Rasinski was niet zonder grond bezorgd geweest, dat de navorschingen,
naar Lodewijk en Bernard in het werk gesteld, zich tot de familie
des eerstgenoemden zouden uitstrekken. Weinige uren nadat deze de
stad verlaten had, vertoonden zich ook reeds twee fransche gendarmes
aan de woning der moeder, om naar den vluchteling onderzoek te doen.
Zij vonden die geheel verlaten; want Rasinski had er zeer wijselijk
door zijn vertrouwden afgezant op laten aandringen, dat men ook de
dienstmeid mede naar het landgoed zoude nemen, ten einde er niemand
achterbleef, wiens verklaringen op eenige wijze tegen zijne plannen
konden inloopen. Krachtens hunne willekeur geboden dus de gendarmes den
huisheer de kamers te openen, doorzochten ze allernauwkeurigst en, daar
ze niets verdachts vonden, verzegelden zij niet slechts de kasten, maar
ook de buitendeuren, waarop zij hun verslag gingen afleggen. Rasinski
werd door zijn getrouwen rijknecht Andreas van alles verwittigd, wat
uiterlijk kon waargenomen worden, terwijl zijn onderhandelaar, die met
St. Luces bureau in nauwe betrekking stond, hem van alles wat daar
geschiedde onverwijld bericht gaf. Zoo vernam hij, dat deze volstrekt
niet wist, waar Lodewijks betrekkingen te zoeken, daar niemand hem de
plaats, werwaarts deze gereden waren, wist op te geven. Toevallig toch
had de tante hare zuster, sinds deze de nieuwe woning, welke zij voor
hare, door Lodewijks terugkomst vergroote huishouding huren moest,
betrokken had, nog niet bezocht, zoodat niemand in huis deze verwante
kende. Gemakkelijk konden de verspieders dus het verblijf van deze
niet uitvorschen, en er was alle reden om te vertrouwen, dat St. Luces
afreizen zoude, eer hij het had opgespoord. Dit gebeurde werkelijk;
want in den vroegen morgen van den derden dag zag Rasinski hem zelven
benevens zijn secretaris de poort naar Weenen uitrijden, in welke stad
hij waarschijnlijk om gewichtige aangelegenheden een geruimen tijd
vertoeven zoude.
Den daarop volgenden avond keerden moeder en dochter terug. Met
verbazing vonden zij hare woning verzegeld en vernamen van den
huisheer, wat gedurende hare afwezigheid was voorgevallen. Het
moederlijk hart begon iets ergers te vermoeden en werd door de hevigste
ongerustheid gefolterd; ook had zij raad en ondersteuning noodig, en
tot wien kon zij zich dadelijk wenden? Eensklaps trad Rasinski, door
den onvermoeid waakzamen Andreas van hare komst verwittigd, als bij
toeval, het huis binnen. Niet alleen door zijne betrekkingen, maar
ook door zijne mannelijke welberadenheid was hij de meest gewenschte
helper in dezen nood, terwijl zijn vriendelijke deelneming de
vrouwen verzekerde, dat zij in hem een reddenden en vertroostenden
beschermengel zouden vinden. Schoon hij zich om aan zijne rol getrouw
te blijven, volstrekt onwetend houden en aan het moederlijke hart
de smartelijke taak opleggen moest om een verhaal te doen van het
voorgevallene, wist hij toch deze pijnlijke oogenblikken zelfs te doen
strekken om den overkropten boezem der beangste lucht te geven in
een mededeelend vertrouwen, terwijl hij zijne krachtige medewerking
beloofde en zich aanbood, dadelijk naar den kommandant te gaan.
Hij deed zulks. De vrouwen traden intusschen het vertrek van den
huiswaard binnen, waar zij een angstig half uur doorbrachten. Vooral
Maria was vol smart en bezorgdheid. Ach, hoe was de hoop, welke zij op
gelukkige dagen gekoesterd had, eensklaps verijdeld! De tijd, waarin
zij zich jaren lang in het vooruitzicht verheugd had, was nu gekomen;
maar tot welk eene smartelijke werkelijkheid werd het zusterlijk hart
uit de schoonste droomen gewekt! Hoeveel had zij willig ontbeerd,
om de toekomst des broeders te helpen grondvesten en opbouwen! Hoe
gewillig had zij met de moeder in enge, huiselijke beperking geleefd,
opdat hij, dien zij zoo boven alles lief had, zijn rijken, edelen
geest vrijer ontwikkelen en al het goede, schoone en edele leeren
kennen en genieten zoude. Haar bescheiden, nederig hart verlangde
niets, dan zich eens in het geluk van den broeder te kunnen verheugen;
zijn uitgebreide kennis, zijne menigvuldige ervaringen zouden hare
voldoening zijn; voor zich zelve zou zij zich gaarne vergenoegen met
het vriendelijke weerschijnsel van den glans, die zijn leven zoo
rijkelijk omstralen moest. De zorgvuldig verpleegde kiemen waren tot
volle, zwellende knoppen gedijd, reeds openden zich deze en beloofden
het rijke, eindelijke loon van alle bemoeiingen, alle zorgen, alle
ontberingen—daar schudt een ruwe storm den jeugdigen stam, eensklaps
staat hij ontbladerd, verdord voor hare verlangende blikken, en de
gedachte aan hetgeen hij beloofde, wekt diepe, grievende smart!
