HOOFDSTUK VIII.

Dien volgenden morgen maakte Bernard zich vroegtijdig gereed om

Lodewijk te bezoeken. Hij nam zijn weg door de Slotstraat en overlegde

onder het voortwandelen, wat in deze hoogst onaangename zaak wel het

raadzaamst was en of het niet voorzichtig zijn zou, dat Lodewijk, ten

minste voor eenigen tijd, Dresden verliet, toen hij, in gedachten

verzonken en weinig op hem omringende voorwerpen achtgevende, vrij

onzacht tegen den elleboog eens voorbijgangers aanstiet. Werktuiglijk

grepen beiden naar hunne hoeden en wilden zich beleefdelijk jegens

elkander verontschuldigen, toen Bernard zag, dat hij den vreemdeling

voor zich had van wien het gansche onheil voortsproot.

Alleen een koelbloedig, nooit zijne tegenwoordigheid van geest

verliezend zwerver als Bernard, vermocht daarbij bedaard te blijven.

Met de grootste beleefdheid verzocht hij verschooning wegens zijne

lompheid; de vluchtige verrassing, die op zijn gelaat zichtbaar werd,

kon evengoed aan ontsteltenis over den vrij hevigen stoot, als aan

het gevoel worden toegeschreven, dat het zien van den persoon hem

inboezemde.

De vreemdeling antwoordde even hoffelijk; met valkenoogen bespiedde

Bernard zijne gelaatstrekken, om te ontdekken of hij herkend werd

dan niet. De onbekende scheen te twijfelen. Daar rees eensklaps het

denkbeeld bij hem op: hoe, indien het u eens gelukte, den schoft

vertrouwelijk te maken en u van zijne domheid te bedienen? Columbus

kon met de plotselijke gedachte die hem eene nieuwe wereld achter de

onbekende zeeën deed vermoeden, niet meer zijn ingenomen dan Bernard

met dezen inval was. „Gij zijt mij vreemd, mijnheer,” hervatte hij, „en

toch moet ik u reeds ergens anders gezien hebben dan hier, waar het

toeval ons zoo onzacht op elkander doet stooten.”

„Mij komt het ook zoo voor,” antwoordde de vreemde, met die pijnlijke

onzekerheid op het gelaat, welke het ons veroorzaakt, wanneer wij eene

donkere persoonsherinnering niet terstond op de rechte plaats weten te

brengen.

„Mijn hemel, daar valt het mij binnen,” riep Bernard; „waart gij

gisteren niet in den tuin te Pillnitz? Wij ontmoetten elkaar immers aan

het vlierbosch.”

„Juist, juist,” riep de vreemde met een van boosaardige voldoening

schitterend gelaat; „te Pillnitz; maar gij waart, dunkt mij, niet

alleen?”

„Ik wandelde met een reiskennis, dien ik in de herberg aantrof,” hernam

Bernard op onverschilligen toon. „Later beklommen wij den Potsberg,

maar het onweer dreef ons uitéén. Zijt gij er misschien ook door

verrast geworden?”

„Een weinig; evenwel....”

„Ik ter deeg,” viel Bernard hem opzettelijk in de rede; „geen drogen

draad hield ik aan 't lijf en ik had ten overvloede geen gelegenheid

om naar de stad terug te komen, daar de schoelje van een koetsier dien

ik besteld had, gevlogen was, denkelijk omdat de een of ander hem meer

had geboden. Gelukkig vond ik een paar fransche officieren, uitmuntende

menschen, die mij naar Dresden meenamen, anders zat ik er misschien

nog. Ik was juist van plan hen op te zoeken; daar de heeren gewoonlijk

vroeg uitgaan, zult gij vergeven dat ik haast maak.”

Met deze woorden nam hij den schijn aan van zich te willen verwijderen,

doch de vreemdeling hield hem terug. „Een woord, als ik u bidden mag.

Wie was de heer, die u vergezelde?”

