Thans ging men den toren bestijgen; Rasinski bood Maria den arm om
haar de kleine trap op te leiden. Schoon deze het ruime uitzicht van
boven thans niet voor de eerste maal genoot, was haar de verrukkelijke
schoonheid daarvan toch telkenreize weder nieuw. Van de hooge
torenspits over de groene bosschen, die tot hiertoe het uitzicht
van alle zijden belemmerden, heenzwevend, zag het oog achter den
wiegelenden voorgrond van frissche boomtoppen een onmetelijk verschiet
geopend. De landstreek vertoont eene zachte afwisseling van golvende
korenvelden en boschrijke heuvels, tusschen welke tallooze dorpen
en steden verspreid liggen. Door zijn breeden zilverband deelt de
Elbestroom het bekoorlijke landschap in twee regelmatige helften.
Gaarne volgt het oog de reeks van schoone beelden, welke de rivier
in haar helderen waterspiegel terugkaatst, en zweeft van de blauwe,
schemerachtige torens van Dresden op de wijnbergen van Loschwitz,
van deze op de steile rotskegels van den König- en Lilienstein over,
die, als half ingestorte egyptische piramiden, zich reusachtig boven
hunne omgevingen verheffen. In het midden van dit zachte, met duizend
bonte, maar door den afstand minder glansrijke verven doorweven tapijt,
rijst de groene, frissche berg, met zijne nu langzaam, dan loodrecht
afdalende woudhellingen, statig omhoog en vormt als het ware het hart
van het uitgestrekte panorama.
Terwijl de mannen met eene zekere onverschilligheid de schoonheden
voorbijzagen, die de waarlijk schilderachtige partijen van den berg
zelven hun aanboden, en met onzekere blikken de met hun rusteloos
voorwaarts strevenden geest meer verwante verte doorkruisten, richtte
zich het oog der vrouwen om gelijke reden, op de voorwerpen die haar
van meer nabij omringden. Zij beschouwden de ruimte, die zij zoo even
doorwandeld hadden, en Maria inzonderheid zag met welgevallen op
het groene, feestelijk versierde grasperk neder, dat zij nauwelijks
verlaten had en waarop de bezige, meerendeels in het wit gekleede
bloemenvlechtsters inderdaad eene aardige vertooning maakten.
Bernards blik zweefde over de aarde heen en verloor zich in de
wolkgevaarten, die zich in zonderlinge vormen aan den gezichteinder
opeenstapelden en aan zijne verbeelding meer voedsel boden van den
bekenden landbouw, die hem, wanneer hij ze met de stout verhevene,
grootsche natuur van het noorden vergeleek, waardoor hij nog zoo
onlangs omringd was, vrij eentonig en nuchteren voorkwam. Ditmaal
echter werd uit den droomer, die zoo gaarne tusschen duistere
nevelgestalten en vluchtige wolkenbeelden omdoolde, een zeer
dagelijksch, gewoon mensch. „Wij krijgen onweer,” merkte hij zeer
bedaard op; „sinds den middag heeft het gebroeid en thans hebben wij
het tweede keerpunt, dat van zes uren namelijk, wanneer de balans der
weegschaal juist tusschen middag en middernacht in staat en het spoedig
blijken moet of zij tot de duisternis dan tot het licht overslaat, dat
is, of wij een helderen hemel houden of onweer krijgen. Gij moet weten,
dat ik op mijne verre zeetochten een bijster groot weerkundige ben
geworden, en dus profeteer ik niets goeds, want de wind kruipt in een
anderen hoek en er begint drift in de lucht te komen.”
Werkelijk kwamen donkere wolken van achter het gebergte opzetten;
een dof gesuis verhief zich en men kon aan het golven en wiegen
der boomstammen bespeuren, dat de luchtstroom over de boschrijke
hoogten naderde. De uitbarsting van het onweder scheen door Bernards
voorspelling verhaast te zijn, zoo plotseling brak het van alle
zijden los. Een hevige windvlaag gierde om den toren en had door
haar onverhoedschen aanval de hoeden en doeken der vrouwen bijna
medegevoerd. Enkele zware vooruitdrijvende wolken bedekten thans
de zon, zoodat reusachtige slagschaduwen zich over het landschap
uitstrekten en de lucht meer en meer verduisterd werd.
