Met een bezwaard hart ging hij, na alles in gereedheid gebracht te
hebben, tegen het vallen der schemering tot haar, om afscheid te nemen;
dat hij komen zoude, had hij reeds vooraf laten weten.
Maria opende hem; zij bevond zich alleen. Eene huiselijke
aangelegenheid hield de moeder eenige oogenblikken in een ander vertrek
bezig.
„Zoo komt dan werkelijk de laatste vriend om afscheid van ons te
nemen?” sprak zij, Rasinski in zijne reispels voor zich ziende.
„Binnen weinige uren heb ik deze muren achter mij,” antwoordde hij.
Beiden zwegen eenige oogenblikken, deels uit aandoening, deels uit
verlegenheid. „Kan de troost mij vergezellen,” vroeg de graaf op een
zacht smeekenden toon, „dat gij mij niet zoo ras vergeten wilt, als de
tijd onzer verkeering kort was?”
„Kunt gij dat vragen?” hervatte Maria diep geroerd. „U, die ons in de
verschrikkelijkste dagen van ons leven alles waart, van wien wij ook
thans nog alles verwachten, wat onze smart lenigen kan!”
„O, wanneer ik dat konde, wanneer ik haar slechts nog niet vermeerderen
moest!”
„Hoe?” vroeg Maria, in bange verwachting, en staarde hem verschrikt aan.
„Wij willen daarover spreken, als uwe moeder komt; thans....”
„Ik zal haar roepen,” riep zij angstig en wilde voortsnellen.
„Neen, neen, blijf!” bad Rasinski en greep hare hand; „in dit oogenblik
heb ik een woord met u _alleen_ te spreken.”
De toon, waarop hij deze woorden sprak, zijn innige, warme handdruk,
nog meer echter de geheime wensch van haar kloppend hart hadden Maria
alles onthuld wat hij haar bekennen wilde, eer nog een woord aan
zijne lippen ontvloeid was. Als een bliksemstraal schoot het haar
door de ziel, dat zij beminde en bemind werd. Door een zoeten schrik
overweldigd, stond zij bevende, niet in staat een woord uit te brengen,
met neergeslagen oogen voor hem.
„Kunt gij mijn levenslot met mij deelen, Maria?” sprak Rasinski, wien
de seconden kostbaar werden, met eene ernstige, bevende stem. „Ik
pers u geen beslissend _Ja_ af; slechts dan, als gij een beslissend
_Neen_ uitspreken moet, slechts dan antwoord mij. Wij staan voor eene
toekomst, die niemand zijn aanstaand noodlot laat overzien of zelfs
laat vermoeden; het zij verre van mij, u thans mede in den stroom te
willen slepen, welks golven mij spoedig zullen voortsleuren. Niets zal
u binden, ja, ik zou zelfs het onherroepelijk ja! terugwijzen, wijl
mijn geweten mij verbiedt het aan te nemen. Dit echter moogt gij mij
zeggen en dit mag ik u vragen, of ik, als de storm uitgewoed en de
stroom mij niet verzwolgen heeft, of ik dan mijn oog nog weder naar
dezen vriendelijken oever richten mag?”
Maria's ziel werd onder deze woorden door eene onnoembare smart
vaneengereten. De eerste bedwelming was voorbij, zij had het oog
geopend en zag voor welken afgrond des jammers zij stond. De schuld der
dankbaarheid, die haar aan Rasinski boeide, zijn hoogere stand, zijne
meer eerbied dan vertrouwelijke neiging inboezemende persoonlijkheid,
ja, zelfs zijn op handen zijnd vertrek hadden haar tot hiertoe het
ware gevoel, dat haar hart voor den edelen man koesterde, verholen.
Eensklaps was zij uit den droom tot het volle bewustzijn ontwaakt
en zag nu ook, door welk een wijde kloof het lot haar van hem
scheidde, die haar hart gewonnen had en het verlangde. Hij stond in
verbond met hen, die zij slechts als de vijanden van haar vaderland
beschouwde; zij kon hem als een edelman vereeren, als een grootmoedig
vriend liefhebben, doch nimmer kon zij hem toebehooren, nimmer haar
gansche lot aan het zijne verbinden, zonder plichten te verzaken,
van welker heiligheid hare ziel ten diepste doordrongen was. Daarom
stond zij sprakeloos, door den aanblik van het Medusahoofd van haar
lot versteend, vóór hem, en kon door geen troostend woord, door geen
weldadigen traan aan hare verscheurende smart lucht geven. Rasinski
voelde hare bevende hand krampachtig in de zijne samentrekken; eene
voorzeggende stem verried hem, wat in haar hijgenden boezem omging, en
deed hem de reden van haar stilzwijgen bevroeden. Echter vroeg hij nog
eenmaal: „Maria, hebt gij geen antwoord voor mij?”
