HOOFDSTUK XI.

Met een bezwaard hart ging hij, na alles in gereedheid gebracht te

hebben, tegen het vallen der schemering tot haar, om afscheid te nemen;

dat hij komen zoude, had hij reeds vooraf laten weten.

Maria opende hem; zij bevond zich alleen. Eene huiselijke

aangelegenheid hield de moeder eenige oogenblikken in een ander vertrek

bezig.

„Zoo komt dan werkelijk de laatste vriend om afscheid van ons te

nemen?” sprak zij, Rasinski in zijne reispels voor zich ziende.

„Binnen weinige uren heb ik deze muren achter mij,” antwoordde hij.

Beiden zwegen eenige oogenblikken, deels uit aandoening, deels uit

verlegenheid. „Kan de troost mij vergezellen,” vroeg de graaf op een

zacht smeekenden toon, „dat gij mij niet zoo ras vergeten wilt, als de

tijd onzer verkeering kort was?”

„Kunt gij dat vragen?” hervatte Maria diep geroerd. „U, die ons in de

verschrikkelijkste dagen van ons leven alles waart, van wien wij ook

thans nog alles verwachten, wat onze smart lenigen kan!”

„O, wanneer ik dat konde, wanneer ik haar slechts nog niet vermeerderen

moest!”

„Hoe?” vroeg Maria, in bange verwachting, en staarde hem verschrikt aan.

„Wij willen daarover spreken, als uwe moeder komt; thans....”

„Ik zal haar roepen,” riep zij angstig en wilde voortsnellen.

„Neen, neen, blijf!” bad Rasinski en greep hare hand; „in dit oogenblik

heb ik een woord met u _alleen_ te spreken.”

De toon, waarop hij deze woorden sprak, zijn innige, warme handdruk,

nog meer echter de geheime wensch van haar kloppend hart hadden Maria

alles onthuld wat hij haar bekennen wilde, eer nog een woord aan

zijne lippen ontvloeid was. Als een bliksemstraal schoot het haar

door de ziel, dat zij beminde en bemind werd. Door een zoeten schrik

overweldigd, stond zij bevende, niet in staat een woord uit te brengen,

met neergeslagen oogen voor hem.

„Kunt gij mijn levenslot met mij deelen, Maria?” sprak Rasinski, wien

de seconden kostbaar werden, met eene ernstige, bevende stem. „Ik

pers u geen beslissend _Ja_ af; slechts dan, als gij een beslissend

_Neen_ uitspreken moet, slechts dan antwoord mij. Wij staan voor eene

toekomst, die niemand zijn aanstaand noodlot laat overzien of zelfs

laat vermoeden; het zij verre van mij, u thans mede in den stroom te

willen slepen, welks golven mij spoedig zullen voortsleuren. Niets zal

u binden, ja, ik zou zelfs het onherroepelijk ja! terugwijzen, wijl

mijn geweten mij verbiedt het aan te nemen. Dit echter moogt gij mij

zeggen en dit mag ik u vragen, of ik, als de storm uitgewoed en de

stroom mij niet verzwolgen heeft, of ik dan mijn oog nog weder naar

dezen vriendelijken oever richten mag?”

Maria's ziel werd onder deze woorden door eene onnoembare smart

vaneengereten. De eerste bedwelming was voorbij, zij had het oog

geopend en zag voor welken afgrond des jammers zij stond. De schuld der

dankbaarheid, die haar aan Rasinski boeide, zijn hoogere stand, zijne

meer eerbied dan vertrouwelijke neiging inboezemende persoonlijkheid,

ja, zelfs zijn op handen zijnd vertrek hadden haar tot hiertoe het

ware gevoel, dat haar hart voor den edelen man koesterde, verholen.

Eensklaps was zij uit den droom tot het volle bewustzijn ontwaakt

en zag nu ook, door welk een wijde kloof het lot haar van hem

scheidde, die haar hart gewonnen had en het verlangde. Hij stond in

verbond met hen, die zij slechts als de vijanden van haar vaderland

beschouwde; zij kon hem als een edelman vereeren, als een grootmoedig

vriend liefhebben, doch nimmer kon zij hem toebehooren, nimmer haar

gansche lot aan het zijne verbinden, zonder plichten te verzaken,

van welker heiligheid hare ziel ten diepste doordrongen was. Daarom

stond zij sprakeloos, door den aanblik van het Medusahoofd van haar

lot versteend, vóór hem, en kon door geen troostend woord, door geen

weldadigen traan aan hare verscheurende smart lucht geven. Rasinski

voelde hare bevende hand krampachtig in de zijne samentrekken; eene

voorzeggende stem verried hem, wat in haar hijgenden boezem omging, en

deed hem de reden van haar stilzwijgen bevroeden. Echter vroeg hij nog

eenmaal: „Maria, hebt gij geen antwoord voor mij?”

