Rasinski trad binnen. Zijn oog was somber, zijn voorhoofd gefronst.
„Vrienden, ik houd u voor mannen,” begon hij, „die tegen een ramp
bestand zijn. Maar uwe zaken staan op een hachelijken voet en wel
door uw eigen toedoen, mijn vriend,” dus wendde hij zich tot Bernard;
„de portier van het huis, waar St. Luces ingekwartierd is, heeft u
verraden.”
„Hemel! En hoe was dat mogelijk?” riep Bernard.
„Op de eenvoudigste wijze van de wereld. Nadat gij naar den
vreemdeling, dien ik u thans als St. Luces' secretaris, Beaucaire, kan
aanduiden, onderzoek had gedaan en het huis verliet, stond deze zelf
boven aan het venster. Natuurlijk moest het zijne aandacht trekken,
dat gij hem waart gevolgd; ook van zijne zijde won hij bij den portier
berichten in en, daar deze u kent, vernam hij alles wat hij wenschte te
weten. Tot overmaat van ongeluk wil het toeval, dat juist die zelfde
portier gisteren mede naar Pillnitz geweest is en u daar met onzen
Lodewijk, die hem helaas! niet minder goed bekend is, gezien heeft,
terwijl gij arm in arm St. Luces en Beaucaire voorbij gingt. De eerste
is de doortraptste spitsboef van de wereld, de laatste schijnt het te
zijn, en dus kan het ons niet verwonderen, dat hun spoedig niets meer
bleef uit te vorschen, dan het uitgestrekte komplot, welks bestaan zij
vermoeden, daar Lodewijk op zulk eene koene wijze aan hunne klauwen
ontrukt is.”
„Een kogel zou ik mij door den kop willen jagen!” riep Bernard.
„En mijne moeder?” vroeg Lodewijk.
„Is reeds van alles onderricht.”
„Heeft men haar reeds verontrust?”
„Nog niet; want gelukkig kent de portier slechts uw naam, niet uwe
woonplaats, welke men thans bezig is op te sporen. Daarmede zullen
intusschen wel eenige uren verloopen, en van dien tijd moeten wij
gebruik maken. Ik heb reeds een plan gevormd, en hoop met mijne
aanstalten nog tijdig genoeg in gereedheid te zijn. Stelt u thans met
dit naricht tevreden; want ik moet terstond mijne pogingen voortzetten.”
„Nog eene minuut!” riep Lodewijk. „Wanneer ik mij, om allen die in
mijne zaak gewikkeld zijn op eenmaal van elke verantwoording te
ontheffen, vrijwillig in handen mijner vervolgers stelde?”
„Dan wilde ik geen oogenblik voor uw leven instaan, jonge vriend,”
hernam Rasinski. „Gij hebt, naar mij gezegd is, een der gevaarlijkste
geheime agenten onzer vijanden in Italië, wien men reeds op het spoor
was en bij wien men zich verzekerd hield, de belangrijkste papieren te
zullen vinden, doen ontvluchten.”
„Heeft men u den man genoemd?” vroeg Lodewijk driftig en hopende op
deze wijze iets van de onbekende, aan wien hij zijn hart gewijd had, te
ontdekken.
„Neen,” antwoordde Rasinski; „ik deed onderzoek naar hem, doch men
gaf mij te kennen, dat dit een staatkundig geheim was, dat St. Luces
vermoedelijk aan niemand openbaren zoude. Weet gij werkelijk volstrekt
niets?”
„Niet het geringste,” hernam Lodewijk; „in dat opzicht ben ik althans
volkomen onschuldig.”
„Uw weten of niet weten, zelfs wanneer men er geloof aan hechtte,”
antwoordde Rasinski, „komt daarbij hoegenaamd niet in aanmerking. Onze
krijgswetten spreken het doodvonnis over u uit. Geef intusschen den
moed niet verloren! Gij zult u wellicht een smartelijk offer moeten
getroosten, maar uw leven hoop ik te redden. En nu vaartwel, spoedig
zult gij meer van mij vernemen. Nog iets: aan mijne beide jonge
kameraden kunt gij u blindelings toevertrouwen; zij zijn als zoons aan
mij gehecht.”
