De laatste werklieden verlieten juist de plaats,—de opzichter was
reeds vroeger vertrokken, zoodat Lodewijk door niets verhinderd werd,
zich in het volle bezit van den toren te stellen. Hij opende het kleine
vertrek, dat, met opeengestapelde tafels, stoelen en tentstangen
onordelijk opgevuld, aan zoovele personen te nauwernood den toegang,
veel minder eenige gemakken aanbood. De mannen gingen intusschen
moedig aan het werk en trachtten, door een zorgvuldiger bijeenpakken
en op elkander schuiven der verwarde huishouding, eenige ruimte te
veroveren. Dit gelukte eindelijk in zoo verre, dat men voor de acht
aanwezigen acht stoelen ontledigde; de deuren moesten natuurlijk,
om lucht en licht door te laten, geopend blijven; want aan het
ontsluiten der verschanste vensterluiken was niet te denken. Juist
te rechter tijde was men met deze voorbereidselen in gereedheid, daar
de groote regendroppels steeds dichter en dichter nedervielen en de
storm zich nederlegde. Een hevige donderslag, dicht over de hoofden
der verzamelden heenrollende, scheen de wolken eensklaps vaneen te
rijten en voor de waterstroomen des hemels de baan te openen. Zware
hagelsteenen, met scherpe ijssplinters doormengd, vereenigden zich met
den geweldigen stortregen, die kletterend neerplaste, en sloegen het
teedere loof der boomen met eene verheerende kracht en snelheid ter
neder. De schuilenden moesten zich nu inderdaad gelukkig achten de
terugreis niet ondernomen te hebben; want een onweder in die hevigheid
was ongetwijfeld met groot gevaar verbonden, wanneer het hen midden op
den weg overvallen en hun geen tijd gegund had naar eenige schuilplaats
om te zien. Eene duisternis, de laatste schemering evenarende, omgaf de
bergkruinen. De donderwolken legerden zich gestadig dichter daarom heen
en bliksemstraal volgde op bliksemstraal, zoodat de gansche atmospheer
in laaien vuurgloed stond, terwijl het rollen des donders niet meer
ophield, maar slechts enkele, verdoovend krakende slagen zijne
ontzagwekkende gelijkvormigheid afwisselden.
De aanblik van dit verheven natuurtooneel liet de mannelijke, met het
gevaar vertrouwde borst niet geheel onbewogen, en hoeveel te meer moest
die der vrouwen daardoor dan niet met bangen angst vervuld worden!
Stil en bleek zaten de drie meisjes naast elkander aan die zijde, waar
zij tegen het inslaan van den regen het best beschut waren. Maria leed
bovendien nog hevige pijnen aan den verzwikten voet; tusschen Julie
en Emma zittende, leunde zij het hoofd tegen den schouder der eerste,
terwijl de andere de hand der lijdende vriendin deelnemend in de
hare sloot. De mannen zochten door eene uiterlijke gerustheid, welke
Rasinski door onverschillige aanmerkingen, Bernard zelfs door scherts
poogde aan den dag te leggen, den moed der vrouwen staande te houden.
Intusschen verried zich het gemaakte dier kalmte te duidelijk, om niet
eene tegenovergestelde uitwerking te weeg te brengen. En inderdaad werd
de bezorgdheid, welke het schijnbare gevaar aan de vrouwen inboezemde,
nog door de vrees overtroffen, die een beter inzicht in het werkelijke
bij de mannen verwekte. Niemand hunner kon het zich toch langer
ontveinzen, dat het onweder tot de hevigste behoorde, die ooit plegen
voor te komen, en dat deze eenzame hoogte, om welke de bezwangerde
wolken zich gestadig dichter opeenpakten, de gevaarlijkste plaats
was, die men tot een toevluchtsoord had kunnen uitkiezen. Lodewijk
inzonderheid was zeer bezorgd, dat de bliksem in den toren mocht
neerslaan, daar de afleider hem op verre na geen toereikende zekerheid
scheen te verleenen. Een geluk was het overigens, dat niemand de spits
daarvan zien konde, anders zouden de lichtkrans, die om de staalpunt
vlamde, en de vuurstraal die bij voortduring langs de neerhangende
stang afgolfde, de vrees nog aanmerkelijk vermeerderd hebben.
