HOOFDSTUK VI.

De laatste werklieden verlieten juist de plaats,—de opzichter was

reeds vroeger vertrokken, zoodat Lodewijk door niets verhinderd werd,

zich in het volle bezit van den toren te stellen. Hij opende het kleine

vertrek, dat, met opeengestapelde tafels, stoelen en tentstangen

onordelijk opgevuld, aan zoovele personen te nauwernood den toegang,

veel minder eenige gemakken aanbood. De mannen gingen intusschen

moedig aan het werk en trachtten, door een zorgvuldiger bijeenpakken

en op elkander schuiven der verwarde huishouding, eenige ruimte te

veroveren. Dit gelukte eindelijk in zoo verre, dat men voor de acht

aanwezigen acht stoelen ontledigde; de deuren moesten natuurlijk,

om lucht en licht door te laten, geopend blijven; want aan het

ontsluiten der verschanste vensterluiken was niet te denken. Juist

te rechter tijde was men met deze voorbereidselen in gereedheid, daar

de groote regendroppels steeds dichter en dichter nedervielen en de

storm zich nederlegde. Een hevige donderslag, dicht over de hoofden

der verzamelden heenrollende, scheen de wolken eensklaps vaneen te

rijten en voor de waterstroomen des hemels de baan te openen. Zware

hagelsteenen, met scherpe ijssplinters doormengd, vereenigden zich met

den geweldigen stortregen, die kletterend neerplaste, en sloegen het

teedere loof der boomen met eene verheerende kracht en snelheid ter

neder. De schuilenden moesten zich nu inderdaad gelukkig achten de

terugreis niet ondernomen te hebben; want een onweder in die hevigheid

was ongetwijfeld met groot gevaar verbonden, wanneer het hen midden op

den weg overvallen en hun geen tijd gegund had naar eenige schuilplaats

om te zien. Eene duisternis, de laatste schemering evenarende, omgaf de

bergkruinen. De donderwolken legerden zich gestadig dichter daarom heen

en bliksemstraal volgde op bliksemstraal, zoodat de gansche atmospheer

in laaien vuurgloed stond, terwijl het rollen des donders niet meer

ophield, maar slechts enkele, verdoovend krakende slagen zijne

ontzagwekkende gelijkvormigheid afwisselden.

De aanblik van dit verheven natuurtooneel liet de mannelijke, met het

gevaar vertrouwde borst niet geheel onbewogen, en hoeveel te meer moest

die der vrouwen daardoor dan niet met bangen angst vervuld worden!

Stil en bleek zaten de drie meisjes naast elkander aan die zijde, waar

zij tegen het inslaan van den regen het best beschut waren. Maria leed

bovendien nog hevige pijnen aan den verzwikten voet; tusschen Julie

en Emma zittende, leunde zij het hoofd tegen den schouder der eerste,

terwijl de andere de hand der lijdende vriendin deelnemend in de

hare sloot. De mannen zochten door eene uiterlijke gerustheid, welke

Rasinski door onverschillige aanmerkingen, Bernard zelfs door scherts

poogde aan den dag te leggen, den moed der vrouwen staande te houden.

Intusschen verried zich het gemaakte dier kalmte te duidelijk, om niet

eene tegenovergestelde uitwerking te weeg te brengen. En inderdaad werd

de bezorgdheid, welke het schijnbare gevaar aan de vrouwen inboezemde,

nog door de vrees overtroffen, die een beter inzicht in het werkelijke

bij de mannen verwekte. Niemand hunner kon het zich toch langer

ontveinzen, dat het onweder tot de hevigste behoorde, die ooit plegen

voor te komen, en dat deze eenzame hoogte, om welke de bezwangerde

wolken zich gestadig dichter opeenpakten, de gevaarlijkste plaats

was, die men tot een toevluchtsoord had kunnen uitkiezen. Lodewijk

inzonderheid was zeer bezorgd, dat de bliksem in den toren mocht

neerslaan, daar de afleider hem op verre na geen toereikende zekerheid

scheen te verleenen. Een geluk was het overigens, dat niemand de spits

daarvan zien konde, anders zouden de lichtkrans, die om de staalpunt

vlamde, en de vuurstraal die bij voortduring langs de neerhangende

stang afgolfde, de vrees nog aanmerkelijk vermeerderd hebben.

