HOOFDSTUK V.

Thans ging men den toren bestijgen; Rasinski bood Maria den arm om

haar de kleine trap op te leiden. Schoon deze het ruime uitzicht van

boven thans niet voor de eerste maal genoot, was haar de verrukkelijke

schoonheid daarvan toch telkenreize weder nieuw. Van de hooge

torenspits over de groene bosschen, die tot hiertoe het uitzicht

van alle zijden belemmerden, heenzwevend, zag het oog achter den

wiegelenden voorgrond van frissche boomtoppen een onmetelijk verschiet

geopend. De landstreek vertoont eene zachte afwisseling van golvende

korenvelden en boschrijke heuvels, tusschen welke tallooze dorpen

en steden verspreid liggen. Door zijn breeden zilverband deelt de

Elbestroom het bekoorlijke landschap in twee regelmatige helften.

Gaarne volgt het oog de reeks van schoone beelden, welke de rivier

in haar helderen waterspiegel terugkaatst, en zweeft van de blauwe,

schemerachtige torens van Dresden op de wijnbergen van Loschwitz,

van deze op de steile rotskegels van den König- en Lilienstein over,

die, als half ingestorte egyptische piramiden, zich reusachtig boven

hunne omgevingen verheffen. In het midden van dit zachte, met duizend

bonte, maar door den afstand minder glansrijke verven doorweven tapijt,

rijst de groene, frissche berg, met zijne nu langzaam, dan loodrecht

afdalende woudhellingen, statig omhoog en vormt als het ware het hart

van het uitgestrekte panorama.

Terwijl de mannen met eene zekere onverschilligheid de schoonheden

voorbijzagen, die de waarlijk schilderachtige partijen van den berg

zelven hun aanboden, en met onzekere blikken de met hun rusteloos

voorwaarts strevenden geest meer verwante verte doorkruisten, richtte

zich het oog der vrouwen om gelijke reden, op de voorwerpen die haar

van meer nabij omringden. Zij beschouwden de ruimte, die zij zoo even

doorwandeld hadden, en Maria inzonderheid zag met welgevallen op

het groene, feestelijk versierde grasperk neder, dat zij nauwelijks

verlaten had en waarop de bezige, meerendeels in het wit gekleede

bloemenvlechtsters inderdaad eene aardige vertooning maakten.

Bernards blik zweefde over de aarde heen en verloor zich in de

wolkgevaarten, die zich in zonderlinge vormen aan den gezichteinder

opeenstapelden en aan zijne verbeelding meer voedsel boden van den

bekenden landbouw, die hem, wanneer hij ze met de stout verhevene,

grootsche natuur van het noorden vergeleek, waardoor hij nog zoo

onlangs omringd was, vrij eentonig en nuchteren voorkwam. Ditmaal

echter werd uit den droomer, die zoo gaarne tusschen duistere

nevelgestalten en vluchtige wolkenbeelden omdoolde, een zeer

dagelijksch, gewoon mensch. „Wij krijgen onweer,” merkte hij zeer

bedaard op; „sinds den middag heeft het gebroeid en thans hebben wij

het tweede keerpunt, dat van zes uren namelijk, wanneer de balans der

weegschaal juist tusschen middag en middernacht in staat en het spoedig

blijken moet of zij tot de duisternis dan tot het licht overslaat, dat

is, of wij een helderen hemel houden of onweer krijgen. Gij moet weten,

dat ik op mijne verre zeetochten een bijster groot weerkundige ben

geworden, en dus profeteer ik niets goeds, want de wind kruipt in een

anderen hoek en er begint drift in de lucht te komen.”

Werkelijk kwamen donkere wolken van achter het gebergte opzetten;

een dof gesuis verhief zich en men kon aan het golven en wiegen

der boomstammen bespeuren, dat de luchtstroom over de boschrijke

hoogten naderde. De uitbarsting van het onweder scheen door Bernards

voorspelling verhaast te zijn, zoo plotseling brak het van alle

zijden los. Een hevige windvlaag gierde om den toren en had door

haar onverhoedschen aanval de hoeden en doeken der vrouwen bijna

medegevoerd. Enkele zware vooruitdrijvende wolken bedekten thans

de zon, zoodat reusachtige slagschaduwen zich over het landschap

uitstrekten en de lucht meer en meer verduisterd werd.

