Den volgenden avond leverde Dresden het trotsche schouwspel der
samenstrooming eener ontzaglijke volksmenigte en der geordende
tentoonstelling eener schrikwekkende krijgsmacht op. De intocht des
keizers, dien men met eene sombere, aan bange ontzetting grenzende
spanning te gemoet zag, was de reden van dit rusteloos wenden en woelen
in de anders min levendige stad. Zijne verschijning zoude het teeken
zijn tot eene onderneming, wier reusachtige stoutheid zelfs de koenste
hoofden deed duizelen. Aan dit gevoel paarden zich de gewaarwordingen
van schrik, van haat of van bewondering, welke de zeldzame man allen
zijnen tijdgenooten inboezemde; gewaarwordingen, die bij sommigen
wellicht elk afzonderlijk opwelden, doch bij de meesten gelijkelijk
gepaard gingen.
Het was de vijftiende Mei.
Lodewijk had moeder en zuster naar het huis eener vriendin gebracht,
waar zij den intocht des keizers zonder stoornis konden zien. Hij zelf
verkoos onder den woeligen, onrustigen volkshoop te blijven, die in
ongeduldige verwachting de straat op en neder golfde.
Eensklaps hoorde hij zijn naam noemen. Het was Rasinski, die op een
prachtigen poolschen schimmel door de onafzienbare gelederen der
soldaten reed en met lossen teugel op hem toerende.
„Goeden avond, mijn vriend van den Gotthard!” riep hij Lodewijk toe,
„u heden reeds weer te zien had ik niet verwacht, want wij hebben
een drukken dag gehad. Ik heb mij zooals gij ziet, reeds uitgerust;
Boleslaw en Jaromir zoeken nog naar paarden. Binnen een uur zal de
keizer hier zijn, en ik weet, dat zij gaarne den dubbelen prijs
betalen, om, als hij aankomt, nog in zijn gevolg te zijn.”
Daar Lodewijk met een officier sprak, lieten de gebaarde krijgers,
die dezen omringden, hem gewillig den toegang. Hij reikte Rasinski de
hand. Toen hij den fraaien man in zijn schitterende uniform zoo fier en
ongedwongen te paard zag en in het zwarte oog de krijgszuchtige vreugde
zag flonkeren, die hem zelfs boven de diepe smart over zijn ongelukkig
vaderland verhief, moest hij bijna onwillekeurig den stand benijden,
die het leven zoo frisch, zoo schuimend en bruisend geniet, daar hij
slechts van het naaste oogenblik verzekerd is. Het scheen hem alsof de
toekomst, hoe treurig, geen zorg kon baren, alsof het noodlot zelfs
alle macht over het menschelijk hart moest verliezen, waar het niet
met toekomstige rampspoeden bedreigen, niet door verre verwachtingen
misleiden kan, maar de schaar der Schikgodin elk oogenblik bereid is
den draad af te snijden, en de mensch dus slechts op uren, niet op
jaren van geluk zijne hoop en uitzichten vestigt.
„Gij beschouwt mij zoo nauwkeurig,” vroeg Rasinski, „is er iets aan
mij, dat uwe aandacht wekt?”
Lodewijk wilde antwoorden, toen zich eensklaps het geroffel der trommen
deed hooren en de soldaten hunne gelederen ordenden en sloten, zoodat
hij zich ijlings uit den kring verwijderen moest. Een generaal kwam met
een luisterrijk gevolg van het slot aanrennen; het was de koning van
Napels, die in zijne met goud overladen, vreemdsoortige huzarendracht,
op een snuivenden andalusischen goudvos in waarlijk koninklijke houding
voorbij reed, om den keizer bij den Freiberger slagboom op te wachten.