Hij snelde weg.
De vrienden bleven in kommervolle onrust achter; Bernard deed zich zelf
de bitterste verwijten.
„Dat ik ook alles zoo lichtzinnig opneem!” riep hij uit. „Mijne
dwaasheid stort u in 't verderf en mij zelf daarbij; want, wat ik zou
kunnen verdragen, geen gewetenswroeging over zulk eene handelwijs.”
„Uw doel was immers goed, beste Bernard,” sprak Lodewijk, „en kunt gij
vergeten, dat ik de hoop die mij nog overblijft, alleen aan u te danken
heb? Was ik nu misschien niet reeds veroordeeld, wanneer gij mij niet
uit de handen mijner vijanden verlost hadt?”
„Gaf dat mij recht,” viel Bernard hem met onstuimigheid in de rede,
„om u thans aan den beul over te leveren? En wel beschouwd, was mijne
handelwijze te Pillnitz immers de domheid zelve! Stonden de zaken niet
slecht, dan had ik ze slecht gemaakt?”
„Het was toch goed,” antwoordde Lodewijk, terwijl hij moeite deed om
te glimlachen, „dat gij daar niet zoo verstandig waart als gij in dit
oogenblik hier zijt; anders zat ik wellicht op den Königstein of in
eenige andere gevangenis en wachtte op den geestelijke, die mij naar
den zandhoop geleiden moest.”
Bernard zag hem met zijn donker, vurig oog eene poos lang weemoedig
aan; eensklaps breidde hij de armen uit, drukte den vriend onstuimig
aan zijne borst en riep: „Broeder! Mij geeft niemand de absolutie als
ik zelf het niet doen kan, en geloof mij, ik ben een streng biechtvader
voor mij zelven! Hier kan ik niets dan goedmaken. Ik heb de koeien
in de sloot geholpen en wil trouw mijn best doen om ze er weer uit
te halen; maar lukt dat niet, dan mogen de kinderen mij op de straat
naschreeuwen, als ik niet alles met u doorsta, wat u een haar krenkt.
Ja, ik zweer u, knoopt men u aan de galg en laat men mij loopen, ik
hang mij zelf met eigen handen naast u op.”
„Getrouwe vriend!” sprak Lodewijk met aandoening en hield hem vast
omarmd. „Gij, ruwe diamant, ik weet het, uw binnenste is zuiverder dan
kristal!”
De vrienden werden door een gedruisch aan de deur gestoord; het was
Rasinski die terugkeerde; met gespannen verwachting staarden zij hem
aan.
„Ik wil u,” begon hij zonder verdere inleiding, „met één woord uw lot
bekend maken, want gij zijt mannen. Ik kan u redden, wanneer gij in
mijn vrijkorps wilt treden; de uniform baant u den weg uit Dresden,
anders weet ik er geen, dien de list uwer vijanden niet reeds voor u
heeft afgesneden. Bovendien zijt gij dan tegen elke verdere navorsching
beveiligd; want eens bij de armee aangekomen, staat gij onder mijne
bescherming, onder mijn opzicht. Ik weet de keus, die gij te doen hebt,
is bitter, maar zij is de eenige.”
„En konden wij niet onder bescherming dier uniform de stad verlaten en
vervolgens een anderen weg inslaan?” vroeg Bernard, in wiens ziel eenig
mistrouwen tegen Rasinski opsteeg.
„Ik kan u slechts passen naar Warschau verschaffen; daartoe heb
ik vergunning en de noodige middelen. Daar moet gij u bij het
divisie-kommando, waartoe ik behoor, aanmelden. Naamt gij een anderen
weg dan dien, welke mijn reiswijzer u voorschrijft, zoo zoudt gij als
deserteurs behandeld worden, en ik zelf ware niet in staat verder iets
voor u te doen. En op welke andere wijze wilt gij uit Dresden ontkomen?