„O God!” riep zij op een toon der smart, die haar het hart scheen

vaneen te scheuren, „nooit, nooit!” Zij rukte zich met geweld los,

wankelde eenige schreden voort en zeeg hijgend op een stoel neder.

„Ik versta u,” sprak Rasinski met eene zachte stem; „ik versta u

en eerbiedig uwe gezindheid. Wij kunnen echter toch....,” hier

overweldigde hem zijn gevoel, hij moest ophouden. „Het lot der volken,”

vervolgde hij na eenige oogenblikken met meer vastheid, „gaat vóór het

lot des enkelen. Ik beklaag mij zelf niet. Van mijne jeugd af ben ik

gewoon, mijn eigen geluk door dat van de wereld verwoest te zien. Deze

harde noodzakelijkheid kunnen wij niet ontwijken; het is de plicht

des mans zich daarboven te verheffen; ik geloof, dat ik hem weet te

vervullen! Maar niet altijd strijden de belangen der wereld tegen die

der enkelen; dikwijls gaan zij hand aan hand; de dwaling vordert zoowel

hare offers als de waarheid; zijn die niet talrijk genoeg, welke wij

aan de laatste brengen?”

Zij zag hem weemoedig aan en hervatte: „O, ik weet, wat gij zeggen

wilt! Gij geeft mij ongelijk. Wellicht dwaalt mijn verstand, wellicht

bedriegt zich mijn oordeel. Welke de _rechte_ waarheid zij, weet ik

niet; de _heilige_ is die, welke ons hart ons voorschrijft—ach, tot

zijn eigen verderf!”

Men hoorde de moeder komen. „Laat ons het gebeurde verzwijgen,” sprak

Maria; „het zoude mijne moeder misschien nog dieper bedroeven—en blijf

mijn vriend.”

Rasinski drukte hare hem toegereikte hand onstuimig, maar stom aan

zijne lippen. Niet slechts de smart verscheurde zijne borst, ook

eene bange zorg belastte ze met verpletterende zwaarte. Met welk

een gevoel toch, moest Maria het lot van Lodewijk, dat hij haar nu

ontdekken zoude, vernemen? Hoe zoude zij het denkbeeld verdragen, dat

haar eigen broeder tegen de zaak diende, voor welke zij den moed en

de verplichting gevoelde, hare liefde op te offeren? Den bloedigsten

veldslag was hij met meerdere gerustheid te gemoet gegaan, dan dit

pijnlijk uur.

De moeder trad binnen; Maria ging haar te gemoet. „Onze vriend komt

reeds afscheid nemen, lieve moeder,” sprak zij nauwelijks hoorbaar.

„Ja,” viel Rasinski haar in de rede en trad op de binnentredende toe,

„binnen weinige uren zullen wij elkander wellicht voor altijd moeten

vaarwel zeggen!”

„Dat verhoede God!” antwoordde de moeder. „Zijne raadsbesluiten zijn

vaak liefderijker dan ze aan onze bezorgdheid toeschijnen, en daarop

willen wij ook ditmaal hopen.”

Rasinski liet de laatste woorden onbeantwoord; hij bood de edele vrouw

zijn arm, om haar in het aangrenzende vertrek te geleiden, waar men

gewoon was zich des avonds te verzamelen. Ten einde hare ontroering te

verbergen, verliet Maria de kamer, om licht en de thee te bezorgen,

welke Rasinski deze laatste avonden gewoon was met haar te gebruiken.

