HOOFDSTUK I.

Het was op een Zondag in den laten namiddag, dat Jaromir, Lodewijk

en Bernard van eene hoogte de torens van Warschau zagen blinken. De

weg had lang door een dicht dennenwoud geleid, dat geen uitzicht

vergunde; thans sloeg hij een hoek om en steeg tegen een met heide

en braamstruiken bewassen heuvel op, van welks kruin men de gansche

landstreek konde overzien. Aan de uiterste grenzen rezen Warschau's

trotsche paleizen en torenspitsen statig omhoog. De Weichsel slingerde

een wijden boog om de velden en schemerde met zilverglans tusschen het

smaragdgroen der oevers; eene reeks van zeilen liet de richting van den

stroom tot in de blauwe verte vervolgen. De vurige Jaromir riep den

postiljon een driftig „halt” toe en sprong met van vreugde flonkerende

oogen uit den wagen. „Dat is mijne vaderstad!” riep hij uit, „sedert

acht jaren heb ik haar niet gezien, maar nog ken ik elk huis, elken

gevel, elke torenspits hier in den ganschen omtrek. Komt, vrienden,

stapt ook uit en laat ons te voet den heuvel afstijgen. Hier door het

braambosch loopt een pad, dat langs weilanden en korenvelden weer

op den grooten straatweg brengt. Onder 't voortwandelen zal ik u de

merkwaardigste plaatsen hier in 't rond aanwijzen; want zoover uw oog

reikt, ziet gij geen kerktoren, waarbij geene poolsche helden begraven

liggen, die voor het vaderland vochten en sneuvelden. Ach, wanneer

zal deze grond eindelijk het zaad der vrijheid zien bloeien, dat onze

vaderen met hun bloed bevochtigden!—Ziet gij dat dorp, dáár recht voor

ons uit? Dat is Wielka Wola, waar Kosciuszko in 1794 gevochten heeft;

hier links tegenover, achter het dennenbosch, ziet gij den spitsen

toren van Opalin, en verder naar beneden dien van Wawryscew. Op beide

plaatsen stroomde het poolsche bloed in 't zelfde jaar, en bij Opalin

viel mijn oom Kasimir, graaf Brescinsky! O vrienden, hier ligt menigeen

begraven, die bloedige tranen waard is. Ik had liever gezien, dat wij

tegen het opgaan der zon hier waren aangekomen; want het beteekent

niets goeds, dat ik die torens mijner vaderstad in 't goud der avondzon

zie blinken!”

Hij schudde zwaarmoedig het hoofd en eene uitdrukking van edele

gramschap omwolkte het vrije, heldere voorhoofd.

„Gij zijt een slecht waarzegger,” riep Bernard uit; „ik wil u de

toekomst anders uitleggen. Ziet gij uw vaderland niet in de lente

weder, waarin alles kiemt, ontspruit en bloeit? Dringen niet zelfs uit

graven bloemen te voorschijn en golfden niet alle boomgaarden, die wij

voorbijreden, gelijk eene zee van bloesems, als de zachte lentewind

door de toppen blies? Tegen den herfst voorspel ik u rijpe vruchten,

dan zult gij het gezaaide inzamelen en een oogstfeest vieren, dat

vreugde en jubel het gansche land doen weergalmen!”

„Gij zijt een profeet,” riep Jaromir met wilde onstuimigheid en klemde

Bernard vast in zijne armen; „als uw woord vervuld wordt, dan mag vrij

de juichtoon op mijn graf klinken, wanneer ik slechts weet, dat vrije,

gelukkige, poolsche aarde mij dekt!”

Onder dit gesprek hadden de jongelingen den voet des heuvels bereikt en

traden op een bevallig pad tusschen vruchtbare akkers voort, terwijl

Jaromir voortging hem op geschiedkundig merkwaardige plaatsen in

den naasten omtrek opmerkzaam te maken en tevens de gebeurtenissen

te vermelden, door welke de poolsche naam zich daar vereeuwigd had.

Lodewijk luisterde slechts toe, maar nam toch een warm aandeel in het

gesprokene, terwijl hij in stilte dezelfde wenschen voor zijn vaderland

ontboezemde, welke Jaromir zoo luid en vurig voor de Polen geuit had.

Na een groot half uur bevonden zij zich weder op den grooten rijweg,

stegen in en ijlden in snellen rit op de poorten der hoofdstad toe.