Zijn fonkelend oog vloog met bliksemsnelheid over de scharen heen; hij
scheen tevreden. Rasinski had zijn paard ter zijde gewend en begroette
den generaal met eerbied; deze hield stil, sprak eenige woorden met hem
en drukte hem vertrouwelijk de hand. Men bespeurde, dat deze eervolle
onderscheiding den ganschen stoet een zekere achting voor den poolschen
generaal inboezemde, want zelfs de generaals boden hem, toen hij zich
in hun midden voegde en zich bij het gevolg aansloot, een minzamen
groet.
De prachtige ruiterschaar, waaronder zich maarschalken, generaals, de
voornaamste staf-officieren en ook vele Duitsche vorsten bevonden,
stoof spoedig voorbij, de Slotstraat door en op de Wilsdrufferpoort
toe, welke de keizer moest binnenrijden. Vroolijke stoutheid, zelfs
koene overmoed, was op aller gezichten te lezen. Lodewijk stond eene
wijl in gepeins verzonken en liet zijne gedachten den vrijen loop,
toen de naderende hoefslag van eenige paarden hem deed omzien. Het
waren de beide jongere Polen, Boleslaw en Jaromir, die met losse
teugels voorbij stoven om den trein nog in te halen. Ook zij bemerkten
Lodewijk en wierpen hem in het voorbijsnellen een vriendelijken
handgroet toe.
Gij gelukkigen, dacht hij, wat zou uw vroolijken moed kunnen doen
wankelen, daar gij de toekomst met geen ander verlangen te gemoet
ijlt, dan om elk oogenblik uw leven voor uwe dierbaarste wenschen op
het spel te zetten! Gij wint wanneer gij zegepraalt en uw wit bereikt,
gij verliest niet wanneer gij eervol sneeft, eer gij de vruchten hebt
mogen plukken! Gelukkig ieder krijgsman, maar bovenal gij, die zoo van
heeler harte der zaak zijt toegedaan, voor welke gij strijden zult,
die, terwijl gij de stem der eer en der roem volgt, te gelijker tijd
den heiligsten en zoetsten plicht vervullen kunt!—In zulke gedachten
verdiept, liet hij zich door de golvende menigte voortslepen, zonder op
haar zijne aandacht te vestigen of te bemerken, wat rondom hem voorviel.
Plotseling hoorde hij luide zijn naam uitroepen, en toen hij zich
omkeerde, voelde hij zich door mannelijke armen omstrengeld, terwijl
een warme kus van broederlijke vriendschap op zijne wang brandde, nog
eer hij den tijd had gehad te ontdekken, wie zijner vertrouwde vrienden
hem zoo hartelijk begroette. „Lodewijk! herkent gij mij dan niet?”
vroeg de vriend, met verbazing de verrassing en onzekerheid bemerkende,
welke Lodewijks gelaatstrekken onmiskenbaar uitdrukten. „Hebt gij mij
dan zoo geheel vergeten of ben ik dan zoo ontzettend veranderd?”
„Bernard, mijn goede, beste Bernard!” riep deze thans; „zou ik u niet
herkennen? Maar hoe kon ik u hier vermoeden?”
„Nu voor den drommel, toch even goed als ik u,” juichte Bernard, hem
vroolijk onder de oogen ziende, terwijl hij de hand, die hem nog steeds
vasthield, met warmte drukte.
„Mijne zuster zeide mij gisteren nog dat gij sinds twee jaren in
Noorwegen en Schotland rondzwierft.”
„En ik, die ook gisteren pas ben aangekomen, wist van u niet anders dan
dat gij op den Vesuvius of Etna omklauterdet. Maar zou ik u daarom niet
herkennen? Al had ik u op den Hekla ontmoet,—om nu ook maar dadelijk
den derden vuurbalg in Europa te noemen—meent gij dat ik u voor een
ijsbeer zou hebben aangezien?”
„Maar gij paktet mij zoo onverwachts aan en smoordet mij bijna in uwe
armen, ik had immers pas een seconde...”