Uit deze sombere mijmeringen deed Rasinski's terugkomst Maria ontwaken;
hij werd door twee gendarmes verzeld, die de zegels afnamen en de
woning voor de vrouwen openden.
Door borg te blijven, dat de dames zich niet aan een gerechtelijk
verhoor zouden onttrekken, had de graaf deze toelating verkregen;
echter moesten de kasten en verdere bergplaatsen voorloopig nog met den
keizerlijken arend verzegeld blijven. Eenigen tijd daarop verscheen
een hooger beambte der fransche politie, die bescheiden, maar tevens
beslissend de uitlevering van alle papieren vorderde. Deze werden hem
met het zuiverste geweten overhandigd, waarop hij alle zegels afnam en
zich met eene verontschuldiging over de onaangename verplichting, welke
zijn ambt hem opleide, beleefd verwijderde.
Nu gaf de beangste moeder eindelijk aan haren boezem lucht. „Om Gods
wil, wat beteekent dat?” vroeg zij Rasinski. „Zoo handelt men niet ten
gevolge van een duel. Ik bezweer u, zeg mij, wat is er voorgevallen?
wat heeft Lodewijk misdaan?”
„Daarover ben ik,” hervatte Rasinski, „bijna evenzeer in het onzekere,
als gij zelve, waarde mevrouw. Het duel echter, zooveel weet ik
thans, was slechts een voorwendsel van zijne vlucht; hij is van de
eene of andere daad aangeklaagd, die gevaarlijke gevolgen kan hebben.
Vermoedelijk heeft hij zich met eene verbintenis ingelaten, die....”
„O,” riep Maria, niet zonder een gevoel van trots op den broeder uit,
„voorzeker heeft zijn edel, vaderlandsch hart.....” hier brak zij af,
hield een oogenblik stil, slaakte een diepen zucht en sprak toen met
vastheid, maar met de uitdrukking der diepste smart: „Wij leven in een
tijd, waarin vaak de edelste gezindheid voor een misdaad geldt!”
Rasinski stond getroffen; hij, wiens gansche ziel voor het eigen
vaderland gloeide, moest Maria's smart in haar vollen omgang gevoelen.
Op hare anders zoo teedere, slechts vrouwelijke zachtheid ademende
gelaatstrekken werd een edele gramschap zichtbaar, die, een vluchtigen
vuurgloed op de bleeke, door tranen bevochtigde wang uitgietende,
aan hare droefheid den adel verleende eener trotsche worsteling van
innerlijke waarde tegen de onrechtvaardigheid van den uitwendigen
nooddwang.
„Matig uw onstuimig gevoel, lieve Maria,” sprak de moeder, met
bezorgdheid de hevige gemoedsbeweging harer dochter bemerkende;
„bedenk, dat gij zoodoende het lot van uwen broeder verergeren kunt.”
„Waarlijk niet, wanneer _ik_ er slechts de getuige van ben!” riep
Rasinski met vuur. „Wat is heiliger dan de liefde voor het vaderland?
Ik zelf gloei voor mijn volk, voor het land mijner geboorte; hoe zoude
ik dat zelfde gevoel in een ander wraken? Neen, uw geestdrift is
schoon, is edel!”
Met deze woorden reikte hij Maria de hand. Een zachter blos kleurde
thans de wangen van het meisje, terwijl een bekoorlijke verwarring
zich met de smartelijke uitdrukking vermengde, die in hare trekken te
lezen was. Eenigszins beschroomd legde zij hare hand in die, welke
Rasinski haar aanbood, en zeide: „O, gij zult ons helpen; op u heb ik
vertrouwen!”
Gaarne had hij thans den sluier van alle voorvallen en gebeurtenissen
der laatste dagen opgeheven, wanneer hij niet, als een ervaren kenner
van edele vrouwelijke harten, eene te gegronde bezorgdheid voor de,
van elke verbloeming afkeerige oprechtheid had gekoesterd, waarmede
zij zich dan aan de macht der vijandelijke vervolgers zouden hebben
prijsgegeven. Hij was verzekerd, dat zij noch den broeder, noch hem
zelf verraden zouden; maar dan waren ze ook zelve de offers, daar hare
bekentenis zou geweest zijn: Ik weet maar ik zwijg. In haar eigen
belang liet hij haar dus in deze weldadige onkunde.
De vrouwen verzochten hem haar dezen avond niet weder te verlaten; hij
beloofde het en bracht eenige uren bij haar door. De smart opende hem
geheel het edele hart van Maria, want niets beweegt de vrouwelijke ziel
tot inniger vertrouwen dan eene diep treffende ramp, waarin een man
haar met vastheid op zijde treedt; terwijl ook niets het mannelijk hart
met sterker banden naar dat der vrouw heentrekt dan het lijden van een
zacht, bekoorlijk wezen. Rasinski zou dezen avond een der gelukkigste
van zijn leven geacht hebben, wanneer niet een zoo treurig voorval
hem dien had doen genieten. Van zijne vroegste jeugd was hij door de
gebeurtenissen, die niet slechts zijn vaderland, maar ook het overige
Europa geschokt hadden, op de opene zee des levens voortgestuwd.