Achter Wielka Wola werd het landschap door wandelaars, ruiters en

wagens uit de stad verlevendigd. Jaromir zag met zijne bliksemende,

zwarte oogen scherp in het rond, of hij niet ergens een oud vriend of

bekende ontdekken kon. Intusschen scheen het geluk hem in dit opzicht

niet gunstig, en half verdrietig riep hij uit: „Het is waar, in acht

jaren wordt men vreemd in zijn eigen vaderland; naar het schijnt,

ken ik hier niemand meer en wordt zelfs nog veel minder door iemand

herkend!” Nauwelijks had hij deze klacht ontboezemd, of men hoorde uit

een, het hunne in snellen draf voorbijsnellend rijtuig eene vrouwelijke

stem de woorden roepen: „Graaf Jaromir, is het mogelijk? Zijt gij

het, of bedrieg ik mij?” Jaromir had zich reeds bij het eerste woord

omgewend en riep, geheel vergetend dat hij zich op den openbaren weg

en in een vreemd gezelschap bevond, vol vuur uit: „Gravin Micielska!

Groote hemel, gij herkent mij nog?”

De beide koetsiers, een gesprek tusschen den graaf en de dame

aangeknoopt ziende, hielden de paarden in. De gravin was eene vrouw

van eene rijzige, verheven gestalte; zij kon misschien dertig jaren

oud zijn, maar haar zwart oog fonkelde nog met jeugdig vuur van onder

het glanzend witte, hooge voorhoofd, dat door rijke, donkere lokken

overschaduwd werd. In hare jeugd moest zij betooverend schoon geweest

zijn. Bernard met zijn geoefend schildersoog, had haar bij den eersten

aanblik voor eene zuster van Rasinski herkend, nog eer Jaromir haar als

zoodanig met zijne geleiders bekend maakte. Deze overhandigde haar een

open brief van haren broeder, die de beide vrienden aan de gastvrije

zorgen zijner zuster dringend aanbeval. „Hoe verheugt het mij,” sprak

de gravin, nadat zij de weinige regels haastig gelezen had, „dat ik u

hier dadelijk bij uwe aankomst aantref! Het spreekt van zelf, dat gij

bij mij uw intrek neemt; de tijd van uw verblijf zal, vrees ik, maar

al te kort van duur zijn; gij kunt het mij dus niet ten kwade duiden,

dat ik mij elk oogenblik ten nutte wil maken om berichten van mijn

broeder en zooveel andere lieve bekenden en landslieden in te winnen.

Derhalve moet gij mij de zelfzucht vergeven, waarmede ik u tot mijne

huisgenooten of, zoo gij wilt, tot gevangenen in mijn huis maak.” Zij

sprak deze beleefde woorden, door welke zij aan hare gastvrijheid eene

zoo bescheiden inkleeding gaf, met evenveel warme hartelijkheid als

innemende vriendelijkheid, zoodat men duidelijk bespeurde, dat het

haar genoegen deed, den jongen landsman weder te zien en hem, benevens

zijn geleiders, in hare woning te ontvangen. Jaromirs levendige

dankbetuiging ontweek zij door te verklaren, dat zij snel vooruit wilde

rijden, ten einde het noodige ter ontvangst harer gasten in gereedheid

te brengen, daar men toch van het eene rijtuig in 't ander het gesprek

niet onbelemmerd kon voortzetten. Haar koetsier liet den vurigen

schimmels de volle teugels, zij boog zich vriendelijk groetende en het

rijtuig rolde voort.

„Een heerlijk voorteeken!” riep Bernard, „dat mij gunstiger voorkomt,

dan de twaalf gieren, die Romulus op den Aventinus zag vliegen. In eene

stad waar eene zoo verheven Juno ons welkom heet, moet de Olympus ons

wel geopend worden.”

Jaromir glimlachte en knikte toestemmend met het hoofd.

Onze vrienden bereikten de poort, waar zij zich als vreemdelingen

eenig oponthoud getroosten moesten; eerst tegen het invallen van de

duisternis kwamen zij voor het paleis der gravin aan. Het was een groot

gebouw, in edelen, schoon eenigszins ouderwetschen stijl opgetrokken;

zoodra de wagen stilhield sprongen twee bedienden op het portier toe,

een derde ontving de uitstijgenden en voerde hen, met den zilveren

armblaker voorlichtende, naar de voor hen bestemde vertrekken. „De

gravin,” zeide de kamerdienaar, „laat den heeren verzoeken, zich eerst

van de overtollige reiskleeding te ontdoen en dan, zoodra het hun

mogelijk en aangenaam is, in de zaal te komen, waar zij op de thee

gewacht worden.” De vrienden hadden spoedig hunne reisjassen afgelegd

en zich in de uniform gekleed van hun nieuw op te richten regiment.