Met angstvallige verlegenheid zagen de meisjes elkander aan; het

onweder dreigde hevig te worden en was reeds zoo nabij dat men het

niet meer ontvlieden kon. De toestand waarin zij verkeerden was dus

inderdaad bedenkelijk, en toch werd het schouwspel zoo verheven,

dat de aanblik daarvan alle bezorgdheid en vrees eenigermate op den

achtergrond deed treden. In dichte massa's pakten de zware, met vuur en

sulfer bezwangerde donderkruinen zich aan den oostelijken gezichteinder

opeen en hulden het gebergte in een steeds dichteren sluier. Een

nachtelijk duister breidde zich over het gansche landschap uit; slechts

eenige ten deele met witte pleistergebouwen bekroonde hoogten, waarop

de zon van tusschen de scheuren der wolken hare schuine lichtstralen

nederschoot, glansden in lichte omtrekken op den donkeren grond. In het

westen was het helder lichtblauw nog niet geheel door de zwarte wolken

omsluierd, die, somber en dreigend voor de zonneschijf gelegerd, met

vurige, getakte goudboorden door haar omzoomd werden. Herhaalde malen

verhief zich de storm met woeste vlagen, schudde de kruinen der eiken

en dennen en joeg het stof in dwarlende zuilen naar boven; gedurende de

tusschenpoozen was de stilte daardoor des te doodscher en beklemde eene

zwoele drukking de borst. Geen vogel liet zich hooren; slechts hier en

daar zag men er nog een angstig fladderend zijn nest zoeken. Op eenmaal

zetten roode vuurstralen den ganschen westelijken hemel in vlam en

kronkelend schoot de bliksem in den breeden stroom neder. De zwangere

wolken waren intusschen nog tamelijk ver verwijderd; want er verliep

een halve minuut eer het doffe rollen van den donder door de lucht

dreunde en ratelend van berg- tot bergkruin voortliep.

„Heerlijk!” juichte Bernard. „Een dozijn schooner dagen geef ik

voor zulk een onweer! Hoe prachtig vallen die lichttinten op het

landschap! Dag en nacht in scherpe toetsen naast elkaar gelegerd! Zie

den Sonnestein daar boven den Pirna nog glanzen en fonkelen tegen de

blauwzwarte wolken, die zich achter hem opeenstapelen; en de witte

zeilen daar op de Elbe, die als meeuwen over den grijzen stroom

schieten!”

De meisjes waren van de verheven schoonheid van dit tooneel zoo

doordrongen, dat zij zich wel wachtten, voor de kleeding en hoeden

eenige bezorgdheid te doen blijken. Echter trok het onweder met zulk

eene vreeselijke majesteit boven hare hoofden samen, dat het een

vrouwelijk hart wel met eenigen angst vervullen kon.

„Daar ginder begint het al sterk te regenen,” merkte Lodewijk op,

terwijl hij met den vinger de richting aanwees.

„Waar?” vroeg Maria.

„Daar, rechts van den Königstein, waar die dichte, grauwe en

purperkleurige strepen uit den schoot der wolk tot de aarde afdalen;

men kan duidelijk zien, dat de regen meer en meer naar het westen

trekt.”

„Zou het mogelijk zijn,” vervolgde Maria, „dat wij Pillnitz bereikten

eer de bui geheel losbreekt?”

„Bezwaarlijk,” hernam Lodewijk; „ook durf ik niet aanraden er de proef

van te nemen; daar wij hier boven in het kleine gewelf van den toren,

dat men ons gewis gaarne zal openen, eene veilige schuilplaats hebben.

Wellicht trekt ook het onweder nog geheel voorbij, want de storm

schijnt hevig genoeg te zullen worden om het over onze hoofden weg te

drijven.”

Inderdaad togen de wolkgevaarten thans zoo gebroken over de bergkruin

heen en pakten zich aan de overzijde van den stroom zoo dicht samen,

dat Lodewijks gissing eenige waarschijnlijkheid bekwam. Terwijl men nog

overleide, welke partij te kiezen, kwam een ruiter in vollen galop den

berg opstuiven en bracht den hoftuinier het bericht, dat de fakkelrit

plotseling was uitgesteld, zoodat de toebereidsels ter ontvangst der

hooge gasten tot morgen konden worden opgeschort. De arbeiders, die van

alle zijden door het bosch omgeven, de nadering van het onweder eerst

door den donderslag bemerkt hadden, haastten zich nu hunne afgelegde

kleedingstukken en gereedschappen bijeen te rapen, ten einde zoo

spoedig mogelijk onder dak te komen. De meisjes wierpen hare doeken

over het hoofd en vluchtten ijlings langs het bergpad naar beneden. Van

de mannen bleef nog een klein aantal op last van den opzichter terug,

om de tent af te breken, die bezwaarlijk tegen de regenvlagen zou

bestand geweest zijn.