„O God!” riep zij op een toon der smart, die haar het hart scheen
vaneen te scheuren, „nooit, nooit!” Zij rukte zich met geweld los,
wankelde eenige schreden voort en zeeg hijgend op een stoel neder.
„Ik versta u,” sprak Rasinski met eene zachte stem; „ik versta u
en eerbiedig uwe gezindheid. Wij kunnen echter toch....,” hier
overweldigde hem zijn gevoel, hij moest ophouden. „Het lot der volken,”
vervolgde hij na eenige oogenblikken met meer vastheid, „gaat vóór het
lot des enkelen. Ik beklaag mij zelf niet. Van mijne jeugd af ben ik
gewoon, mijn eigen geluk door dat van de wereld verwoest te zien. Deze
harde noodzakelijkheid kunnen wij niet ontwijken; het is de plicht
des mans zich daarboven te verheffen; ik geloof, dat ik hem weet te
vervullen! Maar niet altijd strijden de belangen der wereld tegen die
der enkelen; dikwijls gaan zij hand aan hand; de dwaling vordert zoowel
hare offers als de waarheid; zijn die niet talrijk genoeg, welke wij
aan de laatste brengen?”
Zij zag hem weemoedig aan en hervatte: „O, ik weet, wat gij zeggen
wilt! Gij geeft mij ongelijk. Wellicht dwaalt mijn verstand, wellicht
bedriegt zich mijn oordeel. Welke de _rechte_ waarheid zij, weet ik
niet; de _heilige_ is die, welke ons hart ons voorschrijft—ach, tot
zijn eigen verderf!”
Men hoorde de moeder komen. „Laat ons het gebeurde verzwijgen,” sprak
Maria; „het zoude mijne moeder misschien nog dieper bedroeven—en blijf
mijn vriend.”
Rasinski drukte hare hem toegereikte hand onstuimig, maar stom aan
zijne lippen. Niet slechts de smart verscheurde zijne borst, ook
eene bange zorg belastte ze met verpletterende zwaarte. Met welk
een gevoel toch, moest Maria het lot van Lodewijk, dat hij haar nu
ontdekken zoude, vernemen? Hoe zoude zij het denkbeeld verdragen, dat
haar eigen broeder tegen de zaak diende, voor welke zij den moed en
de verplichting gevoelde, hare liefde op te offeren? Den bloedigsten
veldslag was hij met meerdere gerustheid te gemoet gegaan, dan dit
pijnlijk uur.
De moeder trad binnen; Maria ging haar te gemoet. „Onze vriend komt
reeds afscheid nemen, lieve moeder,” sprak zij nauwelijks hoorbaar.
„Ja,” viel Rasinski haar in de rede en trad op de binnentredende toe,
„binnen weinige uren zullen wij elkander wellicht voor altijd moeten
vaarwel zeggen!”
„Dat verhoede God!” antwoordde de moeder. „Zijne raadsbesluiten zijn
vaak liefderijker dan ze aan onze bezorgdheid toeschijnen, en daarop
willen wij ook ditmaal hopen.”
Rasinski liet de laatste woorden onbeantwoord; hij bood de edele vrouw
zijn arm, om haar in het aangrenzende vertrek te geleiden, waar men
gewoon was zich des avonds te verzamelen. Ten einde hare ontroering te
verbergen, verliet Maria de kamer, om licht en de thee te bezorgen,
welke Rasinski deze laatste avonden gewoon was met haar te gebruiken.