Reeds vroeger waren zij onderling overeengekomen, dat Lodewijk en

Bernard hunne ware namen afleggen en vreemde aannemen zouden; de eerste

had zich door eene kleine omzetting zijner naamletters Soren geheeten;

Bernard, aan eene ontmoeting aan het Loch Lomond in Schotland denkende

en over het geheel het zonderlinge beminnende, gaf zich voor een graaf

Lomond uit.

Thans begaven zij zich naar de gezelschapszaal der gravin. In de deur

trad deze hen reeds te gemoet en heette hen nogmaals welkom. Nu zag

men eerst hoe rijzig en edel hare gestalte was en hoe zij ook in dit

opzicht volkomen haren broeder geleek. „Laat ons plaats nemen,” zoo

wendde zij zich tot de binnentredenden, „vooreerst moet gij mijner

vrouwelijke nieuwsgierigheid de vraag vergeven, wie ik het genoegen heb

mijne gasten te noemen, want mijn broeder heeft mij slechts geschreven,

dat graaf Jaromir door twee vrienden verzeld zou zijn. Naderhand zal ik

u uitvragen zelfs over de kleinste omstandigheden; want niets is mij

onverschillig van hetgeen op mijn broeder en dezen krijg betrekking

heeft.” Zij had zich bij deze woorden op de sofa nedergezet; de heeren

namen naast en tegenover haar op de stoelen plaats.

„Nu zeg mij, Jaromir,” begon de gravin, „wie zijn uwe geleiders en wat

beweegt hen, als vreemden, de poolsche monteering te dragen?”

„Ieder zal best voor zich zelf kunnen spreken,” antwoordde Bernard.

„In mij ziet gij een half schotschen graaf, schoon op duitschen grond

geboren; echter geloof ik, dat mijn graventitel niet meer waard is dan

mijn graafschap, dat ik voor 't spiegelbeeld eener schaduw stellig niet

te goedkoop verkoopen zou. Intusschen, wie prijs stelt op een beroemden

naam, kan met dien van graaf Lomond tevreden zijn. Wat mij betreft, ik

beken, dat ik op mijn stand trotscher ben dan op mijn rang, en vandaar

mijn penseel hooger schat dan mijn wapen. Gij bemerkt, genadige vrouw,

dat gij een schilder voor u hebt, die, zoolang hij leeft, is verplicht

geweest een graaf den kost te geven, waarvoor deze, en dat is misschien

zijn eenige deugd, hem van harte dankbaar is.”

„Dus kon,” hervatte de gravin glimlachend, „uw penseel uw wapen

kleuren.”

„Wellicht,” hernam Bernard, „doch dit is zeker, dat het de laatste

arbeid zal zijn, dien het onderneemt.”

Zonder eene vraag af te wachten, maakte nu ook Lodewijk zich bekend en

gaf als reden van zijn dienstnemen de neiging op, welke hij, zoowel

als zijn vriend, sinds lang voor 't krijgsleven gekoesterd had; verder

verklaarde hij, dat zijne kennismaking met Rasinski hem bij voorkeur de

poolsche uniform had doen kiezen.

„Hoe verheugt het mij,” sprak de gravin, „dat vriendschap voor mijn

broeder u tot vrienden der zaak van ons vaderland gemaakt heeft.

Ja, wij verwachten en hopen veel van den krijg, die thans wordt

voorbereid; het zal voor ons een heilige kampstrijd zijn.”

„Dat is mede een van de oorzaken,” hervatte Lodewijk, „waarom ik,

schoon Duitscher, in eene poolsche legerafdeeling wenschte te dienen;

want de zaak van Polen is ongetwijfeld rechtvaardig, roemrijk en

schoon. Als Duitscher gevoel ik geene roeping om voor den roem des

franschen keizers te vechten; in den toestand, waarin mijn vaderland,

dat bijna even ongelukkig is als Polen, zich bevindt, kan ik daarvoor

het zwaard niet trekken. Het duitsche leger valt daarbij slechts de

half eervolle taak ten deel, den roem der oude duitsche dapperheid te

handhaven; een hooger doel, waarvoor onze landslieden hun bloed storten

konden, bestaat voor het tegenwoordige niet.”

„Ik geloof zelfs,” hernam de gravin, „dat de meesten liever wenschen

zouden overwonnen te worden, dan te overwinnen.”