„En ik pas eene halve, want ik zweer u, dat ik niets van u gezien
had dan hoogstens een achtste profiel, toen ik juist uit de
Wilsdrufferstraat kwam en gij voorbij schoot. Maar al had ik ook enkel
deze lok van uw haar in den wind zien fladderen, ik zou u herkend
hebben, daar ik oude vrienden in 't geheugen houd, en dat doet gij
niet, gij verrader!”
„Omdat gij een schilder zijt,” sprak Lodewijk glimlachend en verheugd,
den trouwen makker nog geheel den ouden te vinden; „een schilder, die
van zijne vrienden slechts de omtrekken in het hoofd houdt, terwijl wij
meer op het innerlijke letten en hem daarom des te meer beminnen.”
„Ook goed; maar ik doe beide en zou een bont slangenvel juist niet
bijster hartelijk omhelzen; wie echter als gij eene dragelijke ziel in
eene dragelijke huid rondvoert, die kan op mijn geheugen staat maken.
Maar zou het niet verstandiger zijn, broertje, dat wij bij den Italiaan
Longo onder dak kropen en gingen zitten en dronken en elkaar de zonden
der verloopen jaren opbiechtten? Het verveelt mij reeds lang, mij
hier door elken pakhuisknecht, snijdersgezel of brillenjood te laten
aangapen en op de teenen trappen: men raakt al die drukte ontwend, als
men zoolang op de Schotsche bergen heeft omgezworven. Kom, een glas
italiaansche wijn smaakt hem, die uit Napels komt, in de herinnering,
en hem, die van de Hebriden aanlandt, in het vooruitzicht even
kostelijk. Kom dan, want ik heb eigenlijk een donkeren hoek noodig om
mijn waarachtig reisrelaas op te dreunen, en ik zal tusschenbeiden een
duchtigen slok nemen, zoodat ik 't op den wijn kan schuiven, als mij nu
en dan een kleur in 't gezicht stijgt, die het janhagel schaamteblos
noemt. Kom vriendje, kom!”
Bernard was van kindsbeen af de schoolmakker en boezemvriend
van Lodewijk geweest; reeds van oudsher had hij zijne diepere
gewaarwordingen, zooals dat menschen van een krachtigen wil meer eigen
pleegt te zijn, met den sluier der scherts en van den spot trachten te
bedekken; zijne vertrouwde vrienden kenden echter het edele gelaat,
hetwelk zich achter dat grijnslachend masker verborgen hield. Lodewijk
was derhalve overtuigd, dat Bernards ontroering en vreugde over het
onverwachte wederzien niet geringer waren dan zijne eigene, en voldeed
gewillig aan diens uitnoodiging, daar hij wist, hoe gaarne Bernard
den vurigen gloed zijner ziel door de kracht van den wijn tot heldere
vlammen placht op te jagen.
„Geef ons eene flesch Syrakuser, Signor Longo, of Lacrymaë Christi,”
riep deze bij het binnentreden; „maar zorg, dat ze vurig, geurig en
krachtig, kortom dat ze echt zij.—Kom hier aan 't venster, Lodewijk,
waar wij het volk kunnen zien woelen en tot een barometer gebruiken,
die ons aanwijst wanneer het tijd is voor den dag te springen om den
keizer te zien.”
De wijn kwam, de vrienden klonken; Bernard ledigde zijn glas, Lodewijk
had het zijne slechts even aan de lippen gebracht.
„Ik dien vooraf wel eene pleitrede te houden,” begon de eerste,
„om niet in eene valsche verdenking bij u te komen. Gij mocht eens
gelooven, dat ik een zuiper geworden was, wijl ik dat edele vocht zoo
gulzig binnenzwelg als een vampyr het hartebloed. Neen, broertje!