Deze huiselijke bezigheden deden eenige minuten verloopen; eerst
nadat alles geordend was en Maria tegenover hem had plaats genomen,
nam Rasinski het woord: „Ik moet dit laatste uur tot mededeelingen
besteden, welke ik u, hoe treurig ook, niet onthouden mag. Lodewijk
heeft zich bij zijne terugreis uit Italië aan een vergrijp schuldig
gemaakt, dat onze strenge krijgswetten, die ik door niets verdedigen
wil dan door hare noodzakelijkheid, onherroepelijk met den dood
straffen. Hij is een persoon, dien ik zelf niet nader ken, maar aan
wiens inhechtenisneming de keizer alles gelegen was, daar hij de
gewichtigste bewijsstukken en papieren bij zich voerde, in zijne
vlucht behulpzaam geweest en wel in een oogenblik, dat men op het punt
was zich van dien man meester te maken. Om die reden werd hij, toen
men hem toevallig in Pillnitz ontdekte en voor den dader herkende,
onverwijld gevangen genomen; met behulp van Bernard gelukte het hem
aan zijne geleiders te ontkomen, waarop zulke strenge bevelen gegeven
werden om beiden te vervolgen, dat zij in allerijl de vlucht moesten
nemen. Daartoe was slechts één middel, dat ééne middel slechts kon hun
het leven redden; gelukkigerwijze stond het in mijne macht. De uitweg
was ruw, maar onvermijdelijk.” Hier aarzelde hij een oogenblik voort
te gaan; de vrouwen staarden hem met angstige verwachting aan. „Onze
vrienden,” vervolgde hij op een toon, welks weekheid het harde der
mededeeling moest pogen te verzachten, „onze vrienden konden zich
slechts dààrdoor tegen de vervolgingen hunner vijanden in zekerheid
stellen, dat zij zich ten nauwste aan hen aansloten en zich daarheen
begaven, waar niemand hen vermoeden kan—zij dragen thans de kleeding,
die ik zelf draag.”
„Almachtige hemel!” snikte Maria; „zij dienen in het leger der
Franschen?”
„Ik weet, wat gij zeggen wilt,” hervatte Rasinski; „zij voeren de
wapens tegen hun eigen vaderland.”
Met sprakeloozen schrik had de moeder deze jobstijding aangehoord. Zij
scheen den zin van Rasinski's woorden nog niet geheel gevat te hebben,
zoo angstig vragend hingen hare strakke blikken aan zijne lippen.
Maria kon hare woedende smart niet langer beheerschen; luid weenende
wierp zij zich aan de borst der moeder en kermde: „O moeder, moeder! Nu
zijn wij rampzalig! Wat kan ons nu nog treffen?” De ontroerde vrouw was
niet in staat haar te antwoorden; zij klemde de dochter in hare armen;
een hevig, bijna krampachtig snikken dreigde harer zwakke borst den
adem te rooven. Rasinski werd door dezen aanblik meer dan smartelijk
getroffen; hij werd ten diepste gekrenkt, ja, bijna beleedigd. Na alles
toch wat tusschen hem en Maria was voorgevallen, moest hij de zaak
welke hij diende, waaraan hij met hart en ziel verkleefd was, voor
waarlijk veracht, voor verfoeid houden. Zijn mannelijke trots joeg
hem bij dit denkbeeld een donkeren vuurgloed op het gelaat. Maar hij
dacht aan de droefheid der moeder, zag Maria's tranen en zijne ziel was
verzoend. „Ween uwe smart uit,” sprak hij deelnemend; „ik begrijp, dat
zij hevig is; maar weiger toch daarom den vriend, die het oprecht en
eerlijk met u meent, geen gehoor. Wat hij tot zijne rechtvaardiging te
zeggen heeft, zal tevens ook u tot troost dienen.” De moeder trachtte
zich te herstellen; zij wenkte met het hoofd, dat hij spreken zoude;
zij zelve was daartoe nog niet in staat.
„Gij beschouwt dien stap voorzeker van eene te donkere zijde,”
vervolgde de graaf. „Ik wil gelooven, dat de Duitscher reden heeft
om den Franschman te haten; ik vind natuurlijk, dat hij hem haat.
Maar is daarom alles wat Frankrijk doet, tegen Duitschlands welzijn
gericht? Deelen niet velen der eerbiedwaardigste mannen in het
gevoelen, dat eene vrijwillige, oprechte verbintenis tusschen beide
volken beiden tot heil moet verstrekken? En is er op dit oogenblik
niet een zoodanig verbond gesloten? Strijden niet de legers van het
Rijnverbond, van Oostenrijk, van Pruisen, ja zelfs van Saksen, dat uw
eigenlijk vaderland is, voor de zaak des franschen keizers? Kunt gij
nu wel met billijkheid beweren, dat de enkele, die den volksstroom
van het gansche vaderland volgt, zich verraderlijk daaraan vergrijpt?