„Inderdaad,” hervatte Bernard, „daarvan kan ik u weinig of niets

zeggen. Ik reis veel; voor langen tijd ontmoette ik hem te Mannheim

en eenige dagen geleden vond ik hem aan eene table d'hôte te Leipzig

weer. Wij dronken samen koffie in Tivoli, gingen naar den schouwburg en

soupeerden 's avonds in een oesterkelder. Gisteren zagen wij elkander

toevallig in den tuin van Pillnitz, en even toevallig werden wij door

het onweder weer gescheiden. Dit is alles, wat ik weet. Naar stand en

naam heb ik hem niet gevraagd, want welk reiziger bekommert zich in dat

opzicht om den ander? Zoo er u echter iets aan gelegen is, kan ik u

gemakkelijk de vereischte inlichting verschaffen, daar wij tegen heden

middag eene bijeenkomst bij Hegereuter in den Plauenschen tuin hebben

afgesproken.”

„Hoe laat, als ik u vragen mag?”

„Te vier uur. Wilt gij mede van de partij zijn, zoo haal ik u af en wij

gaan samen.”

„Gij zoudt mij bij uitstek verplichten; doch vergun mij u de moeite

te besparen, mijnheer, en liever u af te halen; mag ik uwe woonplaats

weten?”

„Voor geen geld ter wereld zou ik dat van u vergen! Maar om den strijd

te vereffenen, zullen wij elkander te drie uur bij den Italiaan Longo

aantreffen. Voor het oogenblik moet ik u vaarwel zeggen. Tot het

genoegen van u weer te zien.”

Zonder antwoord af te wachten nam Bernard met al de bedrijvigheid van

een jongen windbuil een vluchtig afscheid en vloog de straat op, doch

slechts om onbemerkt in een der naaste huizen te sluipen en vandaar

den verdachten vreemdeling met arendsblikken te volgen. Toen hij

waande dit veilig te kunnen doen, volgde hij hem, vast besloten hem

niet uit het oog te verliezen. De bespiede trad een aanzienlijk huis

in de Slotstraat binnen; Bernard wist dat het een portier had, dien

hij eenigermate kende, en besloot dezen uit te vragen. Hij volgde den

vreemdeling in huis en vroeg den portier of hij hem kende.

„Niet bij naam,” antwoordde deze; „maar hij woont hier in huis en

behoort tot het gevolg van den baron St. Luces; ik geloof dat hij diens

secretaris is.”

Bernard wist genoeg. Als een pijl uit den boog vloog hij naar Rasinski,

wien hij met Lodewijk en de jonge Polen aan het ontbijt vond. Zijne

berichten werden met gretigheid verslonden. Bij den naam St. Luces

fronste Rasinski bedenkelijk het voorhoofd. „Dat is geen goede

naam voor u, lieve vriend! De man is half raad van legatie, half

politiebeambte, half spion; zeer geslepen, maar listig en hebzuchtig,

onmisbaar, maar verachtelijk. Eigenlijk heet hij Rumigny, werd wegens

zijne schurkendiensten op den kruiwagen genomen, en is op die wijze

tot den zoogenaamden adelstand verheven, die sedert het keizerschap in

Frankrijk als paddestoelen opschiet. Ik ken hem, helaas! te goed. Maar

wat ter wereld kan hij tegen u in 't schild voeren.”

Lodewijk had zijne ontmoeting in Italië, waaraan hij zijne

inhechtenisneming zonder bedenking toeschreef, tot hiertoe zorgvuldig

verzwegen; thans verhaalde hij ze in haar geheelen omvang, zonder

echter het aandeel te verraden, hetwelk zijn hart daarin genomen had.

Bernard luisterde met sprakelooze verbazing toe. Dus ook Lodewijk

kende het geheimvolle wezen en had tot haar in de vertrouwelijkste

betrekking gestaan? O, hoe diep, dacht hij bij zich zelf, moet onder

zoo zonderlinge omstandigheden het aanminnige beeld in het hart van

den vriend zijn ingeprent! Hem zelf was de schoone gedaante als een

droombeeld verschenen en ontvloden; thans echter, daar hij den vriend

in zulk eene innige verbinding der werkelijkheid met het ideaal zag,

dat hem tot hiertoe slechts als eene schepping van Raphaël voor den

geest zweefde, thans werd zijn hart hevig geschokt en voelde hij, dat

oude, half gesloten wonden opnieuw bloedden. Naar zijne gewone wijze

zette hij echter den ernst, dien hij nooit ernstig uitte, de narrenkap

op. „Een avontuur zonder weerga!” riep hij. „En zou men nu nog om

uwentwille bezorgd zijn? Voor eene reis over den Simplon, in de luwe

Italiaansche nachtlucht, aan de zijde van zulk een engel, die mij

broeder noemde, liet ik mij tienmaal hangen: zou men u dan beklagen,

zoo men 't u deed?”

