HOOFDSTUK III.

Den volgenden morgen deed Lodewijk eene wandeling op het Brühlsche

terras. Eensklaps stond Bernard voor hem. „_Salve!_” riep deze hem toe.

„Zoo even heb ik onzen Pluto of Jupiter, of hoe gij hem noemen wilt,

zien voorbijrijden.”

„Den keizer?” riep Lodewijk met vuur, terwijl hij de aangeboden hand

vriendschappelijk drukte; „nu, hoe ziet hij er bij dag uit?”

„Ik weet waarachtig niet, hoe ik u dat beschrijven zal,” begon Bernard;

„het was een leven als de hel; klokkenspel, kanonschoten, volksgewoel,

troepen, die naar de parade wilden, kortom een satansch geweld, maar ik

hoorde er niets van. Wanneer ik mij als schilder den keizer voorstel,

dan had hij, dacht mij, een aschgrauw gezicht, hoekig, puntig, ongeveer

zóó, als een hond dat het liefst een stuk papier zou naar binnen

slikken. Een paar grijsachtige zwarte oogen, een korte dikke vent—de

duivel mag weten wat een leelijke kabouterman. Maar zie, dat is het

juist, waarover ik mij, had ik niets beters te doen, den armen kop

gek zou kunnen denken en half en half aan 't malen zou raken, daar ik

maar niet begrijpen kan, wat voor een spook mij toch eigenlijk zoo

behekst heeft. Dan scheen 't mij toe, als trok langs den bleek-blauwen

nuchteren hemel eene zware onweerswolk die bliksems schoot, waarbij

de zon er uitzag als een meisje, dat de koorts heeft; dan weer kwam

't mij voor, dat een donkerrood, fonkelend gesternte tusschen grauwe

nevelwolken heentoog, zoodat alles in het rond als bloed gekleurd

werd, eindelijk, en dat duurde het langst,—gij zult mij er echter

om uitlachen,—was het mij, als werd de Rijnval eensklaps doodstil,

alsof de plechtige stilte mij belette zijn gedruisch te hooren, wat

intusschen al zeer vreemd klinkt.”

„Waarlijk niet zoo vreemd, als gij wel denkt,” riep Lodewijk; „want wat

is stilte? Er bestaat eene plechtige, verheven stilte der ziel, die

heerschen kan te midden van het levendigste gewoel der buitenwereld.

Toen de keizer gisteren voorbijreed, kwam het mij voor, dat elk die

hem zag, zich in die zwijgende, eerbiedige gemoedsstemming voor hem

moest nederbuigen; en zoo zou mij ook thans het gevoel van diepe

stilte doordrongen hebben, niettegenstaande het gelui der klokken,

het donderen der kanonnen en het gewoel van het volk. En daar gij

den Rijnval noemt, moet ik u zeggen, dat ik daar, zoowel als aan den

bruisenden val van de Reuss op den St. Gotthard, nog zeer onlangs eene

dergelijke bevinding gehad heb. Want de verhevenheid in den omtrek

dezer natuurtooneelen verwekt in de ziel bijna dezelfde gewaarwording

en werkt bovendien nog door de tegenstelling der versteende, eenzame

rotskegels en der onmetelijke hoogte van den kalmen hemel, zoodat het

gedruisch zelfs van het nederstortende water den indruk der stilte, die

slechts in ons gevoel, niet in de werkelijkheid heerscht, verhoogen

kan.”