Gij zult misschien antwoorden, dat de volkeren door eene staat-
of geschiedkundige noodzakelijkheid gedreven worden, maar dat de
afzonderlijke personen daarentegen meesters van hun lot zijn. Dat is
echter niet het geval. Een staat, een volk wil zijn aanzijn redden door
onderwerping aan den nooddwang der omstandigheden, en wat wil de enkele
burger anders? Waarom zou den eenen tot misdaad worden aangerekend,
wat den anderen vergund is. En bestaan Pruisens, bestaan Oostenrijks
legers niet uit enkelen? Rustte op deze allen, op ieder voor zich zelf
niet de verplichting, zich tegen de algemeene noodzakelijkheid te
verzetten? Zoo ja, bestond er dan wel een algemeene noodwendigheid?
Neen, mijne vriendinnen, een _ongeluk_ hebt gij te beweenen, maar niet
eene _misdaad_ der uwen te betreuren of te vergeven. Ik daag ieder uit,
op zijn geweten te verklaren, dat hij, in den toestand dezer beide
jongelingen verplaatst, anders zoude gehandeld hebben. Waarom zouden
zij als nuttelooze slachtoffers gevallen zijn, daar het in hunne macht
stond, leven en krachten voor eene betere toekomst te bewaren? Wanneer
eens geheel Duitschland zoo diep van het gevoel der schending zijner
heiligste rechten doordrongen is, dat het al zijne krachten bijéénraapt
en als een eenig man tegen Frankrijk opstaat, dan mag het ook voor
enkelen plicht zijn zich onder de vanen des vaderlands te scharen en
elke gemeenschap met den ouden vijand af te breken; dan echter zullen
ook onze vrienden niet achterblijven. En waarlijk, niet ik zal de man
zijn, die hen veroordeelt, wanneer zij dan eene boei verbreken, die
slechts door de ijzeren hand der noodzakelijkheid werd vastgesmeed,
evenmin als ik thans kan veroordeelen, dat zij zich onder die zware
hand gebogen hebben.”
Maria had den graaf sprakeloos aangehoord; schoon zijne woorden
tot haar oor doordrongen, op haar hart gleden ze als matte pijlen
af. Zij zweeg echter, deels wijl zij niets wist te antwoorden en
tegen Rasinski's verstandsgronden slechts door de zwakke stem harer
innerlijke overtuiging gewapend was, deels, daar zij vreesde hem
te zullen krenken, deels ook uit geheele uitputting. Te duidelijk
gevoelde zij toch, dat hier geen tegenstand baten konde, dat haar niets
overbleef, dan zich geduldig onder het verpletterend rad des noodlots
te krommen. De moeder, minder onstuimig in haar gevoel, minder vast aan
hare meeningen gehecht, was voor Rasinski's troost toegankelijker. „Het
is liefderijk van u,” sprak zij, „dat gij ons door eene zoete hoop wilt
opbeuren, schoon die ook nog slechts in de donkere toekomst schemert.
Maar bedenk, hoe moeielijk het is een moederhart gerust te stellen, en
vergeef het dus, zoo uwe edelmoedige poging door de gewaarwordingen
verijdeld wordt, die mijne borst doorkruisen. Hoevele bange zorgen
verontrusten eene moeder reeds, wanneer zij haren zoon voor eene zaak
ziet ten strijde strekken, die zij zelve voor heilig houdt en voor
welke ieder zoon des vaderlands gewillig bloed en leven moet opofferen!
Hoe angstig weegt zij de gevaren die hem dreigen, hoe telt zij de
minuten, gedurende welke zij omtrent zijn lot in onzekerheid is! En dan
nu, daar zij weet, dat zijn hart niet voor de zaak slaat, welke hij
dienen moet, dat hij de wapens torscht als eene keten, dat het leger
hem eene gevangenis, de dag des gevechts een dag des bloedgerichts is:
hoe kunnen troost en hoop nu in het beangste hart eener moeder ingang
vinden?”
Na deze woorden, met de grootste inspanning uitgesproken, liet zij
het matte hoofd aan de wang der dochter rusten en vergoot bittere
tranen. Hoe koelbloedig Rasinski ook aan alle stormen des levens het
hoofd wist te bieden, door zulke aanvallen op zijn hart voelde hij
zich hevig geschokt. Met teedere deelneming greep hij de hand der
lijdende en zeide: „Wie zou willen loochenen, dat gij reden hebt om
diep bedroefd te zijn? Geloof mij, ik zelf lijd in dit oogenblik
meer dan gij wellicht vermoeden zult.” Dit zeggende wierp hij een
zwaarmoedigen blik op Maria, die, als een weenende heilige, bleek
en zwijgend tegenover hem over zat. Een stille zucht ontglipte hare
borst, toen Rasinski's oog het hare ontmoette; echter wendde zij het
niet af, maar zag hem zacht en weemoedig aan. „Intusschen is er iets
in de ziel van den man,” ging hij voort, „waardoor hem het lot, dat
onze vrienden getroffen heeft, verlicht en dragelijk gemaakt wordt.