Deze huiselijke bezigheden deden eenige minuten verloopen; eerst

nadat alles geordend was en Maria tegenover hem had plaats genomen,

nam Rasinski het woord: „Ik moet dit laatste uur tot mededeelingen

besteden, welke ik u, hoe treurig ook, niet onthouden mag. Lodewijk

heeft zich bij zijne terugreis uit Italië aan een vergrijp schuldig

gemaakt, dat onze strenge krijgswetten, die ik door niets verdedigen

wil dan door hare noodzakelijkheid, onherroepelijk met den dood

straffen. Hij is een persoon, dien ik zelf niet nader ken, maar aan

wiens inhechtenisneming de keizer alles gelegen was, daar hij de

gewichtigste bewijsstukken en papieren bij zich voerde, in zijne

vlucht behulpzaam geweest en wel in een oogenblik, dat men op het punt

was zich van dien man meester te maken. Om die reden werd hij, toen

men hem toevallig in Pillnitz ontdekte en voor den dader herkende,

onverwijld gevangen genomen; met behulp van Bernard gelukte het hem

aan zijne geleiders te ontkomen, waarop zulke strenge bevelen gegeven

werden om beiden te vervolgen, dat zij in allerijl de vlucht moesten

nemen. Daartoe was slechts één middel, dat ééne middel slechts kon hun

het leven redden; gelukkigerwijze stond het in mijne macht. De uitweg

was ruw, maar onvermijdelijk.” Hier aarzelde hij een oogenblik voort

te gaan; de vrouwen staarden hem met angstige verwachting aan. „Onze

vrienden,” vervolgde hij op een toon, welks weekheid het harde der

mededeeling moest pogen te verzachten, „onze vrienden konden zich

slechts dààrdoor tegen de vervolgingen hunner vijanden in zekerheid

stellen, dat zij zich ten nauwste aan hen aansloten en zich daarheen

begaven, waar niemand hen vermoeden kan—zij dragen thans de kleeding,

die ik zelf draag.”

„Almachtige hemel!” snikte Maria; „zij dienen in het leger der

Franschen?”

„Ik weet, wat gij zeggen wilt,” hervatte Rasinski; „zij voeren de

wapens tegen hun eigen vaderland.”

Met sprakeloozen schrik had de moeder deze jobstijding aangehoord. Zij

scheen den zin van Rasinski's woorden nog niet geheel gevat te hebben,

zoo angstig vragend hingen hare strakke blikken aan zijne lippen.

Maria kon hare woedende smart niet langer beheerschen; luid weenende

wierp zij zich aan de borst der moeder en kermde: „O moeder, moeder! Nu

zijn wij rampzalig! Wat kan ons nu nog treffen?” De ontroerde vrouw was

niet in staat haar te antwoorden; zij klemde de dochter in hare armen;

een hevig, bijna krampachtig snikken dreigde harer zwakke borst den

adem te rooven. Rasinski werd door dezen aanblik meer dan smartelijk

getroffen; hij werd ten diepste gekrenkt, ja, bijna beleedigd. Na alles

toch wat tusschen hem en Maria was voorgevallen, moest hij de zaak

welke hij diende, waaraan hij met hart en ziel verkleefd was, voor

waarlijk veracht, voor verfoeid houden. Zijn mannelijke trots joeg

hem bij dit denkbeeld een donkeren vuurgloed op het gelaat. Maar hij

dacht aan de droefheid der moeder, zag Maria's tranen en zijne ziel was

verzoend. „Ween uwe smart uit,” sprak hij deelnemend; „ik begrijp, dat

zij hevig is; maar weiger toch daarom den vriend, die het oprecht en

eerlijk met u meent, geen gehoor. Wat hij tot zijne rechtvaardiging te

zeggen heeft, zal tevens ook u tot troost dienen.” De moeder trachtte

zich te herstellen; zij wenkte met het hoofd, dat hij spreken zoude;

zij zelve was daartoe nog niet in staat.

„Gij beschouwt dien stap voorzeker van eene te donkere zijde,”

vervolgde de graaf. „Ik wil gelooven, dat de Duitscher reden heeft

om den Franschman te haten; ik vind natuurlijk, dat hij hem haat.

Maar is daarom alles wat Frankrijk doet, tegen Duitschlands welzijn

gericht? Deelen niet velen der eerbiedwaardigste mannen in het

gevoelen, dat eene vrijwillige, oprechte verbintenis tusschen beide

volken beiden tot heil moet verstrekken? En is er op dit oogenblik

niet een zoodanig verbond gesloten? Strijden niet de legers van het

Rijnverbond, van Oostenrijk, van Pruisen, ja zelfs van Saksen, dat uw

eigenlijk vaderland is, voor de zaak des franschen keizers? Kunt gij

nu wel met billijkheid beweren, dat de enkele, die den volksstroom

van het gansche vaderland volgt, zich verraderlijk daaraan vergrijpt?

