HOOFDSTUK IV.

Het besluit tot een rit naar den Porsberg was zoo onverwachts bij het

hof opgekomen, dat er in de stad weinig van bekend werd en men Pillnitz

dus nog bijna geheel ledig vond. Lodewijk maakte hiervan gebruik,

door in de herberg dadelijk eene vrije kamer in beslag te nemen, wijl

naderhand de toeloop lichtelijk zoo groot kon worden, dat het aan

plaats ontbrak. Nadat de dames aldaar haar toilet een weinig in orde

hadden gebracht, besloot men tot eene wandeling in den tuin, waar de

schaduwrijke lanen bij de nog tamelijk drukkende hitte eene aangename

schuilplaats beloofden. Eerst later, bij de invallende koelte, wilde

men den berg beklimmen, daar het hof eerst tegen het ondergaan der zon

op den top verwacht werd.

De tijd vlood onder het wandelen hoogst genoeglijk voorbij. Reizigers,

vooral soldaten, die een zwervend leven leiden, worden oneindig veel

spoediger bekend in de kringen met welke zij vluchtig in aanraking

komen, dan zulks met anderen het geval is. De dra op handen zijnde

scheiding leert daarbij de waarde van het oogenblik hooger schatten;

men beschouwt elk, dien men slechts voor korten tijd zien zal, om

hem dan wellicht voor eeuwig vaarwel te zeggen, veel opmerkzamer,

dan hem, wiens levensweg met den onzen langer schijnt te zullen

samenloopen. Ook vindt onder zulke omstandigheden eene eigenaardige,

wederkeerige toenadering en belangstelling plaats. De blijvende

beschouwt den vreemdeling, die verre landstreken doorkruist heeft, en

nog meer verwijderde te gemoet snelt om er wellicht de zonderlingste

ontmoetingen te beleven, met verhoogde deelneming; de omdolende

vreemdeling daarentegen wordt door den aanblik van het gelijkmatige,

zorgelooze geluk eener stille huishoudelijkheid tot een weemoedig

verlangen gestemd, dat ook hem alle voorwerpen in een bekoorlijker

daglicht vertoont. Zoo kunnen ook persoonlijke hoedanigheden, die ons

in den gewonen omgang misschien onverschillig zouden hebben gelaten,

in zulk een geval hoogst aantrekkelijk worden en daar vooral, waar

eene inderdaad zeldzame vereeniging van belangwekkende eigenschappen

gevonden wordt, vormt zich niet zelden, wanneer een rechtstreeksch

verschil van levens- en lotsbestemming de wederzijdsche toenadering

versterkt, eene innige verbintenis der harten, die, hoe snel en

vluchtig aangeknoopt, dikwijls nimmer weder kan verbroken worden

zonder de smartelijkste wonden achter te laten.

Dit was bij de jeugdige gemoederen het geval, die zich thans in

argelooze openhartigheid voor elkander ontsloten. Het kon wel niet

anders, of twee in de stilte van het landleven opgegroeide meisjes,

die een gelukkigen aanleg bezaten, maar wier opvoeding echter door

de omstandigheden eenigermate gebrekkig was geweest, moesten worden

medegesleept door het onderhoud van twee vurige jongelingen, wier borst

in edele geestdrift voor den krijg en het vaderland ontvlamd was,

en wier leven van hunne vroegste jeugd af zoo rijk aan merkwaardige

ontmoetingen en eervolle daden was geweest. Jaromir bezat daarenboven

die, zijn volk eigene, bijna kinderlijk eenvoudige levendigheid, welke,

met eene vreemdklinkende uitspraak der duitsche taal en eene daaruit

ontstaande geheel eigendommelijke wijze van uitdrukking gepaard,

iets zeer innemends had; Boleslaw integendeel was ernstig in zijn

voorkomen, doch de adel zijner gelaatstrekken, zijn hoog met donkere

lokken overschaduwd voorhoofd, zijne vurige oogen verzekerden hem

al dadelijk bij zijne eerste verschijning een warme belangstelling.

Daarentegen moesten twee jonge helden, die eerst voor eenige dagen het

ruwe legerkamp verlaten hadden en een vertrouwelijken omgang met edele,

beschaafde vrouwelijke wezens niet dan uit de herinneringen hunner

kindsheid kenden, wellicht nog sneller door de banden geboeid worden,

die zich zoo spoedig tusschen de onverbasterde, jeugdige harten laten

aanknoopen. Onder zulke omstandigheden pleegt wel is waar niet zoo

licht een diep indringende hartstocht te ontstaan, wijl het vluchtige,

voorbijgaande en kortstondige der genieting zich telkens aan de ziel

voordoet; maar het oogenblik doet daarvoor zijne rechten ook des te

levendiger gelden.