Met angstvallige verlegenheid zagen de meisjes elkander aan; het
onweder dreigde hevig te worden en was reeds zoo nabij dat men het
niet meer ontvlieden kon. De toestand waarin zij verkeerden was dus
inderdaad bedenkelijk, en toch werd het schouwspel zoo verheven,
dat de aanblik daarvan alle bezorgdheid en vrees eenigermate op den
achtergrond deed treden. In dichte massa's pakten de zware, met vuur en
sulfer bezwangerde donderkruinen zich aan den oostelijken gezichteinder
opeen en hulden het gebergte in een steeds dichteren sluier. Een
nachtelijk duister breidde zich over het gansche landschap uit; slechts
eenige ten deele met witte pleistergebouwen bekroonde hoogten, waarop
de zon van tusschen de scheuren der wolken hare schuine lichtstralen
nederschoot, glansden in lichte omtrekken op den donkeren grond. In het
westen was het helder lichtblauw nog niet geheel door de zwarte wolken
omsluierd, die, somber en dreigend voor de zonneschijf gelegerd, met
vurige, getakte goudboorden door haar omzoomd werden. Herhaalde malen
verhief zich de storm met woeste vlagen, schudde de kruinen der eiken
en dennen en joeg het stof in dwarlende zuilen naar boven; gedurende de
tusschenpoozen was de stilte daardoor des te doodscher en beklemde eene
zwoele drukking de borst. Geen vogel liet zich hooren; slechts hier en
daar zag men er nog een angstig fladderend zijn nest zoeken. Op eenmaal
zetten roode vuurstralen den ganschen westelijken hemel in vlam en
kronkelend schoot de bliksem in den breeden stroom neder. De zwangere
wolken waren intusschen nog tamelijk ver verwijderd; want er verliep
een halve minuut eer het doffe rollen van den donder door de lucht
dreunde en ratelend van berg- tot bergkruin voortliep.
„Heerlijk!” juichte Bernard. „Een dozijn schooner dagen geef ik
voor zulk een onweer! Hoe prachtig vallen die lichttinten op het
landschap! Dag en nacht in scherpe toetsen naast elkaar gelegerd! Zie
den Sonnestein daar boven den Pirna nog glanzen en fonkelen tegen de
blauwzwarte wolken, die zich achter hem opeenstapelen; en de witte
zeilen daar op de Elbe, die als meeuwen over den grijzen stroom
schieten!”
De meisjes waren van de verheven schoonheid van dit tooneel zoo
doordrongen, dat zij zich wel wachtten, voor de kleeding en hoeden
eenige bezorgdheid te doen blijken. Echter trok het onweder met zulk
eene vreeselijke majesteit boven hare hoofden samen, dat het een
vrouwelijk hart wel met eenigen angst vervullen kon.
„Daar ginder begint het al sterk te regenen,” merkte Lodewijk op,
terwijl hij met den vinger de richting aanwees.
„Waar?” vroeg Maria.
„Daar, rechts van den Königstein, waar die dichte, grauwe en
purperkleurige strepen uit den schoot der wolk tot de aarde afdalen;
men kan duidelijk zien, dat de regen meer en meer naar het westen
trekt.”
„Zou het mogelijk zijn,” vervolgde Maria, „dat wij Pillnitz bereikten
eer de bui geheel losbreekt?”
„Bezwaarlijk,” hernam Lodewijk; „ook durf ik niet aanraden er de proef
van te nemen; daar wij hier boven in het kleine gewelf van den toren,
dat men ons gewis gaarne zal openen, eene veilige schuilplaats hebben.
Wellicht trekt ook het onweder nog geheel voorbij, want de storm
schijnt hevig genoeg te zullen worden om het over onze hoofden weg te
drijven.”
Inderdaad togen de wolkgevaarten thans zoo gebroken over de bergkruin
heen en pakten zich aan de overzijde van den stroom zoo dicht samen,
dat Lodewijks gissing eenige waarschijnlijkheid bekwam. Terwijl men nog
overleide, welke partij te kiezen, kwam een ruiter in vollen galop den
berg opstuiven en bracht den hoftuinier het bericht, dat de fakkelrit
plotseling was uitgesteld, zoodat de toebereidsels ter ontvangst der
hooge gasten tot morgen konden worden opgeschort. De arbeiders, die van
alle zijden door het bosch omgeven, de nadering van het onweder eerst
door den donderslag bemerkt hadden, haastten zich nu hunne afgelegde
kleedingstukken en gereedschappen bijeen te rapen, ten einde zoo
spoedig mogelijk onder dak te komen. De meisjes wierpen hare doeken
over het hoofd en vluchtten ijlings langs het bergpad naar beneden. Van
de mannen bleef nog een klein aantal op last van den opzichter terug,
om de tent af te breken, die bezwaarlijk tegen de regenvlagen zou
bestand geweest zijn.