Werwaarts wilt gij u begeven? Bij de politie zijt gij reeds uitgeduid
en als voortvluchtig of ergens verborgen opgegeven. Alle besturen
bekomen de aanschrijving om u aan te houden; op het geheele vasteland
bevindt zich geen enkel punt, waar gij voor de fransche politie—want
deze is het, die u vervolgt—in zekerheid zijt, uitgenomen bij de
armee, waar men u ten eerste niet zoekt, en waar ten tweede door den
onmiddellijken invloed van den chef alle navorschingen van dien aard
zich laten verijdelen, wanneer men ze slechts verijdelen wil.”
„Ik zal mij aan het onvermijdelijke weten te onderwerpen,” sprak
Lodewijk met kalmte. „Maar—mijne moeder, mijne zuster zullen
ontroostbaar zijn! Door haar lijd ik onuitsprekelijk! En ook door u,
mijn Bernard! Dat ik u in dezen afgrond moet storten!....” Hier wendde
hij zich af en legde de hand zwaarmoedig op het voorhoofd.
Bernard hield het oog somber en zwijgend op den grond gericht; na
eenige oogenblikken begon hij: „Soldaat of galeislaaf is naar mijn
gevoel hetzelfde. Ik althans liet mij in plaats daarvan gaarne aan de
galg knoopen. Doch al zat ik niet aan u vast gekoppeld, al kon ik vrij
en frank het Kanaal overvliegen naar Engeland—hier is mijne hand er
op, ik trek toch den bonten rok aan en word uw kameraad.”
Lodewijk drukte hem sprakeloos de hand; zijne ontroering belette hem
een woord uit te brengen.
„Gij zult behagen vinden in uw nieuwen stand, mijne vrienden,” sprak
Rasinski, „en den dienst slechts van zijne schoonste en roemrijkste
zijde leeren kennen. Als vrijwilligers treedt gij in de gelederen,
en door de eene of andere dienstbetrekking zal ik u ten nauwste aan
mijn persoon verbinden, zoodat wij als vrienden en tentkameraden
leven kunnen. Het stond in mijne macht u dadelijk tot officieren te
benoemen; maar zulks ware tegen mijn geweten en tegen uw eigen belang.
Als bevelhebbers toch; al ware het ook van weinig manschappen, zou
eene verantwoordelijkheid op u rusten, waarvan zelfs de keizer u niet
kan ontheffen. Om daarbij geen gevaar te loopen, moet gij den dienst
eerst grondig verstaan, den krijg kennen. De eerzucht van den soldaat
kan u niet aanvuren; derhalve is de betrekking, waarvoor ik u bestem,
verreweg de verkieselijkste voor u. Uwe beschaving verzekert u den
omgang met mijne officieren; de vriendschap die ik u toedraag zal u de
verdere voordeelen verschaffen, die voor jongelingen van uwen stand
waarde hebben. Zoodra er slechts eenige maanden verloopen zijn, doet
zich misschien wel een uitweg op, die alles weder terecht brengt.
Beschouwt uwe nieuwe betrekking als eene verkleeding, die gij voor
korten tijd hebt aangenomen, daar gij toch door de eene of andere
vermomming het loerend oog uwer vijanden zoudt hebben moeten ontduiken.
Die, welke ik u voorsla, schijnt mij in allen gevalle het meest eervol,
het lichtst te verdragen en, wat vooral in aanmerking komt, de eenig
zekere toe.”
Rasinski's verstandige en bemoedigende rede boezemde zelfs den
hardnekkigen Bernard vertrouwen in en bracht zijne hevige drift
eenigszins tot bedaren. Lodewijk erkende dat er geen keus overbleef;
zijne terugkeerende wilskracht deed hem het onvermijdelijke met meer
kalmte dragen. Maar vriend, zuster en moeder in dit ongeluk te zien
deelen, dit smartte hem diep.
„Weet mijne moeder reeds iets van het gebeurde,” vroeg hij met eene
bevende stem.
„Zij is genoegzaam voorbereid,” antwoordde Rasinski, „en heeft zich
aan de harde noodzakelijkheid onderworpen met eene vastheid, die ik
billijkerwijze bewonderen moet. Uwe zuster is veel dieper geschokt.”
