Dien volgenden morgen maakte Bernard zich vroegtijdig gereed om
Lodewijk te bezoeken. Hij nam zijn weg door de Slotstraat en overlegde
onder het voortwandelen, wat in deze hoogst onaangename zaak wel het
raadzaamst was en of het niet voorzichtig zijn zou, dat Lodewijk, ten
minste voor eenigen tijd, Dresden verliet, toen hij, in gedachten
verzonken en weinig op hem omringende voorwerpen achtgevende, vrij
onzacht tegen den elleboog eens voorbijgangers aanstiet. Werktuiglijk
grepen beiden naar hunne hoeden en wilden zich beleefdelijk jegens
elkander verontschuldigen, toen Bernard zag, dat hij den vreemdeling
voor zich had van wien het gansche onheil voortsproot.
Alleen een koelbloedig, nooit zijne tegenwoordigheid van geest
verliezend zwerver als Bernard, vermocht daarbij bedaard te blijven.
Met de grootste beleefdheid verzocht hij verschooning wegens zijne
lompheid; de vluchtige verrassing, die op zijn gelaat zichtbaar werd,
kon evengoed aan ontsteltenis over den vrij hevigen stoot, als aan
het gevoel worden toegeschreven, dat het zien van den persoon hem
inboezemde.
De vreemdeling antwoordde even hoffelijk; met valkenoogen bespiedde
Bernard zijne gelaatstrekken, om te ontdekken of hij herkend werd
dan niet. De onbekende scheen te twijfelen. Daar rees eensklaps het
denkbeeld bij hem op: hoe, indien het u eens gelukte, den schoft
vertrouwelijk te maken en u van zijne domheid te bedienen? Columbus
kon met de plotselijke gedachte die hem eene nieuwe wereld achter de
onbekende zeeën deed vermoeden, niet meer zijn ingenomen dan Bernard
met dezen inval was. „Gij zijt mij vreemd, mijnheer,” hervatte hij, „en
toch moet ik u reeds ergens anders gezien hebben dan hier, waar het
toeval ons zoo onzacht op elkander doet stooten.”
„Mij komt het ook zoo voor,” antwoordde de vreemde, met die pijnlijke
onzekerheid op het gelaat, welke het ons veroorzaakt, wanneer wij eene
donkere persoonsherinnering niet terstond op de rechte plaats weten te
brengen.
„Mijn hemel, daar valt het mij binnen,” riep Bernard; „waart gij
gisteren niet in den tuin te Pillnitz? Wij ontmoetten elkaar immers aan
het vlierbosch.”
„Juist, juist,” riep de vreemde met een van boosaardige voldoening
schitterend gelaat; „te Pillnitz; maar gij waart, dunkt mij, niet
alleen?”
„Ik wandelde met een reiskennis, dien ik in de herberg aantrof,” hernam
Bernard op onverschilligen toon. „Later beklommen wij den Potsberg,
maar het onweer dreef ons uitéén. Zijt gij er misschien ook door
verrast geworden?”
„Een weinig; evenwel....”
„Ik ter deeg,” viel Bernard hem opzettelijk in de rede; „geen drogen
draad hield ik aan 't lijf en ik had ten overvloede geen gelegenheid
om naar de stad terug te komen, daar de schoelje van een koetsier dien
ik besteld had, gevlogen was, denkelijk omdat de een of ander hem meer
had geboden. Gelukkig vond ik een paar fransche officieren, uitmuntende
menschen, die mij naar Dresden meenamen, anders zat ik er misschien
nog. Ik was juist van plan hen op te zoeken; daar de heeren gewoonlijk
vroeg uitgaan, zult gij vergeven dat ik haast maak.”
Met deze woorden nam hij den schijn aan van zich te willen verwijderen,
doch de vreemdeling hield hem terug. „Een woord, als ik u bidden mag.
Wie was de heer, die u vergezelde?”
„Inderdaad,” hervatte Bernard, „daarvan kan ik u weinig of niets
zeggen. Ik reis veel; voor langen tijd ontmoette ik hem te Mannheim
en eenige dagen geleden vond ik hem aan eene table d'hôte te Leipzig
weer. Wij dronken samen koffie in Tivoli, gingen naar den schouwburg en
soupeerden 's avonds in een oesterkelder. Gisteren zagen wij elkander
toevallig in den tuin van Pillnitz, en even toevallig werden wij door
het onweder weer gescheiden. Dit is alles, wat ik weet. Naar stand en
naam heb ik hem niet gevraagd, want welk reiziger bekommert zich in dat
opzicht om den ander? Zoo er u echter iets aan gelegen is, kan ik u
gemakkelijk de vereischte inlichting verschaffen, daar wij tegen heden
middag eene bijeenkomst bij Hegereuter in den Plauenschen tuin hebben
afgesproken.”