Gij zult misschien antwoorden, dat de volkeren door eene staat-

of geschiedkundige noodzakelijkheid gedreven worden, maar dat de

afzonderlijke personen daarentegen meesters van hun lot zijn. Dat is

echter niet het geval. Een staat, een volk wil zijn aanzijn redden door

onderwerping aan den nooddwang der omstandigheden, en wat wil de enkele

burger anders? Waarom zou den eenen tot misdaad worden aangerekend,

wat den anderen vergund is. En bestaan Pruisens, bestaan Oostenrijks

legers niet uit enkelen? Rustte op deze allen, op ieder voor zich zelf

niet de verplichting, zich tegen de algemeene noodzakelijkheid te

verzetten? Zoo ja, bestond er dan wel een algemeene noodwendigheid?

Neen, mijne vriendinnen, een _ongeluk_ hebt gij te beweenen, maar niet

eene _misdaad_ der uwen te betreuren of te vergeven. Ik daag ieder uit,

op zijn geweten te verklaren, dat hij, in den toestand dezer beide

jongelingen verplaatst, anders zoude gehandeld hebben. Waarom zouden

zij als nuttelooze slachtoffers gevallen zijn, daar het in hunne macht

stond, leven en krachten voor eene betere toekomst te bewaren? Wanneer

eens geheel Duitschland zoo diep van het gevoel der schending zijner

heiligste rechten doordrongen is, dat het al zijne krachten bijéénraapt

en als een eenig man tegen Frankrijk opstaat, dan mag het ook voor

enkelen plicht zijn zich onder de vanen des vaderlands te scharen en

elke gemeenschap met den ouden vijand af te breken; dan echter zullen

ook onze vrienden niet achterblijven. En waarlijk, niet ik zal de man

zijn, die hen veroordeelt, wanneer zij dan eene boei verbreken, die

slechts door de ijzeren hand der noodzakelijkheid werd vastgesmeed,

evenmin als ik thans kan veroordeelen, dat zij zich onder die zware

hand gebogen hebben.”

Maria had den graaf sprakeloos aangehoord; schoon zijne woorden

tot haar oor doordrongen, op haar hart gleden ze als matte pijlen

af. Zij zweeg echter, deels wijl zij niets wist te antwoorden en

tegen Rasinski's verstandsgronden slechts door de zwakke stem harer

innerlijke overtuiging gewapend was, deels, daar zij vreesde hem

te zullen krenken, deels ook uit geheele uitputting. Te duidelijk

gevoelde zij toch, dat hier geen tegenstand baten konde, dat haar niets

overbleef, dan zich geduldig onder het verpletterend rad des noodlots

te krommen. De moeder, minder onstuimig in haar gevoel, minder vast aan

hare meeningen gehecht, was voor Rasinski's troost toegankelijker. „Het

is liefderijk van u,” sprak zij, „dat gij ons door eene zoete hoop wilt

opbeuren, schoon die ook nog slechts in de donkere toekomst schemert.

Maar bedenk, hoe moeielijk het is een moederhart gerust te stellen, en

vergeef het dus, zoo uwe edelmoedige poging door de gewaarwordingen

verijdeld wordt, die mijne borst doorkruisen. Hoevele bange zorgen

verontrusten eene moeder reeds, wanneer zij haren zoon voor eene zaak

ziet ten strijde strekken, die zij zelve voor heilig houdt en voor

welke ieder zoon des vaderlands gewillig bloed en leven moet opofferen!

Hoe angstig weegt zij de gevaren die hem dreigen, hoe telt zij de

minuten, gedurende welke zij omtrent zijn lot in onzekerheid is! En dan

nu, daar zij weet, dat zijn hart niet voor de zaak slaat, welke hij

dienen moet, dat hij de wapens torscht als eene keten, dat het leger

hem eene gevangenis, de dag des gevechts een dag des bloedgerichts is:

hoe kunnen troost en hoop nu in het beangste hart eener moeder ingang

vinden?”

Na deze woorden, met de grootste inspanning uitgesproken, liet zij

het matte hoofd aan de wang der dochter rusten en vergoot bittere

tranen. Hoe koelbloedig Rasinski ook aan alle stormen des levens het

hoofd wist te bieden, door zulke aanvallen op zijn hart voelde hij

zich hevig geschokt. Met teedere deelneming greep hij de hand der

lijdende en zeide: „Wie zou willen loochenen, dat gij reden hebt om

diep bedroefd te zijn? Geloof mij, ik zelf lijd in dit oogenblik

meer dan gij wellicht vermoeden zult.” Dit zeggende wierp hij een

zwaarmoedigen blik op Maria, die, als een weenende heilige, bleek

en zwijgend tegenover hem over zat. Een stille zucht ontglipte hare

borst, toen Rasinski's oog het hare ontmoette; echter wendde zij het

niet af, maar zag hem zacht en weemoedig aan. „Intusschen is er iets

in de ziel van den man,” ging hij voort, „waardoor hem het lot, dat

onze vrienden getroffen heeft, verlicht en dragelijk gemaakt wordt.