„Maria,” riep Lodewijk smartelijk uit. „O, ik weet, wat haar daarbij
het grievendst krenkt! Het duitsche, trouwe hart!”
Bernard fronste somber het voorhoofd.
„Zal men echter,” vroeg Lodewijk, „mijne vlucht niet aan moeder en
zuster doen ontgelden? Kan de wraak mijner vijanden niet op haar
neerkomen? Zoodra ik verneem, dat een van beiden een haar gekrenkt
wordt, keer ik terug.”
„Wees gerust,” antwoordde Rasinski; „ik heb alles zoo ingericht, dat de
uwen niets te vreezen hebben. Reeds op dit oogenblik bevinden zij zich
niet meer in Dresden, maar op het buiten van uwe tante.”
„Hoe?” riep Lodewijk, „dus zou ik haar wellicht niet wederzien?”
„Ik hoop ja,” was het antwoord, „schoon ik het u niet met zekerheid
beloven kan.”
„Dat ware het bitterste van allen,” zuchtte Lodewijk. „Zou echter het
verblijf op het landgoed haar genoegzame veiligheid aanbieden?”
„Ten minste voor eenige dagen, en dan zal veel een ander aanzien
bekomen, daar ik van goederhand onderricht ben, dat St. Luces niet
langer dan hoogstens nog twee dagen hier blijven kan. Is hij, de eenige
wien ik tot eene dadelijk schurkachtige handelwijs in staat acht,
eenmaal vertrokken, dan gaat de zaak haar gewonen gang en zal er, na de
voorzorgen die ik genomen heb, niets meer te vreezen zijn. Echter moet
ik de stellige belofte van u eischen, dat gij blindelings naar mijne
inzichten en voorschriften handelen zult; anders durf ik voor niets
instaan.”
„Onvoorwaardelijk,” riep Lodewijk.
Bernard zweeg; in zijne ziel was de vreeselijke argwaan opgerezen, dat
Rasinski het niet eerlijk met hen voorhad. Bijna had hij besloten zich
door eene koene verklaring zekerheid te verschaffen en te antwoorden,
dat hij _niet_ gehoorzamen, _niet_ soldaat worden, maar alléén zijne
redding beproeven wilde; doch zijn vast genomen besluit, om in
Lodewijks lot, hoe hachelijk het ook worden mocht, te deelen, hield
hem van de onbezonnenheid terug, welke hij op het punt was te begaan.
„Wat er ook gebeuren mag, ik deel in het lot en de gevoelens van mijn
vriend, meer kan ik niet beloven,” sprak hij na eenige seconden, en
reikte den graaf zijne hand.
Rasinski vermoedde min of meer, wat er in zijne ziel omging; dat maakte
hem een oogenblik verdrietig, doch zijne grootmoedige ziel vergaf de
verongelijking, hem door dit mistrouwen aangedaan bijna even spoedig
als hij ze ontdekt had.