Deze aanstalten en vooral de haastige vlucht der tuinmeisjes
vermeerderden de bezorgdheid der vrouwen, die nog op de hoogte van den
toren stonden en hare in den wind fladderende, lichte kleeding met
moeite in bedwang hielden. Maria was van oordeel, dat men nog even
goed als deze eene schuilplaats zoeken en eene woning bereiken konde,
die meer beschutting tegen het weer aanbood. Lodewijk snelde dus in
allerijl de trappen af om bij den hoftuinier naar het een en ander
te vernemen. Deze liet juist de tent en de tot het opslaan gebezigde
gereedschappen in de enge ruimte brengen, welke de toren aanbood. Op
Lodewijks vraag verzekerde hij niet te twijfelen, of men zou Pillnitz
nog gelukkig kunnen bereiken, daar de weg bergaf spoedig was afgelegd
en de onweders hier boven op de hoogte, waar men door niets tegen den
storm beschut was en den ganschen gezichteinder overzag, steeds nader
en dreigender schenen dan zij inderdaad waren, zoodat er wellicht nog
een uur verloopen kon eer het begon te regenen. Verkoos echter het
gezelschap hier boven te blijven, zoo wilde hij gaarne den sleutel tot
de kleine bergplaats in den toren geven, schoon ze met gereedschappen,
stoelen en tafels reeds grootendeels opgevuld, slechts een klein getal
personen bevatten kon.
Lodewijk nam dit aanbod met dankbaarheid aan en beloofde de deuren
zorgvuldig te zullen sluiten en den sleutel in Pillnitz af te geven.
Ofschoon de tuinier de ondervinding voor zich had, scheen hij zich toch
ditmaal in de nabijheid van het onweder te bedriegen; althans Lodewijk
wilde der vrouwen nog eerst de keus laten of zij den terugweg boven het
hem verkieslijker schijnend schoon ook al niet zeer aangenaam oponthoud
de voorkeur gaven. Hij nam dus den sleutel aan en spoedde de trappen
weder op om zijne berichten over te brengen. De stemmen waren verdeeld.
De mannen, vooral Bernard, stemden eenparig om te blijven, daar men
klaarblijkelijk geen dak meer bereiken konde eer de onweersvlaag in
volle woede losbarstte; de meisjes daarentegen, voor de ongerustheid
bekommerd waarin de moeders bij langer uitblijven natuurlijk verkeeren
moesten, drongen er op aan den gevaarlijken tocht te wagen en dadelijk
op weg te gaan. Daar hare wenschen het meest in aanmerking kwamen en er
geen eigenlijk gevaar te duchten was, besloot men dan te vertrekken.
Toen Maria echter, door Rasinski geleid, den voet op de eerste trede
der smalle, steile trappen zette, lichtte het zoo sterk, dat de gansche
hemel in vlammen stond en men het oog, door het schijnsel verblind,
onwillekeurig sluiten moest. Verschrikt en bevende deinsde Maria terug
en drong zich angstig aan haren geleider; maar bij de haastige beweging
gleed haar voet uit, en zij zoude, had Rasinski haar niet spoedig in
zijne armen opgevangen, onvermijdelijk naar beneden zijn gestort;
althans het gevaar scheen zoo dreigend, dat Emma en Julie een luiden
gil gaven en sidderend toesprongen. Spoedig echter had zij zich weder
opgericht en antwoordde op de, haar van alle zijden overstelpende
vragen, of zij zich ook bezeerd had, met een geruststellend lachje op
het verbleekte gelaat: „O neen, ik ben slechts een weinig geschrikt, 't
zal niets te beteekenen hebben.”
Rasinski ondersteunde haar zorgvuldig en leidde haar behoedzaam naar
beneden. Eerst toen zij den vlakken grond bereikt hadden, bemerkte
hij dat het gaan haar bezwaarlijk viel. „Ik voel wat pijn aan den
voet,” gaf zij op zijne vraag ten antwoord; „maar die zal wel spoedig
verdwijnen.” Blijkbaar spande zij alle krachten in om de smart meester
te worden en een vasten tred te houden. Zulks was haar nochtans
onmogelijk, de voet zwikte en zij moest zich aan Rasinski vasthouden om
niet neder te zijgen.
„Nu zal ik toch wel moeten blijven,” zeide zij, „want het snelle
afstijgen is mij niet mogelijk.”
„Ook niet, als ik u aan de andere zijde ondersteun, lieve Maria?” vroeg
Lodewijk en vatte haar bij den rechterarm.
Het meisje deed eenige schreden voorwaarts, maar moest zich bedwingen
om de hevige pijn niet door een luiden schreeuw te verraden. „Ik geloof
ook zóó niet,” zuchtte zij.
„Wij dragen haar naar beneden,” riep Bernard haastig.
„Neen, neen,” hervatte Maria met een vriendelijk lachje; „ik kan immers
hier boven blijven, Lodewijk zal mij wel gezelschap houden.”
„Dan blijven wij allen,” riep Julie met vastheid, en Emma gaf hetzelfde
besluit te kennen.
„Het is waarlijk ook beter,” sprak Lodewijk, „want er vallen al droppels
en de al te groote spoed bij het afklimmen kon, wanneer wij door den
regen verrast werden, licht nog erger gevolgen hebben. Daar de vlaag
zoo hevig schijnt te worden, zal zij ook wel schielijk voorbij zijn.”