HOOFDSTUK II.

Den volgenden avond leverde Dresden het trotsche schouwspel der

samenstrooming eener ontzaglijke volksmenigte en der geordende

tentoonstelling eener schrikwekkende krijgsmacht op. De intocht des

keizers, dien men met eene sombere, aan bange ontzetting grenzende

spanning te gemoet zag, was de reden van dit rusteloos wenden en woelen

in de anders min levendige stad. Zijne verschijning zoude het teeken

zijn tot eene onderneming, wier reusachtige stoutheid zelfs de koenste

hoofden deed duizelen. Aan dit gevoel paarden zich de gewaarwordingen

van schrik, van haat of van bewondering, welke de zeldzame man allen

zijnen tijdgenooten inboezemde; gewaarwordingen, die bij sommigen

wellicht elk afzonderlijk opwelden, doch bij de meesten gelijkelijk

gepaard gingen.

Het was de vijftiende Mei.

Lodewijk had moeder en zuster naar het huis eener vriendin gebracht,

waar zij den intocht des keizers zonder stoornis konden zien. Hij zelf

verkoos onder den woeligen, onrustigen volkshoop te blijven, die in

ongeduldige verwachting de straat op en neder golfde.

Eensklaps hoorde hij zijn naam noemen. Het was Rasinski, die op een

prachtigen poolschen schimmel door de onafzienbare gelederen der

soldaten reed en met lossen teugel op hem toerende.

„Goeden avond, mijn vriend van den Gotthard!” riep hij Lodewijk toe,

„u heden reeds weer te zien had ik niet verwacht, want wij hebben

een drukken dag gehad. Ik heb mij zooals gij ziet, reeds uitgerust;

Boleslaw en Jaromir zoeken nog naar paarden. Binnen een uur zal de

keizer hier zijn, en ik weet, dat zij gaarne den dubbelen prijs

betalen, om, als hij aankomt, nog in zijn gevolg te zijn.”

Daar Lodewijk met een officier sprak, lieten de gebaarde krijgers,

die dezen omringden, hem gewillig den toegang. Hij reikte Rasinski de

hand. Toen hij den fraaien man in zijn schitterende uniform zoo fier en

ongedwongen te paard zag en in het zwarte oog de krijgszuchtige vreugde

zag flonkeren, die hem zelfs boven de diepe smart over zijn ongelukkig

vaderland verhief, moest hij bijna onwillekeurig den stand benijden,

die het leven zoo frisch, zoo schuimend en bruisend geniet, daar hij

slechts van het naaste oogenblik verzekerd is. Het scheen hem alsof de

toekomst, hoe treurig, geen zorg kon baren, alsof het noodlot zelfs

alle macht over het menschelijk hart moest verliezen, waar het niet

met toekomstige rampspoeden bedreigen, niet door verre verwachtingen

misleiden kan, maar de schaar der Schikgodin elk oogenblik bereid is

den draad af te snijden, en de mensch dus slechts op uren, niet op

jaren van geluk zijne hoop en uitzichten vestigt.

„Gij beschouwt mij zoo nauwkeurig,” vroeg Rasinski, „is er iets aan

mij, dat uwe aandacht wekt?”

Lodewijk wilde antwoorden, toen zich eensklaps het geroffel der trommen

deed hooren en de soldaten hunne gelederen ordenden en sloten, zoodat

hij zich ijlings uit den kring verwijderen moest. Een generaal kwam met

een luisterrijk gevolg van het slot aanrennen; het was de koning van

Napels, die in zijne met goud overladen, vreemdsoortige huzarendracht,

op een snuivenden andalusischen goudvos in waarlijk koninklijke houding

voorbij reed, om den keizer bij den Freiberger slagboom op te wachten.