„Scherts ter zijde,” vervolgde Rasinski, zich tot Lodewijk wendende.

„Ik vrees, dat de zaak nog eene zeer ernstige wending nemen zal;

want zonder het te vermoeden hebt gij eene daad begaan, die men u

bezwaarlijk zal vergeven. In allen gevalle moet gij vooreerst nog

verborgen blijven. Hier ontdekt u niemand, ook uw vriend zou ik raden

zich niet naar de afgesproken plaats te begeven, voor ik terug ben. Ik

ga dadelijk berichten inwinnen.”

„Voor mij zelf vrees ik niets,” sprak Lodewijk somber, „maar wat moet

ik mijne moeder, mijne zuster zeggen?”

„De zuivere waarheid, beste vriend,” hervatte Rasinski; „want zijn de

uwen in het geheel niet of verkeerd onderricht, zoo konden zij licht

tegen wil en dank uwe verraders worden. Wel is waar schijnt men tot

hiertoe slechts uw persoon, niet uw naam te kennen, maar hoe spoedig

kan die ook uitgevorscht zijn! Ik zelf wil op mij nemen, uwe moeder op

de voorzichtigste wijze van alles kennis te geven en zal vervolgens den

stand der zaken onderzoeken, waartoe ik de beste middelen in handen

heb.”

Lodewijk reikte den bedachtzamen vriend zwijgend de hand; Bernard

stampte ongeduldig met den voet, Jaromir en Boleslaw toonden

broederlijke deelneming.

„Wij mogen geen tijd verliezen,” sprak Rasinski en gespte zijn sabel

om. „Ik ga op weg; gij doet intusschen het best, u in dit zijvertrek te

begeven en voor ieder schuil te houden. Vooreerst lieve vriend, begeef

ik mij naar uwe moeder; de omstandigheden zullen mijn vroegtijdig

bezoek verontschuldigen. Dan begin ik mijne navorschingen; weldra zult

gij bericht van mij hebben.” Hij wilde gaan, doch bleef eensklaps aan

de deur staan, alsof hem iets te binnen schoot. „Ja, dat zal het best

zijn. Ik moet u iets verzoeken,” dus wendde hij zich tot Lodewijk,

„zonder 't welk ik niets vermag, twee regels namelijk van uwe hand, die

mij tot volmacht bij uwe moeder kunnen dienen.”

„Zij zal u onbepaald vertrouwen schenken,” hervatte Lodewijk.

„Schenk mij eerst het uwe,” sprak Rasinski; „de regels, die ik verlang,

zijn mij misschien volstrekt noodzakelijk.”

„Gaarne,” antwoordde Lodewijk.

„Zet u dus neder en schrijf: Dierbare moeder! Dringend bid ik u, den

overbrenger dezer regels een onbepaald vertrouwen te schenken en aan

zijn verlangen onvoorwaardelijk te voldoen.”

Lodewijk huiverde, doch schreef wat Rasinski eischte; deze ging en werd

spoedig door zijne beide landslieden, die dienstzaken te verrichten

hadden, gevolgd.

Bernard bleef met Lodewijk alleen. Beiden gingen zonder een woord te

spreken de kamer op en neder, de laatste over zijn zorgelijken toestand

ernstig bekommerd, de eerste, wijl het in het diepst van zijn hart

sluimerend gevoel weder in zijn volle kracht ontwaakt was. Bijna een

uur hadden ze dus in stilzwijgen doorgebracht, toen Bernard daaraan een

einde maakte.

