HOOFDSTUK X.

Rasinski was niet zonder grond bezorgd geweest, dat de navorschingen,

naar Lodewijk en Bernard in het werk gesteld, zich tot de familie

des eerstgenoemden zouden uitstrekken. Weinige uren nadat deze de

stad verlaten had, vertoonden zich ook reeds twee fransche gendarmes

aan de woning der moeder, om naar den vluchteling onderzoek te doen.

Zij vonden die geheel verlaten; want Rasinski had er zeer wijselijk

door zijn vertrouwden afgezant op laten aandringen, dat men ook de

dienstmeid mede naar het landgoed zoude nemen, ten einde er niemand

achterbleef, wiens verklaringen op eenige wijze tegen zijne plannen

konden inloopen. Krachtens hunne willekeur geboden dus de gendarmes den

huisheer de kamers te openen, doorzochten ze allernauwkeurigst en, daar

ze niets verdachts vonden, verzegelden zij niet slechts de kasten, maar

ook de buitendeuren, waarop zij hun verslag gingen afleggen. Rasinski

werd door zijn getrouwen rijknecht Andreas van alles verwittigd, wat

uiterlijk kon waargenomen worden, terwijl zijn onderhandelaar, die met

St. Luces bureau in nauwe betrekking stond, hem van alles wat daar

geschiedde onverwijld bericht gaf. Zoo vernam hij, dat deze volstrekt

niet wist, waar Lodewijks betrekkingen te zoeken, daar niemand hem de

plaats, werwaarts deze gereden waren, wist op te geven. Toevallig toch

had de tante hare zuster, sinds deze de nieuwe woning, welke zij voor

hare, door Lodewijks terugkomst vergroote huishouding huren moest,

betrokken had, nog niet bezocht, zoodat niemand in huis deze verwante

kende. Gemakkelijk konden de verspieders dus het verblijf van deze

niet uitvorschen, en er was alle reden om te vertrouwen, dat St. Luces

afreizen zoude, eer hij het had opgespoord. Dit gebeurde werkelijk;

want in den vroegen morgen van den derden dag zag Rasinski hem zelven

benevens zijn secretaris de poort naar Weenen uitrijden, in welke stad

hij waarschijnlijk om gewichtige aangelegenheden een geruimen tijd

vertoeven zoude.

Den daarop volgenden avond keerden moeder en dochter terug. Met

verbazing vonden zij hare woning verzegeld en vernamen van den

huisheer, wat gedurende hare afwezigheid was voorgevallen. Het

moederlijk hart begon iets ergers te vermoeden en werd door de hevigste

ongerustheid gefolterd; ook had zij raad en ondersteuning noodig, en

tot wien kon zij zich dadelijk wenden? Eensklaps trad Rasinski, door

den onvermoeid waakzamen Andreas van hare komst verwittigd, als bij

toeval, het huis binnen. Niet alleen door zijne betrekkingen, maar

ook door zijne mannelijke welberadenheid was hij de meest gewenschte

helper in dezen nood, terwijl zijn vriendelijke deelneming de

vrouwen verzekerde, dat zij in hem een reddenden en vertroostenden

beschermengel zouden vinden. Schoon hij zich om aan zijne rol getrouw

te blijven, volstrekt onwetend houden en aan het moederlijke hart

de smartelijke taak opleggen moest om een verhaal te doen van het

voorgevallene, wist hij toch deze pijnlijke oogenblikken zelfs te doen

strekken om den overkropten boezem der beangste lucht te geven in

een mededeelend vertrouwen, terwijl hij zijne krachtige medewerking

beloofde en zich aanbood, dadelijk naar den kommandant te gaan.

Hij deed zulks. De vrouwen traden intusschen het vertrek van den

huiswaard binnen, waar zij een angstig half uur doorbrachten. Vooral

Maria was vol smart en bezorgdheid. Ach, hoe was de hoop, welke zij op

gelukkige dagen gekoesterd had, eensklaps verijdeld! De tijd, waarin

zij zich jaren lang in het vooruitzicht verheugd had, was nu gekomen;

maar tot welk eene smartelijke werkelijkheid werd het zusterlijk hart

uit de schoonste droomen gewekt! Hoeveel had zij willig ontbeerd,

om de toekomst des broeders te helpen grondvesten en opbouwen! Hoe

gewillig had zij met de moeder in enge, huiselijke beperking geleefd,

opdat hij, dien zij zoo boven alles lief had, zijn rijken, edelen

geest vrijer ontwikkelen en al het goede, schoone en edele leeren

kennen en genieten zoude. Haar bescheiden, nederig hart verlangde

niets, dan zich eens in het geluk van den broeder te kunnen verheugen;

zijn uitgebreide kennis, zijne menigvuldige ervaringen zouden hare

voldoening zijn; voor zich zelve zou zij zich gaarne vergenoegen met

het vriendelijke weerschijnsel van den glans, die zijn leven zoo

rijkelijk omstralen moest. De zorgvuldig verpleegde kiemen waren tot

volle, zwellende knoppen gedijd, reeds openden zich deze en beloofden

het rijke, eindelijke loon van alle bemoeiingen, alle zorgen, alle

ontberingen—daar schudt een ruwe storm den jeugdigen stam, eensklaps

staat hij ontbladerd, verdord voor hare verlangende blikken, en de

gedachte aan hetgeen hij beloofde, wekt diepe, grievende smart!