Ongeveer een half uur woedde het onweder met volle hevigheid; daarna

nam het af, de donder en bliksem werden minder en de regen stroomde,

hoewel nog steeds rijkelijk genoeg, toch min onstuimig naar beneden.

De meisjes haalden weder ruimer adem en genoten het vroolijke gevoel,

dat na een doorworsteld gevaar het hart bezielt en waardoor de

schuldelooze borst slechts tot zachte, dankbare aandoeningen gestemd

wordt. Maria zag haren broeder met een onbeschrijflijk liefderijken

blik aan; Lodewijk verstond dien. Hij reikte haar de hand en zeide:

„Goede Maria, lijdt gij nog pijn?”

„Neen,” antwoordde zij, niet geheel naar waarheid; „maar het gaan zal

mij toch nog bezwaarlijk vallen.”

„Mij wordt het hier te eng in de bedompte kooi, ik moet mij

verfrisschen!” riep Bernard en sprong haastig naar buiten, waar de

frissche, thans slechts als zilverstof neervallende regen hem de

gloeiende wangen afkoelde. Ook Lodewijk trad in de vrije lucht en

volgde zijn vriend naar de andere zijde van den toren, waar men den

hemel beter overzien kon. „Dat regent nog vier en twintig uren voort,”

sprak Bernard. „Maar wat ik zeggen wou, gij hebt eene zuster, die, de

hemel weet het, meer deugt dan gij en ik te zaam genomen. Waarachtig,

zij kan gelden voor eene vrouw, en bemint u meer dan gij misschien

verdient. Van jongs af zijn tranen mij een gruwel geweest, te weten in

mijn eigen oogen, anders wil ik er niet voor instaan, of, toen zij u

zoo vriendelijk aanzag...”

„Gij hebt een traan in het oog,” sprak Lodewijk, en zag hem met

vriendelijken ernst aan, „o, schaam u daarover niet.”

„Mocht de drommel!” riep Bernard gemelijk; „een regendrop is 't, die

mij op de wang spatte! Ik zeg u immers, tranen in 't mannenoog zijn

mij zoo hatelijk als een matrozenvloek op meisjeslippen, zelfs vrouwen

zie ik niet gaarne weenen, want het steekt aan. In de werkelijkheid

namelijk; want dat ik gaarne treurende vrouwenbeelden schilder, wil ik

niet loochenen en kan ik u terstond bewijzen.” Tegelijk kreeg hij het

schetsenboek met perkamentbladen te voorschijn, dat hij gestadig bij

zich droeg.

„In dit boekje,” zeide hij, „staat menig gezicht dat het aanzien waard

is, schoon niet altijd een blauwe hemel uit de blauwe oogen lacht.

Waarlijk, uwe zuster kwam er thans ook in, als die verdrietige regen

mij het werken maar niet belette. De geheele groep zou ik willen

afteekenen, met Mars Rasinski aan 't hoofd, die de drie duiven als een

arend onder zijne vleugels neemt, schoon ik den kerel van ganscher

harte naar de maan begin te wenschen.”

„Het doet mij genoegen,” antwoordde Lodewijk, „dat gij die schetsen

bij u hebt, want de regen kan aanhouden en in die statige verwachting

schijnen de uren zich te verdubbelen. Konden wij de vrouwen een uur

misleiden, het zou mij hoogst aangenaam zijn. Kom dan meê naar binnen

en laat de meisjes uw boek zien.”

„Ik heb er vrede meê,” hervatte Bernard, „schoon het eigenlijk voor de

kunst, die ons in kalme, rustige uren als eene goddelijke leidsvrouw

verzellen moest, wat smadelijk is, dat wij haar tot vogelverschrikker

tegen een paar rondfladderende zorgen, of liever tot verguldsel op de

pil gebruiken, die het lieve noodlot ons te slikken geeft.” Zij traden

binnen.

„Wij hebben de lucht naar alle zijden opgenomen,” sprak Lodewijk, „en

hopen dat de regen weldra zal ophouden. Intusschen wil Bernard ons met

zijne schetsen den tijd verkorten, zoodat wij aan onzen tegenspoed nog

een onverwacht geluk te danken hebben.”