„Hoe laat, als ik u vragen mag?”
„Te vier uur. Wilt gij mede van de partij zijn, zoo haal ik u af en wij
gaan samen.”
„Gij zoudt mij bij uitstek verplichten; doch vergun mij u de moeite
te besparen, mijnheer, en liever u af te halen; mag ik uwe woonplaats
weten?”
„Voor geen geld ter wereld zou ik dat van u vergen! Maar om den strijd
te vereffenen, zullen wij elkander te drie uur bij den Italiaan Longo
aantreffen. Voor het oogenblik moet ik u vaarwel zeggen. Tot het
genoegen van u weer te zien.”
Zonder antwoord af te wachten nam Bernard met al de bedrijvigheid van
een jongen windbuil een vluchtig afscheid en vloog de straat op, doch
slechts om onbemerkt in een der naaste huizen te sluipen en vandaar
den verdachten vreemdeling met arendsblikken te volgen. Toen hij
waande dit veilig te kunnen doen, volgde hij hem, vast besloten hem
niet uit het oog te verliezen. De bespiede trad een aanzienlijk huis
in de Slotstraat binnen; Bernard wist dat het een portier had, dien
hij eenigermate kende, en besloot dezen uit te vragen. Hij volgde den
vreemdeling in huis en vroeg den portier of hij hem kende.
„Niet bij naam,” antwoordde deze; „maar hij woont hier in huis en
behoort tot het gevolg van den baron St. Luces; ik geloof dat hij diens
secretaris is.”
Bernard wist genoeg. Als een pijl uit den boog vloog hij naar Rasinski,
wien hij met Lodewijk en de jonge Polen aan het ontbijt vond. Zijne
berichten werden met gretigheid verslonden. Bij den naam St. Luces
fronste Rasinski bedenkelijk het voorhoofd. „Dat is geen goede
naam voor u, lieve vriend! De man is half raad van legatie, half
politiebeambte, half spion; zeer geslepen, maar listig en hebzuchtig,
onmisbaar, maar verachtelijk. Eigenlijk heet hij Rumigny, werd wegens
zijne schurkendiensten op den kruiwagen genomen, en is op die wijze
tot den zoogenaamden adelstand verheven, die sedert het keizerschap in
Frankrijk als paddestoelen opschiet. Ik ken hem, helaas! te goed. Maar
wat ter wereld kan hij tegen u in 't schild voeren.”
Lodewijk had zijne ontmoeting in Italië, waaraan hij zijne
inhechtenisneming zonder bedenking toeschreef, tot hiertoe zorgvuldig
verzwegen; thans verhaalde hij ze in haar geheelen omvang, zonder
echter het aandeel te verraden, hetwelk zijn hart daarin genomen had.
Bernard luisterde met sprakelooze verbazing toe. Dus ook Lodewijk
kende het geheimvolle wezen en had tot haar in de vertrouwelijkste
betrekking gestaan? O, hoe diep, dacht hij bij zich zelf, moet onder
zoo zonderlinge omstandigheden het aanminnige beeld in het hart van
den vriend zijn ingeprent! Hem zelf was de schoone gedaante als een
droombeeld verschenen en ontvloden; thans echter, daar hij den vriend
in zulk eene innige verbinding der werkelijkheid met het ideaal zag,
dat hem tot hiertoe slechts als eene schepping van Raphaël voor den
geest zweefde, thans werd zijn hart hevig geschokt en voelde hij, dat
oude, half gesloten wonden opnieuw bloedden. Naar zijne gewone wijze
zette hij echter den ernst, dien hij nooit ernstig uitte, de narrenkap
op. „Een avontuur zonder weerga!” riep hij. „En zou men nu nog om
uwentwille bezorgd zijn? Voor eene reis over den Simplon, in de luwe
Italiaansche nachtlucht, aan de zijde van zulk een engel, die mij
broeder noemde, liet ik mij tienmaal hangen: zou men u dan beklagen,
zoo men 't u deed?”