Uit deze sombere mijmeringen deed Rasinski's terugkomst Maria ontwaken;

hij werd door twee gendarmes verzeld, die de zegels afnamen en de

woning voor de vrouwen openden.

Door borg te blijven, dat de dames zich niet aan een gerechtelijk

verhoor zouden onttrekken, had de graaf deze toelating verkregen;

echter moesten de kasten en verdere bergplaatsen voorloopig nog met den

keizerlijken arend verzegeld blijven. Eenigen tijd daarop verscheen

een hooger beambte der fransche politie, die bescheiden, maar tevens

beslissend de uitlevering van alle papieren vorderde. Deze werden hem

met het zuiverste geweten overhandigd, waarop hij alle zegels afnam en

zich met eene verontschuldiging over de onaangename verplichting, welke

zijn ambt hem opleide, beleefd verwijderde.

Nu gaf de beangste moeder eindelijk aan haren boezem lucht. „Om Gods

wil, wat beteekent dat?” vroeg zij Rasinski. „Zoo handelt men niet ten

gevolge van een duel. Ik bezweer u, zeg mij, wat is er voorgevallen?

wat heeft Lodewijk misdaan?”

„Daarover ben ik,” hervatte Rasinski, „bijna evenzeer in het onzekere,

als gij zelve, waarde mevrouw. Het duel echter, zooveel weet ik

thans, was slechts een voorwendsel van zijne vlucht; hij is van de

eene of andere daad aangeklaagd, die gevaarlijke gevolgen kan hebben.

Vermoedelijk heeft hij zich met eene verbintenis ingelaten, die....”

„O,” riep Maria, niet zonder een gevoel van trots op den broeder uit,

„voorzeker heeft zijn edel, vaderlandsch hart.....” hier brak zij af,

hield een oogenblik stil, slaakte een diepen zucht en sprak toen met

vastheid, maar met de uitdrukking der diepste smart: „Wij leven in een

tijd, waarin vaak de edelste gezindheid voor een misdaad geldt!”

Rasinski stond getroffen; hij, wiens gansche ziel voor het eigen

vaderland gloeide, moest Maria's smart in haar vollen omgang gevoelen.

Op hare anders zoo teedere, slechts vrouwelijke zachtheid ademende

gelaatstrekken werd een edele gramschap zichtbaar, die, een vluchtigen

vuurgloed op de bleeke, door tranen bevochtigde wang uitgietende,

aan hare droefheid den adel verleende eener trotsche worsteling van

innerlijke waarde tegen de onrechtvaardigheid van den uitwendigen

nooddwang.

„Matig uw onstuimig gevoel, lieve Maria,” sprak de moeder, met

bezorgdheid de hevige gemoedsbeweging harer dochter bemerkende;

„bedenk, dat gij zoodoende het lot van uwen broeder verergeren kunt.”

„Waarlijk niet, wanneer _ik_ er slechts de getuige van ben!” riep

Rasinski met vuur. „Wat is heiliger dan de liefde voor het vaderland?

Ik zelf gloei voor mijn volk, voor het land mijner geboorte; hoe zoude

ik dat zelfde gevoel in een ander wraken? Neen, uw geestdrift is

schoon, is edel!”

Met deze woorden reikte hij Maria de hand. Een zachter blos kleurde

thans de wangen van het meisje, terwijl een bekoorlijke verwarring

zich met de smartelijke uitdrukking vermengde, die in hare trekken te

lezen was. Eenigszins beschroomd legde zij hare hand in die, welke

Rasinski haar aanbood, en zeide: „O, gij zult ons helpen; op u heb ik

vertrouwen!”

Gaarne had hij thans den sluier van alle voorvallen en gebeurtenissen

der laatste dagen opgeheven, wanneer hij niet, als een ervaren kenner

van edele vrouwelijke harten, eene te gegronde bezorgdheid voor de,

van elke verbloeming afkeerige oprechtheid had gekoesterd, waarmede

zij zich dan aan de macht der vijandelijke vervolgers zouden hebben

prijsgegeven. Hij was verzekerd, dat zij noch den broeder, noch hem

zelf verraden zouden; maar dan waren ze ook zelve de offers, daar hare

bekentenis zou geweest zijn: Ik weet maar ik zwijg. In haar eigen

belang liet hij haar dus in deze weldadige onkunde.

De vrouwen verzochten hem haar dezen avond niet weder te verlaten; hij

beloofde het en bracht eenige uren bij haar door. De smart opende hem

geheel het edele hart van Maria, want niets beweegt de vrouwelijke ziel

tot inniger vertrouwen dan eene diep treffende ramp, waarin een man

haar met vastheid op zijde treedt; terwijl ook niets het mannelijk hart

met sterker banden naar dat der vrouw heentrekt dan het lijden van een

zacht, bekoorlijk wezen. Rasinski zou dezen avond een der gelukkigste

van zijn leven geacht hebben, wanneer niet een zoo treurig voorval

hem dien had doen genieten. Van zijne vroegste jeugd was hij door de

gebeurtenissen, die niet slechts zijn vaderland, maar ook het overige

Europa geschokt hadden, op de opene zee des levens voortgestuwd.