Ik bedoel het aan alle mannen eigene eergevoel van den moed, dat in

het gevaar reeds eene veredeling der daad ziet en voor elke koene

onderneming, juist wijl zij koen is, in geestdrift kan ontstoken

worden, zonder zich om het doel te bekommeren. Niet alleen bij den

soldaat wordt dit gevoel gevonden, het is het eigendom der mannen in

het algemeen. En ware dit ook niet het geval, zoo verbindt zich toch

zelfs met de gedwongene keus van een stand terstond het plichtbesef,

dat die ons inboezemt. De teerling, die over ons lot beslissen moest,

is nu eenmaal geworpen, gebeurtenissen weten even weinig van omkeeren

op de baan die vóór ons ligt, als de vliegende pijlen van den tijd; en

hebben keus, toeval, geluk of noodzakelijkheid ons nu eenmaal op een

zeker standpunt geplaatst, wij willen ons ook waardig en door de vrije

kracht van onzen wil daarop handhaven. Het verledene is afgesloten,

zijne deuren vallen achter ons toe; slechts vóórwaarts staat de baan

nog open; hoe wij daarop ook tegen wil en dank zijn voortgeslingerd,

thans is het onze taak, staande te blijven. Daarin vinden wij troost,

versterking, opbeuring, en nimmer zal ons de kracht ontbreken, om het

noodwendige uit vrije wil te vervullen.” Rasinski had, terwijl hij

op deze wijze aan zijne denkbeelden een geregelden vorm gaf, zich

die ook zelf levendiger voor zijn eigen geest gebracht en zoo in dit

oogenblik, waarop hij zelf haar zoozeer behoefde, de kracht gevonden,

waarvan hij sprak. Hoe vruchteloos alle schijngronden van vertroosting

zijn mogen, de ware troostredenen vinden ook tot het meest benepen

hart een gereeden toegang. Zoo ook hier; wat Rasinski uit de volste

overtuiging zijner mannelijke ziel gesproken had, was ook tot de

vrouwelijke doorgedrongen. Hij had den eenigen vasten grond, waarin

troost en hoop met zekerheid het anker konden uitwerpen, aangewezen; de

boot werd niet meer zoo doelloos op de onstuimige golven heen en weder

geslingerd. Doch een nieuwe, wondende doorn drong Maria in het hart;

want hoeveel te zwaarder moest het haar thans vallen, zich van een man

los te rukken, bij wien de zachte, teedere bloesem der liefde in de

ongeveinsde hoogachting, die hij haar inboezemde, een zoo hechten steun

vond.

De sombere beklemdheid, die tot hiertoe zoo drukkend op allen gerust

had, was verdwenen; de verdooving der smart had opgehouden; kalmte en

bedaardheid keerden in de geschokte gemoederen terug.

„Gij zijt een trouw, een edel vriend,” sprak de moeder en drukte den

graaf de hand; „hoe dankbaar erken ik het als eene onuitsprekelijke

weldaad van God, dat juist gij in deze gevaarvolle dagen de geleider

en beschermer van mijn zoon worden zult! Ik zie daarin een onderpand

zijner ontferming, dat ons eene gelukkige ontknooping voorspelt van

alles, wat ons nu nog verward en duister toeschijnt. In dat vertrouwen

onderwerp ik mij met gelatenheid aan zijne vaderlijke beschikking.”

„Dus zullen wij niet oneenig, maar als vrienden scheiden?” vroeg

Rasinski.

„En dat kunt gij nog vragen?” riep de moeder met levendigheid uit.