„En is dat gewoonlijk niet het geval?” vroeg Maria glimlachend.

„Voorzeker,” antwoordde Bernard, „en ik vooral hoop mij de ramp ten

nutte te maken; want als ik hier mijn teekenboek vertoonen zal, kan het

onmogelijk bij elk omslaan van het blad van hand tot hand rondgaan,

daar ik als uitlegger en oppermachtig bezitter de beschouwing zelf

behoor te besturen. Voor eenige oogenblikken moet ik dus volstrekte

gehoorzaamheid vorderen en onderwerping aan de maatregelen, welke ik

nemen zal om mij eene benijdenswaardige plaats te verzekeren.”

Men was dadelijk bereid aan dezen eisch te voldoen. Bernard plaatste

dus vier stoelen op een rij; aan den rechtervleugel moest Maria plaats

nemen, hij zelf zette zich nevens haar en nam Emma en Julie aan zijne

linkerzijde. De overige vier mannen moesten zich achter de stoelen

scharen; Rasinski trad achter Maria, Lodewijk achter Bernard, de beide

jonge officieren achter Julie en Emma.

„Zoo,” begon Bernard, „nu zal ik met strenge onpartijdigheid nu rechts

dan links bij de dames beginnen en van alles eene stipte verklaring

geven. Één ding verzoek ik echter: vraag mij bij landschappen,

bij mannen, kortom bij alles, naar pas, stand en naam; maar de

vrouwenbeelden blijven incognito, daar ik het geheime boek van mijn

hart waarlijk niet voor ieder durf openleggen.”

Ook aan deze harde wet onderwierp men zich gewillig en ging met

gespannen verwachting tot het beschouwen der handteekeningen over.

De meeste waren, als Bernards gemoedsaard, stout, levendig, met

weinige gespierde trekken eer scherp aangeduid dan uitgewerkt, zelden

sierlijk, uitvoerig en zuiver. Bij wijlen echter straalde ook de fijne

bevalligheid zijner stift in de behandeling door. De inhoud van het

boek bestond uit landschapstukken, als: romantische rotspartijen,

boomgroepen, watervallen; soms ook ontmoette men een volledig

landschap; hiertusschen waren figuren in verschillende volksdracht,

noorweegsche visschers, trotsche jagers, kudden rendieren en dergelijke

tafereelen vluchtig neergeworpen. Alles was geheel oorspronkelijk en

boeide door de vreemdsoortigheid der onderwerpen.

„Gij zult bespeuren,” merkte de vertooner op, „dat er een zekere

plaatselijke samenhang in mijn werk heerscht, daar gij er mijne

reisroute uit volgen kunt en kunt zien, waar ik mij in steden en onder

menschen, waar in de eenzaamheid ophield. Van den beginne af had ik

het mij tot wet gemaakt, niet nu hier dan daar het boek te openen en

aan het teekenen te gaan, maar het eene blad na het andere te vullen

en daarbij zooveel mogelijk plaats te besparen, daar ik het meesleepen

van onnutte dingen haat en gaarne alles bijeenhoud. Vandaar heb ik

nog, schoon ik van den eersten dag der reis mijne schetsen begon op te

zamelen, eenige groote bladen over, waarop ik dezen toren en ons allen

daarin afteekenen kan, als het weer mij slechts een half uur den tijd

gunt. Maar zie hier dezen Bergschot met zijne dochter; de partij op

den achtergrond behoort bij het meer Kathrin. Wij naderen nu met elk

blad de beschaafde wereld en weldra bevinden wij ons in het midden van

Londen.—Waarachtig, daar is reeds eene lady, wie ik, zonder dat zij

't wist, haar portret ontkaapte, terwijl zij voor haar landhuis op het

terras zat en ik mij in een vlierbosch schuilhield.”

„Hoe lief en onschuldig vlijt zich dat kind aan haren schoot,” zeide

Maria. „De bloemkrans, dien het der moeder brengt, is toch wel eigen

vinding?”

