Het besluit tot een rit naar den Porsberg was zoo onverwachts bij het
hof opgekomen, dat er in de stad weinig van bekend werd en men Pillnitz
dus nog bijna geheel ledig vond. Lodewijk maakte hiervan gebruik,
door in de herberg dadelijk eene vrije kamer in beslag te nemen, wijl
naderhand de toeloop lichtelijk zoo groot kon worden, dat het aan
plaats ontbrak. Nadat de dames aldaar haar toilet een weinig in orde
hadden gebracht, besloot men tot eene wandeling in den tuin, waar de
schaduwrijke lanen bij de nog tamelijk drukkende hitte eene aangename
schuilplaats beloofden. Eerst later, bij de invallende koelte, wilde
men den berg beklimmen, daar het hof eerst tegen het ondergaan der zon
op den top verwacht werd.
De tijd vlood onder het wandelen hoogst genoeglijk voorbij. Reizigers,
vooral soldaten, die een zwervend leven leiden, worden oneindig veel
spoediger bekend in de kringen met welke zij vluchtig in aanraking
komen, dan zulks met anderen het geval is. De dra op handen zijnde
scheiding leert daarbij de waarde van het oogenblik hooger schatten;
men beschouwt elk, dien men slechts voor korten tijd zien zal, om
hem dan wellicht voor eeuwig vaarwel te zeggen, veel opmerkzamer,
dan hem, wiens levensweg met den onzen langer schijnt te zullen
samenloopen. Ook vindt onder zulke omstandigheden eene eigenaardige,
wederkeerige toenadering en belangstelling plaats. De blijvende
beschouwt den vreemdeling, die verre landstreken doorkruist heeft, en
nog meer verwijderde te gemoet snelt om er wellicht de zonderlingste
ontmoetingen te beleven, met verhoogde deelneming; de omdolende
vreemdeling daarentegen wordt door den aanblik van het gelijkmatige,
zorgelooze geluk eener stille huishoudelijkheid tot een weemoedig
verlangen gestemd, dat ook hem alle voorwerpen in een bekoorlijker
daglicht vertoont. Zoo kunnen ook persoonlijke hoedanigheden, die ons
in den gewonen omgang misschien onverschillig zouden hebben gelaten,
in zulk een geval hoogst aantrekkelijk worden en daar vooral, waar
eene inderdaad zeldzame vereeniging van belangwekkende eigenschappen
gevonden wordt, vormt zich niet zelden, wanneer een rechtstreeksch
verschil van levens- en lotsbestemming de wederzijdsche toenadering
versterkt, eene innige verbintenis der harten, die, hoe snel en
vluchtig aangeknoopt, dikwijls nimmer weder kan verbroken worden
zonder de smartelijkste wonden achter te laten.
Dit was bij de jeugdige gemoederen het geval, die zich thans in
argelooze openhartigheid voor elkander ontsloten. Het kon wel niet
anders, of twee in de stilte van het landleven opgegroeide meisjes,
die een gelukkigen aanleg bezaten, maar wier opvoeding echter door
de omstandigheden eenigermate gebrekkig was geweest, moesten worden
medegesleept door het onderhoud van twee vurige jongelingen, wier borst
in edele geestdrift voor den krijg en het vaderland ontvlamd was,
en wier leven van hunne vroegste jeugd af zoo rijk aan merkwaardige
ontmoetingen en eervolle daden was geweest. Jaromir bezat daarenboven
die, zijn volk eigene, bijna kinderlijk eenvoudige levendigheid, welke,
met eene vreemdklinkende uitspraak der duitsche taal en eene daaruit
ontstaande geheel eigendommelijke wijze van uitdrukking gepaard,
iets zeer innemends had; Boleslaw integendeel was ernstig in zijn
voorkomen, doch de adel zijner gelaatstrekken, zijn hoog met donkere
lokken overschaduwd voorhoofd, zijne vurige oogen verzekerden hem
al dadelijk bij zijne eerste verschijning een warme belangstelling.
Daarentegen moesten twee jonge helden, die eerst voor eenige dagen het
ruwe legerkamp verlaten hadden en een vertrouwelijken omgang met edele,
beschaafde vrouwelijke wezens niet dan uit de herinneringen hunner
kindsheid kenden, wellicht nog sneller door de banden geboeid worden,
die zich zoo spoedig tusschen de onverbasterde, jeugdige harten laten
aanknoopen. Onder zulke omstandigheden pleegt wel is waar niet zoo
licht een diep indringende hartstocht te ontstaan, wijl het vluchtige,
voorbijgaande en kortstondige der genieting zich telkens aan de ziel
voordoet; maar het oogenblik doet daarvoor zijne rechten ook des te
levendiger gelden.