Zijn fonkelend oog vloog met bliksemsnelheid over de scharen heen; hij

scheen tevreden. Rasinski had zijn paard ter zijde gewend en begroette

den generaal met eerbied; deze hield stil, sprak eenige woorden met hem

en drukte hem vertrouwelijk de hand. Men bespeurde, dat deze eervolle

onderscheiding den ganschen stoet een zekere achting voor den poolschen

generaal inboezemde, want zelfs de generaals boden hem, toen hij zich

in hun midden voegde en zich bij het gevolg aansloot, een minzamen

groet.

De prachtige ruiterschaar, waaronder zich maarschalken, generaals, de

voornaamste staf-officieren en ook vele Duitsche vorsten bevonden,

stoof spoedig voorbij, de Slotstraat door en op de Wilsdrufferpoort

toe, welke de keizer moest binnenrijden. Vroolijke stoutheid, zelfs

koene overmoed, was op aller gezichten te lezen. Lodewijk stond eene

wijl in gepeins verzonken en liet zijne gedachten den vrijen loop,

toen de naderende hoefslag van eenige paarden hem deed omzien. Het

waren de beide jongere Polen, Boleslaw en Jaromir, die met losse

teugels voorbij stoven om den trein nog in te halen. Ook zij bemerkten

Lodewijk en wierpen hem in het voorbijsnellen een vriendelijken

handgroet toe.

Gij gelukkigen, dacht hij, wat zou uw vroolijken moed kunnen doen

wankelen, daar gij de toekomst met geen ander verlangen te gemoet

ijlt, dan om elk oogenblik uw leven voor uwe dierbaarste wenschen op

het spel te zetten! Gij wint wanneer gij zegepraalt en uw wit bereikt,

gij verliest niet wanneer gij eervol sneeft, eer gij de vruchten hebt

mogen plukken! Gelukkig ieder krijgsman, maar bovenal gij, die zoo van

heeler harte der zaak zijt toegedaan, voor welke gij strijden zult,

die, terwijl gij de stem der eer en der roem volgt, te gelijker tijd

den heiligsten en zoetsten plicht vervullen kunt!—In zulke gedachten

verdiept, liet hij zich door de golvende menigte voortslepen, zonder op

haar zijne aandacht te vestigen of te bemerken, wat rondom hem voorviel.

Plotseling hoorde hij luide zijn naam uitroepen, en toen hij zich

omkeerde, voelde hij zich door mannelijke armen omstrengeld, terwijl

een warme kus van broederlijke vriendschap op zijne wang brandde, nog

eer hij den tijd had gehad te ontdekken, wie zijner vertrouwde vrienden

hem zoo hartelijk begroette. „Lodewijk! herkent gij mij dan niet?”

vroeg de vriend, met verbazing de verrassing en onzekerheid bemerkende,

welke Lodewijks gelaatstrekken onmiskenbaar uitdrukten. „Hebt gij mij

dan zoo geheel vergeten of ben ik dan zoo ontzettend veranderd?”

„Bernard, mijn goede, beste Bernard!” riep deze thans; „zou ik u niet

herkennen? Maar hoe kon ik u hier vermoeden?”

„Nu voor den drommel, toch even goed als ik u,” juichte Bernard, hem

vroolijk onder de oogen ziende, terwijl hij de hand, die hem nog steeds

vasthield, met warmte drukte.

„Mijne zuster zeide mij gisteren nog dat gij sinds twee jaren in

Noorwegen en Schotland rondzwierft.”

„En ik, die ook gisteren pas ben aangekomen, wist van u niet anders dan

dat gij op den Vesuvius of Etna omklauterdet. Maar zou ik u daarom niet

herkennen? Al had ik u op den Hekla ontmoet,—om nu ook maar dadelijk

den derden vuurbalg in Europa te noemen—meent gij dat ik u voor een

ijsbeer zou hebben aangezien?”

„Maar gij paktet mij zoo onverwachts aan en smoordet mij bijna in uwe

armen, ik had immers pas een seconde...”