„Welaan,” antwoordde hij, „hoort dan wat gebeurd is en wat nog gebeuren
moet. Ik ken de vrouwen; de nauwgezetheid van haar geweten is dikwijls
zoo groot, dat zij zich zelfs tegen de arglistigste boosheid niet met
eene onwaarheid, hoe gering ook, wapenen zullen. Mijne gansche poging
om u te redden, kon schipbreuk lijden op de waarheidsliefde uwer
moeder en zuster, die het haar onmogelijk maakte, bij een gerechtelijk
verhoor eenige omstandigheid te verzwijgen of anders op te geven dan
zij zich werkelijk had toegedragen. Deze teederheid van het vrouwelijk
gevoel welke zij in hare afzondering van de ons mannen maar te dikwijls
verpestende samenleving zoo vlekkeloos weten te bewaren, kon hier
ons allen in het verderf storten. Daarom koos ik den zekersten weg,
dien namelijk, om aan de uwen slechts te doen weten, wat zij mogen
bekennen zonder ons te benadeelen. Met de regels van uwe hand, die
mij tot volmacht moesten dienen, zond ik een krijgsmakker, dien ik
gisterenmorgen toevallig ontmoette en op wiens getrouwheid ik huizen
kan bouwen, naar uwe moeder. Hij moest er op aandringen, dat zij
dadelijk met hare dochter naar het landgoed uwer tante afreisde, daar
gij gisteren te Pillnitz met een franschen officier in een verschil
waart gewikkeld, dat dezen morgen met den degen was beslecht geworden
en u, benevens uw vriend en secondant Bernard wellicht, noodzaken kon,
Dresden ten spoedigste te verlaten. Zoo zulks het geval werd, bleef
u geen andere gelegenheid om haar nog te spreken dan buiten bij uwe
tante. Dit bericht, door uw handschrift geloofbaar gemaakt, deed haar
dadelijk tot een overhaast vertrek besluiten, en zoo men haar thans op
de pijnbank ondervroeg, zou zij niets anders kunnen getuigen, dan wat
ik u daar zooeven verhaald heb. Gij zelf moet haar nu tot een verblijf
van eenige dagen op het buiten bewegen, onder voorwendsel, dat dan
eerst de onaangename gevolgen, waarmede ook zij bedreigd wordt, geheel
uit den weg geruimd kunnen zijn.”
Met vroolijk berouw zag Bernard thans zijne dwaling in.
„Voortreffelijk, slimme Ulysses,” riep hij uit, „gij redt ons
waarachtig uit het hol van den Cycloop. Neem daarvoor mijne hand tot
onderpand, dat mijn kop u nu altijd ten dienst zal staan.”
„Gij bemerkt wel, lieve vrienden,” vervolgde Rasinski, „dat ik van uwe
wederzijdsche toestemming moest verzekerd zijn; want hadt gij geweigerd
u in alles naar mijn voorschrift te gedragen, dan was mijn gansche plan
uit gemis aan overeenstemming in onze maatregelen vanzelf in duigen
gestort.—In geval het landgoed niet te ver van den weg naar Polen,
dien gij heden nog moet inslaan, verwijderd ligt, is van het afscheid
geen gevaar te duchten. Voor een grooten omweg is de tijd ons te
kostbaar.”
„Goddank,” riep Lodewijk en drukte den graaf met vroolijke aandoening
de hand, „het ligt geen kwartier bezijden den straatweg.”
„Jaromir en Boleslaw,” vervolgde Rasinski, „zijn reeds van alles
onderricht. Voor den eerste heb ik een koerierspas weten te verkrijgen,
onder voorgeven, dat ik hem, ten einde de regeling van mijn regiment
te bespoedigen, noodzakelijk moest vooruitzenden. Gij beiden bekomt
passen van mij, als uw chef, en verzelt hem. Boleslaw, wiens grootte en
figuur met de uwe vrij wel overeenkomt, heeft zich bij een franschen
regiments-kleermaker twee volledige monteeringen laten aanmeten,
die dezen middag nog afgeleverd worden, zoodat gij bij helderen dag
zonder herkend te worden de stad kunt uitrijden. Voor geld en verdere
behoeften zal ik zorgdragen, zoodra gij maar eerst in zekerheid zijt,
en voorloopig is Jaromir van alles voorzien.”
Deze trad juist binnen en was, naar jongelingsaard, zeer verheugd, dat
de avontuurlijke, nog altijd eenigszins gewaagde onderneming aan hem
was opgedragen. Met innige hartelijkheid begroette hij zijne nieuwe
krijgsmakkers en voorspelde hun de gelukkigste dagen. „Gij weet nog
niet, hoe vroolijk de krijg is,” riep hij uit. „Het is hier in Dresden
zeer schoon, ja soms verrukkelijk,”—hier kreeg hij een lichten blos:
vermoedelijk dewijl hij aan een der schoone meisjes dacht, welke hij
gisteren had leeren kennen;—„maar toch mocht ik het zorgelooste
verblijf hier niet met paard en sabel verwisselen. Het hoogste geluk
zou mij ongelukkig maken, wanneer ik niet meer in den zadel springen en
meêvechten kon! En dan zult gij Warschau zien, mijne lieve vaderstad!