slechts op hooge feestdagen steek ik zulke vreugdevuren aan, maar dan
wil ik ook dat zij ras in vlam staan. Maanden lang leef ik ingetogen
als een Carthuizer of Spartaan, van tijd tot tijd echter moet men den
levensdroesem, dien de beste kerel zoo goed afscheidt als het edelste
metaal, in zulk vuur oplossen. In den grond is het niets anders dan
het logge, aardsche lijf des filisterdoms, dat men op dien vlammenden
brandstapel verteert, opdat de ziel zich reinige als asbest en
ontslagen worde van hare banden en juichend opstijge als een feniks uit
de asch. Ik was sedert ettelijke maanden weer sterk aan 't aanzetten,
zoodat hart en ziel in de aarden korst, die zich daaromheen bakt als
de schelp om de parel, bijna stikken moesten en de arme dingen zich
in de verwenschte kooi de vleugels lam sloegen; want ik hield een
engelsche lord gezelschap op zijne reis naar Duitschland—waarom zeg ik
u naderhand wel eens—en derhalve wordt het tijd, dat ik de lont in 't
kruit steke en den rommel in de lucht doe springen. Klink meê! Wat ons
lief is! Dat is en blijft mijn oude heildronk.”
[Illustratie: Lodewijk hief het glas op, stiet aan en ledigde het met
aandoening.]
Lodewijk hief het glas op, stiet aan en ledigde het met aandoening.
Hij maakte thans de ervaring, dat, wanneer onze ziel ergens mede
vervuld is, zij ook door alle toevallige uiterlijke aanrakingen en
ontmoetingen daarop wordt teruggebracht en dat niets zoo vreemdsoortig
is, dat haar daaraan niet op eenige wijze herinnert. Het is waar, de
herinnering door Bernards heildronk opgewekt, was zeer natuurlijk, maar
ook elke andere omstandigheid, elk ander voorval vond in hem steeds een
verbindingspunt met het voorwerp zijner liefde. In de eenzaamheid hield
hij zich met haar bezig, in het woeligste gedruisch vormde zij het
tegenbeeld van alles, wat hem omringde, evenals de zeeman te midden der
onstuimige golven slechts het stille lichtpunt van den verren vuurtoren
in het oog houdt.
Maar ook Bernard werd, nadat hij gedronken had, een oogenblik nadenkend
en zag peinzend voor zich neder; de eene of andere zoete, maar
weemoedige herinnering, dit bemerkte zelfs Lodewijk in weerwil zijner
eigene ontroering, gleed over het koene, fiere voorhoofd heen, evenals
het dichte wolkenfloers zich soms voor eenige oogenblikken vaneen
scheurt en de stille maan laat aanschouwen, wier zachte gloed voor ons
oog zoo lang werd verduisterd. Doch spoedig werd hij die verteedering
meester, terwijl zijn oog eenige fonkelende vuurstralen door den
donkeren gezichteinder liet kruizen, als ware hij beducht zijne
aandoening te hebben verraden.
„Wat ons lief is,” riep hij uit, „vurige kussen of vurige wijn! Eene
kuische Muse of eene lokkende Aspasia! Mijn dronk legt ten minste
niemand boeien of voetangels aan. Wie er meê in het moeras wil blijven
steken, het is zijne zaak; wie de vleugels uitspreidt om naar de
sterren te vliegen, goede reis! wie in stilte zijne eigen gezondheid
drinkt, in 's hemels naam, ik zal het hem ook niet verbieden, ja, ik
drink zelfs meê.—Maar drink dan toch, Lodewijk, en zie mij aan en
vertel, waar gij gezworven hebt die vier jaren, dat wij elkander niet
gezien hebben.”
Lodewijk verhaalde het een en ander van zijne studiën en zijne reis,
doch zweeg van Bianca.
