Bernards verhaal had zoozeer aller aandacht geboeid, dat niemand
bemerkte, hoe de regen allengs heviger werd en de duisternis meer en
meer begon toe te nemen. Thans eerst werd Maria daarop opmerkzaam en
niet weinig verontrust door de gedachte, dat de toestand van haar en
hare jonge vriendinnen nu inderdaad bedenkelijk begon te worden. Zij
beproefde of zij in staat was te gaan en wilde dan stoutmoedig het
weder trotseeren, maar het was haar niet mogelijk; de voet scheen
sterk opgezwollen en veroorzaakte haar bij de minste beweging de
hevigste pijnen. Lodewijk had door de ontroering, die in zijn binnenste
heerschte, de bezwaren van het oogenblik geheel vergeten en zag stil
en peinzend voor zich neder. Maria greep zijne hand en vroeg hem
fluisterend: „Wat moeten wij nu aanvangen, broeder? Ik begin werkelijk
angstig te worden, want gaan kan ik niet, al zag ik ook niet tegen den
regen op.”
Lodewijk bedacht zich een oogenblik en antwoordde vervolgens: „Nu, daar
de bui aanhoudt, is de zaak licht gevonden. Ik ga alleen naar beneden
en kom u met de rijtuigen van hier afhalen.”
„En gij zoudt u aan den regen blootstellen?” sprak Maria.
„Het zal mij goed doen,” hernam hij; „hier is het zoo drukkend, dat ik
naar eenige koele verfrissching smacht. Maar het is hoog tijd, anders
overvalt ons de avond, eer de wagens aankomen.”
De mannen boden thans om strijd aan, Lodewijk te verzellen. Deze had
Bernard gaarne tot geleider meêgenomen, om zoo mogelijk nog iets
anders uit te vorschen; maar het scheen hem welvoegelijker, dat de
schilder, als een ouder huisvriend, de drie meisjes gezelschap hield,
dan dat deze zoo alleen met de drie vreemde officieren achterbleven.
Hij wees dus aller aanbod vriendelijk van de hand, hoe dringend
Rasinski en de jongere Polen er ook op bleven aandringen het bezwaar
met hem te deelen. „Het is volstrekt onnoodig,” gaf hij op hunne gulle
aanbiedingen ten antwoord. „Eén is volkomen genoeg; waarom er dan twee
mede te belasten?” Zonder verdere aanzoeken af te wachten, begaf hij
zich ijlings op weg en beloofde binnen een groot uur met de wagens
terug te zijn.
Deze tijd scheen de meisjes eindeloos lang te duren, daar zij,
door haren natuurlijken beschermer en bloedverwant verlaten, het
onaangename van haren toestand dubbel beseften. De regen ruischte en
kletterde immer heviger, een grauwe nevel trok zich om den berg samen,
de duisternis nam gestadig toe. Thans was er een uur verstreken.
Van minuut tot minuut hoopte Maria de rijtuigen te zien aankomen.
Angstvallig luisterde zij naar elk geruisch en beeldde zich telkens in,
het klappen eener zweep in de verte te vernemen. Hare ongerustheid wies
aan; want er verliep een half uur boven den bepaalden tijd, zonder dat
de vurig verlangde hulp kwam opdagen.
Het was buiten stikdonker geworden. Schoon men dit gedeeltelijk aan den
regen en den donkeren, bewolkten hemel wijten kon, moest het toch reeds
zeer laat zijn. Maria vroeg Bernard eenige malen naar den tijd; deze
antwoordde haar aanvankelijk niet geheel naar waarheid en verklaarde
vervolgens, het niet meer te kunnen zien.
Het was nu niet slechts de verlegenheid, waarin zij zelve verkeerde,
die Maria kwelde; maar ook andere bekommeringen begonnen gedurig
levendiger in haar op te rijzen. Zou Lodewijk ook eenig letsel
bekomen, zou de angst over het uitblijven harer kinderen de zwakke
moeder ook kwaad gedaan hebben? Hiermede paarde zich de lichamelijke
pijn, die langzamerhand zoozeer was toegenomen, dat zij in een bijna
koortsachtigen toestand verkeerde.
Noch Bernard, noch de overige mannen konden het zich thans langer
ontveinzen, dat er iets buitengewoons moest hebben plaats gegrepen,
want twee groote uren waren er reeds verloopen sinds Lodewijk hen
verlaten had. Zij begonnen dus heimelijk te beraadslagen wat hun te
doen stond, en of de plicht jegens den vriend, wien toch licht eenig
ongeval kon bejegend zijn, niet vorderde dat men onverwijld ernstige
navorschingen naar hem in 't werk stelde. Bernard achtte het thans
ook 't best, rond voor de zaak uit te komen, ten einde de nu reeds zoo
angstige meisjes door een welgemeend, maar vruchteloos ontwijken en
bemantelen niet nog meer te verontrusten. Allen waren van hetzelfde
gevoelen. Zonder omwegen gaf hij dus aan Maria te kennen, dat hij zelf
over het uitblijven van haren broeder bezorgd begon te worden en het
zijn plicht achtte, onderzoek naar hem te doen.