„En ik pas eene halve, want ik zweer u, dat ik niets van u gezien

had dan hoogstens een achtste profiel, toen ik juist uit de

Wilsdrufferstraat kwam en gij voorbij schoot. Maar al had ik ook enkel

deze lok van uw haar in den wind zien fladderen, ik zou u herkend

hebben, daar ik oude vrienden in 't geheugen houd, en dat doet gij

niet, gij verrader!”

„Omdat gij een schilder zijt,” sprak Lodewijk glimlachend en verheugd,

den trouwen makker nog geheel den ouden te vinden; „een schilder, die

van zijne vrienden slechts de omtrekken in het hoofd houdt, terwijl wij

meer op het innerlijke letten en hem daarom des te meer beminnen.”

„Ook goed; maar ik doe beide en zou een bont slangenvel juist niet

bijster hartelijk omhelzen; wie echter als gij eene dragelijke ziel in

eene dragelijke huid rondvoert, die kan op mijn geheugen staat maken.

Maar zou het niet verstandiger zijn, broertje, dat wij bij den Italiaan

Longo onder dak kropen en gingen zitten en dronken en elkaar de zonden

der verloopen jaren opbiechtten? Het verveelt mij reeds lang, mij

hier door elken pakhuisknecht, snijdersgezel of brillenjood te laten

aangapen en op de teenen trappen: men raakt al die drukte ontwend, als

men zoolang op de Schotsche bergen heeft omgezworven. Kom, een glas

italiaansche wijn smaakt hem, die uit Napels komt, in de herinnering,

en hem, die van de Hebriden aanlandt, in het vooruitzicht even

kostelijk. Kom dan, want ik heb eigenlijk een donkeren hoek noodig om

mijn waarachtig reisrelaas op te dreunen, en ik zal tusschenbeiden een

duchtigen slok nemen, zoodat ik 't op den wijn kan schuiven, als mij nu

en dan een kleur in 't gezicht stijgt, die het janhagel schaamteblos

noemt. Kom vriendje, kom!”

Bernard was van kindsbeen af de schoolmakker en boezemvriend

van Lodewijk geweest; reeds van oudsher had hij zijne diepere

gewaarwordingen, zooals dat menschen van een krachtigen wil meer eigen

pleegt te zijn, met den sluier der scherts en van den spot trachten te

bedekken; zijne vertrouwde vrienden kenden echter het edele gelaat,

hetwelk zich achter dat grijnslachend masker verborgen hield. Lodewijk

was derhalve overtuigd, dat Bernards ontroering en vreugde over het

onverwachte wederzien niet geringer waren dan zijne eigene, en voldeed

gewillig aan diens uitnoodiging, daar hij wist, hoe gaarne Bernard

den vurigen gloed zijner ziel door de kracht van den wijn tot heldere

vlammen placht op te jagen.

„Geef ons eene flesch Syrakuser, Signor Longo, of Lacrymaë Christi,”

riep deze bij het binnentreden; „maar zorg, dat ze vurig, geurig en

krachtig, kortom dat ze echt zij.—Kom hier aan 't venster, Lodewijk,

waar wij het volk kunnen zien woelen en tot een barometer gebruiken,

die ons aanwijst wanneer het tijd is voor den dag te springen om den

keizer te zien.”

De wijn kwam, de vrienden klonken; Bernard ledigde zijn glas, Lodewijk

had het zijne slechts even aan de lippen gebracht.

„Ik dien vooraf wel eene pleitrede te houden,” begon de eerste,

„om niet in eene valsche verdenking bij u te komen. Gij mocht eens

gelooven, dat ik een zuiper geworden was, wijl ik dat edele vocht zoo

gulzig binnenzwelg als een vampyr het hartebloed. Neen, broertje!