Deze beide paren genoten dus een schuldeloos geluk, zonder zich van de

oorzaak daarvan rekenschap te geven; het vervulde en verkwikte hun de

borst, gelijk een zachte lentedag, welks verrukkende tooverkracht ons

ook uit verborgen bronnen in de ziel dringt en slechts een algemeen

verlangen doet ontwaken, zonder den blik op bepaalde verwachtingen te

doen vestigen.

Beter was Bernard, die, gelijk eene plant van het gloeiende zuiden,

door den geweldigen vuurgloed zijner ziel vroeger tot een ongelijk

hoogeren wasdom en eene meerdere ontwikkeling van al zijne krachten

gerijpt was, zich den aard zijner gewaarwordingen bewust. In zijne

borst was het zelden helder dag; hij kende slechts nacht en vlammen,

en deze brandden nooit zuiver, maar wierpen, gelijk de vuurkraters

der zon, gestadig reusachtige sintelmassa's uit, die zich tot zwarte

vlekken vormden op de lichtende schijf. Intusschen werd ook de duistere

nacht bij hem verlicht, hetzij door bliksemstralen, hetzij door eenige

in de verte fonkelende sterren, op welke hij het oog met smachtend

verlangen gericht hield. Deze fantastische beschouwing van zijn

binnenste was bij hem opgekomen, toen hij een weinig met Lodewijk was

achtergebleven en beiden, stilstaande, met het oog de wentelende golven

van den stroom volgden.

„Tusschenbeiden,” begon hij, „komt het mij voor, dat het in het

uiterste noorden van den nachtelijken hemel mijner ziel begint te

schemeren en de maan zacht en glansrijk moet opkomen. Maar zij stijgt

bloedig op, en die gansche schemering was slechts de weerschijn van een

brand, die mij, de duivel weet wat vernielt.”

„En mij is het,” antwoordde Lodewijk, wien deze vergelijking bij zijne

tegenwoordige gemoedsstemming diep ontroerde, „mij is het alsof die

schemerende gloed slechts het ondergaan van eenig schoon gesternte

aanduidde, waarna alles spoedig duistere nacht zal zijn.”

„Gij kunt gelijk hebben,” sprak Bernard ruw en kortaf, zooals hij

gewoon was; „maar keeren wij tot het gezelschap terug.”

„Ik troost mij daarmede,” vervolgde Lodewijk onder het voortgaan, „dat

elk ondergaand gesternte in eene andere wereld opgaat.”

„Ja, ja, recht lief,” merkte Bernard op; „het rad, dat mij lenden en

ribben en mijnenthalve het hart daartusschen stuk rijdt, draait aan de

as van een triomfwagen voor een ander, die misschien een ezel is; of

eene gans en een aap zitten dood op hun gemak in de kales, of rijden

naar de kerk in de bruiloftskoets, waarvan de wielen mij verpletteren

en radbraken. Dat troost ongemeen!”

„Zoo meende ik het niet, Bernard,” sprak Lodewijk een weinig geraakt;

„ook hebt gij mij met opzet misverstaan. Niet eene wereld van anderen,

maar die, welke voor ons zelven eene andere, betere zal zijn, bedoelde

ik.”

„Goede Lodewijk,” antwoordde Bernard, terwijl hij uit dien bitteren

toon in zijne gewone spotachtige luim overging, „het is waarlijk eene

zeer aangename geruststelling, die wij in Ariosto lezen, dat dingen,

die hier voor ons verloren gaan, in de maan zijn weer te vinden; wat

mij nochtans betreft, ik behield liever het weinige dat ik heb; men

spaart zijne moeite daarbij. Is de zaak intusschen inderdaad zoo, dan

kan ik u verzekeren, dat mijne meeste goederen in de maan liggen en dat

ik in het daar berustende register van hypotheken, als het eenigszins

goed in orde is, met aanmerkelijke vorderingen moet staan ingeschreven.

Maar als wij zoo voortbabbelen en de oogen niet eens opslaan, zullen

wij ons gezelschap ook spoedig onder de dingen kunnen tellen, die wij

eer in de maan wedervinden dan hier; want had ik niet zoo even de

beide moeders daar achter het vlierboschje zien verdwijnen, dan zou ik

waarlijk niet weten, of ik de dochters rechts of links zoeken moest,

vooral dewijl aan gindschen hoek zooveel wegen door elkander kruisen,

dat wed ik, in geheel Duitschland geene betere plaats voor eene

duivelsbezwering te vinden is.”