„Met welken grond zouden wij misnoegen koesteren tegen hem, die ons

het dierbaarste gered heeft en het thans nog onder zijne liefderijke

bescherming wil nemen?” Rasinski kuste de moederlijke hand met eerbied

en innigheid; hij scheen diep getroffen. Het was hem te moede, alsof

de dagen zijner jeugd terugkeerden, uit welke de herinnering hem het

beeld zijner eigene, eerwaardige moeder, die reeds zoo lang in den

koelen schoot der aarde rustte, trouw en levendig voor den geest deed

treden. Het gevoel, zoon te zijn, dat de jaren sinds lang in zijn hart

hadden uitgewischt, drong eensklaps met de oude warmte en eerbied door

zijne ziel. O, hoe gaarne had hij haar, voor wie zijn hart de gevoelens

van een zoon koesterde, ook met den naam moeder begroet!—Een heilige

stilte heerschte in het vertrek; de late nachtegaal, wiens tonen men

door het opene venster in de luwe Meilucht hoorde wegsmelten, vervulden

de harten met eene zoete, weemoedige beklemdheid. Maria rees op,

trad aan het venster en verborg het door tranen bevochtigd gelaat in

de verkoelende bladen van een loofrijken rozestruik. Het maanlicht

bescheen haar met zijne zachte stralen; zij hief het schoone hoofd uit

het bloemenhulsel omhoog en sloeg een blik vol kinderlijk vertrouwen

ten hemel, als wilde zij zeggen: „Aan U, algoede Vader daarboven,

vertrouw ik de heeling van dit bloedende hart, waaraan gij in hetzelfde

uur den broeder ontrooft en den geliefde.” Rasinski sloeg haar

onbemerkt gade; hij gevoelde, dat dit beeld hem voor eeuwig door het

leven zou verzellen.

Een posthoorn liet zich op straat hooren. Maria wendde zich verschrikt

om: „Moet gij vertrekken?” vroeg zij angstig en zacht.

„Het geldt niet mij,” antwoordde Rasinski. Dit toeval vormde den

overgang tot een nieuw gesprek. Hoeveel toch moest nog besproken

worden, hoevele groeten hadden moeder en zuster aan Lodewijk te

zenden!—Zoo vervloog een uur; nu was het oogenblik der scheiding

gekomen.

Maria verdween in een zijvertrek; na eenige minuten keerde zij met

een klein zakje in de hand terug. Zij reikte het aan Rasinski over

en fluisterde nauwelijks hoorbaar: „Wilt gij de overbrenger van dit

aandenken voor mijn broeder zijn?”

Hij knikte een zwijgend ja.

„Maar moeder moet er nog eerst iets bijvoegen,” vervolgde zij blozend

en trad op deze toe. „Eene haarlok!” sprak zij, en maakte zich gereed

die af te knippen, wat de moeder gewillig toeliet. Maria bond het haar

met een zijden strikje bijeen en legde toen der moeder een blad papier

voor: „Een woord, lieve moeder; ik wil de lok daarin wikkelen.”

De moeder nam de pen, welke het meisje haar aanbood, en schreef

met door tranen verdonkerde oogen: „Gods oog wake over u! Uwe

Moeder.”——„Meer vermag ik thans niet,” sprak zij geheel uitgeput.

Maria vouwde het moederlijk aandenken zorgvuldig in het kleine blad,

nam de brieventasch nog eenmaal uit Rasinski's hand, opende ze en legde

er het haar in. Bij het teruggeven, fluisterde zij hem zachtjes toe:

„Open haar, als gij alleen zijt.”

Men moest scheiden. Rasinski drukte nog een eerbiedigen kus op de hand

der moeder, een gloeiende op die, welke Maria hem sidderend aanbood, en

snelde toen stom en zwijgend het vertrek uit; want hij gevoelde, dat

zijne mannelijke kracht de smart niet langer kon beheerschen.

Op zijne kamer wachtte hem zijn rijknecht Andreas; Boleslaw was nog met

inpakken bezig.

Juist kondigde het blazen van den postiljon de aankomst van den

reiswagen aan. Andreas snelde naar beneden. Rasinski maakte van dit

oogenblik, dat hij alleen was, haastig gebruik en opende Maria's

geschenk. Hij vond een blad met het opschrift: „Aan den vriend!” en

daarin een haarlok van het meisje, waarbij de woorden geschreven waren:

„Aan den onvergetelijken vriend—de getrouwe, minnende, doch voor

eeuwig van hem gescheiden vriendin Maria!”

Lang beschouwde Rasinski het geschenk met stomme smart; hij drukte

het aan zijne lippen, aan de borst. Andreas trad binnen. „Alles is

reisvaardig, heer graaf!”

Eene koortsachtige rilling beving hem. „Zoo geef mij den mantel,” riep

hij haastig en kortaf, wikkelde zich daarin, drukte de reismuts diep

in de oogen, snelde naar beneden, wierp zich met Boleslaw in den wagen

en rolde in den nacht voort, die zich, als een beeld zijner toekomst,

zwart, duister, door geene vriendelijke star verlicht, over de aarde

gelegerd had.

1812: Historische roman · 第 30 / 154 题