HOOFDSTUK I.

„Nu is alles gereed, lieve moeder,” sprak Maria, met van vreugde

glinsterende oogen en een tevreden lachje op het zachte gelaat in de

kamer tredende en een sleutel op de tafel leggende, waaraan de moeder

zich met eenig naaiwerk bezighield. „Nu mag hij elke minuut komen: hij

vindt ons voorbereid.”

„Gij hebt toch ook de boeken in de kast in orde geschikt?” vroeg de

moeder.

„Ik heb niet het minste vergeten,” antwoordde het meisje, „en als hij

nog de oude broeder is, als zijne neigingen niet geheel veranderd zijn,

zal hem de nieuwe kamer gewis bevallen. Wat heeft zich alles toch

voorspoedig geschikt en hoe gelukkig, dat wij dadelijk eene woning

vonden, die voor ons allen ruim genoeg en zoo geheel naar onzen smaak

is! Maar nu kan ik het uur van zijne aankomst ook nauwelijks meer

afwachten, zoo verlangend ben ik, den trouwen, goeden broeder weer

aan het hart te drukken!—Doch gij, lieve moeder, zijt niet vroolijk

genoeg. Hebt gij eenige zorg, eenigen kommer.”

Met deze woorden boog zich Maria vol deelneming over de moeder heen en

sloeg den arm vleiend om haren hals. Deze zag de dochter geroerd in

het schoone, door de zoetste hoop verhelderde gelaat en sloot haar met

teederheid aan de kloppende borst. „Geene, lieve Maria, geene, dan die

het moederhart immer gevoelt. Wij hebben Lodewijk nu in twee jaren niet

gezien; hij heeft de wereld doorgezworven en ze van hare glansrijkste

zijde leeren kennen. Zal zijn toenmaals reeds zoo trotsch, vurig hart

in onzen huiselijken kring voldoening vinden? Zal hij met tevredenheid

op de levensbaan blikken, die vóór hem ligt?—Wanneer gij mij ook al

niet onvermengd vroolijk ziet als gij zelve u gevoelt, schrijf het

niet aan mindere, maar wel aan sterkere en daardoor meer bezorgde

liefde voor hem toe. Daar uw jong onervaren hart geene andere dan de

kleine huiselijke wereld kent, waarin wij ons met eenige vertrouwde

vrienden bewegen, daar al uwe wenschen in den beperkten kring, die ons

omgeeft, bevrediging vinden en dien nimmer overschrijden, gelooft gij

daarom, dat Lodewijk zich hier even gelukkig zal gevoelen?—Het zal

hem misschien met alle betrekkingen des levens even zoo gaan als met

zijne kamer; omdat de vensters het uitzicht op de Elbe hebben en het

slaapvertrekje in den tuin uitkomt, noemt gij ze heerlijk gelegen.

Vergeet echter niet, dat hij te Heidelberg den Neckar onder zijne

vensters voorbijstroomen en het tegen hem over gelegene trotsche

slot zich in de golven spiegelen zag, herinner u dat hij uit Italië,

uit Zwitserland terugkeert. Evenals onze landstreek hem wellicht te

eentonig, de ligging onzer woning hem te bekrompen zal voorkomen, kan

hij ook in onze burgerlijke, huiselijke, geheel vrouwelijke levenswijze

geene bevrediging voor zijne wenschen meer vinden. En wat dan nog,

wanneer een blik op zijne toekomstige loopbaan hem overtuigt, dat hij

zich steeds binnen die enge grenzen zal moeten beperkt zien? Meent gij,

dat hij dan gelukkig zal zijn?”

„O voorzeker, lieve moeder,” hernam Maria, „hij had immers altijd

een zoo licht bevredigd, welwillend hart, zooveel gehechtheid aan de

stille genoegens van onzen kleinen kring, dat hij zich ook verder onder

ons volkomen gelukkig en te huis zal gevoelen. Ik ben zeker, dat het

eerste gezicht zijner kamer hem geheel den ouden maakt. O, wanneer

hij nu slechts dadelijk terugkwam en zag, hoe de breede prachtige

Elbe tusschen de rozenstruiken voor het venster heenschemert, hoe de

avondzon achter de blauwe bergen van den anderen oever wegzinkt en

hare laatste stralen door de wijnranken in de kamer werpt! En dan de

nieuwe kast, waarin ik al zijne boeken geplaatst heb, zooals zij altijd

stonden, en vaders afbeeldsel boven de sofa en daar tegenover de lieve

kleine piano met de oude, welbekende muziekboeken, waaruit wij zoo

dikwijls samen gezongen hebben—o gewis, goede moeder, wanneer hij dat

alles weerziet, zal hij op eens weder geheel te huis bij ons zijn!”