Maria beantwoordde deze bekentenis met een warmen handdruk, want reeds
lang had het haar op het beklemde hart gelegen, aan de heeren den
dienst te verzoeken, waartoe zij zich thans vrijwillig aanboden.
Bernard, als het best met de gelegenheid van den berg bekend, en
Jaromir begaven zich thans op weg, na beloofd te hebben van wat er
ook mocht zijn voorgevallen onmiddellijk bericht te zullen brengen of
zenden. Schoon de regen nog als bij stroomen werd nedergegoten en men
geen hand voor de oogen zien kon, kostte het den beiden wandelaars in
den beginne weinig moeite den rechten weg te vinden. Zonder zwarigheid
bereikten zij de ruïne en meenden hun doel reeds nabij te zijn, toen
zij, meer achteloos geworden, eensklaps van het breede spoor waren
afgeweken en zich tusschen het hooge gras bevonden. Zij poogden de
straat weder te vinden, maar te vergeefs. Om geen tijd te verliezen,
besloten zij op den ongebaanden weg te blijven en door struiken, hoog
gras en zaailand zich in eene rechte lijn bergafwaarts te spoeden, daar
zij toch van de hoofdrichting bezwaarlijk konden afdwalen. Intusschen
was dit niet gemakkelijk; want al spoedig werden zij door eene vrij
breede en diepe, door den regen gevulde gracht opgehouden, en toen
zij dezen eindelijk achter den rug hadden, stonden zij voor eene
ondoordringbare dichte doornheg. Zij moesten langs deze voorttasten,
om haar einde of eene opening te vinden; doch plotseling stuitten zij
op eene kruisheg, die hen noodzaakte wederom bergopwaarts te klimmen.
Gelukkig ontdekte Bernard eene plaats, waar men gemakkelijk kon
doorkruipen. Zij deden het en zagen nu in de verte een licht, dat in
een der tot het slot behoorende gebouwen scheen te branden. Hadden zij
dit maar eerst bereikt, dan was het gemakkelijk de herberg te vinden.
Spoedig bespeurden zij echter, dat het schijnsel zich bewoog en nader
kwam; het waren lieden met twee lantaarns. Daar Bernard en Jaromir door
de dichte duisternis omgeven, gene daarentegen helder verlicht werden,
was het niet moeielijk reeds op tamelijken afstand twee fransche
gendarmen te onderkennen, die vermoedelijk een gevangene overbrachten.
Bernard was door zijne menigvuldige reisontmoetingen voorzichtig
gemaakt en aan Jaromir was het als officier bij de lichte cavalerie
tot een tweede natuur geworden, bij donker altijd de behoedzaamheid
der sluikpatrouilles in acht te nemen. Een wederzijdsche wenk was dus
voor beiden het teeken, de mannen met de lantaarns eerst nader te laten
komen en hen voorloopig uit een donkeren schuilhoek aan den weg in
oogenschouw te nemen. Met verbazing werden zij, toen de kleine troep
naderde, gewaar, dat de gendarmen Lodewijk in hun midden hadden, en
met nog meer verbazing herkende Bernard in een vierde, met een wijden
regenmantel geheel omwikkelde gestalte, die eveneens met eene lantaarn
ter zijde ging, den man, wiens gezicht hem dezen middag in den tuin
reeds zoo bekend was voorgekomen. Een handdruk strekte ten teeken, dat
men zich vooreerst nog stilhouden en zwijgende toeschouwers blijven
zoude. Tegen een boomstam gedrukt, den adem inhoudende, wachtten zij
de kleine bende af, en toen deze ongeveer vijftig schreden voorbij
was, volgden zij met de grootste omzichtigheid, waarbij hun het
matte lichtschijnsel, dat de lantaarnen terugwierpen, uitmuntend te
stade kwam. Bernard stelde te veel vertrouwen op Lodewijk en kende
hem te goed, om niet te vermoeden, dat hier òf eene misvatting, òf,
wat in deze tijden, helaas! maar al te menigvuldig plaats greep, eene
staatkundige verdenking, òf eindelijk, wat hem door de medewerking van
den hatelijken vreemdeling het meest waarschijnlijk toescheen, een
schelmstuk in het spel was. De gegrondheid van dit vermoeden was bij
hem zoo boven allen twijfel verheven, dat hij besloot om Lodewijk, het
kostte wat het wilde, uit zijn toestand te verlossen; want dikwijls
kwam het in die dagen slechts dáárop aan, iemand aan zijne geheime
rechters of vervolgers in het eerste oogenblik te ontrukken, om hem
daarna geheel gered en in veiligheid gesteld te zien. Hij fluisterde
dus Jaromir in het oor: „Ik vrees, vriend, dat hier een schurkenstreek
volvoerd wordt, en ik heb mijne gegronde redenen tot dien argwaan.
Gelukte het ons slechts onzen vriend uit de handen der drie mannen
los te krijgen of hem een enkelen wenk te geven, dan zouden wij wel
middelen vinden om hem ook verder te helpen. Wilt gij met mij het
waagstuk ondernemen?”