Deze beide paren genoten dus een schuldeloos geluk, zonder zich van de
oorzaak daarvan rekenschap te geven; het vervulde en verkwikte hun de
borst, gelijk een zachte lentedag, welks verrukkende tooverkracht ons
ook uit verborgen bronnen in de ziel dringt en slechts een algemeen
verlangen doet ontwaken, zonder den blik op bepaalde verwachtingen te
doen vestigen.
Beter was Bernard, die, gelijk eene plant van het gloeiende zuiden,
door den geweldigen vuurgloed zijner ziel vroeger tot een ongelijk
hoogeren wasdom en eene meerdere ontwikkeling van al zijne krachten
gerijpt was, zich den aard zijner gewaarwordingen bewust. In zijne
borst was het zelden helder dag; hij kende slechts nacht en vlammen,
en deze brandden nooit zuiver, maar wierpen, gelijk de vuurkraters
der zon, gestadig reusachtige sintelmassa's uit, die zich tot zwarte
vlekken vormden op de lichtende schijf. Intusschen werd ook de duistere
nacht bij hem verlicht, hetzij door bliksemstralen, hetzij door eenige
in de verte fonkelende sterren, op welke hij het oog met smachtend
verlangen gericht hield. Deze fantastische beschouwing van zijn
binnenste was bij hem opgekomen, toen hij een weinig met Lodewijk was
achtergebleven en beiden, stilstaande, met het oog de wentelende golven
van den stroom volgden.
„Tusschenbeiden,” begon hij, „komt het mij voor, dat het in het
uiterste noorden van den nachtelijken hemel mijner ziel begint te
schemeren en de maan zacht en glansrijk moet opkomen. Maar zij stijgt
bloedig op, en die gansche schemering was slechts de weerschijn van een
brand, die mij, de duivel weet wat vernielt.”
„En mij is het,” antwoordde Lodewijk, wien deze vergelijking bij zijne
tegenwoordige gemoedsstemming diep ontroerde, „mij is het alsof die
schemerende gloed slechts het ondergaan van eenig schoon gesternte
aanduidde, waarna alles spoedig duistere nacht zal zijn.”
„Gij kunt gelijk hebben,” sprak Bernard ruw en kortaf, zooals hij
gewoon was; „maar keeren wij tot het gezelschap terug.”
„Ik troost mij daarmede,” vervolgde Lodewijk onder het voortgaan, „dat
elk ondergaand gesternte in eene andere wereld opgaat.”
„Ja, ja, recht lief,” merkte Bernard op; „het rad, dat mij lenden en
ribben en mijnenthalve het hart daartusschen stuk rijdt, draait aan de
as van een triomfwagen voor een ander, die misschien een ezel is; of
eene gans en een aap zitten dood op hun gemak in de kales, of rijden
naar de kerk in de bruiloftskoets, waarvan de wielen mij verpletteren
en radbraken. Dat troost ongemeen!”
„Zoo meende ik het niet, Bernard,” sprak Lodewijk een weinig geraakt;
„ook hebt gij mij met opzet misverstaan. Niet eene wereld van anderen,
maar die, welke voor ons zelven eene andere, betere zal zijn, bedoelde
ik.”
„Goede Lodewijk,” antwoordde Bernard, terwijl hij uit dien bitteren
toon in zijne gewone spotachtige luim overging, „het is waarlijk eene
zeer aangename geruststelling, die wij in Ariosto lezen, dat dingen,
die hier voor ons verloren gaan, in de maan zijn weer te vinden; wat
mij nochtans betreft, ik behield liever het weinige dat ik heb; men
spaart zijne moeite daarbij. Is de zaak intusschen inderdaad zoo, dan
kan ik u verzekeren, dat mijne meeste goederen in de maan liggen en dat
ik in het daar berustende register van hypotheken, als het eenigszins
goed in orde is, met aanmerkelijke vorderingen moet staan ingeschreven.
Maar als wij zoo voortbabbelen en de oogen niet eens opslaan, zullen
wij ons gezelschap ook spoedig onder de dingen kunnen tellen, die wij
eer in de maan wedervinden dan hier; want had ik niet zoo even de
beide moeders daar achter het vlierboschje zien verdwijnen, dan zou ik
waarlijk niet weten, of ik de dochters rechts of links zoeken moest,
vooral dewijl aan gindschen hoek zooveel wegen door elkander kruisen,
dat wed ik, in geheel Duitschland geene betere plaats voor eene
duivelsbezwering te vinden is.”