„Gij spreekt als een boek,” antwoordde Bernard, „als Thales, ja zelfs

als Solon, dien ik hooger stel, daar hij goede wetten voor weerspannige

menschen wist te geven, terwijl de eerste slechts de wetten der natuur

met eenig geluk bestudeerde. Intusschen hebt gij gelijk. Hetzelfde

heb ik in Schotland opgemerkt, in de Fingalsgrot onder anderen,

waar ik meermalen dacht: Zou men hier nu het bulderen en loeien van

wind en golven wel hooren, als het niet zoo stil was als in eene

Hernhuttersche broederkerk? Ook in eene enge, diepe rotskloof vóór een

waterval, door welks gedruisch mij hooren en zien verging, dacht ik

bij mij zelf: Hier is het stil als in 't graf, men hoort slechts dien

stroom bruisen en klateren. Dat gevoel trof mij nog meer, toen ik een

wilden rozenstruik op een vooruitspringend rotsblok gewaar werd, welks

teedere groene takken en knoppen over den schuimenden afgrond hingen,

zonder in het minst bewogen of door een windje gewiegd te worden, zoo

stil en kalm was alles rondom. Deze tegenstelling van de zachtste en

de vreeselijkste natuurkrachten verlevendigde mijne gewaarwordingen

buitengemeen. Iets dergelijks, en tevens iets geheel verschillends,

voelde ik bij een hevigen brand te Edinburg waar ik op eene

bovenverdieping, die reeds in lichtelaaie stond, tusschen de woeste

vlammen een verlaten kanarievogel ontdekte, die in zijne kleine kooi

aan het venster was blijven hangen. Hij geleek een goudvischje in den

onstuimigen wereldoceaan.—Maar, bij den hemel, dat is een schoon man,

die daar aankomt! Die ziet er ook uit, of hij keizer zijn kon,” viel

hij eensklaps zich zelf in de reden en stiet Lodewijk aan, die zich

nauwelijks had omgewend, of hij zag den overste Rasinski toesnellen en

uit de verte reeds vriendelijk wenken en groeten.

„Ziedaar, vriend!” sprak de Pool hem met een van vreugde flonkerend

gelaat aan, „nu kunnen wij elkander toch eindelijk eens behoorlijk

welkom heeten. Vijf of zes dagen ben ik mijn eigen meester en eenige

daarvan zullen wij naar ik hoop toch gezamenlijk doorbrengen.

Intusschen moogt gij mij geluk wenschen. De keizer heeft mij de

oprichting van een regiment lichte troepen opgedragen, dat als

vrijkorps zal te velde trekken en waarbij mij de onbeperkte keus der

manschappen en officieren is gelaten. Aangenamer betrekking in het

leger had ik niet kunnen wenschen. Drie dagen zullen er misschien nog

verloopen eer ik de noodige besluiten, volmachten en aanwijzingen

schriftelijk in handen heb, dan regel ik al mijne zaken en vertrek

dadelijk naar Warschau, waar ik onder mijne Poolsche landslieden mijne

kameraden denk uit te kiezen.”

Bernard hield het oog onbewegelijk op den schoonen Pool gevestigd en

zag hem met blikken aan, die aanduidden dat hij hem dadelijk voor

eeuwig in het geheugen wilde prenten. Rasinski scheen dit zeldzaam

aanstaren bijna beleedigend te vinden, weshalve Lodewijk, eene

onaangename verklaring duchtende, zich haastte hen aan elkander voor

te stellen. „De beste vriend mijner jeugd, Bernard, een schilder—graaf

Rasinski, dien ik in Zwitserland op den St. Gotthard heb leeren kennen.”

„Ik vertrouw, dat de vrienden eens derden ook onderling zullen bevriend

worden,” sprak Bernard levendig; „reeds volgens mathematische gronden

is zulks noodzakelijk.”

„Het is zoo,” hernam Rasinski glimlachend en greep Bernards ten halve

aangeboden hand; „twee grootheden, die aan een derde gelijk zijn, zijn

aan elkander gelijk, intusschen...”

„Heeft de stelling in mijn geval evenveel voor als tegen zich,” viel

Bernard hem schielijk in de rede; „dat stem ik u al dadelijk toe; maar

toch hoop ik gelijk te houden.”

„Niets zal mij meer verheugen,” hernam Rasinski.

„Wilt gij,” sprak Lodewijk, „om de waarheid uwer stelling nader te

onderzoeken, heden beiden mijne gasten zijn? Ik heb mijne moeder reeds

beloofd,” ging hij zich tot den graaf wendende voort, „u en onze beide

jongere vrienden in ons huis in te leiden, wanneer zij namelijk mijne

uitnoodiging in onzen beperkten huiselijken kring niet versmaden.”