Jaromir, wien het bewust was, wat hij op het spel zette, wanneer
hij als soldaat eene wacht, en dat wel de geheiligde personen van
twee fransche gendarmen, gewelddadig aanrandde, vond de onderneming
bedenkelijk; aan de andere zijde koesterde hij evenwel te veel
vriendschap voor Lodewijk, om ze van de hand te willen wijzen. Ook
was hem de jeugdige lichtzinnigheid eigen, die de gevolgen eener
daad slechts oppervlakkig overziet. Misschien ook was het een dieper
trek van het poolsche volkskarakter, dat zich zonder den uitslag te
berekenen, tot de dolste ondernemingen leent, die hem besluiten deed;
althans hij sloeg toe.
„Goed dan,” sprak Bernard, „en wij zelven zullen niet het minste gevaar
loopen, als wij het slechts bedachtzaam aanleggen. De weg waarop
wij gaan is opgehoogd; hier rechts aan de heuvelzijde loopt, om het
regenwater af te leiden, eene smalle gracht, die echter diep genoeg is,
om iemand die er intuimelt, eenige minuten te laten omspartelen eer hij
er uitkomt; links daalt de weg slechts drie of vier voeten steil naar
beneden. Wanneer wij nu de gendarmen zachtjes nasluipen, hen onverhoeds
in den rug vallen, den een rechts in de gracht, den ander links van de
hoogte doen buitelen en vervolgens met vereende kracht den man in den
regenmantel tegen het lijf rennen, vinden wij tijd genoeg om ons met
Lodewijk uit de voeten te maken.”
Elk oogenblik was verzuim. Zachtjes, op de teenen, maar toch met
rassen spoed volgden de rappe jongelingen het geleide, dat hun vriend
verzelde; onbemerkt waren zij tot op tien passen genaderd. Lodewijk
ging nog midden tusschen de gendarmen in, van welke de een dicht
aan den rand van den weg, de ander in het gras langs den grachtkant
rustig voortstapte. Eenige schreden vooruit ging de gemantelde met de
lantaarn. „Dien rechts neem ik,” fluisterde Bernard; „nu!”
Als twee wedrenners in volle vaart, stoven de koene aanvallers
voorwaarts, terwijl zij tegelijk een woest geschreeuw aanhieven. Nog
eer de gendarmen konden omzien, werden zij, de een rechts, de ander
links, met zulk eene kracht naar beneden geslingerd, dat zij onmogelijk
bemerken konden, door wie en vanwaar de aanval geschiedde. Volgens
afspraak wilden beiden thans den vreemdeling overhoop rennen, maar deze
bespaarde hun die moeite, want bij den eersten kreet der toesnellenden
had hij de lantaarn reeds van zich af geslingerd, zoodat zij uitging,
en liep, wat hij loopen konde, den weg af naar beneden. Bernard achtte
het niet raadzaam hem te vervolgen, maar beet Lodewijk, die verbaasd
en roerloos stond, driftig in het oor: „Wij zijn goede vrienden; vlucht
met ons!” Tevens greep hij hem bij den arm en riep: „Mij na!” Lodewijk
herkende hem dadelijk en verzuimde niet hem te volgen; daar ook de
lantaarns der gendarmen bij den val waren uitgebluscht, begunstigde de
diepste duisternis de zeldzame vlucht. Pijlsnel ijlden alle drie in
het donker voort, den weg op dien zij gekomen waren. „Mij na!” riep
Bernard onder het loopen. „Wij moeten bij elkaâr blijven, dan hebben
wij desnoods nog de overmacht.”
Een goed eindweegs hadden zij reeds afgelegd, toen zij achter zich twee
schoten hoorden vallen. Het waren de gendarmen, die hunne karabijnen in
de richting afvuurden, welke de vrienden genomen hadden.
„Schiet maar!” riep Bernard. „Wij hooren de kogels niet eens fluiten:
ons treffen kunt gij niet meer!”
Naar den afstand van het geluid en den tijd vóór de losbranding
verstreken, konden de vluchtenden zich tamelijk zeker achten. Echter
zetten zij hunne vlucht zoo snel mogelijk voort. Thans liep er een
zijweg linksom den berg op, dien Bernard insloeg; eenige honderd
schreden verder vertraagde hij zijn tred en zeide: „Nu langzaam, anders
verliezen wij kracht en adem! Voorloopig zijn wij in veiligheid;
slechts geen woord spreken!”
Onder diep stilzwijgen klauterden zij opwaarts. Van tijd tot tijd
luisterde Bernard, of hen ook iemand volgde. Alles bleef stil. Na een
vierde uur, toen men rondom door dicht kreupelbosch omringd was, kon
men met zekerheid aannemen, dat er geen gevaar meer te duchten bleef.
„Wat nu aan te vangen?” vroeg hij stilstaande.
„Allereerst,” sprak Lodewijk met vuur en greep de handen zijner
geleiders, „allereerst u mijn hartelijken dank, gij trouwe vrienden!