„Scherts ter zijde,” vervolgde Rasinski, zich tot Lodewijk wendende.
„Ik vrees, dat de zaak nog eene zeer ernstige wending nemen zal;
want zonder het te vermoeden hebt gij eene daad begaan, die men u
bezwaarlijk zal vergeven. In allen gevalle moet gij vooreerst nog
verborgen blijven. Hier ontdekt u niemand, ook uw vriend zou ik raden
zich niet naar de afgesproken plaats te begeven, voor ik terug ben. Ik
ga dadelijk berichten inwinnen.”
„Voor mij zelf vrees ik niets,” sprak Lodewijk somber, „maar wat moet
ik mijne moeder, mijne zuster zeggen?”
„De zuivere waarheid, beste vriend,” hervatte Rasinski; „want zijn de
uwen in het geheel niet of verkeerd onderricht, zoo konden zij licht
tegen wil en dank uwe verraders worden. Wel is waar schijnt men tot
hiertoe slechts uw persoon, niet uw naam te kennen, maar hoe spoedig
kan die ook uitgevorscht zijn! Ik zelf wil op mij nemen, uwe moeder op
de voorzichtigste wijze van alles kennis te geven en zal vervolgens den
stand der zaken onderzoeken, waartoe ik de beste middelen in handen
heb.”
Lodewijk reikte den bedachtzamen vriend zwijgend de hand; Bernard
stampte ongeduldig met den voet, Jaromir en Boleslaw toonden
broederlijke deelneming.
„Wij mogen geen tijd verliezen,” sprak Rasinski en gespte zijn sabel
om. „Ik ga op weg; gij doet intusschen het best, u in dit zijvertrek te
begeven en voor ieder schuil te houden. Vooreerst lieve vriend, begeef
ik mij naar uwe moeder; de omstandigheden zullen mijn vroegtijdig
bezoek verontschuldigen. Dan begin ik mijne navorschingen; weldra zult
gij bericht van mij hebben.” Hij wilde gaan, doch bleef eensklaps aan
de deur staan, alsof hem iets te binnen schoot. „Ja, dat zal het best
zijn. Ik moet u iets verzoeken,” dus wendde hij zich tot Lodewijk,
„zonder 't welk ik niets vermag, twee regels namelijk van uwe hand, die
mij tot volmacht bij uwe moeder kunnen dienen.”
„Zij zal u onbepaald vertrouwen schenken,” hervatte Lodewijk.
„Schenk mij eerst het uwe,” sprak Rasinski; „de regels, die ik verlang,
zijn mij misschien volstrekt noodzakelijk.”
„Gaarne,” antwoordde Lodewijk.
„Zet u dus neder en schrijf: Dierbare moeder! Dringend bid ik u, den
overbrenger dezer regels een onbepaald vertrouwen te schenken en aan
zijn verlangen onvoorwaardelijk te voldoen.”
Lodewijk huiverde, doch schreef wat Rasinski eischte; deze ging en werd
spoedig door zijne beide landslieden, die dienstzaken te verrichten
hadden, gevolgd.
Bernard bleef met Lodewijk alleen. Beiden gingen zonder een woord te
spreken de kamer op en neder, de laatste over zijn zorgelijken toestand
ernstig bekommerd, de eerste, wijl het in het diepst van zijn hart
sluimerend gevoel weder in zijn volle kracht ontwaakt was. Bijna een
uur hadden ze dus in stilzwijgen doorgebracht, toen Bernard daaraan een
einde maakte.