Terwijl beide vrienden haastig voortspoedden en juist de donkere laan
wilden inslaan, waarin de overigen verdwenen waren, ontmoetten zij
twee vreemde heeren, van welke de een zorgvuldig gekleed was en het
roode lint van het legioen van eer in het knoopsgat droeg. De ander
hield zich een weinig achter hem en had daardoor het voorkomen van
kamerdienaar of misschien wel geheimschrijver te zijn. Op nog verderen
afstand volgden twee livreibedienden. Met beleefdheid groetende, snelde
de heer met de orde hen voorbij, de andere zag naar de knechts om en
stond een oogenblik stil. Toen hij zich daarop omwendde, waren Lodewijk
en Bernard hem juist genaderd. Beide schenen zijne aandacht tot zich
te trekken; hij groette vluchtig, doch verzuimde niet hen onder het
voorbijgaan nauwkeurig op te nemen. Toen Bernard, wien het gelaat des
vreemden wellicht nog meer getroffen had dan dezen het zijne, zich
omkeerde om hem na te zien, bemerkte hij, dat de ander hetzelfde deed.
De bedienden waren zij intusschen achteloos voorbijgegaan.
„Dat gezicht ken ik,” zeide Bernard, „en ik ben verzekerd het meer
gezien te hebben; maar liegen moest ik, als ik zeide dat het mij
beviel. Verwenscht is het, dat ik als schilder de lijnen en hoeken der
schurkachtigste wezenstrekken nauwkeurig onthoud, terwijl de passen,
waarop zij door de wereld reizen, met alle overige toevoegsels van het
signalement, mij dadelijk door het hoofd gaan; ik bedoel de namen en
verdere betrekkingen. Mijn herinneringsvermogen, hoe groot ook, baat
mij dus weinig meer dan eene spraak, waarvan ik alle woorden weet,
zonder de zaken te kennen die zij beteekenen.”
„Hij viel mij ook in het oog,” antwoordde Lodewijk; „maar ik heb voor
gezichten, die mij noch op zich zelf noch door de omstandigheden belang
inboezemen, bijna volstrekt geen geheugen.”
„Wanneer hij ons ooit of immer al meer tegen 't lijf is geloopen,”
vervolgde Bernard, „zult gij hem aan de noord-, ik hem aan de zuidpool
gezien hebben, daar ik van Schotland kom en gij uit Napels in Dresden
beland zijt. Mij kwellen dergelijke verloren gezichten, wier bijschrift
ik niet vinden kan, dikwijls; maar zóó heeft er mij in lang geen
geplaagd.”
„Het scheen, dat hij u of mij kende,” hernam Lodewijk; „ten minste hij
zag ons scherp aan.”
„Licht mogelijk, dat hij zich ons beiden herinnert en verwonderd is,
wat hij aan deze en de overzij van den aequator gezien heeft, hier
in den tuin te Pillnitz op denzelfden graad noorderbreedte weer te
vinden.—Verdrietig!—Ik wed, de kerel ontneemt mij voor den ganschen
namiddag mijne goede luim, want ik ben zeker, dat hij mij gedurig voor
oogen zal staan, juist omdat ik mijn best doe hem uit mijne gedachten
te stellen.”
„Bekommer u niet langer over hem, mijn vriend,” sprak Lodewijk. „Bij
slot van rekening is het een eenvoudig reiziger, met wien wij ergens in
een postwagen of aan een open tafel gezeten hebben en die niet waard
is, dat gij uwe goede stemming door hem verliest.”
Intusschen hadden de vrienden hun gezelschap ingehaald, en Bernard
voegde zich bij Maria, aan wie Rasinski tot hiertoe de zorgvuldigste
oplettendheid gewijd had.
Het was middelerwijl tijd geworden om den berg te bestijgen. Daar
hiertoe bijna een uur gevorderd werd, drong Lodewijk er op aan, dat
de vrouwen eerst een weinig uitrusten en eene verversching gebruiken
zouden. Men begaf zich dus naar de herberg terug.
Hierop begon men de wandeling. Reeds begonnen de verschillende wegen,
die naar boven voerden, een zeer levendigen aanblik te vertoonen,
en vrouwen en mannen uit alle standen mengden zich in bont gewoel
dooreen en beklommen moedig de hoogte. Toen men de ruïne bereikt
had, verklaarde de moeder, dat de zwakke borst haar het opstijgen
bezwaarlijk maakte en zij dus van het genot van het uitzicht op den top
afzien en hier vertoeven wilde, alwaar zij genoeg bekenden uit Dresden
ontdekte, aan welke zij zich kon aansluiten. Hare zuster gaf hetzelfde
verlangen te kennen. De jongelieden vervolgden dus alleen hunne
wandeling, terwijl de moeders voor eene, in het boschje bij den bouwval
opgeslagen tent, waar ververschingen werden te koop geboden, plaats
namen.