Maar zegt mij toch, hoe gij mijne aanhouding te weten kwaamt en door
welk wonder mijne redding u gelukte?”
Bernard verhaalde hem het toevallige der ontdekking en de beweegredenen
tot de welgelukte onderneming.
„Mijn goede engel heeft u geleid,” hernam Lodewijk met aandoening;
„want ik was, geloof ik, het verderf nabij.—Maar wat hebt gij
gewaagd!” riep hij eensklaps met diepe ontroering en omarmde beiden met
broederlijke warmte.
„Gewaagd?” hervatte Bernard; „het zou wat! Ten hoogste was het een
studentenstreek, die ons niet aan de galg zou gebracht hebben, al was
men ons ook te handig geweest. En hoe zou men ons gesnapt hebben? Wie
kent ons, wie heeft achterdocht op ons? Al liepen wij den gendarmen
nog ditzelfde oogenblik in den mond, geen haar op hun hoofd zou er aan
denken, dat wij het waren, aan wie zij dat lieve modderbad te danken
hadden. Maar waarom hebben zij u dan toch bij de lurven gepakt? Of ben
ik misschien nieuwsgieriger dan mij betaamt?”
„De geschiedenis is vreemd genoeg en mij zelf nog half een raadsel,”
antwoordde Lodewijk. „Ook is het verhaal zoo ingewikkeld, dat ik het
liever tot een gelegener tijd wil uitstellen.”
„Ook al goed,” hernam Bernard, „maar de hoofdomstandigheden dienen wij
nu toch te weten om er ons gedrag naar in te richten en in de eerste
plaats te bepalen, waar gij thans het meest veilig kunt zijn. Zoudt gij
naar Dresden durven terugkeeren?”
„Ik vrees neen,” antwoordde Lodewijk. „Maar ik wil u een kort verhaal
doen. Gij herinnert u den mensch, die ons in den tuin zoo bekend
voorkwam?”
„Voorzeker, en verder?”
„Toen ik van den berg afkwam en de ruïne bereikt had, vond ik daar
nog een aantal menschen verzameld, die voor den regen gevlucht waren.
Natuurlijk zag ik rond of ik mijne moeder en tante ook ontdekte. Ik
vond haar niet; het waren meest lieden, die tot den hofstoet behoorden.
Toen ik daarop verder ging en pas honderd schreden van de ruïne
verwijderd was, riep mij een fransch gendarm een vrij norsch „_Bon
soir, Monsieur!_” na. Ik groette terug en wilde mijn weg vervolgen,
toen hij mij te kennen gaf, dat ik hem verzellen moest. Ik vroeg waarom
en waarheen? Daarop mocht hij niet antwoorden. Mijzelf bewust niets
misdreven te hebben, besloot ik, hoe ongaarne dan ook, te gehoorzamen
en hoopte, dat de gansche zaak zich terstond als een misverstand zou
oplossen. Toevallig omziende, bemerkte ik een man in een regenmantel
en een tweeden gendarm, die ons op den voet volgden. Toen zij nader
kwamen, herkende ik den bewusten vreemdeling. Hij trad op mij toe en
zeide met een terugstootenden grimlach: „Gij zult zoo goed zijn ons tot
een klein verhoor te volgen, mijnheer!”—„Dat heb ik met verwondering
gehoord,” antwoordde ik, „en het zou mij hoogst aangenaam zijn de reden
te mogen vernemen.” Daar hij zweeg vervolgde ik: „Ik kan hier slechts
eene misvatting veronderstellen en verwacht genoegdoening voor deze
krenkende beleediging.”
„„Die zal niet uitblijven,” gaf hij droogjes ten antwoord, en wij
draaiden naar het slot af.
„Het was mij inderdaad niet onaangenaam, dat de regen nog hevig
neerstroomde en wij dus niemand ontmoetten; want het wekte een zeker
gevoel van schaamte in mij op, als een galeiboef tusschen twee wachters
vervoerd te worden. Aan de poort van het slot gekomen, werd ik in de
kleine portierskamer gebracht, waar ik, door beide gendarmen bewaakt,
een goed uur wachten moest, terwijl de vreemde zich verwijderd had.
Dit tijdsverloop maakte ik mij ten nutte, om een besluit betrekkelijk
mijn te houden gedrag te nemen. Ik nam mij voor, mij over niets uit
te laten, maar slechts tegen het wederrechtelijke mijner aanhouding
te pleiten. Natuurlijk was ik ook dadelijk op middelen bedacht, om
mijne moeder den schrik te besparen, dien haar het bericht van mijn
wedervaren buiten twijfel veroorzaken moest. Intusschen werden de
plannen, die ik te dien einde opvatte, geheel verijdeld, zooals gij
terstond hooren zult. Na een groot uur kwam de onbekende terug; het was
reeds stikdonker, zoodat ik niet recht wist, waarheen ik vervolgens
gebracht werd; denkelijk naar een der zijvleugels van het slot. Nadat
ik eene steile trap opgeklommen en een vrij langen gang doorgegaan was,
werd ik in eene kamer geleid, waar ik denzelfden man met het legioen
van eer aantrof, die ons dezen middag ontmoette. Hij sprak enkel
fransch. Ik beklaagde mij over mijne gevangenneming. Hij glimlachte,
trok de schouders op en meende, dat de reden mij wel bekend zoude zijn.