„Welke vreemde woorden, mijn jonge vriend!” sprak Rasinski vriendelijk,

terwijl hij den vinger tot eene schertsende bedreiging ophief. „Gij

weet, hoe wij ons reeds in dat vooruitzicht verheugd hebben. En kan den

soldaat, wiens leven een gestadig eenzaam omdolen is op de opene straat

der wereldgebeurtenissen, wel iets aangenamer en genoegelijker zijn,

dan een vertrouwelijke, hartelijke familiekring?”

„Ik had gedacht,” merkte Lodewijk op, „dat de krijgsman slechts de

drukkende beperktheid zulker betrekkingen gevoelen kon.”

„Ach, beste vriend, gij weet niet, hoe hoog men het geluk van den

huiselijken haard leert schatten, wanneer men gevoelt overal een

vreemdeling te zijn. Eén enkele dag op deze menschelijke schoone wijze

doorgebracht, nadat men maanden lang in de eenzaamheid omzwierf als

een opgejaagd wild zonder leger, wordt een onschatbaar geluk. Wel is

waar worden daardoor ook weemoedige gewaarwordingen opgewekt, want men

ziet gouden vruchten, die men niet plukken mag, maar het doet toch

zoo innerlijk goed, nu en dan ook door uitwendige omstandigheden en

ontmoetingen er aan herinnerd te worden, dat er eens een tijd was,

waarin men zelf ook zoon, broeder, wellicht echtgenoot en vader wezen

mocht!”

„Hm,” sprak Bernard, „daar is iets waars aan. Half en half heb ik sinds

langen tijd de rol van den wandelenden Jood gespeeld en begin daarom

tusschenbeiden naar rust te verlangen; maar op den duur zou ik ze toch

niet gaarne met eene andere verwisselen. Ik heb een onoverwinnelijke

afkeer van de slaapmuts en de pantoffel; geen vestingmuur, geen

tralievenster, geen kerkerkot, die mij zoo benauwen kan.”

„Wie er aan gewoon is,” meende Rasinski, „den hemel des levens

dagelijks tusschen storm en zonneschijn te zien afwisselen, die

gevoelt zich, het is waar, ook door het vermoeiende eener gestadige

kalmte beëngd. Wie echter standvastig en trouw aan den gekozen

levensregel vasthoudt, ontdekt in zijne eentoonige kleur duizend

kleine schakeeringen, die aan het zachter gestemde gemoed hetzelfde

genot schenken, hetzelfde bonte wisselspel des levens voortooveren;

natuurlijk moet hij alle scherpe afscheidingen, alle reten, scheuren,

kloven en afgronden, die de schoone vlakte zijner dagen konden

afbreken, vermijden. Wint men er echter wel bij, wanneer men zich

aan de sterkst prikkelende gewent? Worden wij niet spoedig zoo

geheel verstompt, dat wij de afwisseling van ijs en gloed nauwelijks

meer bemerken? Zoo doen onze afgestompte zintuigen ten laatste eene

soortgelijke eentoonigheid ontstaan, met dit onderscheid slechts, dat

in onze leefwijs een ruwe, woeste toon de heerschende is, terwijl dáár

eene zachtere melodie de ziel vervult en verteedert.”

„De rivier is voor de ranke boot, de oceaan is voor den driedekker,”

merkte Bernard vluchtig aan. „De eerste wordt door de onstuimige

golven verzwolgen, de laatste blijft op de zandbanken van het ondiepe

vaarwater vastzitten. Wat mij betreft, ik houd het met de volle zee,

van tijd tot tijd moet ik daarop rondzwalken, en een enkele storm of

schipbreuk veraangenaamt de vaart. Werp ik al somtijds aan een stil,

vreedzaam eiland het anker uit, de eerste gunstige wind de beste voert

mij toch weer in het ruime sop terug. Maar—om over iets anders te

spreken—uwe uitnoodiging, Lodewijk, bevalt mij in het geheel niet.

Hebben wij niet een schoonen Meidag met zonneschijn en blauwen hemel?

Moet men zich dan tusschen vier muren inkerkeren? Mij dunkt, wij

moesten gezamenlijk een tochtje naar buiten doen.”

„Gaarne,” antwoordde Lodewijk; „en dan stel ik eene vaart op de Elbe

voor.”