Terwijl beide vrienden haastig voortspoedden en juist de donkere laan

wilden inslaan, waarin de overigen verdwenen waren, ontmoetten zij

twee vreemde heeren, van welke de een zorgvuldig gekleed was en het

roode lint van het legioen van eer in het knoopsgat droeg. De ander

hield zich een weinig achter hem en had daardoor het voorkomen van

kamerdienaar of misschien wel geheimschrijver te zijn. Op nog verderen

afstand volgden twee livreibedienden. Met beleefdheid groetende, snelde

de heer met de orde hen voorbij, de andere zag naar de knechts om en

stond een oogenblik stil. Toen hij zich daarop omwendde, waren Lodewijk

en Bernard hem juist genaderd. Beide schenen zijne aandacht tot zich

te trekken; hij groette vluchtig, doch verzuimde niet hen onder het

voorbijgaan nauwkeurig op te nemen. Toen Bernard, wien het gelaat des

vreemden wellicht nog meer getroffen had dan dezen het zijne, zich

omkeerde om hem na te zien, bemerkte hij, dat de ander hetzelfde deed.

De bedienden waren zij intusschen achteloos voorbijgegaan.

„Dat gezicht ken ik,” zeide Bernard, „en ik ben verzekerd het meer

gezien te hebben; maar liegen moest ik, als ik zeide dat het mij

beviel. Verwenscht is het, dat ik als schilder de lijnen en hoeken der

schurkachtigste wezenstrekken nauwkeurig onthoud, terwijl de passen,

waarop zij door de wereld reizen, met alle overige toevoegsels van het

signalement, mij dadelijk door het hoofd gaan; ik bedoel de namen en

verdere betrekkingen. Mijn herinneringsvermogen, hoe groot ook, baat

mij dus weinig meer dan eene spraak, waarvan ik alle woorden weet,

zonder de zaken te kennen die zij beteekenen.”

„Hij viel mij ook in het oog,” antwoordde Lodewijk; „maar ik heb voor

gezichten, die mij noch op zich zelf noch door de omstandigheden belang

inboezemen, bijna volstrekt geen geheugen.”

„Wanneer hij ons ooit of immer al meer tegen 't lijf is geloopen,”

vervolgde Bernard, „zult gij hem aan de noord-, ik hem aan de zuidpool

gezien hebben, daar ik van Schotland kom en gij uit Napels in Dresden

beland zijt. Mij kwellen dergelijke verloren gezichten, wier bijschrift

ik niet vinden kan, dikwijls; maar zóó heeft er mij in lang geen

geplaagd.”

„Het scheen, dat hij u of mij kende,” hernam Lodewijk; „ten minste hij

zag ons scherp aan.”

„Licht mogelijk, dat hij zich ons beiden herinnert en verwonderd is,

wat hij aan deze en de overzij van den aequator gezien heeft, hier

in den tuin te Pillnitz op denzelfden graad noorderbreedte weer te

vinden.—Verdrietig!—Ik wed, de kerel ontneemt mij voor den ganschen

namiddag mijne goede luim, want ik ben zeker, dat hij mij gedurig voor

oogen zal staan, juist omdat ik mijn best doe hem uit mijne gedachten

te stellen.”

„Bekommer u niet langer over hem, mijn vriend,” sprak Lodewijk. „Bij

slot van rekening is het een eenvoudig reiziger, met wien wij ergens in

een postwagen of aan een open tafel gezeten hebben en die niet waard

is, dat gij uwe goede stemming door hem verliest.”

Intusschen hadden de vrienden hun gezelschap ingehaald, en Bernard

voegde zich bij Maria, aan wie Rasinski tot hiertoe de zorgvuldigste

oplettendheid gewijd had.

Het was middelerwijl tijd geworden om den berg te bestijgen. Daar

hiertoe bijna een uur gevorderd werd, drong Lodewijk er op aan, dat

de vrouwen eerst een weinig uitrusten en eene verversching gebruiken

zouden. Men begaf zich dus naar de herberg terug.

Hierop begon men de wandeling. Reeds begonnen de verschillende wegen,

die naar boven voerden, een zeer levendigen aanblik te vertoonen,

en vrouwen en mannen uit alle standen mengden zich in bont gewoel

dooreen en beklommen moedig de hoogte. Toen men de ruïne bereikt

had, verklaarde de moeder, dat de zwakke borst haar het opstijgen

bezwaarlijk maakte en zij dus van het genot van het uitzicht op den top

afzien en hier vertoeven wilde, alwaar zij genoeg bekenden uit Dresden

ontdekte, aan welke zij zich kon aansluiten. Hare zuster gaf hetzelfde

verlangen te kennen. De jongelieden vervolgden dus alleen hunne

wandeling, terwijl de moeders voor eene, in het boschje bij den bouwval

opgeslagen tent, waar ververschingen werden te koop geboden, plaats

namen.