Hierop ging hij tot een volledig verhoor over en verlangde in de eerste
plaats mijn naam te weten. Ik verklaarde dien niet te zullen noemen,
alvorens ik wist op welken grond men mij van mijne vrijheid beroofde.
„„Gij zijt beschuldigd van hoogverraad,” antwoordde hij driftig.
„En door wien?” vroeg ik bedaard.
„„Door dien heer dáár”, hernam hij en wees op den vreemdeling.
„Ik ken dien heer niet,” zeide ik vrij gemelijk.
„„Maar hij u des te beter,” antwoordde mijn ondervrager op heftigen
toon.
„Wel nu,” sprak ik, „als die heer mij beschuldigt van hoogverraad, zal
hij gewis ook in staat zijn u mijn naam te zeggen, dien ik zelf weiger
te noemen, daar ik de rechtbank waarvoor ik sta, niet als wettig erken.”
„De vreemdeling wist op deze woorden niets te antwoorden, maar
wierp mij een half beschaamden, half grimmigen blik toe. Eindelijk
fluisterde hij hem, die zich tot mijn rechter had opgeworpen, eenige
woorden in het oor. Deze vervolgde: „Het spreekt van zelf, dat uw naam
ons bekend is, mijnheer, maar de vorm van het verhoor vordert, dat gij
zelf dien noemt.”
„Ja, de vorm van het als wettelijk erkende verhoor,” hernam ik.
„Mijn ondervrager werd rood van spijt bij deze nieuwe tegenwerping.
Eenige malen ging hij de kamer op en neder en verliet toen met mijn
aanklager het vertrek. Na verloop van een kwartier kwamen zij weer
binnen. De man met het kruis trad met trotschheid op mij toe en zeide:
„Men zal u thans naar eene plaats brengen, die misschien eenigen
invloed op uw hardnekkigheid kan uitoefenen. Wees zoo goed dezen
heer te volgen.”—Thans vielen mij moeder en zuster, hare zorg en
bekommering te binnen.
„Gij zult toch veroorlooven, dat ik eenige vrienden, met welke ik op
deze plaats gekomen ben, van mijn toestand naricht geef?” zeide ik met
drift.
„„Ik kan u zulks niet vergunnen,” was het antwoord.
„Hoe!” riep ik, „schuwt uwe rechtbank zoozeer het daglicht? Dat is de
wreedheid eener inquisitie!”
„„Een gevangene, die zich zelf niet noemen wil, kan onmogelijk op eene
dergelijke vergunning aanspraak maken.”
„Welaan dan,” riep ik, „ik zal mijn naam noemen, zoodra ik aan de
mijnen bericht toegezonden en hen daardoor in staat gesteld heb, om
tegen mijne willekeurige en gewelddadige arrestatie op te komen. Ik
schrijf twee regels; binnen tien minuten kan ik ze onderteekend terug
hebben. Zoodra dit bewijs, dat de mijnen onderricht zijn, in mijne
handen is, zal ik op elke billijke vraag van uw verhoor antwoorden.”
„De man scheen eene poos besluiteloos. Eindelijk kreeg ik ten antwoord:
„Ik moet uw verlangen onvoorwaardelijk van de hand slaan en mag u geen
gemeenschap, hoegenaamd ook, met de uwen vergunnen. Overigens zal ik
wel middelen weten te vinden, om van u te vernemen, wat wij weten
moeten. Tot wederzien!”
„Hij vertrok. Ik was in eene hevige gemoedsbeweging. De voorstelling,
welke ik mij maakte van den angst mijner moeder op het vernemen,
dat ik verdwenen was, zonder dat zij het geringste spoor van mijn
verblijf ontdekken kon, bewoog mij, den afkeer, mij door den hatelijken
onbekende ingeboezemd, in zoo verre te overwinnen, dat ik mijne
trotschheid tegen hem ter zijde stelde en hem met vriendelijker woorden
aansprak. „Van uwe menschelijkheid verwacht ik, mijnheer,” begon ik,
„dat gij mij in de gelegenheid zult stellen, om mijnen vrienden ten
minste eenige mondelinge tijding te doen toekomen en hen daardoor van
hunne bezorgdheid te ontheffen.”
„„Gij hebt slechts mijne bevelen op te volgen,” antwoordde hij met
bitse koelheid.
„En waarin bestaan deze? Ik zal toch mogen weten, werwaarts men mij
brengt?”
„„Uwe oogen zullen er u tijdig genoeg van onderrichten.”
„Ik durf u gerust bekennen, dat woede over dezen ellendeling en
bezorgdheid wegens moeder en zuster mij de tranen uit de oogen persten.