Ongeveer een half uur woedde het onweder met volle hevigheid; daarna
nam het af, de donder en bliksem werden minder en de regen stroomde,
hoewel nog steeds rijkelijk genoeg, toch min onstuimig naar beneden.
De meisjes haalden weder ruimer adem en genoten het vroolijke gevoel,
dat na een doorworsteld gevaar het hart bezielt en waardoor de
schuldelooze borst slechts tot zachte, dankbare aandoeningen gestemd
wordt. Maria zag haren broeder met een onbeschrijflijk liefderijken
blik aan; Lodewijk verstond dien. Hij reikte haar de hand en zeide:
„Goede Maria, lijdt gij nog pijn?”
„Neen,” antwoordde zij, niet geheel naar waarheid; „maar het gaan zal
mij toch nog bezwaarlijk vallen.”
„Mij wordt het hier te eng in de bedompte kooi, ik moet mij
verfrisschen!” riep Bernard en sprong haastig naar buiten, waar de
frissche, thans slechts als zilverstof neervallende regen hem de
gloeiende wangen afkoelde. Ook Lodewijk trad in de vrije lucht en
volgde zijn vriend naar de andere zijde van den toren, waar men den
hemel beter overzien kon. „Dat regent nog vier en twintig uren voort,”
sprak Bernard. „Maar wat ik zeggen wou, gij hebt eene zuster, die, de
hemel weet het, meer deugt dan gij en ik te zaam genomen. Waarachtig,
zij kan gelden voor eene vrouw, en bemint u meer dan gij misschien
verdient. Van jongs af zijn tranen mij een gruwel geweest, te weten in
mijn eigen oogen, anders wil ik er niet voor instaan, of, toen zij u
zoo vriendelijk aanzag...”
„Gij hebt een traan in het oog,” sprak Lodewijk, en zag hem met
vriendelijken ernst aan, „o, schaam u daarover niet.”
„Mocht de drommel!” riep Bernard gemelijk; „een regendrop is 't, die
mij op de wang spatte! Ik zeg u immers, tranen in 't mannenoog zijn
mij zoo hatelijk als een matrozenvloek op meisjeslippen, zelfs vrouwen
zie ik niet gaarne weenen, want het steekt aan. In de werkelijkheid
namelijk; want dat ik gaarne treurende vrouwenbeelden schilder, wil ik
niet loochenen en kan ik u terstond bewijzen.” Tegelijk kreeg hij het
schetsenboek met perkamentbladen te voorschijn, dat hij gestadig bij
zich droeg.
„In dit boekje,” zeide hij, „staat menig gezicht dat het aanzien waard
is, schoon niet altijd een blauwe hemel uit de blauwe oogen lacht.
Waarlijk, uwe zuster kwam er thans ook in, als die verdrietige regen
mij het werken maar niet belette. De geheele groep zou ik willen
afteekenen, met Mars Rasinski aan 't hoofd, die de drie duiven als een
arend onder zijne vleugels neemt, schoon ik den kerel van ganscher
harte naar de maan begin te wenschen.”
„Het doet mij genoegen,” antwoordde Lodewijk, „dat gij die schetsen
bij u hebt, want de regen kan aanhouden en in die statige verwachting
schijnen de uren zich te verdubbelen. Konden wij de vrouwen een uur
misleiden, het zou mij hoogst aangenaam zijn. Kom dan meê naar binnen
en laat de meisjes uw boek zien.”
„Ik heb er vrede meê,” hervatte Bernard, „schoon het eigenlijk voor de
kunst, die ons in kalme, rustige uren als eene goddelijke leidsvrouw
verzellen moest, wat smadelijk is, dat wij haar tot vogelverschrikker
tegen een paar rondfladderende zorgen, of liever tot verguldsel op de
pil gebruiken, die het lieve noodlot ons te slikken geeft.” Zij traden
binnen.
„Wij hebben de lucht naar alle zijden opgenomen,” sprak Lodewijk, „en
hopen dat de regen weldra zal ophouden. Intusschen wil Bernard ons met
zijne schetsen den tijd verkorten, zoodat wij aan onzen tegenspoed nog
een onverwacht geluk te danken hebben.”