„Uw geval is verwenscht leelijk; voor u namelijk, want zoo 't mij
overkwam, zou ik er mij geen zier om bekommeren, daar ik toch op een
isoleerstoel in de wereld sta en de galeiketen, die mij met de menschen
verbindt, kan wegwerpen, zoodra 't mij goeddunkt. Gij zit niet op
zulk een glasvoetigen zetel, maar hebt wortels in de vaderlijke aarde
geschoten, die zich niet laten uitrukken zonder een lap lands mee
te nemen, waarop nog menige lieve bloem kon gebloeid hebben, en ten
laatste verdort men zelf. Mijn scheepje heeft geen andere last dan
mijzelf; op elke ree ga ik voor anker en met elke frissche koelte zwalp
ik weer het ruime sop op. Wordt mijn gebrekkig tuig bij gelegenheid
eens in den grond gezeild, dan roepen hoogstens een paar meewarige
zieltjes: „O wee, hij verzuipt!” maar niemand maakt zich den vinger
nat om mij te redden, en met dien kreet is elk gevoel uit de borst
verdwenen; kom ik niet weer opduiken, dan is mijn aandenken zoo ras
uitgewischt als een grafschrift, dat mij iemand met een stokje op de
golven had geschreven. Gij echter hebt nog goed aan boord dat waarde
heeft, en zet koers naar eene gewenschte haven; gij ziet met vreugde
den gunstigen wind der hoop in uwe zeilen blazen, gij—nu, voor den
drommel, wat babbel ik! nu ja, gij moet wel een weinig bevreesd zijn
voor onweerswolken, klippen, zandbanken en dergelijke. En toch houd ik
mij overtuigd, Lodewijk, dat gij over de daad, die u en de uwen thans
vrij gevaarlijk op 't spel zet, nog geen berouw hebt.—Zie mij in 't
gezicht! Ik geloof, al moest gij heden daarvoor aan de galg en gij
slechts genade kreegt doordien de strop brak,—morgen ondernaamt gij
het stukje voor de tweede maal, al wou men u ook als Simson aan zeven
splinternieuwe hennepstrikken opknoopen. Nu spreek dan, galgvogel!”
„De plicht der eer...” antwoordde Lodewijk.
„Haal de duivel den plicht! Als 't een dikke engelsche lord geweest
was, die over de grenzen moest gesmokkeld worden, zoudt gij gezegd
hebben: uwe genade zij zoo goed den genadigen hals alleen te wagen,
ik ben uw whist niet bij de partij, wij konden _schlem_ worden en er
in allen gevalle eer een strik dan een trek bij winnen. En gij hadt
misschien gelijk gehad. Maar de broeder eener zoo schoone zuster te
zijn—spreek vrij uit de borst, Lodewijk, gij tradt niet terug?”
„Ik geloof neen!”
„En wanneer gij den Hellespont onder het kruisvuur der Dardanellen
door moest, wanneer de vaart tusschen de Scylla en Charybdis door,
wanneer zij over den Acheron, den Phlegethon en de Styx ging, ook dan
nog sprongt gij in de boot en riept: Ik ben uw redder, Bianca, ik vaar
over—gij deedt het, schoon moeder en zuster kermend aan den oever
stonden—spreek op, gij deedt het?”
Lodewijk verwonderde zich over deze zeldzame wending en het vuur in
Bernards woorden. „Zeg mij dan, deedt gij het?” herhaalde deze.
„Ik geloof ja,” antwoordde Lodewijk.
„Dat geloof ik ook, _upon honour_!” hernam Bernard op den koelen toon
van droge scherts, schoon hij tot hiertoe den climax zijner „wanneers”
in het hevigste crescendo had opgedreven. Vervolgens keerde hij
zich naar het venster, trommelde met de vingers op de glasruiten en
beschouwde aandachtig de daken der tegenover gelegen huizen. Een enkele
traan welde in zijn oog op. Verdrietig wischte hij dien af en mompelde,
gelijk hij in oogenblikken van hevige gemoedsbeweging gewoon was, half
voor zich zelf, half dacht hij ook slechts: „Hij bemint haar! Dat weet
ik, en zij hem, dat weet ik ook; want dat zegt mij eene stem in mijn
binnenste, die ik meer vertrouw dan mijne eigen oogen. Dwaze droomer,
die ik ben! Hoe, zou ik niet eenmaal meer de kracht bezitten, om al die
zotte luchtkasteelen te verdelgen? Kinderspel!”
Lodewijk had intusschen zijne brieventasch geopend, kreeg een blad te
voorschijn, tikte Bernard zachtjes op den schouder en reikte het hem
over met de woorden: „Lees dat, mijn vriend!”
Het was het dagblad, waarin Bianca van haren redder afscheid nam.
Bernard las; de weinige regels maakten zijn vermoeden tot zekerheid.
Zijn vast, sterk hart dreigde in heete, gloeiende tranen te smelten,
doch hij bedwong zich met ijzeren kracht. „Lief, hartelijk, roerend!”
sprak hij, het papier teruggevende, doch gedwongen zich weder tot het
venster te wenden. „Zeide ik 't niet?” dacht en mompelde hij als zoo
even. „O, deze stem heeft nooit gelogen! Welaan dan, ik wil de kiem
met wortels en al uit mijne borst scheuren, al bleef mijn hart er aan
hangen!”