„Gij, lieve dweepster,” sprak de moeder met een glimlach, „daar

gij, meisje, bij het zien van het sierlijke, zoo zorgvuldig door u

ingerichte vertrek eene kinderlijke vreugde gevoelt, meent gij, dat

het ook de wenschen des vurigen jongelings geheel moet bevredigen. Hoe

weinig kent gij de mannen en de wereld, Maria!”

„Maar ik ken toch mijn broeder, ik ken Lodewijk,” hervatte zij levendig

en een traan van zusterlijke liefde welde in haar blauw oog op; „ik

geloof niet, dat hij zich gelukkig zal gevoelen, omdat hij zijne kamer

in orde en bewoonbaar vindt, maar wijl hij dadelijk bespeuren zal, dat

hem hier de oude liefde, en de oude hartelijkheid der moeder en zuster

wacht!”

Een posthoorn liet zich hooren. „Hij is het!” riep Maria en snelde

naar het venster. Ook de moeder richtte zich met ontroering op, doch

eensklaps bezon zij zich en zeide:

„Waar denkt gij aan, Maria! Gelooft gij dan, dat hij als een voornaam

heer met extra-postpaarden hier zal aankomen? Bedenk toch, dat hij

slechts als student gereisd heeft. Misschien,” voegde zij er lachend

bij, „komt hij wel, omdat zijne beurs uitgeput is, zeer deemoedig te

voet zijne vaderstad binnenwandelen.”

Maria, die intusschen hare overijling had ingezien, wendde zich

weder tot de moeder met de woorden: „ik stel mij zijne komst op elke

wijze als mogelijk voor. Wanneer er bedaard en zachtjes aan de deur

geklopt werd, zou ik denken, dat hij het was, die ons door zijne

heimelijke komst dubbel verrassen wilde. Rijdt er eene fraaie koets

voorbij, waarom zou hij daarin niet kunnen zitten en in gezelschap

van een rijken vriend of reisgenoot zijn aangekomen? Verbeeld ik mij

de huisdeur of een mannelijken tred te hooren, dadelijk denk ik aan

Lodewijk en verwacht immer, hem de kamer te zien binnentreden.—Groote

hemel, daar is hij zelf!” riep zij, daar de deur inderdaad geopend

werd, en met den uitroep: „Broeder, beste broeder!” vloog zij den

binnentredende te gemoet en klemde zich in warme omhelzing aan zijn

hals vast. Zij kuste, snikte, lachte, weende in een adem en liet zich

half onmachtig naar de moeder dragen, die zich sidderende van de

sofa poogde op te richten, maar door den hevigen schok der vreugde

overweldigd, weder terugzonk, tot Lodewijk hare beide handen aangreep,

ze met heete vreugdetranen besproeide en diep getroffen zijn gelaat aan

de moederlijke borst verborg.

Deze legde beide handen zegenend op zijn hoofd, hief het oog ten hemel

en dankte in sprakelooze verrukking den Almachtige voor het wederzien

van den eenigen, boven alles beminden zoon. Maria had intusschen de

hand des broeders niet losgelaten; zij hield die met zachten druk

in hare rechterhand vastgeklemd, terwijl zij den linkerarm om de

moeder sloeg en hare gloeiende wang aan haar schouder drukte, als

wilde zij zich toch een klein deel van den stroom der moederlijke

liefde toeëigenen, die zich in dit oogenblik geheel over den broeder

uitstortte. Het was echter slechts om hem, toen hij het hoofd eindelijk

weder ophief, dadelijk opnieuw te kunnen kussen, streelen en door

duizend zusterlijke liefkozingen hare vreugde te kennen te geven.