„Voorzeker,” antwoordde Lodewijk. „Intusschen zou ik mij zelf niet

onvoorwaardelijk onder dezulken willen rangschikken. Duitschland heeft

behoefte aan eene andere vriendschap dan die, welke Rusland ons zoude

aanbieden. De ruwe kracht van dezen reusachtigen noordschen kolos mag

mijn vaderland dienstig zijn, om het aan den invloed van vreemden,

waaronder het thans zucht, te ontrukken, ik vrees bijna, dat deze

dienst ons duur zou te staan komen, en dat wij ten slotte wellicht

slechts van heer en gebieder zouden verwisseld hebben. Moet ik mij aan

iemand onderwerpen, niemand zal mij ten kwade duiden, dat ik liever aan

de kracht van een machtigen geest, dan aan ruw stoffelijk geweld wensch

te gehoorzamen.”

„Buiten twijfel,” riep Bernard levendig uit; „een man van eer, die

tusschen het zwaard en den knoet de keus heeft, kiest het eerste. Wij

konden geene betere plaats vinden om Rusland te leeren wantrouwen, dan

juist Polens hoofdstad, waar de wind nog de aschhoopen van den brand

doet opstuiven, dien een barbaarsch vijand in deze muren slingerde.”

„O,” riep de gravin met smartelijke aandoening, „wij kunnen nog de

brandwonden aantoonen, en het weeklagen des jammers, dat toenmaals

opsteeg, is nog niet gesmoord. Schoon jong, was ik getuige van die

afgrijselijke gebeurtenis en hare zwarte schrikbeelden staan mij voor

eeuwig in het geheugen gegrift. Eer kan ik mijn naam vergeten, dan dat

gevoel van onmachtige vertwijfeling, dat toenmaals mijn en ieders hart

verscheurde.”

Na deze woorden stond zij in hevige gemoedsbeweging op en ging eenige

malen de zaal op en neder. De mannen zwegen; eindelijk begon Jaromir:

„Het zal nu anders worden; de boete, die door de hand der wrekende

geschiedenis aan ons vaderland is opgelegd, loopt ten einde. De tijd is

nabij, gravin, dat wij uit onze babylonische ballingschap weer naar den

haard der vaderen terugkeeren.”

De gravin scheen slechts de eerste woorden van Jaromir te hebben

gehoord. „Het _zal_ anders worden?” vroeg zij, voor den jongeling

stand houdend. „Het _moet_ anders worden. Schoon het nog duizend jaren

zoo voortduurde, de stem in mijne borst zou luid blijven uitroepen:

het _moet_ anders worden. Of waant gij, dat de moeder die gebonden

ter aarde ligt, terwijl moordenaars haren zuigeling slachten, aan een

vergeldenden God slechts _gelooft_? Zij _ziet_ hem; zijn wrekende arm

_moet_ de bloedige gruweldaad straffen. Hij _moet_, of het gewelf des

hemels is doof en ledig en niemand heerscht in het eindeloos niet.” Bij

deze laatste woorden had zij de hand half tot eene bedreiging, half tot

eene gelofte omhoog geheven; haar oog straalde van een donkeren gloed,

een edele onwil kleurde haar gelaat. Slechts aan den vochtigen glans

van een traan, die nog aan hare wangen hing, bemerkte men een spoor

van de zachtere stemming, waaraan de hartstochtelijke drift haar geheel

ontrukt had.

„Hoe dikwijls ik mij voorneem,” sprak zij na eenig zwijgen, terwijl zij

weemoedig het hoofd schudde en de opgeheven hand weder zinken liet,

„mijn gevoel te beteugelen, telkens overweldigt het mij opnieuw! Ach,

deze smart verstompt of verouderd niet in onze borst! Met elke zon

verrijst zij als opnieuw, maar met geene gaat zij onder.”

Op dit oogenblik drongen de welluidende tonen eener zachte zilverstem,

door de luwe lucht van den Meinacht voortgedragen, wel uit de verte,

maar toch helder en verstaanbaar door de open vensters der zaal;

smeltende akkoorden eener harp vermengden zich met de zoete melodie.

Allen luisterden met ingehouden adem.

„De lieflijke sirene, Françoise Alisette,” sprak de gravin glimlachend;

„o, die tooveres heeft reeds menigwerf de zwarte droombeelden

verbannen, die zoo zwaar op mij rustten. Het is eene jonge zangeres,

eene Fransche, sinds enigen tijd aan het tooneel dezer stad verbonden.”