Lodewijk en Bernard, den weg kennende, dienden tot geleiders. Zij
weken, waar het mogelijk was, van den breeden rijweg af en kozen de
meer eenzame paden, die door het kreupelhout slingerden. Hier omringde
hen eene groene, weldadige schemering; het met bloemen bedekte,
weelderige grastapijt ademde liefelijke geuren uit; de hemel blonk
blauw en helder door de reten van het dichte loofdak; kleine beken
murmelden en ruischten onder de struiken ter zijde van het pad en
dartelden langs zilveren kronkelpaden naar beneden; het gezang der
vogels klonk schel en vroolijk uit elken boom; duizende insecten
gonsden door de lucht; de lente leefde en werkte in bosch en bloem, in
lucht en water, en wiegde de ziel in zoete droomen. Van tijd tot tijd
opende zich het hout en verleende het uitzicht in de diepte en verte!
Nu eens zag men Pillnitz zich in den breeden Elbestroom spiegelen,
dan weder zweefde het oog over vruchtbare vlakten en zag in het verste
verschiet de boheemsche bergen opblauwen. Zoo werd de wandeling door
eene gestadige afwisseling der bevalligste tafereelen verkort en had
men den top bereikt, zonder eenige vermoeidheid te bespeuren.
Hier waren en werden nog feestelijke aanstalten gemaakt, om de hooge
bezoekers te ontvangen. Een groot aantal arbeiders en tuinmeisjes was
onder opzicht van den hoftuinier bezig de plaats met bloemenfestoenen
en kransen, die van boom tot boom geslingerd werden, te omgeven. Eene
prachtige tent was op het grasveld opgeslagen en zelfs de wachttoren,
van welks tinnen men een vrij uitzicht had over het naaste woud,
werd met bloemen versierd, die zonderling bij den grijzen, bemosten
steenklomp afstaken. Bernard overzag met een snellen blik het geheel en
zeide: „Recht aardig; juist niet kunstmatig schoon, maar feestelijk;
evenals enkele volksdrachten, hoe weinig schoon soms ook, toch vaak
eene warme, bevallige levendigheid bezitten en daardoor voor de kunst
dienstiger worden dan edele antieke kleedervormen. Maar den armen toren
hadt gij met vrede moeten laten, goede lieden! Dat is, alsof gij een
tachtigjarigen kaalkop een krans opzettet; bloemen passen der jeugd,
kransen voegen in het donkerlokkige haar.”
Dit zeggende nam hij eene der bloemenvlechtsters een juist voltooiden
krans van vroege rozen, viooltjes en reseda's uit de hand en drukte
dien met eene vlugge beweging op Maria's donkerbruine lokken, zoodat
deze verschrikt opzag; spoedig herstelde zij zich echter en vroeg
blozende en hem toelachende: „Staat hij mij goed?”
„Eene lentegodin!” riep Bernard. „Allerliefst!” meenden Julie en
Emma, haar aandachtig beschouwende. Bernards gedachte had zooveel
bijval gevonden, dat Rasinski der vlechtster eenige geldstukken in
de hand liet glijden en daarvoor nog twee dergelijke kransen bekwam,
welke hij aan Julie en Emma overreikte, met dringende bede, dat ook
zij zich daarmede tooien zouden. Wel weigerden zij dit blozende en
huiverden bij de gedachte van opzien te zullen verwekken; doch Maria
voegde haren aandrang bij dien der overigen en zoo gaven zij eindelijk
toe. Vooral bewoog haar daartoe de omstandigheid, die thans eerst met
verwondering door allen werd opgemerkt, dat zij zich geheel alleen
onder de arbeiders bevonden, daar van de vele toeschouwers nog niemand
tot deze hoogte was doorgedrongen. Zonder het te weten, hadden zij dit
aan de officieren en wel voornamelijk aan Rasinski te danken; want
er was bevel gegeven, alle personen, die niet tot het hof behoorden,
slechts tot op eene zekere hoogte van den berg toe te laten, en te
dien einde waren op den grooten weg verschillende posten uitgezet. Het
kleine zijpad was onopgemerkt gebleven. Op den kruin bevonden zich wel
is waar ook wachtposten, doch daar Rasinski de schitterende uniform
droeg en door twee jonge officieren begeleid werd, meenden de soldaten,
bij wie de monteering in het algemeen voor een vrijpas pleegt te
gelden, daarin het onwedersprekelijke bewijs te zien, dat hij met zijn
gezelschap het recht had om op den berg te blijven, te meer daar zij
veronderstelden, dat men hem ook beneden reeds om dezelfde reden had
doorgelaten. Bovendien had zijn geheele voorkomen iets zoo gebiedends
en voornaams, dat ondergeschikte lieden hem zelden aan het algemeene
verbod onderworpen geloofden, maar hem gewoonlijk met onmiskenbaren
eerbied voor zijn persoon als eene volkomen geldige uitzondering op den
regel beschouwden.