Nadat de eerste oogenblikken, die in vreugde zoowel als in smart iets

verdoovends en overstelpends hebben, voorbij waren, gevoelden zich de

drie nauwverbonden harten in dien onbeschrijfelijk zaligen toestand

verplaatst, waarin men kalm genoeg is om zijn geluk geheel te bevatten,

en toch nog de geheele frischheid van den eersten indruk geniet. Dan

eerst verheugt men zich recht in het bezit en geniet de gaven, waarmede

de weldadige Godheid ons plotseling in ruime mate overstelpt heeft.

Nu namen ook die vroolijke ontboezemingen van innige hartelijkheid een

aanvang, dat vragen naar duizend lieve kleinigheden, dat te binnen

roepen van ontelbare herinneringen, die zoete, eerste uitstorting

der volle harten, dat mededeelen van de nieuwste, zachtste indrukken

der ziel, door wier onderlinge uitwisseling men als het ware eerst

weder recht met elkander vereend en vertrouwd wordt en de kleine

vervreemdingen doet verdwijnen, die tijd en afstand ook in de nauwst

verbonden gemoederen plegen te weeg te brengen.

Maria streek haren broeder de lokken van het voorhoofd en snapte,

het oog vol teederheid op hem gevestigd houdende: „Gij zijt geheel

onveranderd, broeder; uw voorhoofd is slechts wat bruiner en

mannelijker geworden, maar nog open en edel als eertijds. Wanneer gij

u achter eene heg verborgen hadt en ik niets anders van u had kunnen

zien, zou ik u toch dadelijk herkend hebben.”

Lodewijk blikte in het vriendelijk oog, dat hem met zooveel liefde te

gemoet straalde.

Hij beantwoordde het kinderlijke spel door haar de eene hand op het

voorhoofd te leggen en met de andere het gelaat te bedekken, zoodat

slechts de oogen zichtbaar bleven. „En u,” zeide hij, „zou ik in het

verre Sicilië herkend hebben, wanneer gij, zooals nu door mijne beide

handen, door de opening van groene jalousieën hadt uitgezien. Uw lieve

blauwe oogen zouden u terstond verraden hebben. En toch komen zij mij

nog helderder voor dan eertijds; ja, lieve zuster, gij zijt in alles

schooner geworden.”

„Ga toch!” zeide Maria en keerde zijne handen zachtjes van haar gelaat

af, dat door een licht blosje hooger gekleurd werd. „Wij willen elkaar

liever vrij en ongedwongen aanzien. Ook moet gij mij duizend dingen

vertellen, waarnaar ik u lang had willen vragen. Doch halt! zeg mij

eerst, zijt gij met den wagen gekomen, die hier zooeven met vier

postpaarden voorbijreed?”

„Met denzelfden, Maria,” antwoordde Lodewijk, „maar ik wilde u

verrassen, daarom was ik reeds aan den hoek uitgestegen en sloop in

huis, terwijl de wagen voorbij dreunde, zoodat gij niet eens het

opengaan van de deur kondt hooren.”

„Dat was heerlijk van u bedacht; en hoe goed is het gelukt!” riep

Maria. „Maar hoe kwaamt gij aan dien wagen met vier paarden?”

De moeder scheen eene dergelijke vraag op de lippen te hebben. Lodewijk

antwoordde: „Zeldzaam genoeg, lieve moeder; reeds in Zwitserland had

ik kennis met eenige Poolsche officieren gemaakt, die ik in Leipzig

opnieuw aantrof. Nu drongen zij er bij mij op aan, dat ik met hen

rijden zoude en ik maakte met vreugde van het vriendelijk aanbod

gebruik. Van uwe goedheid, lieve moeder, zal ik echter de beantwoording

dezer beleefdheid verzoeken moeten, want ik zal bezwaarlijk kunnen

vermijden, hen uit te noodigen nu en dan ons huis te bezoeken.”

„Wanneer zij in den stillen kring van twee vrouwen behagen scheppen,”

hernam de moeder, „weet gij, dat uwe vrienden mij steeds welkom zijn.”

„Maar gij hebt uwe kamer immers nog niet gezien,” riep Maria met

levendigheid uit; „o, die moet ik u dadelijk toonen! En waar zijn dan

uwe koffers?”

„Die kunnen wij naderhand uit het Hôtel de Pologne laten afhalen, lieve

zuster. Zij waren zoo met die mijner vrienden bijeengepakt, dat ik ze

niet spoedig genoeg krijgen kon; ook heeft het immers thans geen haast.