Deze aanstalten en vooral de haastige vlucht der tuinmeisjes

vermeerderden de bezorgdheid der vrouwen, die nog op de hoogte van den

toren stonden en hare in den wind fladderende, lichte kleeding met

moeite in bedwang hielden. Maria was van oordeel, dat men nog even

goed als deze eene schuilplaats zoeken en eene woning bereiken konde,

die meer beschutting tegen het weer aanbood. Lodewijk snelde dus in

allerijl de trappen af om bij den hoftuinier naar het een en ander

te vernemen. Deze liet juist de tent en de tot het opslaan gebezigde

gereedschappen in de enge ruimte brengen, welke de toren aanbood. Op

Lodewijks vraag verzekerde hij niet te twijfelen, of men zou Pillnitz

nog gelukkig kunnen bereiken, daar de weg bergaf spoedig was afgelegd

en de onweders hier boven op de hoogte, waar men door niets tegen den

storm beschut was en den ganschen gezichteinder overzag, steeds nader

en dreigender schenen dan zij inderdaad waren, zoodat er wellicht nog

een uur verloopen kon eer het begon te regenen. Verkoos echter het

gezelschap hier boven te blijven, zoo wilde hij gaarne den sleutel tot

de kleine bergplaats in den toren geven, schoon ze met gereedschappen,

stoelen en tafels reeds grootendeels opgevuld, slechts een klein getal

personen bevatten kon.

Lodewijk nam dit aanbod met dankbaarheid aan en beloofde de deuren

zorgvuldig te zullen sluiten en den sleutel in Pillnitz af te geven.

Ofschoon de tuinier de ondervinding voor zich had, scheen hij zich toch

ditmaal in de nabijheid van het onweder te bedriegen; althans Lodewijk

wilde der vrouwen nog eerst de keus laten of zij den terugweg boven het

hem verkieslijker schijnend schoon ook al niet zeer aangenaam oponthoud

de voorkeur gaven. Hij nam dus den sleutel aan en spoedde de trappen

weder op om zijne berichten over te brengen. De stemmen waren verdeeld.

De mannen, vooral Bernard, stemden eenparig om te blijven, daar men

klaarblijkelijk geen dak meer bereiken konde eer de onweersvlaag in

volle woede losbarstte; de meisjes daarentegen, voor de ongerustheid

bekommerd waarin de moeders bij langer uitblijven natuurlijk verkeeren

moesten, drongen er op aan den gevaarlijken tocht te wagen en dadelijk

op weg te gaan. Daar hare wenschen het meest in aanmerking kwamen en er

geen eigenlijk gevaar te duchten was, besloot men dan te vertrekken.

Toen Maria echter, door Rasinski geleid, den voet op de eerste trede

der smalle, steile trappen zette, lichtte het zoo sterk, dat de gansche

hemel in vlammen stond en men het oog, door het schijnsel verblind,

onwillekeurig sluiten moest. Verschrikt en bevende deinsde Maria terug

en drong zich angstig aan haren geleider; maar bij de haastige beweging

gleed haar voet uit, en zij zoude, had Rasinski haar niet spoedig in

zijne armen opgevangen, onvermijdelijk naar beneden zijn gestort;

althans het gevaar scheen zoo dreigend, dat Emma en Julie een luiden

gil gaven en sidderend toesprongen. Spoedig echter had zij zich weder

opgericht en antwoordde op de, haar van alle zijden overstelpende

vragen, of zij zich ook bezeerd had, met een geruststellend lachje op

het verbleekte gelaat: „O neen, ik ben slechts een weinig geschrikt, 't

zal niets te beteekenen hebben.”

Rasinski ondersteunde haar zorgvuldig en leidde haar behoedzaam naar

beneden. Eerst toen zij den vlakken grond bereikt hadden, bemerkte

hij dat het gaan haar bezwaarlijk viel. „Ik voel wat pijn aan den

voet,” gaf zij op zijne vraag ten antwoord; „maar die zal wel spoedig

verdwijnen.” Blijkbaar spande zij alle krachten in om de smart meester

te worden en een vasten tred te houden. Zulks was haar nochtans

onmogelijk, de voet zwikte en zij moest zich aan Rasinski vasthouden om

niet neder te zijgen.

„Nu zal ik toch wel moeten blijven,” zeide zij, „want het snelle

afstijgen is mij niet mogelijk.”

„Ook niet, als ik u aan de andere zijde ondersteun, lieve Maria?” vroeg

Lodewijk en vatte haar bij den rechterarm.

Het meisje deed eenige schreden voorwaarts, maar moest zich bedwingen

om de hevige pijn niet door een luiden schreeuw te verraden. „Ik geloof

ook zóó niet,” zuchtte zij.

„Wij dragen haar naar beneden,” riep Bernard haastig.

„Neen, neen,” hervatte Maria met een vriendelijk lachje; „ik kan immers

hier boven blijven, Lodewijk zal mij wel gezelschap houden.”

„Dan blijven wij allen,” riep Julie met vastheid, en Emma gaf hetzelfde

besluit te kennen.

„Het is waarlijk ook beter,” sprak Lodewijk, „want er vallen al droppels

en de al te groote spoed bij het afklimmen kon, wanneer wij door den

regen verrast werden, licht nog erger gevolgen hebben. Daar de vlaag

zoo hevig schijnt te worden, zal zij ook wel schielijk voorbij zijn.”

1812: Historische roman · 第 24 / 154 题