Met moeite bedwong ik de hevige drift, die mij tot uitersten dreigde te
vervoeren, die mijn nu reeds hachelijken toestand slechts verergeren
konden. Thans trad een der beide gendarmen binnen en fluisterde, doch
zóó dat ik het verstaan kon: „De wagen is reeds aan het veer en zal aan
de overzij der Elbe wachten. Ook de boot is gereed.”
„Op dit bericht gingen wij,—en van nu af kent gij mijn wedervaren;
want op den weg, dien wij thans insloegen, werdt gij mijne redders.”—
„De weinige minuten, die uw verhaal ons heeft opgehouden, zijn niet
verloren,” dus nam Bernard het woord op: „want nu eerst kunnen wij een
geregeld plan ontwerpen. Het grootste geluk is, dat gij u niet genoemd
hebt, ofschoon 't nog altijd een bedenkelijk stuk blijft, u naar
Dresden terug te brengen. Maar wat ter wereld kunnen die kerels toch
met u voorhebben?”
„In de eerste oogenblikken was ik zelf door de ontmoeting te zeer
onthutst, om aan hare aanleiding te kunnen denken; thans heb ik wel is
waar eenig vermoeden, maar voor het tegenwoordige kan ik mij daarover
niet nader uitlaten. Misschien wordt het geheele voorval nog de
onvoorziene grondslag van mijn volgend geluk.”
„Niets zou mij meer verheugen, beste vriend!” hervatte Bernard; „maar
nu wordt het tijd, dat wij ook aan de overigen denken. Uwe zuster
verkeert daar boven in doodelijken angst, uwe moeder beneden wellicht
niet minder. Wij werden afgezonden om u op te zoeken en de wagens te
ontbieden; dat moet dus nu ons eerste werk zijn. Wat u betreft, het
beste is, dunkt mij, dat gij regelrecht naar boven gaat en daar in
alle bedaardheid onze terugkomst afwacht. Uw uitblijven kunt gij bij
de meisjes verontschuldigen door te zeggen, dat er iets aan de wagen
gebroken was, dat u van minuut tot minuut heeft opgehouden. Zeg ook,
dat gij ons ontmoet hebt, en dat wij de verdere bezorging op ons namen,
terwijl gij u haasttet haar omtrent u zelf gerust te stellen. Ik zal
intusschen beneden alles in orde brengen en voorbereiden; vertel gij
echter geen sterveling iets van uwe werkelijke ontmoeting.—Nu, tot
wederzien, want wij hebben geen tijd meer te verliezen.”
„O, mijne vrienden!” riep Lodewijk, „hoe kan ik u ooit genoeg danken?
Wie weet, aan welk onheil gij mij ontrukt hebt!”
„Ei wat,” hernam Bernard, „dank het toeval, niet ons. Somwijlen spookt
mij zoo'n ding, wat men in 't gemeene leven voorgevoel noemt, door
de ziel, en dat heeft mij heden tot dat dollemansstuk aangedreven.
Verdrietig zoudt gij worden, als gij naar de eerste drijfveer van ons
doen, niet naar de gevolgen daarvan richten wildet. Immers, ingeval
men niet werkelijk een schurkenstreek met u voor had, ingeval uwe
gevangenneming, en dat moest ons toch wel het waarschijnlijkste
voorkomen, uit een bloot misverstand of uit eene nietsbeduidende reden
was voortgesproten, kon de onnoodige aanval op de gendarmen en uwe
gewelddadige bevrijding ons allen verduiveld slecht te staan komen en
u zelf tienmaal dieper in den nood brengen. Maar van achteren wordt
men wijs. Intusschen, één ding moet ik u zeggen: in den grond komt
alle eer er van aan mijne kunst toe. Bezwaarlijk zou ik mijn dolzinnig
plan volvoerd hebben, had ik met mijn scherpziend schildersoog niet
ettelijke lijnen op uw gezicht ontdekt, die onmogelijk door eene
bloote verdrietelijkheid of lichte bezorgdheid op uw voorhoofd konden
ingedrukt zijn. In weerwil van het matte lantaarnschijnsel, zou ik er
op gezworen hebben, dat de horizontale en vertikale strepen om het
centraalpunt uwer gansche physionomie, vooral aan de grenzen tusschen
voorhoofd en neusbeen, door de hand van een ernstig ongeluk geteekend
waren. Een groot meester herkent men dadelijk aan twee of drie trekken.
Dien dus hebt gij alles te danken en het blijft: leve de kunst! Maar
nu, vlieg vrij en frank als een arend naar boven, waar de arme jongen
uit het nest angstig naar u uitkijken.—Voorspoedige reis!”
Met deze woorden ijlde hij met Jaromir naar beneden, zonder Lodewijks
vernieuwden dank af te wachten.
„Mijne beste handteekening wou ik geven,” sprak hij onder het voortgaan
tot den jongen Pool, „wanneer de beide gendarmen ons ontmoetten en
naar het spoor vroegen der twee verwenschte spitsboeven, die hen zoo
onridderlijk uit den zadel gelicht en van hun buit ontheven hebben.
Ik zou hen eer naar den berg Sinaï, dan naar den top van den Potsberg
zenden.”