„En is dat gewoonlijk niet het geval?” vroeg Maria glimlachend.
„Voorzeker,” antwoordde Bernard, „en ik vooral hoop mij de ramp ten
nutte te maken; want als ik hier mijn teekenboek vertoonen zal, kan het
onmogelijk bij elk omslaan van het blad van hand tot hand rondgaan,
daar ik als uitlegger en oppermachtig bezitter de beschouwing zelf
behoor te besturen. Voor eenige oogenblikken moet ik dus volstrekte
gehoorzaamheid vorderen en onderwerping aan de maatregelen, welke ik
nemen zal om mij eene benijdenswaardige plaats te verzekeren.”
Men was dadelijk bereid aan dezen eisch te voldoen. Bernard plaatste
dus vier stoelen op een rij; aan den rechtervleugel moest Maria plaats
nemen, hij zelf zette zich nevens haar en nam Emma en Julie aan zijne
linkerzijde. De overige vier mannen moesten zich achter de stoelen
scharen; Rasinski trad achter Maria, Lodewijk achter Bernard, de beide
jonge officieren achter Julie en Emma.
„Zoo,” begon Bernard, „nu zal ik met strenge onpartijdigheid nu rechts
dan links bij de dames beginnen en van alles eene stipte verklaring
geven. Één ding verzoek ik echter: vraag mij bij landschappen,
bij mannen, kortom bij alles, naar pas, stand en naam; maar de
vrouwenbeelden blijven incognito, daar ik het geheime boek van mijn
hart waarlijk niet voor ieder durf openleggen.”
Ook aan deze harde wet onderwierp men zich gewillig en ging met
gespannen verwachting tot het beschouwen der handteekeningen over.
De meeste waren, als Bernards gemoedsaard, stout, levendig, met
weinige gespierde trekken eer scherp aangeduid dan uitgewerkt, zelden
sierlijk, uitvoerig en zuiver. Bij wijlen echter straalde ook de fijne
bevalligheid zijner stift in de behandeling door. De inhoud van het
boek bestond uit landschapstukken, als: romantische rotspartijen,
boomgroepen, watervallen; soms ook ontmoette men een volledig
landschap; hiertusschen waren figuren in verschillende volksdracht,
noorweegsche visschers, trotsche jagers, kudden rendieren en dergelijke
tafereelen vluchtig neergeworpen. Alles was geheel oorspronkelijk en
boeide door de vreemdsoortigheid der onderwerpen.
„Gij zult bespeuren,” merkte de vertooner op, „dat er een zekere
plaatselijke samenhang in mijn werk heerscht, daar gij er mijne
reisroute uit volgen kunt en kunt zien, waar ik mij in steden en onder
menschen, waar in de eenzaamheid ophield. Van den beginne af had ik
het mij tot wet gemaakt, niet nu hier dan daar het boek te openen en
aan het teekenen te gaan, maar het eene blad na het andere te vullen
en daarbij zooveel mogelijk plaats te besparen, daar ik het meesleepen
van onnutte dingen haat en gaarne alles bijeenhoud. Vandaar heb ik
nog, schoon ik van den eersten dag der reis mijne schetsen begon op te
zamelen, eenige groote bladen over, waarop ik dezen toren en ons allen
daarin afteekenen kan, als het weer mij slechts een half uur den tijd
gunt. Maar zie hier dezen Bergschot met zijne dochter; de partij op
den achtergrond behoort bij het meer Kathrin. Wij naderen nu met elk
blad de beschaafde wereld en weldra bevinden wij ons in het midden van
Londen.—Waarachtig, daar is reeds eene lady, wie ik, zonder dat zij
't wist, haar portret ontkaapte, terwijl zij voor haar landhuis op het
terras zat en ik mij in een vlierbosch schuilhield.”
„Hoe lief en onschuldig vlijt zich dat kind aan haren schoot,” zeide
Maria. „De bloemkrans, dien het der moeder brengt, is toch wel eigen
vinding?”
