid op welk punt de schijnbaar geringe hulp van
onberekenbaar belang kan worden. De meeste hoofden van dergelijke
korpsen tasten dáárin mis, dat zij hunne ondernemingen slechts op
zich zelf beschouwen en uitvoeren. Het is goed en wel, dat men den
vijand een transport levensmiddelen ontkaapt, zoo de kans gunstig is,
of hem nu en dan van ter zijde bestookt en daardoor afmat; doch tot
den uitslag der groote zaak doet zulks al zeer weinig af. De ware
partijganger moet òf de rol der bij spelen, die den jager in de hand
steekt op het oogenblik, dat hij losbranden wil; òf die van de muis,
die het net doorknaagt, waarin de leeuw zich verward heeft.”
De overste sprak over krijgskundige onderwerpen met eene groote
duidelijkheid en zeer beslist, zonder echter in den onaangenamen
toon te vervallen, die steeds schijnt te vooronderstellen, dat men
geheel onkundigen te onderrichten en hun uiterst belangrijke schatten
van wetenschap heeft mede te deelen. Hij droeg zijne persoonlijke
denkbeelden en gevoelens vluchtig, als dingen, die eigenlijk van
zelf spreken, voor, en op zijne bovendien weinig veranderlijke
gelaatstrekken vertoonde zich niets, dat op een vleiende goedkeuring
van zijne geuite meeningen scheen te wachten. Daar Jaromir de
opmerkingen van den overste toestemmend beantwoordde, waren beiden
spoedig in een gesprek over de hedendaagsche wijze van krijgvoeren
gewikkeld, dat Bernard en Lodewijk met belangstelling volgden. Dit
trok hunne aandacht een weinig van het onderhoud der dames af en zij
werden dus te aangenamer verrast, toen zich eensklaps eenige heldere
klavierakkoorden lieten hooren. Het was Françoise Alisette, die tot
zingen uitgenoodigd, met beminlijke levendigheid voor het speeltuig had
plaats genomen en, terwijl zij als onwillekeurig eenige grepen deed,
peinzend opwaarts blikte, als overleide zij, wat tot voordracht te
kiezen.
„St!” sprak de overste. „Laat ons nu toeluisteren, mijne vrienden!
Onherstelbaar verlies zou het zijn, zoo een toon dier zilverstem voor
ons verloren ging.”
Allen richtten het oog op Alisette, die thans onder een zacht wiegelen
van het bevallig hoofdje een fransche romance zong, wier smeltende
melodie zij met verteederende innigheid voordroeg. Het was inderdaad
een genot haar daarbij aan te zien; want zonder eenige gemaaktheid,
zonder eenige gedwongenheid te verraden, stemden toch haar gebarenspel
en de uitdrukking harer trekken met die woorden en tonen tot in de
fijnste bijzonderheden overeen. De schoone golvende lijnen van haar
gelaat schenen door den zachten adem der klanken bewogen te worden,
gelijk de heldere spiegelvlakte van het meer zich aan het spel der
lentekoeltjes al wiegelend aansluit. En welk eene wegsleepende
tooverkracht lag in die heldere zilvertonen, die met zulk een zoet
gevlei in het oor drongen, door zulke roerende beden het hart schenen
te willen verteederen! Alles luisterde met ingehouden adem. Bernard
liet zijne vorschende blikken in het rond gaan en had gaarne alles
geportretteerd, wat in het vertrek oog en oor had, daar de aandoening,
die op elks gelaat te lezen stond, ook aan elks wezen een eigenaardig
schilderachtig karakter verleende. Steeds gewoon de uitdrukking der
trekken uit de verborgenste diepten der ziel te verklaren, wijl hij
overtuigd was, dat alle uitwendige bewegingen aan innerlijke roerselen
gehoorzamen, schoon die voor onze zintuiglijke bevatting niet altijd
dadelijk verstaanbaar zijn, beijverde hij zich ook nu, dit schoonste
hiëroglyphenschrift te ontraadselen; bij welke poging men wel is waar
niet zelden op even donkere dwaalwegen geraakt, als wanneer men de
geheimen der egyptische grafsteden uit het duister beeldschrift der
priesters tracht op te sporen. Intusschen trokken twee bijzonderheden
zijne aandacht. Lodoiska scheen zelve minder door het gezang getroffen
te worden, dan wel met gespannen, bijna angstige opmerkzaamheid den
indruk gade te slaan, dien het op Jaromir te weeg bracht; de jongeling
daarentegen was zoo geheel in den aanblik der zangeres verzonken, dat
hij niet bemerkte, hoe deze op eene in het oog loopende wijs blikken
en woorden bijna uitsluitend tot hem richtte. Nog een derde opmerking
deed Bernard kort voor het einde van het lied, namelijk, dat de overste
het laatste gedeelte zijner waarneming ook scheen gemaakt te hebben
en daarover het voorhoofd in toornige rimpels trok. Bernard was te
zeer geoefend in de school der ervaring, om uit hetgeen hij zag niet
menige gissing af te leiden. Eenige uitdrukkingen der gravin hadden
duidelijk genoeg te kennen gegeven, dat de overste zich aan de gunst
der schoone Alisette bijzonder veel liet gelegen liggen, wanneer deze
dus aan den bloeienden, jeugdigen Jaromir de voorkeur gaf, kon dit
lichtelijk tot bittere onaangenaamheden aanleiding geven, daar de
overste niet de man scheen, die een medeminnaar straffeloos zou kunnen
dulden. Bij allen schijn van maagdelijke onschuld en reinheid, die
in Françoises gedrag en wezen doorblonk, kwam het Bernard toch niet
onmogelijk voor dat die schijn bedriegen kon. Te dikwerf reeds was hij
in de gelegenheid geweest, te ondervinden, in welk eene mate de vrouwen
door haar uiterlijk het innerlijke weten te vermommen, en hoe moeielijk
het valt te beslissen, of eene schuldelooze blik uit eene schuldelooze
ziel voortkomt. Hij had weinig grond om Alisette te verdenken, en wat
hij zooeven opmerkte, kon, daar Jaromir juist tegenover haar stond,
zoowel toeval als opzet zijn; intusschen was het, alsof eene stem in
zijn binnenste hem heimelijk toefluisterde: de blauwe, heldere spiegel
van dit water, dat zonnelicht en hemel zoo heerlijk terugkaatst, bedekt
eene gevaarlijke diepte!—Daarentegen drukten Lodoiska's edele, zachte
trekken onfeilbaar de diepste verborgenheid harer ziel uit, en zonder
door de bekoorlijkheid dezer gestalte meer dan vluchtig getroffen te
worden, scheen haar beeld hem toch gestadig toe te roepen: deze kunt
gij vertrouwen; haar oog is ook haar hart.—Maar scheen niet dat zelfde
oog, nu het zoo angstig op den jongeling gevestigd was, te kennen te
geven: Jaromir, vriend mijner jeugd, u bemin ik uit den diepsten grond
dezer trouwe borst? Moet ik zien, dat deze lokkende sirene u met den
zilveren tooverdraad harer tonen omspint, om u aan mij te ontrukken?