„Voortreffelijk!” riep Rasinski, „één dag in de vrije natuur, onder den

helderen, blauwen hemel doorgebracht, verbindt de menschen sneller en

inniger, dan een jaar te zamen in de gezelschapszaal gesleten.”

„Hoe laat dus?” vroeg Bernard. „Drie uur is, dunkt mij, een geschikte

tijd.”

„Goed,” hernam Lodewijk. „Ik haast mij de boot af te huren. In allen

gevalle verzoek ik, dat wij ons ten huize mijner moeder verzamelen;

zoo eenige hindernis in den weg mocht komen, kunnen we ons nog aan ons

eerste voornemen houden.”

Na deze woorden namen de vrienden afscheid van elkander. Lodewijk

bleef nog een oogenblik aan het terras staan, zag den stroom over en

overlegde bij zich zelven, waarheen men de voorgenomen vaart het best

richten zoude. Het voorstel daartoe was hem eigenlijk door verrassing

ontlokt geworden, daar Bernard met zijn onstuimigen aandrang en

Rasinski door de vreugde, welke hij op het denkbeeld van een dag in de

vrije natuur door te brengen, had te kennen gegeven, hem geene keus

hadden overgelaten. Hij besefte echter, dat het voor zijne zuster niet

zeer voegzaam was, zulk een tocht onder geleide van zoo vele vreemde

officieren te ondernemen, te minder, daar zij het eenige jonge meisje

onder het gezelschap zoude zijn. Bovendien was een groot deel der

bevolking van Dresden hevig Duitschgezind en haatte de vreemdelingen

als vijanden en onderdrukkers des vaderlands, schoon ook Saksen zich

sinds lang aan hen had aangesloten en den keizer zelfs den schijn eener

niet onbelangrijke verhooging en uitbreiding te danken had. Maria

deelde levendig in die gezindheid; maar al ware dit ook al niet het

geval geweest, zoo bevonden zich toch te veel deftige familiën onder

de tegenpartij, bij welke een jong meisje, door openlijke verkeering

met de over het algemeen niet in den besten reuk staande officieren der

armee, in een dubbelzinnig licht gesteld werd. De gansche zaak was hem

dus zeer onaangenaam en hij overlegde nog op welke wijze hij bij zijne

moeder zijn voorstel het best zoude inrichten, toen hij deze met Maria

en meer andere dames het terras zag opkomen.

Nog eer hij bij zich zelven tot het besluit was gekomen of hij haar te

gemoet zoude gaan dan niet, huppelde Maria, die hem reeds van verre

herkend had, met lichten tred uit de rij der overige vrouwen op hem toe

en riep: „Daar vind ik u immers, lieve broeder! Wees hartelijk welkom.

Gij zijt mij nog zoo vreemd, zoo nieuw, dat, als ik u een uur niet

gesproken heb en dan wederzie, het mij voorkomt, als kwaamt gij zoo

even eerst aan en als moest ik u opnieuw om den hals vliegen.”

„Gij goede zuster,” sprak Lodewijk en drukte innig haar kleine hand,

„denkt gij, dat het mij anders gaat?”

Maria glimlachte zonder te antwoorden. Eindelijk vervolgde zij: „Kom nu

eens spoedig meê, gij zult oude bekenden weerzien; ik ben nieuwsgierig

of gij haar nog kennen zult.” Dit zeggende leidde zij Lodewijk naar de

dames, die op eenigen afstand bij eene bank, vanwaar men een schoon

uitzicht over de landstreek had, naar het scheen, opzettelijk waren

blijven staan, om hem op te wachten.

Hij trad, door Maria geleid, met eenige verlegenheid nader. Eene

bejaarde en twee jongere dames bevonden zich in gezelschap zijner

moeder. De bloeiende meisjes glimlachten schalkachtig, toen zijn

blik twijfelachtig op haar rustte; de oudere dame hield het met een

breeden stroohoed bedekte hoofd eenigszins voorover gebogen, zoodat

men haar gelaat niet zien kon. Het scheen, dat zij niet herkend

wilde zijn, om hare dochters niet te verraden, in welke Lodewijk met

recht twee kinderen vermoedde, die gedurende zijne afwezigheid tot

volwassen jonkvrouwen waren opgegroeid. Zijne moeder zag hem met een

geheimzinnigen glimlach aan. „Hij heeft een trouweloos hart,” zeide zij

eindelijk; „hij vergeet zijne eeden, zooals de mannen altijd.” De eene

der beide jonge meisjes bloosde bij deze woorden als eene liefelijke

roos, de andere vertrok den frisschen mond tot een bevallig lachje.