slechts op hooge feestdagen steek ik zulke vreugdevuren aan, maar dan

wil ik ook dat zij ras in vlam staan. Maanden lang leef ik ingetogen

als een Carthuizer of Spartaan, van tijd tot tijd echter moet men den

levensdroesem, dien de beste kerel zoo goed afscheidt als het edelste

metaal, in zulk vuur oplossen. In den grond is het niets anders dan

het logge, aardsche lijf des filisterdoms, dat men op dien vlammenden

brandstapel verteert, opdat de ziel zich reinige als asbest en

ontslagen worde van hare banden en juichend opstijge als een feniks uit

de asch. Ik was sedert ettelijke maanden weer sterk aan 't aanzetten,

zoodat hart en ziel in de aarden korst, die zich daaromheen bakt als

de schelp om de parel, bijna stikken moesten en de arme dingen zich

in de verwenschte kooi de vleugels lam sloegen; want ik hield een

engelsche lord gezelschap op zijne reis naar Duitschland—waarom zeg ik

u naderhand wel eens—en derhalve wordt het tijd, dat ik de lont in 't

kruit steke en den rommel in de lucht doe springen. Klink meê! Wat ons

lief is! Dat is en blijft mijn oude heildronk.”

[Illustratie: Lodewijk hief het glas op, stiet aan en ledigde het met

aandoening.]

Lodewijk hief het glas op, stiet aan en ledigde het met aandoening.

Hij maakte thans de ervaring, dat, wanneer onze ziel ergens mede

vervuld is, zij ook door alle toevallige uiterlijke aanrakingen en

ontmoetingen daarop wordt teruggebracht en dat niets zoo vreemdsoortig

is, dat haar daaraan niet op eenige wijze herinnert. Het is waar, de

herinnering door Bernards heildronk opgewekt, was zeer natuurlijk, maar

ook elke andere omstandigheid, elk ander voorval vond in hem steeds een

verbindingspunt met het voorwerp zijner liefde. In de eenzaamheid hield

hij zich met haar bezig, in het woeligste gedruisch vormde zij het

tegenbeeld van alles, wat hem omringde, evenals de zeeman te midden der

onstuimige golven slechts het stille lichtpunt van den verren vuurtoren

in het oog houdt.

Maar ook Bernard werd, nadat hij gedronken had, een oogenblik nadenkend

en zag peinzend voor zich neder; de eene of andere zoete, maar

weemoedige herinnering, dit bemerkte zelfs Lodewijk in weerwil zijner

eigene ontroering, gleed over het koene, fiere voorhoofd heen, evenals

het dichte wolkenfloers zich soms voor eenige oogenblikken vaneen

scheurt en de stille maan laat aanschouwen, wier zachte gloed voor ons

oog zoo lang werd verduisterd. Doch spoedig werd hij die verteedering

meester, terwijl zijn oog eenige fonkelende vuurstralen door den

donkeren gezichteinder liet kruizen, als ware hij beducht zijne

aandoening te hebben verraden.

„Wat ons lief is,” riep hij uit, „vurige kussen of vurige wijn! Eene

kuische Muse of eene lokkende Aspasia! Mijn dronk legt ten minste

niemand boeien of voetangels aan. Wie er meê in het moeras wil blijven

steken, het is zijne zaak; wie de vleugels uitspreidt om naar de

sterren te vliegen, goede reis! wie in stilte zijne eigen gezondheid

drinkt, in 's hemels naam, ik zal het hem ook niet verbieden, ja, ik

drink zelfs meê.—Maar drink dan toch, Lodewijk, en zie mij aan en

vertel, waar gij gezworven hebt die vier jaren, dat wij elkander niet

gezien hebben.”

Lodewijk verhaalde het een en ander van zijne studiën en zijne reis,

doch zweeg van Bianca.