„Zeker niet,” antwoordde Bernard; „de stoute spring-in-'t-veld had

eene gansche handvol madeliefjes, aurikels en andere kleine bloemen

verzameld en bestrooide er zijne moeder meê, die hem daarvoor, naar

mijn oordeel, eens duchtig had moeten afstraffen, den wilden vernielal,

die in eene minuut meer afplukte dan in eene week weer kon aangroeien;

maar zij deed het niet en lachte, en kuste den kleinen krulkop; ook

daaraan heeft mijne vinding geen deel. Over het geheel is het gansche

boek als het ware een zakspiegel, waarin ik slechts de beelden der

werkelijkheid opving.”

Men bladerde voort en vond eenige caricaturen, daarop verschillende

aardige landmeisjes, pachtersdochters, melkverkoopsters en dergelijke

beelden. Eindelijk was men in Londen. Naar hij vooraf gezegd had, liet

hij teekeningen van vrouwelijke gestalten en beelden zonder verklaring

voorbijgaan, wat Lodewijk zeer lief was. Deze begreep nu toch, dat

zijn vriend die voorwaarde opzettelijk gemaakt had om der vrouwen eene

verlegenheid te besparen, daar onder de herinneringen uit Londen enkele

waren, die het oog der mannen lichtelijk voor de zoodanige herkende,

over wie nadere uitlegging onvoegzaam was. Dat de schilder ze als

gelaatkundige studiën behandeld had, kon hem niemand ten kwade duiden.

Te midden der schalksche, moedwillige gezichten was ook wel hier en

daar eene zachte, eerzame engelsche te vinden.

„O hoe schoon!” riep Maria, toen Bernard een nieuw blad omslag; „hoe

verrukkelijk schoon!”

Rasinski, door dezen uitroep opmerkzaam gemaakt, boog zich dieper over

den schouder van het meisje. Onwillekeurig riep ook hij: „Bij den

hemel, dat gelaat is bekoorlijk!”

„Onbeschrijfelijk!” vervolgde Maria. „Maar wie is zij? Deze ééne moet

gij ons noemen,” voegde zij er vleiende bij.

„En als ik nu juist om dit portret mijn beding gemaakt had?” begon

Bernard. „Maar schoon zulks niet het geval is, ben ik hier toch

gedwongen, mij daaraan strikt te houden. Ik ontvreemdde dit gezicht,

als Prometheus het goddelijke vuur uit den hemel, in het _Kings

theatre_ te Londen, toen de Romeo en Julia gegeven werd en ik in eene

loge slechts deze Julia zag, die mij van die op het tooneel niet het

minste deed zien of hooren. Daar roofde ik dit gelaat, met zijne

zachte, hemelsche uitdrukking.”

„O, welke roerende tranen!” sprak Maria.

Lodewijk, die zich tot hiertoe bescheiden had teruggehouden, om

Rasinski niet te hinderen, boog zich nu voorover om de teekening te

zien, welke Maria hem vriendelijk voorhield. Nauwelijks echter had

hij een blik op het blad geworpen, of tot in het diepst zijner ziel

geschokt, beefde hij terug, daar hij Bianca's beeltenis herkende. Een

snelle kreet ontsnapte zijne lippen; maar, zonder zich zelf bewust

te zijn door welke macht, werd hij zich toch in zoo verre meester,

dat hij op het, hem in de eerste hartstochtelijke drift ontvallen: „O

hemel!” een meer koel: „Welk een bekoorlijk wezen!” kon laten volgen.

Meer vermocht hij niet. Zijn oog werd beneveld; ofschoon het zachte

gelaat zijne blikken met onbeschrijfelijke tooverkracht tot zich trok,

scheurde hij zich met geweld daarvan los, om zijne aandoening niet nog

meer te verraden. In angstvolle spanning verbeidde hij, of hem thans

door het zonderlingste toeval een geheim, waarvan het geluk van zijn

leven afhing, zoude ontsluierd worden; want Maria, die maar niet kon

begrijpen, dat Bernard niet weten zou wie dit bekoorlijke wezen was,

vroeg nogmaals: „En gij kondt dan werkelijk niets van haar ontdekken?

Een zoo belangwekkend wezen kon immers zelfs in het onmetelijke Londen

niet onbekend blijven.”