„Zeker niet,” antwoordde Bernard; „de stoute spring-in-'t-veld had
eene gansche handvol madeliefjes, aurikels en andere kleine bloemen
verzameld en bestrooide er zijne moeder meê, die hem daarvoor, naar
mijn oordeel, eens duchtig had moeten afstraffen, den wilden vernielal,
die in eene minuut meer afplukte dan in eene week weer kon aangroeien;
maar zij deed het niet en lachte, en kuste den kleinen krulkop; ook
daaraan heeft mijne vinding geen deel. Over het geheel is het gansche
boek als het ware een zakspiegel, waarin ik slechts de beelden der
werkelijkheid opving.”
Men bladerde voort en vond eenige caricaturen, daarop verschillende
aardige landmeisjes, pachtersdochters, melkverkoopsters en dergelijke
beelden. Eindelijk was men in Londen. Naar hij vooraf gezegd had, liet
hij teekeningen van vrouwelijke gestalten en beelden zonder verklaring
voorbijgaan, wat Lodewijk zeer lief was. Deze begreep nu toch, dat
zijn vriend die voorwaarde opzettelijk gemaakt had om der vrouwen eene
verlegenheid te besparen, daar onder de herinneringen uit Londen enkele
waren, die het oog der mannen lichtelijk voor de zoodanige herkende,
over wie nadere uitlegging onvoegzaam was. Dat de schilder ze als
gelaatkundige studiën behandeld had, kon hem niemand ten kwade duiden.
Te midden der schalksche, moedwillige gezichten was ook wel hier en
daar eene zachte, eerzame engelsche te vinden.
„O hoe schoon!” riep Maria, toen Bernard een nieuw blad omslag; „hoe
verrukkelijk schoon!”
Rasinski, door dezen uitroep opmerkzaam gemaakt, boog zich dieper over
den schouder van het meisje. Onwillekeurig riep ook hij: „Bij den
hemel, dat gelaat is bekoorlijk!”
„Onbeschrijfelijk!” vervolgde Maria. „Maar wie is zij? Deze ééne moet
gij ons noemen,” voegde zij er vleiende bij.
„En als ik nu juist om dit portret mijn beding gemaakt had?” begon
Bernard. „Maar schoon zulks niet het geval is, ben ik hier toch
gedwongen, mij daaraan strikt te houden. Ik ontvreemdde dit gezicht,
als Prometheus het goddelijke vuur uit den hemel, in het _Kings
theatre_ te Londen, toen de Romeo en Julia gegeven werd en ik in eene
loge slechts deze Julia zag, die mij van die op het tooneel niet het
minste deed zien of hooren. Daar roofde ik dit gelaat, met zijne
zachte, hemelsche uitdrukking.”
„O, welke roerende tranen!” sprak Maria.
Lodewijk, die zich tot hiertoe bescheiden had teruggehouden, om
Rasinski niet te hinderen, boog zich nu voorover om de teekening te
zien, welke Maria hem vriendelijk voorhield. Nauwelijks echter had
hij een blik op het blad geworpen, of tot in het diepst zijner ziel
geschokt, beefde hij terug, daar hij Bianca's beeltenis herkende. Een
snelle kreet ontsnapte zijne lippen; maar, zonder zich zelf bewust
te zijn door welke macht, werd hij zich toch in zoo verre meester,
dat hij op het, hem in de eerste hartstochtelijke drift ontvallen: „O
hemel!” een meer koel: „Welk een bekoorlijk wezen!” kon laten volgen.
Meer vermocht hij niet. Zijn oog werd beneveld; ofschoon het zachte
gelaat zijne blikken met onbeschrijfelijke tooverkracht tot zich trok,
scheurde hij zich met geweld daarvan los, om zijne aandoening niet nog
meer te verraden. In angstvolle spanning verbeidde hij, of hem thans
door het zonderlingste toeval een geheim, waarvan het geluk van zijn
leven afhing, zoude ontsluierd worden; want Maria, die maar niet kon
begrijpen, dat Bernard niet weten zou wie dit bekoorlijke wezen was,
vroeg nogmaals: „En gij kondt dan werkelijk niets van haar ontdekken?
Een zoo belangwekkend wezen kon immers zelfs in het onmetelijke Londen
niet onbekend blijven.”