Toon mij nu, waar ik wonen zal.”

„Zeker recht aardig, en mij dunkt, alles is zoo ingericht, dat gij er

terstond smaak in zult vinden,” sprak Maria en huppelde, den sleutel in

de hand, vroolijk vooruit.

Toen Lodewijk het stille, vriendelijke vertrek binnentrad, overviel hem

een onweerstaanbaar gevoel der diepste weemoedigheid. Het ligt in den

mensch, zijne smart levendiger te gevoelen, wanneer hij een schijn van

geluk om zich heen bespeurt. De liefde van moeder en zuster had hem

zoo hartelijk ontvangen, en de kamer, welke hij thans binnentrad en

waar hij alles vereenigd vond, wat hem ooit belangstelling ingeboezemd

en gelukkige uren geschonken had, leverde van die liefde een nieuw

bewijs op. Vóór weinige weken nog zoude hij zich zoo gelukkig in

dat bewustzijn, zoo tevreden in dezen vertrouwelijken kring gevoeld

hebben, en thans werd de grievende, maar zekere overtuiging bij hem

levendig, dat dit alles slechts een schijn van geluk opleverde. Wat hem

tot hiertoe bevredigde, verblijdde, zijn hart geheel vervulde, had

plotseling alle kracht verloren en kwam hem te akeliger voor, naarmate

het hem voorheen dierbaarder geweest was.

In hare argelooze vreugde kon Maria niet vermoeden, hoe hevig zijne

ziel geschokt was; zij hield den traan die in zijn oog blonk, voor

een tolk der vroolijke verrassing of geloofde hem aan de zoete, oude

herinneringen gewijd, die ook in haar met vernieuwde levendigheid

ontwaakten en ook haar tranen van zachte verteedering in de oogen

joegen. „Niet waar, Lodewijk, wij verstaan elkander?” vroeg zij, en

drukte hem met een glimlach de hand.

„Neen! neen! wij verstaan elkander niet!” weergalmde het luid in zijn

binnenste, doch hij opende zijne lippen niet, verwrong ze tot een

smartelijk lachje en liet de zuster de hand, die zij inniger in de hare

sloot.

„Wat schoone rozestruiken,” zeide hij na eenig stilzwijgen, „en vol

knoppen!”

„Zij waren altijd uwe lievelingsbloemen,” hervatte Maria, verheugd dat

hij den blik naar het venster wendde: „en hier staan ook viooltjes.

Vormen zij niet een schoonen voorgrond van het landschap daar in de

verte? Blinkt de Elbe niet als zilver tusschen de groene bladeren door,

en de avondzon als goud en de hemel blauw of, als de ondergaande zon

hem kleurt, als gloeiend purper?”

„Purper, zilver en goud en azuurblauw en groen der bladeren, hoe

tooverachtig klinkt dat; men zou wanen in het zuiden van Italië te

zijn! Maar gij hebt gelijk, lieve zuster, het is hier recht schoon,”

antwoordde Lodewijk en trachtte onder eene gezochte wending zijne ware

gevoelens te verbergen.

Maria opende nog twee vensters, om aan de zachte Meilucht den vrijen

toegang in het vertrek te laten. Den arm om haren hals geslagen, trad

de jongeling aan het venster en vestigde het oog op den breeden,

glansrijken stroom. Hij zweeg, Maria eveneens; doch haar zwijgen was

dat der schoonste innerlijke gemoedsrust, het zijne dat van het stomme

sprakelooze zielelijden. Had zij thans het flonkerend oog opgeslagen,

zij zou in zijne bleeke gelaatstrekken, in zijne sombere blikken

gelezen hebben, dat eene zware strijd zijn binnenste schokte.

„Vertel mij nu iets van moeder, lieve Marie,” begon hij eindelijk; „zij

ziet er bleek uit, is hare ziekte bedenkelijk? Lijdt zij nog aan de

borst?”

„De geneesheer geeft bij voortduring de beste hoop en wij verwachten

alles van den zomer, beste broeder,” antwoordde zij geruststellende.

„En hoe leeft gij overigens in dezen onrustigen tijd? Is moeder

bezorgd, zijt gij het?”