Thans hief de oude dame het hoofd op en zag Lodewijk aan.

„Beste tante!” riep deze vroolijk uit, „is het mogelijk! Emma en Julie?”

„Wie anders,” was het antwoord; „maar staat het fraai, zijne naaste

bloedverwanten zoo geheel te vergeten?”

Lodewijk kuste zijne tante de hand; hoe hij de dochters begroeten

moest, wist hij niet; want ofschoon hij zijne gansche jeugd met haar

doorleefd had, ontstaat toch tusschen den tot man rijpenden jongeling

en het volwassen meisje, vooral wanneer in den tijd der ontwikkeling

eene langdurige scheiding heeft plaats gevonden, eene natuurlijke

verwijdering, welke met de vroegere vertrouwelijke betrekking geheel

strijdig is. Het bleef dus bij eene welkomstgroet met vriendelijke

woorden en een, hoewel iets warmeren kus en druk der hand, dan bij de

moeder.

Emma en Julie waren nauw aan Lodewijk verwant, want hare moeder,

Elisabeth, was de zuster der zijne, weduwe als deze, en leefde met

hare dochters op een klein landgoed eenige uren van Dresden. Als knaap

had hij er dikwijls weken en maanden doorgebracht, zoodat tusschen hem

en de bloeiende meisjes de kinderlijkste, gulste vertrouwelijkheid

geheerscht had. Zij waren thans met hare moeder onverwachts in de

stad gekomen, om den keizer te zien en de openlijke feestvieringen

bij te wonen, welke met diens tegenwoordigheid verbonden waren. In

alle opzichten greep hier dus de vroolijkste verrassing plaats, en

het wederzien zoude gewisselijk nog hartelijker geweest zijn, wanneer

men zich niet op eene plaats had bevonden, welke eenige terughouding

vorderde. Derhalve drong Maria op een spoedig naar huis keeren aan,

dewijl men zich in de vriendelijke woning geheel vrij en ongestoord aan

de vreugde der ontmoeting zou kunnen overgeven.

Het was tegen den middag, en de lucht begon warm, zelfs drukkend te

worden; aan den verren gezichteinder stegen dampen op, die zich tot

onweerswolken dreigden saam te pakken. Lodewijk zag niet ongaarne, dat

het weder scheen te veranderen, daar zulks hem een geschikt voorwendsel

aan de hand gaf, om de in overijling vastgestelde vaart op de Elbe

op te schorten. Hij was intusschen te openhartig, om zijne moeder

het gebeurde te verzwijgen; hij voerde haar een oogenblik ter zijde,

kwam rondborstig uit voor de onbezonnenheid, welke hij begaan had, en

vroeg haar om raad aangaande de wijze, waarop men, zonder iemand te

beleedigen, het plan gevoegelijk zoude kunnen verijdelen. Tegen zijn

vermoeden antwoordde de moeder vriendelijk: „Het is mij juist wel niet

aangenaam, mij zoo openlijk met vreemde officieren te vertoonen, maar

toch, daar het Polen zijn, wier hertog onze koning is en die wij dus

bijna als landslieden beschouwen kunnen, is er naar mijn gevoel niets

dadelijk onvoegzaams in gelegen. Daar bovendien mijne zuster en hare

dochters ons gezelschap vergroot hebben, kunt gij volkomen gerust zijn

en den uitslag aan de gunstige of ongunstige beschikking van het weder

overlaten.”