Men luisterde aandachtig naar het bekoorlijk gezang; toen het verstomd

was, trok de gravin aan de schelkoord en sprak eenige woorden tot den

binnentredenden kamerdienaar. Deze ging. „Heden avond wacht ik het

bezoek van eenige vriendinnen,” wendde zij zich tot hare gasten; „het

zal u toch niet onaangenaam zijn...” Zij werd verhinderd voort te gaan,

daar de deur van een aangrenzend vertrek zich opende en eene jonge dame

in lichte witte lentekleeding binnentrad.

De mannen sprongen ijlings van hunne stoelen op, de gravin ging de

komende te gemoet, nam haar bij de hand en stelde haar voor met de

woorden: „Mijne huisgenoote; den naam verzwijg ik, om graaf Jaromirs

geheugen op de proef te stellen.” Jaromir beschouwde de schoone

gestalte met de uitdrukking van verwarde bevreemding, welke een

zoodanige eisch tot herkennen altijd te weeg brengt, wanneer men van

de getrouwheid van zijn geheugen niet volkomen verzekerd is. De edele

trekken der onbekende werden door een bevallig blosje verfraaid. De

maagdelijke schuwheid, die hare geheele houding kenteekende, verleende

haar bijna het voorkomen van eene kloosterlinge, waartoe ook de lange,

witte sluier het zijne bijbracht, die, met gouden naalden in het

donkere haar bevestigd en bevallig achter de lokken teruggeslagen,

langs de bloeiende wang nedergolfde en over de schouders tot aan de

knie afdaalde. De ranke leest, die de lichte zomerkleeding veeleer deed

uitkomen dan verborg, het beschroomde, weifelachtige in de houding, het

beschaamde lachje, de schuwe en toch vertrouwelijke blik voltooiden de

betooverende aanvalligheid, die in de gansche verschijning gelegen was.

„Waarlijk,” riep Jaromir eindelijk, „ik ben geheel beschaamd; wanneer

gij dochters hadt, gravin....”

„Dan zoudt gij nog verkeerd raden,” viel deze hem in de rede.

„Ik was nog te jong,” begon het meisje met een welluidende stem, „om

op eene plaats in het geheugen, zelfs van een naasten bloedverwant,

billijk aanspraak te kunnen maken.”

Na dezen wenk vestigde Jaromir scherper vorschende blikken op het

bekoorlijke wezen, dat hem met zachte innemendheid toelachte, als wilde

zij zeggen: „Nu, herkent gij mij nog niet?” Daar riep hij eensklaps

uit: „Lodoiska, zijt gij het?”—„Eindelijk gevonden,” sprak de gravin;

doch Jaromir had de hand van Lodoiska reeds gegrepen, kuste ze vurig,

klemde het schoone, blozende meisje teeder aan zijne borst en drukte

haar den naar poolsche gewoonte veroorloofden kus op het blanke

voorhoofd. Zij beantwoordde deze vertrouwelijke begroeting wel een

weinig verlegen, maar toch met innige hartelijkheid.

„Beider nu reeds lang overleden vaders waren broeders,” sprak de gravin

tot Bernard en Lodewijk. „De stervende moeder heeft mij dezen kostbaren

schat nagelaten. Zij was mijne geliefde vriendin,” voegde zij er

weemoedig bij, terwijl haar oog met teedere belangstelling op Lodoiska

rustte. „Mijne pleegdochter en haar neef Jaromir zijn te zamen opgevoed

en beschouwden elkander van hunne jeugd af als broeder en zuster.”

Inderdaad had zich de vertrouwelijkheid tusschen de vroegere

speelgenooten zeer spoedig weder hersteld; Jaromir plaatste zich aan

de zijde van Lodoiska, liet hare hand niet weder uit de zijne en deed

duizend vragen, welke zij met de innigste belangstelling beantwoordde.

Intusschen verstonden Lodewijk en Bernard weinig of niets van het

gesprek der beide gelukkigen, die zich met de herinneringen hunner

jeugd, zooals natuurlijk was, in hunne moederspraak bezighielden.

Het duurde niet lang, of men hoorde het rollen van een rijtuig, en

spoedig daarop traden twee bejaarde dames binnen, welke de gravin als

hare vriendinnen voorstelde. Het gesprek werd nu algemeen en bijna

uitsluitend in het fransch gevoerd; echter richtte de gravin, die

vloeiend duitsch sprak, zich ook dikwijls in deze taal tot hare beide

gasten, daar zij die taal lief had en in de edele wijze, waarop vooral

Lodewijk zich daarin wist uit te drukken, ongemeen behagen schepte.

1812: Historische roman · 第 32 / 154 题