Zelden had het lot hem vergund, in eene rustige haven het anker te

werpen; te dieper dus moesten hem de kortstondige oogenblikken eener

kalme windstilte treffen, waarin het ook hem eens vergund was van de

vruchten te genieten, welke hij anders slechts van verre aan de kusten

zag rijpen, die hij in snelle vaart voorbijstevende. Hij had thans

den mannelijken leeftijd bereikt; zijn hart dreef hem niet meer zoo

onstuimig als voorheen door het leven voort; in oogenblikken, waarin

het rusteloos voortwentelen zijner dagen hem een korte verademing

liet, was het verlangen om eindelijk eens te rusten dikwijls levendig

in zijn boezem ontwaakt. Was het te verwonderen, dat thans, daar eene

zoo liefelijke gedaante hem scheen te wenken om aan deze stem in zijne

borst gehoor te geven, de wensch bijna tot een besluit rijpte? Een

koene zin streeft stoutmoedig naar het verwijderde doelwit, ook als hij

het over diepe kloven en afgronden in de schijnbaar ontoegankelijke

verte ziet schemeren; het kan dus niet bevreemden, dat bij Rasinski op

een tijdstip, toen een gansch werelddeel onder de wapenen stond, de

bodem nog onder gansche volken wankelde en niemand wist, of de volgende

dag hem redding dan vernietiging zou aanbrengen, het verlangen oprees,

om den grondslag te leggen tot eene vreedzame toekomst. Echter was een

koen besluit bij hem geen onbezonnen overijling; hij bezat mannelijke

vastheid genoeg, om het in zich zelf tot rijpheid te laten komen en

niet eer het lot eens vreemden met zijne eigene hoop en verwachtingen

dooreen te vlechten, dan wanneer hij de wegen overzag, langs welke

hij hare vervulling bereiken konde. Derhalve hield hij thans de in

hem ontwaakte, diepere liefde voor Maria nog verborgen en wijdde haar

daarvoor een des te warmer vriendschappelijke deelneming, met het vaste

besluit evenwel, om ze haar vóór zijn vertrek te ontdekken.

De avond verstreek in die weemoedige innigheid, welk een vertrouwelijk

bijeenzijn in dagen van kommer en rampspoed doet geboren worden.

Rasinski vertrok later dan hij zich had voorgesteld. Den volgenden

morgen begaf hij zich vroegtijdig naar de woning van den kommandant,

om bij een hem bekenden officier van het bureau naar den staat der

zaken onderzoek te doen. Tot zijne geruststelling vernam hij, dat

de kommandant zich op eene welwillende wijze over Lodewijks moeder

en zuster uitgelaten en bepaald had, dat men, in geval er geene

overtuigende gronden tot verdenking tegen de beide dames voorhanden

waren, van alle verdere vervolging moest afzien. Met dit vertroostend

naricht haastte hij zich de bezorgde vrouwen te verrassen. Toen hij

in het huis trad, ontmoette hij reeds een fransch beambte, die het

huis verlaten wilde. Deze had op bevel van den kommandant zoowel Maria

als hare moeder reeds in den vroegen morgen verhoord; beiden konden

natuurlijk niets anders opgeven dan hetgeen zij wisten, en zulks was

zoo weinig, dat men onmogelijk eenige verdere vervolging tegen haar in

het werk kon stellen. Gelukkigerwijze bevonden zich onder de in beslag

genomen papieren ook brieven, door Lodewijk uit Italië en Zwitserland,

kort vóór en na zijne ontmoeting te Duomo d'Ossola geschreven die

daarvan geene de minste melding maakten. Deze omstandigheid hielp het

hoogstwaarschijnlijk maken, dat beide vrouwen geenerlei aandeel in of

kennis van het voorval hadden, dat Lodewijks vervolging ten gevolge

had. Na eenige uren werden haar de gezamenlijke papieren ook werkelijk

teruggezonden met de verzekering, dat zij verder geene vervolging,

hoegenaamd ook, te duchten hadden.

Deze bezorgdheid was derhalve geweken; intusschen bleef Rasinski

nog de moeielijke taak over, de bezorgde moeder en zuster met het

eigenlijke lot der beide vluchtelingen bekend te maken. Hij verschoof

dit opzettelijk zoo lang mogelijk; middelerwijl kon hij der vrouwen

een door Jaromir overgezonden brief van Lodewijk langs een omweg doen

toekomen. Zonder opgave van plaats behelsde deze slechts eenige regels

waarin Lodewijk het welgelukken zijner vlucht benevens zijn en Bernards

welstand berichtte. Rasinski wilde bij de vrouwen niet als medeweter

bekend zijn, vóór hij Dresden verlaten kon, om welke reden hij alle

nadere verklaringen tot op weinige uren voor zijne afreis uitstelde.

1812: Historische roman · 第 29 / 154 题