„Uw geval is verwenscht leelijk; voor u namelijk, want zoo 't mij

overkwam, zou ik er mij geen zier om bekommeren, daar ik toch op een

isoleerstoel in de wereld sta en de galeiketen, die mij met de menschen

verbindt, kan wegwerpen, zoodra 't mij goeddunkt. Gij zit niet op

zulk een glasvoetigen zetel, maar hebt wortels in de vaderlijke aarde

geschoten, die zich niet laten uitrukken zonder een lap lands mee

te nemen, waarop nog menige lieve bloem kon gebloeid hebben, en ten

laatste verdort men zelf. Mijn scheepje heeft geen andere last dan

mijzelf; op elke ree ga ik voor anker en met elke frissche koelte zwalp

ik weer het ruime sop op. Wordt mijn gebrekkig tuig bij gelegenheid

eens in den grond gezeild, dan roepen hoogstens een paar meewarige

zieltjes: „O wee, hij verzuipt!” maar niemand maakt zich den vinger

nat om mij te redden, en met dien kreet is elk gevoel uit de borst

verdwenen; kom ik niet weer opduiken, dan is mijn aandenken zoo ras

uitgewischt als een grafschrift, dat mij iemand met een stokje op de

golven had geschreven. Gij echter hebt nog goed aan boord dat waarde

heeft, en zet koers naar eene gewenschte haven; gij ziet met vreugde

den gunstigen wind der hoop in uwe zeilen blazen, gij—nu, voor den

drommel, wat babbel ik! nu ja, gij moet wel een weinig bevreesd zijn

voor onweerswolken, klippen, zandbanken en dergelijke. En toch houd ik

mij overtuigd, Lodewijk, dat gij over de daad, die u en de uwen thans

vrij gevaarlijk op 't spel zet, nog geen berouw hebt.—Zie mij in 't

gezicht! Ik geloof, al moest gij heden daarvoor aan de galg en gij

slechts genade kreegt doordien de strop brak,—morgen ondernaamt gij

het stukje voor de tweede maal, al wou men u ook als Simson aan zeven

splinternieuwe hennepstrikken opknoopen. Nu spreek dan, galgvogel!”

„De plicht der eer...” antwoordde Lodewijk.

„Haal de duivel den plicht! Als 't een dikke engelsche lord geweest

was, die over de grenzen moest gesmokkeld worden, zoudt gij gezegd

hebben: uwe genade zij zoo goed den genadigen hals alleen te wagen,

ik ben uw whist niet bij de partij, wij konden _schlem_ worden en er

in allen gevalle eer een strik dan een trek bij winnen. En gij hadt

misschien gelijk gehad. Maar de broeder eener zoo schoone zuster te

zijn—spreek vrij uit de borst, Lodewijk, gij tradt niet terug?”

„Ik geloof neen!”

„En wanneer gij den Hellespont onder het kruisvuur der Dardanellen

door moest, wanneer de vaart tusschen de Scylla en Charybdis door,

wanneer zij over den Acheron, den Phlegethon en de Styx ging, ook dan

nog sprongt gij in de boot en riept: Ik ben uw redder, Bianca, ik vaar

over—gij deedt het, schoon moeder en zuster kermend aan den oever

stonden—spreek op, gij deedt het?”

Lodewijk verwonderde zich over deze zeldzame wending en het vuur in

Bernards woorden. „Zeg mij dan, deedt gij het?” herhaalde deze.

„Ik geloof ja,” antwoordde Lodewijk.

„Dat geloof ik ook, _upon honour_!” hernam Bernard op den koelen toon

van droge scherts, schoon hij tot hiertoe den climax zijner „wanneers”

in het hevigste crescendo had opgedreven. Vervolgens keerde hij

zich naar het venster, trommelde met de vingers op de glasruiten en

beschouwde aandachtig de daken der tegenover gelegen huizen. Een enkele

traan welde in zijn oog op. Verdrietig wischte hij dien af en mompelde,

gelijk hij in oogenblikken van hevige gemoedsbeweging gewoon was, half

voor zich zelf, half dacht hij ook slechts: „Hij bemint haar! Dat weet

ik, en zij hem, dat weet ik ook; want dat zegt mij eene stem in mijn

binnenste, die ik meer vertrouw dan mijne eigen oogen. Dwaze droomer,

die ik ben! Hoe, zou ik niet eenmaal meer de kracht bezitten, om al die

zotte luchtkasteelen te verdelgen? Kinderspel!”

Lodewijk had intusschen zijne brieventasch geopend, kreeg een blad te

voorschijn, tikte Bernard zachtjes op den schouder en reikte het hem

over met de woorden: „Lees dat, mijn vriend!”

Het was het dagblad, waarin Bianca van haren redder afscheid nam.

Bernard las; de weinige regels maakten zijn vermoeden tot zekerheid.

Zijn vast, sterk hart dreigde in heete, gloeiende tranen te smelten,

doch hij bedwong zich met ijzeren kracht. „Lief, hartelijk, roerend!”

sprak hij, het papier teruggevende, doch gedwongen zich weder tot het

venster te wenden. „Zeide ik 't niet?” dacht en mompelde hij als zoo

even. „O, deze stem heeft nooit gelogen! Welaan dan, ik wil de kiem

met wortels en al uit mijne borst scheuren, al bleef mijn hart er aan

hangen!”