„En ik,” dus nam Bernard het woord op, „kan even kort zijn. Nadat

gij vertrokken waart, copiëerde ik een jaar lang staag drie narren-

of apentronies tegen één Raphaël, zoodat het mij ongeveer als de

soldaten ging, die, na drie dagen streng diëet, den vierden wat beter

kost krijgen dan brood en water. Dat verdroot mij; en nu begon ik

staljongens, keukenmeiden, oude heksen bij 't spinnewiel, kwakzalvers,

tandmeesters, dronken boeren, ja zelfs zwijnenkotten en aangrenzende

departementen naar 't leven op het doek te tooveren, en dat bracht

geld aan. De menschen toch hebben het meest met die kunstwerken op,

waarin zij hun eigen natuur het getrouwst weervinden.—Wat ik in de

beschaafde wereld gewonnen had, besloot ik in de wildernis te verteren,

in Noorwegen en Schotland namelijk, daar 't mij reeds lang op de leden

lag, mijn hart aan die koude noordsche landschappen eens ter deeg te

verwarmen. Zonder grootspraak, Lodewijk, ik heb ettelijke zeestormen,

een half dozijn rotsen en een paar watervallen geschilderd, die

misschien een handvol zilverlingen waard zijn en meer nog. Maar dit in

't voorbijgaan. Pas was ik te Londen, of daar kwam een brief van mijn

oom, die mij allerlei zotternij van mijne geboorte, mijne ouders en

ik weet niet wat al niet meer voorleuterde, die mij eene poos geheel

van streek bracht. Spoedig echter wierp ik den ganschen rommel, die

eigenlijk op niets anders neerkwam, dan dat mijn vader een schelm was,

die zich zijn leven lang niet om mij bekommerd had, door alle vensters

van mijn hart uit; want ik had in die dagen aan vrij wat gewichtiger

dingen te denken dan aan zulke kleinigheden. Ik was blij, dat ik mijn

bestaan eigenlijk aan niemand te danken had, en besloot meer dan ooit

de wereld te trotseeren en te veroveren, wat ik bezitten wilde. Dat was

toenmaals niet weinig, broertje, want....”—

Hier hield hij op. „Want?” herhaalde Lodewijk.

„Stil! hoort gij dat kanonschot? De keizer komt! Zie hoe het volk in

beweging raakt! Daar dienen wij bij te zijn, kom, vriend, naar buiten!”

Met deze woorden sprong hij op en sleepte Lodewijk driftig met zich

voort.

De menigte, die zich tot hiertoe zonder bepaald doel op en neder

bewoog en zich ook hier en daar meer in de verte verspreid had, vloeide

nu van alle zijden te zamen en stroomde op de Wilsdrufferpoort toe.

Intusschen was het bijna geheel donker geworden; men ontstak reeds de

lantaarnen, en ook de pekkransen, die tot meerdere verlichting der

straat dienen zouden, was men bezig in gereedheid te brengen.—„Wij

zullen een nachtstuk te zien krijgen,” zeide Bernard, „daar ben ik een

vriend van. Nu de keizer zich zoo lang heeft laten wachten, wensch ik

ook maar dat hij nog wat langer uitblijve, anders branden vuurbekkens

en lantaarnen niet helder genoeg, om zijn gezicht niet behoorlijk te

kunnen opnemen”.

Het was inderdaad slechts een loos alarm geweest; men had een ander

rijtuig voor dat des verwachten gehouden. De saamgeschoolde menigte

verstrooide zich weder.—„In het somber kerkerhol werd het mij te eng,”

ging Bernard voort; „laat ons hier liever de vrije lucht inademen.” Zij

wandelden tusschen de woelende en wendende volkshoopen op en neder,

die, half door het roodachtig schijnsel der ontvlammende pekkransen

bestraald, half in het duister van den nacht gehuld, eene zonderlinge

vertooning opleverden. „Zie eens, broeder,” sprak Bernard, „hoe vredig

de zachte Meihemel zijn helder sterrenkleed uitspreidt over de woelige

aarde, welker gedruisch tot hem niet doordringt.—Doch hoor! Het komt

nader en nader het gejoel! Nu moet er toch iets ophanden zijn.” Hij

sprong op den nog ledig gebleven drempel eener stoep, die voor twee

plaats bood. „Daar komt hij!” riep Bernard en wees op een wagen,

waarachter men vele ruiters ontdekte, wier sabels en lansvaantjes

in rooden vuurgloed blonken. Het was de poolsche edelgarde, die den

wagen begeleidde. De keizer zat in een hoek gedoken en scheen zich

niet te willen vertoonen. Doch, dicht bij de plaats gekomen, waar

de beide vrienden stonden, boog hij zich, daar eenig toeval den

doorgang stremde, uit het portier voorover, en men kon zijne, door den

toortsgloed hel verlichte gelaatstrekken onderkennen. „Dat is hij!”