Lodewijk klom intusschen opwaarts. In de nabijheid van den toren
gekomen, klonk hem een luid „Werda?” tegemoet en hij herkende de
stem van Rasinski, die beurtelings met Boleslaw in een geregelden
voorpostendienst voorzag en juist eene verkenning deed. „Goed vriend!”
riep Lodewijk verheugd. „Eindelijk!” juichte men hem tegen, en Rasinski
bood hem vriendelijk de hand. „Wat zal uwe zuster verheugd zijn, die
zich reeds zoozeer over u verontrust heeft!” Als in triomf leidde hij
den wedergevondene naar den toren, waar de meisjes in sprakeloozen
angst neerzaten. „Lodewijk, zijt gij eindelijk daar?” riep Maria, de
armen naar hem uitstrekkende; „hoe kondt gij ons ook zoo lang alleen
laten?”
Volgens afspraak verontschuldigde Lodewijk zijn uitblijven zoo goed
hij konde en kondigde de meisjes eene spoedige verlossing uit de
zonderlinge gevangenis aan. „O, nu gij bij ons zijt en moeder niet meer
ongerust is, nu willen wij gaarne geduld hebben,” antwoordde Maria.
Zij wilde hem verzoeken, zich aan hare zijde neer te zetten, doch
onder voorwendsel, dat zijne kleederen doornat waren en hij derhalve
liever in beweging wilde blijven, wees hij deze bede van de hand.
De hoofdoorzaak echter was eene heimelijke bezorgdheid, of Bernard
zoude terugkomen dan niet; en deze hoopte hij, met de mannen buiten
rondwandelende, beter te zullen verbergen.
Eindelijk, na een bang half uur, hoorde men zweepgeklap in het bosch
en spoedig kon men het gedreun der langzaam aanrollende rijtuigen
duidelijk onderscheiden. Thans blonk een lichtschijnsel door de
struiken, en na eenige minuten werd men overtuigd, dat men zich niet
bedrogen had. Jaromir kwam te voet vooraan en bracht het bericht dat de
beide moeders mede naar boven kwamen, om een aanmerkelijken omweg te
besparen. Nu was het eene rijtuig genaderd; de koetsier sprong behendig
van den bok,—het was Bernard.
„Daar zijn wij,” riep hij, „en wel ik om goede redenen als koetsier.
De een der beide Autemedons was zoo smoordronken, dat hij tot niets
te gebruiken was. Wij hebben hem rustig en wel op het stroo laten
liggen, en ik was zoo vrij mij tot erfgenaam van zijn mantel te
verklaren, daar mijn rok zoo doornat is, als ware ik met Leander den
Hellespont overgezwommen. Nu ben ik bijna weer droog en kunt gij er u
mede verwarmen Lodewijk.” Meteen wierp hij den mantel aan zijn vriend
toe en beet hem onbemerkt in het oor: „Dat is uwe vermomming; men kan
niet weten wat er voorvalt. Gij moet op den bok en ons naar de stad
terugbrengen; de koetsiers zijn reeds onderricht en weten wat zij te
doen hebben.”
Met een zwijgenden handdruk dankte Lodewijk den vriend voor dezen
schrander overlegden maatregel. Deze had het hierbij niet laten
berusten, maar was er ook op bedacht geweest eenige flesschen goeden
wijn en een behoorlijken mondvoorraad mede te brengen ten einde men
zich hier boven een weinig zou kunnen versterken, om niet genoodzaakt
te zijn in den laten avond naar de herberg terug te keeren, wat voor
Lodewijk gevaarlijk had kunnen worden. Toen na al deze schikkingen
en toebereidsels eindelijk ook de beide moeders verschenen, welke
Bernard door het voorwendsel, dat men daardoor een aanzienlijken omweg
bespaarde, tot den laten rit, waartegen zij wel een weinig opzagen,
overreed had, was de laatste zorg uit het hart der drie meisjes
verbannen. Onbekommerd gaven zij zich aan een vroolijker stemming over,
ja, begonnen zich zelfs te verheffen op de romantische avonturen van
den dag, en waren ook geenszins de laatste, die van de goede gaven,
door Bernard medegebracht, een dankbaar gebruik maakten.
Eindelijk schikte men zich tot den terugrit. Zoowel de toestand van
Maria, die haren voet steeds uitgestrekt moest houden, als het late uur
maakten het voegzamer, dat heeren en dames gescheiden werden. Bernard
had bovendien zeer gegronde redenen, om zulks te wenschen, daar het in
geval van nood altijd goed was, dat de mannen alleen en bij elkander
waren, en ook de wagen, waarin zich enkel vrouwen bevonden, bij
mogelijk onderzoek aan de poort geenerlei vertraging te duchten had.