Ik bedoel het aan alle mannen eigene eergevoel van den moed, dat in
het gevaar reeds eene veredeling der daad ziet en voor elke koene
onderneming, juist wijl zij koen is, in geestdrift kan ontstoken
worden, zonder zich om het doel te bekommeren. Niet alleen bij den
soldaat wordt dit gevoel gevonden, het is het eigendom der mannen in
het algemeen. En ware dit ook niet het geval, zoo verbindt zich toch
zelfs met de gedwongene keus van een stand terstond het plichtbesef,
dat die ons inboezemt. De teerling, die over ons lot beslissen moest,
is nu eenmaal geworpen, gebeurtenissen weten even weinig van omkeeren
op de baan die vóór ons ligt, als de vliegende pijlen van den tijd; en
hebben keus, toeval, geluk of noodzakelijkheid ons nu eenmaal op een
zeker standpunt geplaatst, wij willen ons ook waardig en door de vrije
kracht van onzen wil daarop handhaven. Het verledene is afgesloten,
zijne deuren vallen achter ons toe; slechts vóórwaarts staat de baan
nog open; hoe wij daarop ook tegen wil en dank zijn voortgeslingerd,
thans is het onze taak, staande te blijven. Daarin vinden wij troost,
versterking, opbeuring, en nimmer zal ons de kracht ontbreken, om het
noodwendige uit vrije wil te vervullen.” Rasinski had, terwijl hij
op deze wijze aan zijne denkbeelden een geregelden vorm gaf, zich
die ook zelf levendiger voor zijn eigen geest gebracht en zoo in dit
oogenblik, waarop hij zelf haar zoozeer behoefde, de kracht gevonden,
waarvan hij sprak. Hoe vruchteloos alle schijngronden van vertroosting
zijn mogen, de ware troostredenen vinden ook tot het meest benepen
hart een gereeden toegang. Zoo ook hier; wat Rasinski uit de volste
overtuiging zijner mannelijke ziel gesproken had, was ook tot de
vrouwelijke doorgedrongen. Hij had den eenigen vasten grond, waarin
troost en hoop met zekerheid het anker konden uitwerpen, aangewezen; de
boot werd niet meer zoo doelloos op de onstuimige golven heen en weder
geslingerd. Doch een nieuwe, wondende doorn drong Maria in het hart;
want hoeveel te zwaarder moest het haar thans vallen, zich van een man
los te rukken, bij wien de zachte, teedere bloesem der liefde in de
ongeveinsde hoogachting, die hij haar inboezemde, een zoo hechten steun
vond.
De sombere beklemdheid, die tot hiertoe zoo drukkend op allen gerust
had, was verdwenen; de verdooving der smart had opgehouden; kalmte en
bedaardheid keerden in de geschokte gemoederen terug.
„Gij zijt een trouw, een edel vriend,” sprak de moeder en drukte den
graaf de hand; „hoe dankbaar erken ik het als eene onuitsprekelijke
weldaad van God, dat juist gij in deze gevaarvolle dagen de geleider
en beschermer van mijn zoon worden zult! Ik zie daarin een onderpand
zijner ontferming, dat ons eene gelukkige ontknooping voorspelt van
alles, wat ons nu nog verward en duister toeschijnt. In dat vertrouwen
onderwerp ik mij met gelatenheid aan zijne vaderlijke beschikking.”
„Dus zullen wij niet oneenig, maar als vrienden scheiden?” vroeg
Rasinski.
„En dat kunt gij nog vragen?” riep de moeder met levendigheid uit.