„En ik,” dus nam Bernard het woord op, „kan even kort zijn. Nadat
gij vertrokken waart, copiëerde ik een jaar lang staag drie narren-
of apentronies tegen één Raphaël, zoodat het mij ongeveer als de
soldaten ging, die, na drie dagen streng diëet, den vierden wat beter
kost krijgen dan brood en water. Dat verdroot mij; en nu begon ik
staljongens, keukenmeiden, oude heksen bij 't spinnewiel, kwakzalvers,
tandmeesters, dronken boeren, ja zelfs zwijnenkotten en aangrenzende
departementen naar 't leven op het doek te tooveren, en dat bracht
geld aan. De menschen toch hebben het meest met die kunstwerken op,
waarin zij hun eigen natuur het getrouwst weervinden.—Wat ik in de
beschaafde wereld gewonnen had, besloot ik in de wildernis te verteren,
in Noorwegen en Schotland namelijk, daar 't mij reeds lang op de leden
lag, mijn hart aan die koude noordsche landschappen eens ter deeg te
verwarmen. Zonder grootspraak, Lodewijk, ik heb ettelijke zeestormen,
een half dozijn rotsen en een paar watervallen geschilderd, die
misschien een handvol zilverlingen waard zijn en meer nog. Maar dit in
't voorbijgaan. Pas was ik te Londen, of daar kwam een brief van mijn
oom, die mij allerlei zotternij van mijne geboorte, mijne ouders en
ik weet niet wat al niet meer voorleuterde, die mij eene poos geheel
van streek bracht. Spoedig echter wierp ik den ganschen rommel, die
eigenlijk op niets anders neerkwam, dan dat mijn vader een schelm was,
die zich zijn leven lang niet om mij bekommerd had, door alle vensters
van mijn hart uit; want ik had in die dagen aan vrij wat gewichtiger
dingen te denken dan aan zulke kleinigheden. Ik was blij, dat ik mijn
bestaan eigenlijk aan niemand te danken had, en besloot meer dan ooit
de wereld te trotseeren en te veroveren, wat ik bezitten wilde. Dat was
toenmaals niet weinig, broertje, want....”—
Hier hield hij op. „Want?” herhaalde Lodewijk.
„Stil! hoort gij dat kanonschot? De keizer komt! Zie hoe het volk in
beweging raakt! Daar dienen wij bij te zijn, kom, vriend, naar buiten!”
Met deze woorden sprong hij op en sleepte Lodewijk driftig met zich
voort.
De menigte, die zich tot hiertoe zonder bepaald doel op en neder
bewoog en zich ook hier en daar meer in de verte verspreid had, vloeide
nu van alle zijden te zamen en stroomde op de Wilsdrufferpoort toe.
Intusschen was het bijna geheel donker geworden; men ontstak reeds de
lantaarnen, en ook de pekkransen, die tot meerdere verlichting der
straat dienen zouden, was men bezig in gereedheid te brengen.—„Wij
zullen een nachtstuk te zien krijgen,” zeide Bernard, „daar ben ik een
vriend van. Nu de keizer zich zoo lang heeft laten wachten, wensch ik
ook maar dat hij nog wat langer uitblijve, anders branden vuurbekkens
en lantaarnen niet helder genoeg, om zijn gezicht niet behoorlijk te
kunnen opnemen”.
Het was inderdaad slechts een loos alarm geweest; men had een ander
rijtuig voor dat des verwachten gehouden. De saamgeschoolde menigte
verstrooide zich weder.—„In het somber kerkerhol werd het mij te eng,”
ging Bernard voort; „laat ons hier liever de vrije lucht inademen.” Zij
wandelden tusschen de woelende en wendende volkshoopen op en neder,
die, half door het roodachtig schijnsel der ontvlammende pekkransen
bestraald, half in het duister van den nacht gehuld, eene zonderlinge
vertooning opleverden. „Zie eens, broeder,” sprak Bernard, „hoe vredig
de zachte Meihemel zijn helder sterrenkleed uitspreidt over de woelige
aarde, welker gedruisch tot hem niet doordringt.—Doch hoor! Het komt
nader en nader het gejoel! Nu moet er toch iets ophanden zijn.” Hij
sprong op den nog ledig gebleven drempel eener stoep, die voor twee
plaats bood. „Daar komt hij!” riep Bernard en wees op een wagen,
waarachter men vele ruiters ontdekte, wier sabels en lansvaantjes
in rooden vuurgloed blonken. Het was de poolsche edelgarde, die den
wagen begeleidde. De keizer zat in een hoek gedoken en scheen zich
niet te willen vertoonen. Doch, dicht bij de plaats gekomen, waar
de beide vrienden stonden, boog hij zich, daar eenig toeval den
doorgang stremde, uit het portier voorover, en men kon zijne, door den
toortsgloed hel verlichte gelaatstrekken onderkennen. „Dat is hij!”