Haastig kreeg hij zijn teekenboek te voorschijn, greep eene schaar
die op de tafel lag, en knipte het blad met Bianca's beeltenis er
uit. „Daar,” riep hij en legde het voor Lodewijk neder. „Tot hiertoe
hadt gij slechts noten, hier is de tekst; gij moet mij echter
philologisch verstaan, anders geldt het omgekeerd; gij hebt den tekst,
de dorre koude woorden, en hier zijn de noten, dat is: de melodie,
de hemelmuziek; want wie verstaat dat gedrukte tuig daar, als hij
niet weet uit welke borst zulke woorden klonken, aan welke lippen zij
ontvloeiden, in welk oog de afscheidstraan fonkelde! Daar, het portret
is voor u!”
„Bernard!” riep Lodewijk getroffen; „beste vriend, welk een schat
schenkt gij mij....”
„Een schat? Ik zou niet weten waarom een schat. Als ik 't van alle
kanten beschouw, denk ik er heel anders over en moet ik ronduit
verklaren, dat gij een ezel zijt. Denkt gij, dat ik het beeld weggeef?
Geen trek zal er mij van ontgaan, want schilders hebben een goed
geheugen, schoon ik geloof, dat ook anderen zulk een gezicht onthouden
kunnen, want men ziet het niet dagelijks. Twintig malen op een dag kan
ik het teekenen, als ik er maar lust toe heb. Gij ontvangt dus slechts
ongeveer 21 duim gemalen vodden of ezelsvel, want het is perkament,
item een weinig afzwartsel van zilverkrijt en meer niet. Ik geef niets
meer weg, dan wanneer ik u de neergekladde noten van eene melodie
schonk, die ik in hemeltonen heb hooren zingen en die mij nimmer
meer uit oor en borst verdwijnen kan—nu, gij hebt haar immers zelf
gehoord;—doch het is waar, gij verstaat dat alles niet, want ik spreek
hier natuurlijk als schilder. Daarin zijt gij intusschen een ezel,
dat gij dit smerige dagblad bewaart, als zoudt gij anders de woorden
vergeten, die hier zoo kostelijk met roet, zwartsel en olie op morsige
lompen gedrukt staan. Hebt gij een plaats, waar zij vaster staan
ingegrift dan op een vod, die gij pas driemaal in elkaar kunt vouwen of
zij scheurt als een versleten bankbiljet? Niet aanzien kan ik het blad,
of ik word bleek van ergernis bij de gedachte, waar de gansche overige
oplaag beland is, en in hoevele kaaskelders of komenijswinkels snuif,
Frankforter varkensworst of misschien wel stinkende pekelharingen
daarin gewikkeld worden! Ik raad u het prul te verbranden en u de asch
in den hartkuil te wrijven, Lodewijk,—doch wat babbel ik als een oud
wijf? Wij hebben ernstiger dingen te doen. Het beeld is het uwe, dat
spreekt van zelf, en bij gelegenheid teeken ik wel een ander; maar wat
ik zeggen wou—de graaf blijft lang weg, dunkt mij?”
Lodewijk had Bernards rusteloos voortvloeienden woordenstroom met
verwondering aangehoord. Het innerlijk gemoedsbestaan van den vriend
was hem nog te nieuw, dan dat hij een vrijen blik in de diepste
geheimen daarvan had kunnen werpen. Niet onaangenaam was het hem dus,
dat Bernard zelf aan het gesprek eene andere richting gaf.
„Hij is bijna twee uren afwezig,” antwoordde hij op de laatste vraag.
„Ik weet niet of ik dit voor een goed dan voor een kwaad voorteeken
moet houden.”
„Waarlijk, ik ook niet!” riep Bernard. „Maar het ongeduld brandt
mij reeds in handen en voeten. Ik ben hier in zeker opzicht met u
ingekerkerd, daar ons samenzijn in den tuin van Pillnitz mij tot uw
verrader maakt. Misschien heet het: meê gevangen, meê gehangen. Nu,
wees gerust, gij zult een getrouwen Pylades in mij hebben. Maar ik hoor
voetstappen op de trap. Waarachtig hij is het!”