O, ik ben zeker, dat het u daar bevallen zal.” De beminnelijkheid van
den openhartigen jongeling miste, zelfs in deze ernstige oogenblikken,
hare uitwerking niet. Weldra keerde ook Boleslaw terug met het bericht,
dat de uniformen te zes uur gereed zouden zijn. Deze meer ernstige
jonkman besefte, hoe hoog hij zelf ook den krijgsmansstand waardeerde,
toch het treurige van den toestand der beide vrienden in zijn geheelen
omvang en schonk hun de hartelijkste deelneming.
Zoo verstreek de tijd in gulle hartelijke vertrouwelijkheid. Eindelijk
sloeg het uur van scheiden. De uniformen waren gekomen; Bernard en
Lodewijk werden gekleed; Jaromir maakte zich reisvaardig; de postiljon
blies op den horen; zij stegen in en rolden in hunne glansrijke
verkleeding door de, in de stad en voor de poort in bont gewoel
opeengedrongen, wandelaars heen, zonder dat iemand van deze vermoedde,
wat beklemde, zorgvolle harten onder dat blinkend uiterlijk klopten.
Op korten afstand achter de eerste wisselplaats, welke zij tegen den
avond bereikten, lag het huis, waar Lodewijk de zijnen voor het laatst
omhelzen zoude. Rasinski had hem wel ingescherpt, zich daar niet in
uniform te vertoonen; ook was Jaromir uitdrukkelijk voorgeschreven, de
vrienden _niet_ te verzellen, hoe gaarne hij ook van Maria, Emma en
Julie afscheid zou genomen hebben. Lodewijk en Bernard legden dus de
monteering af, trokken hunne overjassen aan en verlieten heimelijk het
posthuis, om het smartelijk zoete vaarwel aan hunne geliefden toe te
roepen.
Lodewijk, wien alle wegen nog zeer goed bekend waren, leidde Bernard
langs een binnenpad, dat naar eene tuindeur voerde, die voor een
bekende gemakkelijk te openen was. Geheel onbemerkt bereikten zij zoo
het huis en loerden voorzichtig door de reten der vensterblinden in het
reeds verlichte woonvertrek, om verzekerd te zijn dat er geen vreemden
aanwezig waren. Slechts de vrouwen zaten, zich met huiselijken arbeid
onledig houdende, om de kleine tafel. Sidderend klopte Lodewijk aan de
deur; toen hij die opende, was Maria de eerste, die hem te gemoet vloog
en snikkend aan zijn hals hing. De moeder poogde zich op te richten,
doch vermocht het niet; Lodewijk had zich honderdmaal voorgenomen
mannelijk bedaard te blijven, maar thans gevoelde hij, dat zijne kracht
onder de woedende smart dreigde te bezwijken. Hij trad op haar toe,
greep hare hand en kuste ze met kinderlijke teederheid. Diep geroerd
legde zij de rechterhand op het hoofd des zoons en sprak: „O Lodewijk,
wist gij, hoe een tweegevecht reeds eenmaal het geluk van mijn leven
verwoestte, wellicht hadt gij mij deze zorg bespaard! Doch misschien
_moest_ het zijn! Ik wil niet richten; maar mag ik dit hoofd nog
zegenen? Behoort het niet aan een ongelukkige, een schuldige toe?”
„Waarlijk, gij moogt het,” sprak Lodewijk, bijna met de uitdrukking van
vreugde. „Er rust geen schuld op mij!”
„Dan is alles gelukkig geëindigd?” riep de moeder met flonkerende
oogen; „dan behoeft gij niet te vluchten?”