Zonderling genoeg kan ons eene oogenblikkelijke zorg of bekommering

dikwijls meer onrust verwekken, dan eene doorgaande, diepe, reeds lang

gekoesterde smart; dit was met Lodewijk het geval geweest, en daarom

voelde hij zich na deze verklaring zeer opgeruimd, ja zelfs vroolijk

gestemd. In het midden der beide bloeiende gezellinnen zijner jeugd,

die zich, vertrouwelijk als voorheen, van zijn arm hadden meester

gemaakt en met vrouwelijke nieuwsgierigheid van de wonderen wenschten

te hooren, welke hij op zijne reis moest gezien hebben, kreeg hij

zijne vroegere welbespraaktheid geheel terug. Zijne ziel ontsloot

zich voor de tooverachtige herinneringen zijner zorgelooze kindsheid;

het was hem alsof hij op den top van een door donkere, het uitzicht

belemmerende wouden omringden en met moeite beklommen berg stond en

den blik in het stille dal terugwierp, waar hij met lieve naburen lang

genoegelijk gewoond had. Lag het ook reeds op een verren, schemerenden

afstand achter hem, zijn oog kon toch de welbekende paden en geliefde

schuilplaatsen nog onderkennen, welke het zijnen voet niet meer vergund

was te bewandelen.—Vroegen dus Julie en Emma naar den Etna of den

Vesuvius, dan gaf hij een kort, luchtig antwoord en vernam dadelijk

naar de beide wijnbergen, die op het goed der tante lagen en waarop

hij zoo menigen vroolijken dag had doorgebracht. Deden de luisterende

nichtjes onderzoek naar het Colosseum, dan wilde hij daarentegen weten,

of het tuinhuisje nog in wezen was, dat hij zelf mede had helpen

opbouwen. Maria, die niet dan ongaarne de plaats aan den arm haars

broeders had afgestaan, ging nu naast hem, dan vóór hem uit en zag

bij elke vraag en antwoord met vergenoegde blikken om, daar zij zien

moest, welken indruk die te weeg brachten, en het haar zoo goed deed,

dat zij even trotsch op de bereisdheid van haren broeder zijn konde,

als zij hem beminnen moest om de nauwkeurigheid, waarmede hij tot zelfs

de geringste genoegens zijner jeugd in aandenken had gehouden.—Zoo

bereikte men de woning. Hier maakte de moeder het plan tot het

riviertochtje bekend, waarmede de onbezorgde meisjes zeer schenen

ingenomen. Om te spoediger gereed te zijn, maakte Maria dadelijk

toebereidselen tot den maaltijd en liet Lodewijk met de beide moeders

en de meisjes alleen, onder uitdrukkelijke voorwaarde echter, dat hij

niets vertellen zoude, wat zij reeds van hem gehoord had. „Want,” zeide

zij, „moeder hoort het gaarne tweemaal en ik mag niets verliezen.”

Nauwelijks had men zich nedergezet, of er werd aan de deur geklopt en

Bernard trad de kamer binnen.

Als de vertrouwde boezemvriend van Lodewijk werd hij met groote

vriendelijkheid ontvangen; ook Emma en Julie herinnerden zich zijner

nog zeer wel, daar hij haar dikwijls kleine teekeningen geschonken of

die op hare kinderlijke bestellingen zelfs wel opzettelijk voor haar

vervaardigd had.

„Het zal u verwonderen, beste vriend!” dus begon hij, „mij zoo

vroegtijdig hier te zien. Maar er zijn gewichtige dingen ophanden,

die ik u noodzakelijk mededeelen moet. Het gansche hof trekt namelijk

heden avond naar Pillnitz, om den Porsberg te bestijgen en vervolgens

bij fakkellicht terug te keeren. Ik vermoedde dus, dat het de dames

wellicht aangenaam zijn zou, dat schouwspel bij te wonen, wanneer

echter, vooral als het bij het roeibootje blijft, een vroeger vertrek

volstrekt noodzakelijk wordt, daar wij tegen den stroom op niet snel

zullen vorderen. Buiten mij, die het zoo even van den hofmaarschalk

gehoord heb, weet geen mensch in Dresden iets van de geheele zaak,

waardoor wij gemakkelijk rijtuigen of gondels, als ook plaats te

Pillnitz zelf kunnen krijgen.”