Lodewijk en Bernard, den weg kennende, dienden tot geleiders. Zij

weken, waar het mogelijk was, van den breeden rijweg af en kozen de

meer eenzame paden, die door het kreupelhout slingerden. Hier omringde

hen eene groene, weldadige schemering; het met bloemen bedekte,

weelderige grastapijt ademde liefelijke geuren uit; de hemel blonk

blauw en helder door de reten van het dichte loofdak; kleine beken

murmelden en ruischten onder de struiken ter zijde van het pad en

dartelden langs zilveren kronkelpaden naar beneden; het gezang der

vogels klonk schel en vroolijk uit elken boom; duizende insecten

gonsden door de lucht; de lente leefde en werkte in bosch en bloem, in

lucht en water, en wiegde de ziel in zoete droomen. Van tijd tot tijd

opende zich het hout en verleende het uitzicht in de diepte en verte!

Nu eens zag men Pillnitz zich in den breeden Elbestroom spiegelen,

dan weder zweefde het oog over vruchtbare vlakten en zag in het verste

verschiet de boheemsche bergen opblauwen. Zoo werd de wandeling door

eene gestadige afwisseling der bevalligste tafereelen verkort en had

men den top bereikt, zonder eenige vermoeidheid te bespeuren.

Hier waren en werden nog feestelijke aanstalten gemaakt, om de hooge

bezoekers te ontvangen. Een groot aantal arbeiders en tuinmeisjes was

onder opzicht van den hoftuinier bezig de plaats met bloemenfestoenen

en kransen, die van boom tot boom geslingerd werden, te omgeven. Eene

prachtige tent was op het grasveld opgeslagen en zelfs de wachttoren,

van welks tinnen men een vrij uitzicht had over het naaste woud,

werd met bloemen versierd, die zonderling bij den grijzen, bemosten

steenklomp afstaken. Bernard overzag met een snellen blik het geheel en

zeide: „Recht aardig; juist niet kunstmatig schoon, maar feestelijk;

evenals enkele volksdrachten, hoe weinig schoon soms ook, toch vaak

eene warme, bevallige levendigheid bezitten en daardoor voor de kunst

dienstiger worden dan edele antieke kleedervormen. Maar den armen toren

hadt gij met vrede moeten laten, goede lieden! Dat is, alsof gij een

tachtigjarigen kaalkop een krans opzettet; bloemen passen der jeugd,

kransen voegen in het donkerlokkige haar.”

Dit zeggende nam hij eene der bloemenvlechtsters een juist voltooiden

krans van vroege rozen, viooltjes en reseda's uit de hand en drukte

dien met eene vlugge beweging op Maria's donkerbruine lokken, zoodat

deze verschrikt opzag; spoedig herstelde zij zich echter en vroeg

blozende en hem toelachende: „Staat hij mij goed?”

„Eene lentegodin!” riep Bernard. „Allerliefst!” meenden Julie en

Emma, haar aandachtig beschouwende. Bernards gedachte had zooveel

bijval gevonden, dat Rasinski der vlechtster eenige geldstukken in

de hand liet glijden en daarvoor nog twee dergelijke kransen bekwam,

welke hij aan Julie en Emma overreikte, met dringende bede, dat ook

zij zich daarmede tooien zouden. Wel weigerden zij dit blozende en

huiverden bij de gedachte van opzien te zullen verwekken; doch Maria

voegde haren aandrang bij dien der overigen en zoo gaven zij eindelijk

toe. Vooral bewoog haar daartoe de omstandigheid, die thans eerst met

verwondering door allen werd opgemerkt, dat zij zich geheel alleen

onder de arbeiders bevonden, daar van de vele toeschouwers nog niemand

tot deze hoogte was doorgedrongen. Zonder het te weten, hadden zij dit

aan de officieren en wel voornamelijk aan Rasinski te danken; want

er was bevel gegeven, alle personen, die niet tot het hof behoorden,

slechts tot op eene zekere hoogte van den berg toe te laten, en te

dien einde waren op den grooten weg verschillende posten uitgezet. Het

kleine zijpad was onopgemerkt gebleven. Op den kruin bevonden zich wel

is waar ook wachtposten, doch daar Rasinski de schitterende uniform

droeg en door twee jonge officieren begeleid werd, meenden de soldaten,

bij wie de monteering in het algemeen voor een vrijpas pleegt te

gelden, daarin het onwedersprekelijke bewijs te zien, dat hij met zijn

gezelschap het recht had om op den berg te blijven, te meer daar zij

veronderstelden, dat men hem ook beneden reeds om dezelfde reden had

doorgelaten. Bovendien had zijn geheele voorkomen iets zoo gebiedends

en voornaams, dat ondergeschikte lieden hem zelden aan het algemeene

verbod onderworpen geloofden, maar hem gewoonlijk met onmiskenbaren

eerbied voor zijn persoon als eene volkomen geldige uitzondering op den

regel beschouwden.

1812: Historische roman · 第 23 / 154 题