Zelden had het lot hem vergund, in eene rustige haven het anker te
werpen; te dieper dus moesten hem de kortstondige oogenblikken eener
kalme windstilte treffen, waarin het ook hem eens vergund was van de
vruchten te genieten, welke hij anders slechts van verre aan de kusten
zag rijpen, die hij in snelle vaart voorbijstevende. Hij had thans
den mannelijken leeftijd bereikt; zijn hart dreef hem niet meer zoo
onstuimig als voorheen door het leven voort; in oogenblikken, waarin
het rusteloos voortwentelen zijner dagen hem een korte verademing
liet, was het verlangen om eindelijk eens te rusten dikwijls levendig
in zijn boezem ontwaakt. Was het te verwonderen, dat thans, daar eene
zoo liefelijke gedaante hem scheen te wenken om aan deze stem in zijne
borst gehoor te geven, de wensch bijna tot een besluit rijpte? Een
koene zin streeft stoutmoedig naar het verwijderde doelwit, ook als hij
het over diepe kloven en afgronden in de schijnbaar ontoegankelijke
verte ziet schemeren; het kan dus niet bevreemden, dat bij Rasinski op
een tijdstip, toen een gansch werelddeel onder de wapenen stond, de
bodem nog onder gansche volken wankelde en niemand wist, of de volgende
dag hem redding dan vernietiging zou aanbrengen, het verlangen oprees,
om den grondslag te leggen tot eene vreedzame toekomst. Echter was een
koen besluit bij hem geen onbezonnen overijling; hij bezat mannelijke
vastheid genoeg, om het in zich zelf tot rijpheid te laten komen en
niet eer het lot eens vreemden met zijne eigene hoop en verwachtingen
dooreen te vlechten, dan wanneer hij de wegen overzag, langs welke
hij hare vervulling bereiken konde. Derhalve hield hij thans de in
hem ontwaakte, diepere liefde voor Maria nog verborgen en wijdde haar
daarvoor een des te warmer vriendschappelijke deelneming, met het vaste
besluit evenwel, om ze haar vóór zijn vertrek te ontdekken.
De avond verstreek in die weemoedige innigheid, welk een vertrouwelijk
bijeenzijn in dagen van kommer en rampspoed doet geboren worden.
Rasinski vertrok later dan hij zich had voorgesteld. Den volgenden
morgen begaf hij zich vroegtijdig naar de woning van den kommandant,
om bij een hem bekenden officier van het bureau naar den staat der
zaken onderzoek te doen. Tot zijne geruststelling vernam hij, dat
de kommandant zich op eene welwillende wijze over Lodewijks moeder
en zuster uitgelaten en bepaald had, dat men, in geval er geene
overtuigende gronden tot verdenking tegen de beide dames voorhanden
waren, van alle verdere vervolging moest afzien. Met dit vertroostend
naricht haastte hij zich de bezorgde vrouwen te verrassen. Toen hij
in het huis trad, ontmoette hij reeds een fransch beambte, die het
huis verlaten wilde. Deze had op bevel van den kommandant zoowel Maria
als hare moeder reeds in den vroegen morgen verhoord; beiden konden
natuurlijk niets anders opgeven dan hetgeen zij wisten, en zulks was
zoo weinig, dat men onmogelijk eenige verdere vervolging tegen haar in
het werk kon stellen. Gelukkigerwijze bevonden zich onder de in beslag
genomen papieren ook brieven, door Lodewijk uit Italië en Zwitserland,
kort vóór en na zijne ontmoeting te Duomo d'Ossola geschreven die
daarvan geene de minste melding maakten. Deze omstandigheid hielp het
hoogstwaarschijnlijk maken, dat beide vrouwen geenerlei aandeel in of
kennis van het voorval hadden, dat Lodewijks vervolging ten gevolge
had. Na eenige uren werden haar de gezamenlijke papieren ook werkelijk
teruggezonden met de verzekering, dat zij verder geene vervolging,
hoegenaamd ook, te duchten hadden.
Deze bezorgdheid was derhalve geweken; intusschen bleef Rasinski
nog de moeielijke taak over, de bezorgde moeder en zuster met het
eigenlijke lot der beide vluchtelingen bekend te maken. Hij verschoof
dit opzettelijk zoo lang mogelijk; middelerwijl kon hij der vrouwen
een door Jaromir overgezonden brief van Lodewijk langs een omweg doen
toekomen. Zonder opgave van plaats behelsde deze slechts eenige regels
waarin Lodewijk het welgelukken zijner vlucht benevens zijn en Bernards
welstand berichtte. Rasinski wilde bij de vrouwen niet als medeweter
bekend zijn, vóór hij Dresden verlaten kon, om welke reden hij alle
nadere verklaringen tot op weinige uren voor zijne afreis uitstelde.