Bernards nieuwstijding werd, vooral door de beide landmeisjes, met

blijdschap aangehoord. Lodewijk voelde wel is waar meer geneigdheid,

om in eene meer afgezonderde landstreek de natuur en het heerlijke

lenteweder te genieten, doch niettemin was ook hij dadelijk bereid om

Bernards voorstel aan te nemen. Men besloot de afreize te bespoedigen,

maar, in plaats van eene gondel, twee wagens te kiezen, met welker

bezorging Bernard zich gewillig belastte, terwijl hij tevens op zich

nam den graaf Rasinski en diens jongere geleiders op te zoeken en

van het veranderde reisplan te verwittigen. Hij verwijderde zich dus

dadelijk weder. Intusschen was Maria met hare voorbereidsels tot het

eenvoudige, burgerlijke maal gereed; men zette zich aan tafel en bracht

een zeer genoeglijk uur met elkander door, zoodat zelfs Lodewijk de

diepe wonden vergat, welke in zijn binnenste bloedden.

Het was nauwelijks twee uur geslagen, toen een der door Bernard

bestelde wagens kwam aanrollen; een kwartier uur later volgde de

tweede, waarin de drie officieren en Bernard reeds plaats genomen

hadden. Lodewijk snelde naar de deur om hen te ontvangen en naar

boven te geleiden. Toen de kamerdeur zich thans opende en de

rijzige, mannelijk schoone Rasinski met de edelste ongedwongenheid

binnentrad, was eene blijde verrassing op de gelaatstrekken der

vrouwen onmiskenbaar te lezen, die bij de drie meisjes weldra voor

een donkeren blos plaats maakte, bij het alleszins gegronde, ofschoon

slechts duistere gevoel, dat de indruk, dien de verschijning van den

Pool op haar te weeg bracht, zich door hare trekken verraden had.

Bovendien stak het van nature statige en ontzagwekkende voorkomen van

Rasinski, door den glans zijner prachtige monteering nog opgeluisterd,

op eene in het oog loopende wijze af bij de eenvoudigheid van het

burgerlijk ingerichte vertrek en de huiselijke kleeding der vrouwen.

Zelfs Lodewijks moeder, die overigens den juisten toon in den omgang

met hoogere standen geenszins miste, was een oogenblik verrast, ja

bijna verlegen; doch de welwillende vriendelijkheid en de ongekunstelde

wellevendheid van den graaf lieten dien toestand ook slechts een

oogenblik duren. Daar Lodewijk hem met de woorden: „De graaf Rasinski,”

aan zijne moeder had voorgesteld, zeide hij op innemenden toon: „Mijne

rechten op het hart van mijnheer uw zoon zijn nog te nieuw, mevrouw,

om mij er over te durven beklagen, dat hij mij niet als zijn vriend

voorstelt, want anders zouden de eerste woorden die ik met u wissel in

eene aanklacht moeten bestaan.”

„En toch,” hervatte de moeder, „moet mijn zoon op zijne rechten als

vriend al veel vertrouwen stellen, daar hij slechts op deze steunende u

in een kring dorst binnenvoeren, welke u niets kan aanbieden dan gaven,

die slechts bij innig bevriende betrekkingen eenige waarde bezitten.”

„Het zijn de eenige, die ik waardeer, maar die mij echter ook boven

alles dierbaar zijn,” hernam Rasinski met vuur.

Lodewijk maakte nu ook de overige personen met elkander bekend, eene

taak, welke hem door den aangenamen, vrijen gezelschapstoon, zijnen

vriend geheel eigen, en de innemende wellevendheid van Maria, die door

ongedwongenheid niets aan fijnheid verloor, aanmerkelijk verlicht werd.

Slechts Julie en Emma, den steedschen omgang minder gewoon, waren in de

eerste oogenblikken een weinig bedeesd en verlegen.

Daar de mannen elke aangebodene verfrissching van de hand wezen, stond

niets het afrijden meer in den weg. Rasinski geleidde de gastvrouw,

Lodewijk zijne tante naar beneden, waar men het over de verdeeling

spoedig eens werd, en de tante, Maria, Bernard, benevens de beide

jongere officieren in het eerste, de moeder, Rasinski, Julie, Emma en

Lodewijk in het tweede rijtuig plaatsnamen.

1812: Historische roman · 第 22 / 154 题