Lodewijk verschrikte over den ijdelen waan der vreugde, dien zijne
onvoorzichtige woorden bij de moeder hadden doen oprijzen; hij geraakte
in verwarring, niet wetend, hoe zich te redden en voor zijne vlucht
thans nog eene geldige reden op te geven. Bernard, die intusschen ook
naderbij was getreden, was hem door zijne tegenwoordigheid van geest
behulpzaam. „Lodewijk is volkomen onschuldig,” zeide hij, „door een
eed zou hij zich van elk vermoeden kunnen zuiveren. Maar niet ieder,
dien de onpartijdige goddelijke rechter moet vrijspreken, wordt daarom
door den wereldlijken onschuldig verklaard, vooral niet wanneer
deze, zooals hier het geval zijn zoude, zijn rechterambt met dat der
wraak wil verwisselen. Onze vlucht is voor het oogenblik volstrekt
onvermijdelijk, slechts weinige minuten zijn ons tot afscheid vergund.
Meer mag ik u niet zeggen, want alleen van uwe geheele onwetendheid
verwachten wij, dat gij, en wellicht allen, die hier verzameld zijn,
zoo min mogelijk in onzen rampspoed betrokken wordt.”
Maria, in wier oog bij Lodewijks woorden heldere stralen der zoetste
hoop geflonkerd hadden, werd thans weer bleek en leunde bevend op den
schouder van den boven alles geliefden broeder.
„Wij hebben u jaren lang gemist,” riep zij in tranen uitbarstende, met
smartelijke hevigheid uit; „eindelijk omarmen wij u weder, en reeds na
weinige uren wordt ge ons opnieuw ontrukt en wie weet voor hoe langen
tijd! O, dat is gruwzaam!”
„Bedaar, lieve zuster,” sprak Lodewijk, die in Maria's smart een
dubbele opwekking zag, om al zijne krachten als man bijeen te rapen;
„gij zijt zoo zacht, zoo goed, gij kunt niemand haten, die u gekrenkt
heeft. Draag ook deze smart geduldig, die de algoede Vader daarboven
ons toezendt. Zijne donkere wegen zullen eindelijk toch op ons heil
uitloopen!”
„Ach Lodewijk!” Meer vermocht de door smart overweldigde niet uit te
brengen. De broeder hield haar zacht in zijne armen geklemd, tot hij
bespeurde, dat hare hijgende borst zich verruimde. „En nu vaarwel!”
snikte hij, „mijne moeder, vaarwel! Gij allen, mijne beminden—gij zult
van mij hooren!”
Thans wilde hij, gevoelende dat de overkropte smart hem meester werd,
zich ijlings losscheuren en naar buiten snellen, doch Maria liet hem
nog niet gaan; zij klemde zich nog eenmaal aan hem vast en bedekte zijn
gelaat met kussen en tranen. Eensklaps bedwong zij zich, wischte de
tranen uit haar oog en zeide: „Ga nu, broeder! Gij zult ons allen trouw
in aandenken houden, dat weet ik! Doch waarheen vlucht gij?”
Lodewijk had alle kracht en bezinning verloren; zijn vriend, die tot
hiertoe een stilzwijgend, maar diep getroffen getuige van Maria's
roerende liefde voor haren broeder geweest was, antwoordde in zijne
plaats: „Ook dat moet nog een geheim blijven; maar wees onbezorgd, gij
zult spoedig bericht ontvangen.”
Maria zag Bernard met betraande oogen aan: „Gij zijt zijn vriend,
gij zijt zoo getrouw en goed, o verlaat hem niet, blijf zijn trouwe
leidsman, zijn broeder, want de zuster kan immers niet meer voor hem
waken—ik wil dan ook uwe zuster zijn, en hij zelf zal mij voortaan
niet nader aan het hart liggen, dan gij.” Tegelijk reikte zij hem de
hand toe, om zijne belofte te ontvangen.
Toen Bernard haar in het schoone, droef smeekende oog zag, waaruit de
getrouwste, edelste ziel hem zoo zuiver tegenglansde, verloor hij ook
bijna zijne gedwongen bedaardheid. Hare blikken vielen als een zacht
maanlicht op de donkere, onstuimige golven zijner ziel. Het was hem als
zouden alle stormen van het lot door zulk een zacht woord tot kalmte
gebracht worden, als moest zelfs zijn bruisende levensstroom eensklaps
helder en klaar tusschen lachende oevers daarheen vloeien, wanneer zij
het gebood. Een zachte weemoed, die zijn trotsch, ijzeren hart geheel
verteederde, maakte zich van zijne ziel meester; zoete, lang vervlogen
tonen uit zijne kindsheid schenen hem opnieuw in het oor te ruischen,
liefelijke, lang vergeten droombeelden uit oude schoone tijden opnieuw
voor hem op stijgen, en een koele, weldadige traan bedauwde zijn donker
brandend oog.