Deze laatste reed het eerste af en werd door den wezenlijken koetsier
bestuurd. Daar de mannen nu alleen waren, gaf Bernard een zoo beknopt
mogelijk verslag van het voorgevallene, ten einde die zonderlinge
verkleeding van Lodewijk als koetsier te verklaren. Men beloofde
elkander in volkomen overeenstemming te zullen handelen, en Rasinski
verzekerde daarenboven, dat zijne uniform toereikend zijn zoude, om ten
minste voor het oogenblik elk gevaar af te wenden. Lodewijk drukte de
door Bernard meegebrachte koetsiersmuts diep in de oogen, wikkelde zich
zorgvuldig in den mantel en sprong op den bok. Onder het rijden gaf
Bernard een meer uitvoerig verhaal van het gebeurde, ten einde daardoor
het gevaar uit den weg te ruimen.
Ongehinderd bereikte men het veer en de overzijde der Elbe. Nu boog
Bernard zich uit het portier en verzocht Lodewijk, stil te houden.
„Het is wel hoogst waarschijnlijk,” zeide hij, „dat men u in het
geheel niet kent, doch zeker is het niet. De mogelijkheid bestaat,
dat men u in het huis uwer moeder komt opzoeken. In allen gevalle is
het voorzichtiger, dat gij er dezen nacht niet doorbrengt en u schuil
houdt, tot wij den grond verkend hebben. Een geschikt voorwendsel kunt
gij aan mij overlaten. Roep nu uwen collega, den eersten koetsier,
slechts toe, dat hij stilhoude, dan vindt zich het overige van zelf.”
Lodewijk gehoorzaamde. Zijn vriend sprong uit den wagen, snelde naar de
vrouwen en verzocht deze zich niet te verontrusten, zoo men haar alleen
verder liet rijden, daar de paarden van het laatste rijtuig dermate
vermoeid waren, dat zij niet meer van de plaats wilden, en men dus
genoodzaakt was, hen te voederen en wellicht een uur rust moest houden.
Den koetsier wenkte hij ter zijde, gaf hem een drinkgeld en sprak:
„Wees onbezorgd, wij blijven u op korten afstand volgen, maar hebben
onze redenen, waarom wij niet tegelijk met de dames de stad wenschen
binnen te rijden.”
„'t Is wel,” mompelde deze, nam zijne plaats weder in en reed door.
Alsof zulks hem thans eerst inviel, liep Bernard het damesrijtuig na
en riep het portier in: „Nog iets! Daar wij waarschijnlijk veel later
aankomen dan gij, zal Lodewijk u niet storen, maar den nacht bij mij
doorbrengen.”
Zonder antwoord af te wachten, ijlde hij naar zijne vrienden terug. „Nu
is alles in orde,” riep hij vroolijk. „Wij zijn vermomd, gemaskerd,
geharnast en verschanst; heeft nu iemand lust de vesting te bestormen,
te belegeren of te laten uithongeren, hij zal den kop stooten, wees
daar gerust op.”
Vijf minuten later dan de vrouwen zetten ook de mannen hun rit voort,
zoodat zij genoegzaam in de nabijheid bleven, om ze, wanneer een
onverwacht voorval zulks vorderde, dadelijk bij te kunnen springen.
Op den ganschen weg bejegende hun niets verdacht; ongehinderd bereikten
zij de poort van Dresden; bij het binnenrijden werden zij echter
aangehouden.
Een politiebeambte en een gendarm traden op het rijtuig toe en vroegen
vanwaar men kwam en wie men was. Volgens afspraak belastte Rasinski
zich met de beantwoording dezer vragen, welke Bernard wel had voorzien.
De uniform en de rang van den graaf boezemden den ondervragers
onmiskenbaar ontzag in; zij traden eenige schreden terug en schenen met
elkander te beraadslagen. Bernard, wien niet het geringste ontging,
bespeurde, dat een derde, in een langen mantel gehulde gestalte zich
bij hen vervoegde. Zijn geoefend oog had weinig moeite, om daarin den
hoofdvijand van Lodewijk te herkennen; men bevond zich dus inderdaad in
een gevaarlijken toestand. Rasinski boog zich eindelijk ongeduldig uit
het portier en riep: „Waarop hebben wij nog te wachten? Het is laat;
men houde ons niet langer op.”
Men talmde nog een poos; eindelijk trad de gendarm met eene lantaarn
nader, lichtte in den wagen en zeide beleefd: „Vergeef mij, heer
overste; maar wij zijn gelast, een persoon die van Pillnitz komen moet,
hier dadelijk aan de poort van eene hoogst gewichtige aangelegenheid
bericht te geven. Ik heb dus slechts te onderzoeken, of hij zich
misschien ook in uw midden bevindt.”
„Mocht de duivel,” riep de overste driftig. „Deze heeren zijn mijne
regimentskameraden, die dáár is mijn vriend, en geen van ons heeft zoo
laat in den nacht berichten te wachten. Laat ons met rust! Voorwaarts
koetsier!”
De wagen rolde voort, en zonder verdere belemmering bereikte men het
Hôtel de Pologne, waar Rasinski en zijne krijgsmakkers hun intrek
namen. Daar zou Lodewijk den nacht vertoeven, terwijl Bernard op zich
nam het rijtuig naar den stal des eigenaars terug te brengen. Den
volgenden morgen wilde men verdere maatregelen nemen.