fluisterde Bernard met ingehouden adem. Alles in het rond was doodstil,
als had het oog des machtigen, die de wereld met zijn roem en zijn
schrik vervulde, dit eerbiedig zwijgen geboden. Bernard en Lodewijk
hielden hunne blikken onbewegelijk op het hoofd des keizers gevestigd.
Eerst toen het verdween en het rijtuig verder rolde, ontwaakte Lodewijk
als uit eene zinsverdooving en wendde zich tot Bernard. Nog meer dan
over zich zelven, verwonderde hij zich over dezen; want de zeldzame
mensch, die den ernst bijna nimmer over zich meester liet worden, dien
ten minste niet dan hoogst zeldzaam blijken liet, stond thans roerloos
als een marmerbeeld en hield de vurige, sombere blikken strak en
onwrikbaar op de plek gericht waar de keizer verdwenen was. „Bernard!”
riep Lodewijk hem in het oor en vatte hem bij de hand.
Thans ontwaakte hij en staarde den vriend verschrikt aan. „Ja, zoo!”
hernam hij, zich met de hand langs het voorhoofd wrijvende. „Hm! Hij
zag er goed uit! Een schilder mag wel oplettend zijn op zijns gelijken.
Zóó had ik hem mij niet voorgesteld. Geen enkele schoone trek in het
gansche gezicht en toch zoo'n zeker iets! Op mijne eer, ik weet nog
niet, met welk soort van lijnen en strepen men uitdrukt hetgeen op zijn
voorhoofd stond en wat ik in zijn oog gelezen heb!—Maar ik bid u,
zie nu eens al die verdraaide, alledaagsche, scheeve, laffe, nuchtere
tronies hier om ons heen! Heb ik dan nog nooit een gezicht gezien? Zijn
dat gezichten? Ik weet niet wat ik er van denken moet, maar mijn leven
lang heb ik niet zoo veel versleten, misselijke, flauwe, verdroogde
kalfskoppen bij elkander gezien. Als ik den kring rondkijk, is 't mij
of ik een slok zeepwater na een beker Johannesberger moest naar binnen
slaan.”
Lodewijk zocht te vergeefs naar een beeld of naar woorden, om den
indruk, dien hij ondervond, weer te geven.
„Mij scheen het,” begon hij, „alsof eene machtige adelaar met
uitgespreide wieken te midden eener schaar van geringe vogels
voorbijtoog.”
„Juist, juist, gij hebt gelijk,” antwoordde Bernard, „louter ganzen,
eenden, nachtuilen en spreeuwen. Of liever een leeuw, die door een
hoop ezels voorbijdraafde. En voor den duivel, slenterden wij ook niet
meê met den troep? of denkt gij, dat onze twee gezichten als zijne
bijzonnen geblonken hebben aan het grauwe firmament, dat hem omgaf?”
Onder deze woorden had hij Lodewijk bij den arm gevat en voerde hem uit
den stroom van het gedrang in een stille zijstraat. Ernstig en zwijgend
wandelden zij nevens elkander voort. Eensklaps sprak Bernard: „Goeden
nacht, broeder! Tot weerzien op morgen!” rukte zich van den vriend los
en verdween in het duister. In somber gepeins verzonken ging Lodewijk
naar huis; zelfs het vriendelijke: „Goeden nacht!” hetwelk Maria hem
toewenschte, kon zijn gefronst voorhoofd niet ontrimpelen.