fluisterde Bernard met ingehouden adem. Alles in het rond was doodstil,

als had het oog des machtigen, die de wereld met zijn roem en zijn

schrik vervulde, dit eerbiedig zwijgen geboden. Bernard en Lodewijk

hielden hunne blikken onbewegelijk op het hoofd des keizers gevestigd.

Eerst toen het verdween en het rijtuig verder rolde, ontwaakte Lodewijk

als uit eene zinsverdooving en wendde zich tot Bernard. Nog meer dan

over zich zelven, verwonderde hij zich over dezen; want de zeldzame

mensch, die den ernst bijna nimmer over zich meester liet worden, dien

ten minste niet dan hoogst zeldzaam blijken liet, stond thans roerloos

als een marmerbeeld en hield de vurige, sombere blikken strak en

onwrikbaar op de plek gericht waar de keizer verdwenen was. „Bernard!”

riep Lodewijk hem in het oor en vatte hem bij de hand.

Thans ontwaakte hij en staarde den vriend verschrikt aan. „Ja, zoo!”

hernam hij, zich met de hand langs het voorhoofd wrijvende. „Hm! Hij

zag er goed uit! Een schilder mag wel oplettend zijn op zijns gelijken.

Zóó had ik hem mij niet voorgesteld. Geen enkele schoone trek in het

gansche gezicht en toch zoo'n zeker iets! Op mijne eer, ik weet nog

niet, met welk soort van lijnen en strepen men uitdrukt hetgeen op zijn

voorhoofd stond en wat ik in zijn oog gelezen heb!—Maar ik bid u,

zie nu eens al die verdraaide, alledaagsche, scheeve, laffe, nuchtere

tronies hier om ons heen! Heb ik dan nog nooit een gezicht gezien? Zijn

dat gezichten? Ik weet niet wat ik er van denken moet, maar mijn leven

lang heb ik niet zoo veel versleten, misselijke, flauwe, verdroogde

kalfskoppen bij elkander gezien. Als ik den kring rondkijk, is 't mij

of ik een slok zeepwater na een beker Johannesberger moest naar binnen

slaan.”

Lodewijk zocht te vergeefs naar een beeld of naar woorden, om den

indruk, dien hij ondervond, weer te geven.

„Mij scheen het,” begon hij, „alsof eene machtige adelaar met

uitgespreide wieken te midden eener schaar van geringe vogels

voorbijtoog.”

„Juist, juist, gij hebt gelijk,” antwoordde Bernard, „louter ganzen,

eenden, nachtuilen en spreeuwen. Of liever een leeuw, die door een

hoop ezels voorbijdraafde. En voor den duivel, slenterden wij ook niet

meê met den troep? of denkt gij, dat onze twee gezichten als zijne

bijzonnen geblonken hebben aan het grauwe firmament, dat hem omgaf?”

Onder deze woorden had hij Lodewijk bij den arm gevat en voerde hem uit

den stroom van het gedrang in een stille zijstraat. Ernstig en zwijgend

wandelden zij nevens elkander voort. Eensklaps sprak Bernard: „Goeden

nacht, broeder! Tot weerzien op morgen!” rukte zich van den vriend los

en verdween in het duister. In somber gepeins verzonken ging Lodewijk

naar huis; zelfs het vriendelijke: „Goeden nacht!” hetwelk Maria hem

toewenschte, kon zijn gefronst voorhoofd niet ontrimpelen.

1812: Historische roman · 第 21 / 154 题