„Nu gij hier zijt, ben ik ook weder geheel zonder vrees,” hervatte het

meisje en vlijde zich zacht aan den broeder. „Tot hiertoe heeft het

ruwe krijgsgewoel en zelfs de glansrijke wapenpracht, die men hier

ten toon spreidt, mij beklemd en beangstigd. Morgen zegt men, komt de

keizer zelf; vele vorsten zijn reeds verzameld om hem te ontvangen.

Welk een geweld moet die man toch op de menschen uitoefenen! Hoe is hij

wel in staat, hen tot zulke vreeselijke opofferingen te bewegen, die

zij hem toch gewis niet dan met innerlijken weerzin brengen? Slechts

onze koning niet, die hem met onzinnige verblinding aankleeft, die...”

„Spreek niet verder, Maria,” viel Lodewijk haar met ernst in de rede.

„Veroordeel niet, waar de verstandigste huivert een vonnis te vellen.

Weet gij, wat een vorst al in de weegschaal heeft te leggen? Beseft gij

de onwederstaanbare kracht, welke een reuzengeest, als die des keizers

in staat is uit te oefenen? Plicht en gevoel mengen zich hier dikwijls

zoodanig dooreen, dat het den scherpzinnigste niet gelukt ze behoorlijk

te onderscheiden.”

„Hoe,” sprak Maria met smartelijke verwondering, „zoudt gij ook een

aanhanger van den man zijn, die ons vaderland in zulk eene namelooze

ellende gestort heeft en het nog dagelijksch rampzaliger maakt?”

„Lieve zuster,” antwoordde Lodewijk, „gij spreekt als een meisje, maar

tevens als vele mannen, die slechts op het naastbij gelegene achtgeven,

niet de keten van oorzaken en gevolgen overzien, welke Duitschlands

beklagenswaardigen val hebben voorbereid, die niet meer oordeelen

kunnen daar zij reeds partij in den strijd gekozen hebben. Houdt gij

mij voor een vijand van het vaderland? Hoe echter, wanneer een volkomen

oprecht, niet een gehuicheld aansluiten aan Frankrijk alleen in staat

was het vaderland te redden?—Maar laten wij dat daar; dat zijn

moeilijke vragen, die ons thans niet bekommeren en ons de eerste uren

des wederziens niet verbitteren moeten.” Maria zweeg en sloeg het oog

onrustig neêr.

„Zie mij aan,” ging Lodewijk voort, „ik ben eerlijk en trouw als immer,

ben uw broeder als voorheen; gij moogt mij nog van harte liefhebben,

want ik heb niets gedaan, dat mijner onwaardig was. En of ik het

welzijn van mijn vaderland wil? Maria, zoudt gij daaraan twijfelen,

ook zelfs wanneer ik het langs een anderen weg wilde dan gij, dan zoo

velen, die gelijk met u denken?”

„O, gij zijt voorzeker braaf en goed van ganscher harte,” riep Maria;

„maar daarom zoude het mij toch even diep bedroeven, wanneer wij hierin

verschillend dachten.”

„Wij zullen elkander wel leeren verstaan,” hervatte Lodewijk; „laat ons

thans naar moeder terugkeeren.”

Zij gingen.

Daar Lodewijk met mannelijke kracht zijne stemming meester werd

en in het verhaal zijner reizen, dat hij opzettelijk uitvoerig en

stelselmatig inrichtte, eene afleiding vond, die hem verhinderde zich

aan zijne sombere mijmeringen over te geven, vloog de avond onder

vertrouwelijke gesprekken spoedig daarheen, veraangenaamd door de

liefderijke, echt zusterlijke oplettendheden van Maria, die alles

aanwendde, om het den broeder in het moederlijke huis recht genoegelijk

te maken, zijne geringste wenschen te vervullen en, zoo dacht zij, na

het gesprek op zijne kamer en zonder het zich zelve te willen bekennen,

hem weder geheel de hare te doen worden. Want zonder het te berekenen,

gevoelde zij toch, hoe vast de mensch door de kleine, fijne draden des

dagelijkschen levens en der naaste betrekkingen omsponnen wordt, en

hoe hij door deze gebonden, dikwijls aan eene grootere macht weerstand

biedt, of wel gemakkelijker eene sterke boei verbreekt, dan hij zich

van die duizend bijna onzichtbare weefsels kan loswinden.

1812: Historische roman · 第 20 / 154 题