„Waarlijk, ik weet niets,” hervatte Bernard. „Wel deed ik moeite om
iets te ontdekken, maar mijne proef liep vrij ongelukkig uit, hoe?
zal ik u dadelijk vertellen. De zachte verhevenheid van dit gelaat,
de onbeschrijfelijk roerende droefheid daarop geteekend—want op
mijn woord, ik heb er slechts eene caricatuur van geleverd,—bracht
mij,—waarom zou ik 't niet bekennen?—op mijne plaats in het parterre
niet weinig aan 't dwepen. Ik moest het gezicht hebben, daar zwoer
ik een duren eed op, maar hoe het te schetsen zonder dat zulks in
het oog viel? Naast mij zat een koopman, die lang in Konstantinopel
gewoond en zich daar de oostersche wijze van spreken aangewend had. Ik
kende hem eenigszins. Deze bemerkte wel, dat ik staag naar de loge
en niet naar het tooneel zag, schoon Julia zoo even van Romeo haar
roerend afscheid nam. Hij fluisterde mij toe: „Niet waar, sir, een
gezicht om uit te schilderen, ofschoon uit den helder blauwen hemel
der oogen vochtige dauwdroppen op de rozen der wangen parelen.” Zij
weende namelijk de schoonste tranen, die ik immer gezien heb. „Bij den
hemel, dat is het!” antwoordde ik, „maar waar en hoe?”—„Daar boven is
eene loge onbezet,” fluisterde hij mij in 't oor; „wanneer gij daar
gaat zitten en de deur van den dwarsgang een weinig openlaat, valt u
juist zooveel licht op het blad als gij noodig hebt, terwijl gij zelf
in de schaduw zit.”—Ik verzuimde geen oogenblik dien raad te volgen.
Mijn standpunt was allergunstigst; op de achterste bank der loge zat
ik geheel onbemerkt en zag het hemelsche wezen vlak in het gezicht,
terwijl zij het vochtig oog onafgewend op het tooneel gericht hield.
De onschatbare roof gelukte mij zoo volkomen, als het maar zijn kon.
In mijn arbeid verdiept, had ik echter niet bemerkt, dat iemand de
loge was binnengetreden. Plotseling beet mij eene ruwe, onaangename
stem een fluisterend „Sir!” in het oor. Verschrikt sprong ik op. „Een
woord, sir!” sprak de stem, die een man van omstreeks dertig jaren
toebehoorde, die mij wenkte in den gang te komen. De norsche onbekende
gaat met mij op straat en begint mij daar vrij onbeschoft te vragen,
met welk recht ik mij veroorloofde eene dame te teekenen zonder hare
toestemming. Ik antwoordde kortaf; het gesprek werd wat driftig en
het gevolg was de afspraak tot eene ontmoeting in Hydepark tegen den
volgenden morgen te acht uur. De vreemde verliet mij hierop zonder in
den schouwburg terug te gaan; ik stapte intusschen weer naar mijne
loge, om nog het een en ander nauwkeuriger uit te werken. Maar nog
heden zou ik razend kunnen worden van spijt; toen ik binnentrad,
was de andere loge geheel ledig en de dame met haar gezelschap
spoorloos verdwenen. Ik ondervraag den deurwachter: „Zij zijn zoo even
weggereden,” is het antwoord, „maar ik ken ze niet.” Ik vlieg naar
mijn koopman in het parterre. Ook deze is vertrokken. Thans bleef mij
geen andere troost over dan de ontmoeting in Hydepark, waar ik althans
hoopte te vernemen, wie mijne tegenpartij was. Stipt te half acht ben
ik op de plaats, maar indien ik er nog stond, ware er misschien nog
niemand gekomen. Kortom, ik had elk spoor verloren, want ook de Turk
was geheel onverwachts weder naar de Levant afgereisd, zonder dat ik
hem gesproken had. Naderhand heb ik menigmalen mijne beeltenis aan
vertrouwde vrienden vertoond, maar niemand kende het oorspronkelijke;
te vergeefs heb ik drie maanden lang alle schouwburgen van Londen
bezocht en geene enkele vertooning van Romeo en Julia verzuimd, nooit
is het mij gelukt, ook zelfs het geringste spoor van mijne onbekende te
ontdekken.”