„Waarlijk, ik weet niets,” hervatte Bernard. „Wel deed ik moeite om

iets te ontdekken, maar mijne proef liep vrij ongelukkig uit, hoe?

zal ik u dadelijk vertellen. De zachte verhevenheid van dit gelaat,

de onbeschrijfelijk roerende droefheid daarop geteekend—want op

mijn woord, ik heb er slechts eene caricatuur van geleverd,—bracht

mij,—waarom zou ik 't niet bekennen?—op mijne plaats in het parterre

niet weinig aan 't dwepen. Ik moest het gezicht hebben, daar zwoer

ik een duren eed op, maar hoe het te schetsen zonder dat zulks in

het oog viel? Naast mij zat een koopman, die lang in Konstantinopel

gewoond en zich daar de oostersche wijze van spreken aangewend had. Ik

kende hem eenigszins. Deze bemerkte wel, dat ik staag naar de loge

en niet naar het tooneel zag, schoon Julia zoo even van Romeo haar

roerend afscheid nam. Hij fluisterde mij toe: „Niet waar, sir, een

gezicht om uit te schilderen, ofschoon uit den helder blauwen hemel

der oogen vochtige dauwdroppen op de rozen der wangen parelen.” Zij

weende namelijk de schoonste tranen, die ik immer gezien heb. „Bij den

hemel, dat is het!” antwoordde ik, „maar waar en hoe?”—„Daar boven is

eene loge onbezet,” fluisterde hij mij in 't oor; „wanneer gij daar

gaat zitten en de deur van den dwarsgang een weinig openlaat, valt u

juist zooveel licht op het blad als gij noodig hebt, terwijl gij zelf

in de schaduw zit.”—Ik verzuimde geen oogenblik dien raad te volgen.

Mijn standpunt was allergunstigst; op de achterste bank der loge zat

ik geheel onbemerkt en zag het hemelsche wezen vlak in het gezicht,

terwijl zij het vochtig oog onafgewend op het tooneel gericht hield.

De onschatbare roof gelukte mij zoo volkomen, als het maar zijn kon.

In mijn arbeid verdiept, had ik echter niet bemerkt, dat iemand de

loge was binnengetreden. Plotseling beet mij eene ruwe, onaangename

stem een fluisterend „Sir!” in het oor. Verschrikt sprong ik op. „Een

woord, sir!” sprak de stem, die een man van omstreeks dertig jaren

toebehoorde, die mij wenkte in den gang te komen. De norsche onbekende

gaat met mij op straat en begint mij daar vrij onbeschoft te vragen,

met welk recht ik mij veroorloofde eene dame te teekenen zonder hare

toestemming. Ik antwoordde kortaf; het gesprek werd wat driftig en

het gevolg was de afspraak tot eene ontmoeting in Hydepark tegen den

volgenden morgen te acht uur. De vreemde verliet mij hierop zonder in

den schouwburg terug te gaan; ik stapte intusschen weer naar mijne

loge, om nog het een en ander nauwkeuriger uit te werken. Maar nog

heden zou ik razend kunnen worden van spijt; toen ik binnentrad,

was de andere loge geheel ledig en de dame met haar gezelschap

spoorloos verdwenen. Ik ondervraag den deurwachter: „Zij zijn zoo even

weggereden,” is het antwoord, „maar ik ken ze niet.” Ik vlieg naar

mijn koopman in het parterre. Ook deze is vertrokken. Thans bleef mij

geen andere troost over dan de ontmoeting in Hydepark, waar ik althans

hoopte te vernemen, wie mijne tegenpartij was. Stipt te half acht ben

ik op de plaats, maar indien ik er nog stond, ware er misschien nog

niemand gekomen. Kortom, ik had elk spoor verloren, want ook de Turk

was geheel onverwachts weder naar de Levant afgereisd, zonder dat ik

hem gesproken had. Naderhand heb ik menigmalen mijne beeltenis aan

vertrouwde vrienden vertoond, maar niemand kende het oorspronkelijke;

te vergeefs heb ik drie maanden lang alle schouwburgen van Londen

bezocht en geene enkele vertooning van Romeo en Julia verzuimd, nooit

is het mij gelukt, ook zelfs het geringste spoor van mijne onbekende te

ontdekken.”

1812: Historische roman · 第 25 / 154 题