„Met welken grond zouden wij misnoegen koesteren tegen hem, die ons
het dierbaarste gered heeft en het thans nog onder zijne liefderijke
bescherming wil nemen?” Rasinski kuste de moederlijke hand met eerbied
en innigheid; hij scheen diep getroffen. Het was hem te moede, alsof
de dagen zijner jeugd terugkeerden, uit welke de herinnering hem het
beeld zijner eigene, eerwaardige moeder, die reeds zoo lang in den
koelen schoot der aarde rustte, trouw en levendig voor den geest deed
treden. Het gevoel, zoon te zijn, dat de jaren sinds lang in zijn hart
hadden uitgewischt, drong eensklaps met de oude warmte en eerbied door
zijne ziel. O, hoe gaarne had hij haar, voor wie zijn hart de gevoelens
van een zoon koesterde, ook met den naam moeder begroet!—Een heilige
stilte heerschte in het vertrek; de late nachtegaal, wiens tonen men
door het opene venster in de luwe Meilucht hoorde wegsmelten, vervulden
de harten met eene zoete, weemoedige beklemdheid. Maria rees op,
trad aan het venster en verborg het door tranen bevochtigd gelaat in
de verkoelende bladen van een loofrijken rozestruik. Het maanlicht
bescheen haar met zijne zachte stralen; zij hief het schoone hoofd uit
het bloemenhulsel omhoog en sloeg een blik vol kinderlijk vertrouwen
ten hemel, als wilde zij zeggen: „Aan U, algoede Vader daarboven,
vertrouw ik de heeling van dit bloedende hart, waaraan gij in hetzelfde
uur den broeder ontrooft en den geliefde.” Rasinski sloeg haar
onbemerkt gade; hij gevoelde, dat dit beeld hem voor eeuwig door het
leven zou verzellen.
Een posthoorn liet zich op straat hooren. Maria wendde zich verschrikt
om: „Moet gij vertrekken?” vroeg zij angstig en zacht.
„Het geldt niet mij,” antwoordde Rasinski. Dit toeval vormde den
overgang tot een nieuw gesprek. Hoeveel toch moest nog besproken
worden, hoevele groeten hadden moeder en zuster aan Lodewijk te
zenden!—Zoo vervloog een uur; nu was het oogenblik der scheiding
gekomen.
Maria verdween in een zijvertrek; na eenige minuten keerde zij met
een klein zakje in de hand terug. Zij reikte het aan Rasinski over
en fluisterde nauwelijks hoorbaar: „Wilt gij de overbrenger van dit
aandenken voor mijn broeder zijn?”
Hij knikte een zwijgend ja.
„Maar moeder moet er nog eerst iets bijvoegen,” vervolgde zij blozend
en trad op deze toe. „Eene haarlok!” sprak zij, en maakte zich gereed
die af te knippen, wat de moeder gewillig toeliet. Maria bond het haar
met een zijden strikje bijeen en legde toen der moeder een blad papier
voor: „Een woord, lieve moeder; ik wil de lok daarin wikkelen.”
De moeder nam de pen, welke het meisje haar aanbood, en schreef
met door tranen verdonkerde oogen: „Gods oog wake over u! Uwe
Moeder.”——„Meer vermag ik thans niet,” sprak zij geheel uitgeput.
Maria vouwde het moederlijk aandenken zorgvuldig in het kleine blad,
nam de brieventasch nog eenmaal uit Rasinski's hand, opende ze en legde
er het haar in. Bij het teruggeven, fluisterde zij hem zachtjes toe:
„Open haar, als gij alleen zijt.”
Men moest scheiden. Rasinski drukte nog een eerbiedigen kus op de hand
der moeder, een gloeiende op die, welke Maria hem sidderend aanbood, en
snelde toen stom en zwijgend het vertrek uit; want hij gevoelde, dat
zijne mannelijke kracht de smart niet langer kon beheerschen.
Op zijne kamer wachtte hem zijn rijknecht Andreas; Boleslaw was nog met
inpakken bezig.
Juist kondigde het blazen van den postiljon de aankomst van den
reiswagen aan. Andreas snelde naar beneden. Rasinski maakte van dit
oogenblik, dat hij alleen was, haastig gebruik en opende Maria's
geschenk. Hij vond een blad met het opschrift: „Aan den vriend!” en
daarin een haarlok van het meisje, waarbij de woorden geschreven waren:
„Aan den onvergetelijken vriend—de getrouwe, minnende, doch voor
eeuwig van hem gescheiden vriendin Maria!”
Lang beschouwde Rasinski het geschenk met stomme smart; hij drukte
het aan zijne lippen, aan de borst. Andreas trad binnen. „Alles is
reisvaardig, heer graaf!”
Eene koortsachtige rilling beving hem. „Zoo geef mij den mantel,” riep
hij haastig en kortaf, wikkelde zich daarin, drukte de reismuts diep
in de oogen, snelde naar beneden, wierp zich met Boleslaw in den wagen
en rolde in den nacht voort, die zich, als een beeld zijner toekomst,
zwart, duister, door geene vriendelijke star verlicht, over de aarde
gelegerd had.