„Het zusterhart kan gerust zijn,” sprak hij met blijkbare aandoening,
„een broederhart zal het vervangen. Maar nu wordt het tijd, vaartwel!”
Hij greep Lodewijk bij den arm en trok hem ijlings met zich voort.
Toen zij eenige minuten stom en zwijgend, als de nacht die hen
omringde, hun weg vervolgd hadden, begon Bernard: „Zonder de vrouwen
zou er geen ongeluk bestaan; schoon, aan den anderen kant, ook geen
bijzonder geluk; maar hare tranen pekelen en verbitteren alles, wat
anders in het ergste geval in het geheel geen smaak heeft. Geen
zier gaf ik er om, of wij beiden in Rusland door de wolven werden
opgekloven, zoo gij niet moeder en zuster hadt. Maar uwe zuster is een
braaf meisje; als kind reeds was zij zacht en goed, en het valt mij
nu in, dat zij mij eens recht lief en zacht verbonden heeft, toen ik
hier buiten uit een boom was gevallen en aan het voorhoofd bloedde.
Zij bemint u sterker, dan gij verdient; want wij mannen deugen over 't
geheel niet genoeg om recht bemind te worden. Het moet evenwel toch
goed doen. Ik heb 't nog niet ondervonden, ten minste niet van ouders
of zusters. Mij heeft het lot zeer spartaansch behandeld, want—'t is
mogelijk, dat ik bij mijne geboorte ziekelijk was—dadelijk werd ik in
de wildernis te vondeling gelegd. Nu, den koning Agesilaüs ging 't ook
niet beter! Wie weet, voor welken troon ik bestemd ben; in onze dagen
is zoo iets licht mogelijk. Nu, gij spreekt immers geen woord? Schaam
u! Waarom zouden wij thans meer aangedaan zijn dan eene minuut geleden?”
„Gij zijt het immers zelf, Bernard,” antwoordde Lodewijk op een
zachtverwijtenden toon. „Schaam u die aandoening niet; zij getuigt van
uwe menschelijkheid! Omdat wij menschen gevoelen, buigen wij voor de
macht der zinnen en die van het oogenblik!”
„Amen! Gij hebt gelijk, broeder,” riep Bernard en reikte den vriend de
hand.
Beiden stonden stil. Een plechtig duister omhulde hen; zwart en
dreigend legerde zich het gebergte aan den helderen gezichteinder; de
sterren lichtten zacht en troostend; een heilig zwijgen, als in den
tempel der Godheid, heerschte in het rond. Geroerd zonken de vrienden
in elkanders armen, klemden borst aan borst, en deden een stomme
gelofte van onverbrekelijke trouw.
„Dat zal de laatste weekhartige minuut geweest zijn,” sprak Bernard,
nadat hij een zachten vriendschapskus op Lodewijks voorhoofd gedrukt
had; „laat ons van nu af koud en bezonnen, als oude zeebonken, aan
de stormen van het lot het hoofd bieden. Wij zijn soldaten geworden
en moeten ten minste voor duitsche manneneer vechten, daar de strijd
voor het duitsche vaderland nog niet daar is. Als de roode morgenzon
mij weer in de oogen kijkt, zal zij sidderen en verbleeken voor het
barsche ijzervretersgezicht, dat ik dezen nacht denk op te zetten. En
nu voorwaarts, marsch, kameraad, anders komen wij te laat in dienst.”
Zij verhaastten hunne schreden en bereikten na weinige minuten het
posthuis, vanwaar zij hunne duistere toekomst weldra verder te gemoet
rolden.