Haastig kreeg hij zijn teekenboek te voorschijn, greep eene schaar

die op de tafel lag, en knipte het blad met Bianca's beeltenis er

uit. „Daar,” riep hij en legde het voor Lodewijk neder. „Tot hiertoe

hadt gij slechts noten, hier is de tekst; gij moet mij echter

philologisch verstaan, anders geldt het omgekeerd; gij hebt den tekst,

de dorre koude woorden, en hier zijn de noten, dat is: de melodie,

de hemelmuziek; want wie verstaat dat gedrukte tuig daar, als hij

niet weet uit welke borst zulke woorden klonken, aan welke lippen zij

ontvloeiden, in welk oog de afscheidstraan fonkelde! Daar, het portret

is voor u!”

„Bernard!” riep Lodewijk getroffen; „beste vriend, welk een schat

schenkt gij mij....”

„Een schat? Ik zou niet weten waarom een schat. Als ik 't van alle

kanten beschouw, denk ik er heel anders over en moet ik ronduit

verklaren, dat gij een ezel zijt. Denkt gij, dat ik het beeld weggeef?

Geen trek zal er mij van ontgaan, want schilders hebben een goed

geheugen, schoon ik geloof, dat ook anderen zulk een gezicht onthouden

kunnen, want men ziet het niet dagelijks. Twintig malen op een dag kan

ik het teekenen, als ik er maar lust toe heb. Gij ontvangt dus slechts

ongeveer 21 duim gemalen vodden of ezelsvel, want het is perkament,

item een weinig afzwartsel van zilverkrijt en meer niet. Ik geef niets

meer weg, dan wanneer ik u de neergekladde noten van eene melodie

schonk, die ik in hemeltonen heb hooren zingen en die mij nimmer

meer uit oor en borst verdwijnen kan—nu, gij hebt haar immers zelf

gehoord;—doch het is waar, gij verstaat dat alles niet, want ik spreek

hier natuurlijk als schilder. Daarin zijt gij intusschen een ezel,

dat gij dit smerige dagblad bewaart, als zoudt gij anders de woorden

vergeten, die hier zoo kostelijk met roet, zwartsel en olie op morsige

lompen gedrukt staan. Hebt gij een plaats, waar zij vaster staan

ingegrift dan op een vod, die gij pas driemaal in elkaar kunt vouwen of

zij scheurt als een versleten bankbiljet? Niet aanzien kan ik het blad,

of ik word bleek van ergernis bij de gedachte, waar de gansche overige

oplaag beland is, en in hoevele kaaskelders of komenijswinkels snuif,

Frankforter varkensworst of misschien wel stinkende pekelharingen

daarin gewikkeld worden! Ik raad u het prul te verbranden en u de asch

in den hartkuil te wrijven, Lodewijk,—doch wat babbel ik als een oud

wijf? Wij hebben ernstiger dingen te doen. Het beeld is het uwe, dat

spreekt van zelf, en bij gelegenheid teeken ik wel een ander; maar wat

ik zeggen wou—de graaf blijft lang weg, dunkt mij?”

Lodewijk had Bernards rusteloos voortvloeienden woordenstroom met

verwondering aangehoord. Het innerlijk gemoedsbestaan van den vriend

was hem nog te nieuw, dan dat hij een vrijen blik in de diepste

geheimen daarvan had kunnen werpen. Niet onaangenaam was het hem dus,

dat Bernard zelf aan het gesprek eene andere richting gaf.

„Hij is bijna twee uren afwezig,” antwoordde hij op de laatste vraag.

„Ik weet niet of ik dit voor een goed dan voor een kwaad voorteeken

moet houden.”

„Waarlijk, ik ook niet!” riep Bernard. „Maar het ongeduld brandt

mij reeds in handen en voeten. Ik ben hier in zeker opzicht met u

ingekerkerd, daar ons samenzijn in den tuin van Pillnitz mij tot uw

verrader maakt. Misschien heet het: meê gevangen, meê gehangen. Nu,

wees gerust, gij zult een getrouwen Pylades in mij hebben. Maar ik hoor

voetstappen op de trap. Waarachtig hij is het!”

1812: Historische roman · 第 27 / 154 题