„God dank, dat wij onder dak zijn!” riep Jozef. „Het was geen klein
dagwerk. Ik ben anders geen van de zwaksten, maar wij hebben toch een
eindweegs afgelegd van daag!”
De gids hielp Lodewijk uit den zadel stijgen; een gedienstige
huisknecht was met hetzelfde oogmerk toegesneld en noodigde hem uit
in het warme vertrek te treden, alwaar reeds eenige, zoo even eerst
aangekomen gasten tot den avondmaaltijd verzameld waren.
Het verwekte bij den jongeling eene zeldzame gewaarwording, zich zoo
eensklaps uit de woeste, zwijgende wildernis, die hem den ganschen
dag had omgeven, in den vriendelijken kring des gezelligen levens
verplaatst te zien. Hij trad toch in eene ruime, door een aantal
kaarsen helder verlichte zaal, in wier midden eene zindelijk gedekte
tafel hem uitlokkend toelachte. Aan het boveneinde, om de gloeiende
kachel, zaten drie reizigers, voor wie men juist het avondeten had
opgedragen.
„De heeren hebben zich reeds aan tafel gezet,” zeide de knecht:
„verkiest mijnheer dadelijk aan den maaltijd deel te nemen, of zich
eerst op zijn kamer te ontkleeden?”
Lodewijk, niets anders bij zich hebbende dan hetgeen hij aan het lijf
droeg, zou dat gemak moeten ontberen, al ware het hem ook niet zoo
aangenaam geweest, dadelijk aan tafel te kunnen gaan, om zich daarna
te spoediger ter rust te begeven. Hij trad dus op de vreemden toe en
groette beleefd, zonder hen echter aan te spreken. Zij beantwoordden
zijn groet met eene zoo voorkomende vriendelijkheid, dat hij zich
daardoor reeds aangenaam verrast gevoelde. Naar hunne kleeding en
hunne door de zon verschroeide gelaatstrekken te oordeelen moesten zij
officieren zijn. Schoon zij hem in het Fransch hadden aangesproken,
verried een zeker iets in hun voorkomen, dat zij tot eene andere natie
behoorden. Twee, de oudste ongeveer zes en dertig, de jongere omstreeks
twintig jaar oud, hadden zwart haar en kleine zwarte knevels; de derde
was blond en blozend van gelaatskleur. Lodewijk nam plaats en trachtte,
zich zelf geweld aandoende, de opgeruimde stemming der vreemden ten
minste uiterlijk tot de zijne te maken. „Komen de heeren uit Italië of
zijn zij derwaarts op weg?” vroeg hij.
„Onze weg,” hernam de oudste, wiens rijzige gestalte en, men had kunnen
zeggen, koninklijk voorkomen hem iets gebiedends gaven, „onze weg leidt
ons waarschijnlijk diep het noorden in. Voorloopig echter gaan wij naar
Duitschland en wel naar Dresden, werwaarts de Fransche keizer zich
dezer dagen begeven moet.”
„De oorlog is dan zeker?” vroeg Lodewijk.
„Wij hopen het,” sprak de vreemdeling op een toon, die meer uitdrukte
dan de gewone vreugde des krijgsmans, die bij het begin van een
veldtocht eene reeks van glansrijke daden en overwinningen door de
onzekere toekomst ziet heenblinken.
Lodewijk zweeg. Als Duitscher zag hij met diepen weemoed de vreemde
krijgsbenden zijn ongelukkig vaderland opnieuw overstroomen; echter
zeide hem de onwraakbare rechterstem der waarheid, dat Duitschlands
smaad niet geheel onverdiend was en dat, hoe zwaar het vreemde juk
knellen mocht, hoe grievend het ware, zich zonder vrije keus en
onvoorwaardelijk aan den overwinnaar te moeten aansluiten, dit, schoon
vernederender voor de vorsten, voor de volken toch nog steeds eervoller
bleef, dan langer zich te zien prijsgeven, aan die ontzenuwde,
smadelijke en baatzuchtige staatkunde, waardoor sedert eene eeuw, en
voornamelijk sinds den dood van den grooten Frederik, de duitsche natie
zoo schandelijk was verlaagd geworden. De drie woorden des vreemden:
„wij hopen het” wekten derhalve den innerlijken tweestrijd zoo levendig
weder in zijne borst op, dat zelfs de bange bezorgdheid, die hem sinds
gisteren vervulde, voor een oogenblik daardoor verdrongen werd.
De vreemdeling scheen den indruk te bevroeden, die zijn gezegde op
Lodewijks ziel had te weeg gebracht. Na eenig stilzwijgen vervolgde
hij in het hoogduitsch. „Het bevreemdt u, mijnheer, dat ik van een,
naar alle waarschijnlijkheid bloedigen oorlog zeide: wij hopen, dat
hij zeker zij; het bevreemdt u te meer, daar gij, naar ik hoor, een
Duitscher zijt. Door een lang verblijf zijn wij het ten halve; vergun
dus, dat wij ons van de taal van uw land bedienen. Het moet u ten
hoogste roekeloos en lichtzinnig toeschijnen, dat wij op een keer der
wereldgebeurtenissen hopen, die half Europa met siddering en bange
verwachting te gemoet ziet. Het is inderdaad hard, zich in een toestand
te bevinden, waarin men slechts uit een groot, algemeen onheil eenige
gegronde hoop op de herkrijging der eigene, dierbaarste goederen kan
opvatten; wij echter bevinden ons in dat geval.”
Hier hield hij een oogenblik op en scheen door een hevige
gemoedsbeweging verhinderd om verder te gaan. Zijne mannelijke
gelaatstrekken kenteekenden innigen, diepen weemoed; eene donkere wolk
van zwaarmoedigheid breidde zich over zijn open voorhoofd uit en zijn
oog staarde mijmerend voor zich heen, zonder dat de wil den weifelenden
blik bestuurde.
Lodewijk waagde 't niet de diepe stilte af te breken; ook de beide
jongelingen zwegen en vestigden weemoedige blikken op het peinzend
gelaat van hun geleider.
„Wij zijn Polen, mijnheer!” vervolgde deze eindelijk op vasten,
mannelijken toon. „Wij verwachten van den op handen zijnden krijg
een vaderland, terwijl wij nu als arme ballingen rondzwerven. Gij
zult thans toestemmen, dat ik zeggen mocht: wij hopen op oorlog!”
Lodewijk was zoo verrast, dat hij niet wist wat dadelijk te antwoorden;
doch de vreemdeling bespaarde hem die moeite, door het gevulde wijnglas
op te vatten met den uitroep: „Het vaderland! Met dien dronk kan ieder
instemmen, tot welk land hij ook behoore.”
Met dit glas wijn scheen de vreemdeling als door een toovermiddel zijne
sombere stemming op eens verbannen te hebben. „Wij zijn reizigers,”
ging hij voort, „die elkander in een buitengewonen tijd, op een
buitengewone plaats aantreffen. Uit de gebergten van den Gotthard,
waarop wij ons bevinden, ontspringen bronnen naar alle vier deelen
der wereld, die hare stroomen uitgieten over Duitschland, Frankrijk
en Italië. Daarentegen loopen de wegen dier landen op dit ééne punt
te zamen en ontmoeten elkander in dit middelpunt. Men bevindt zich
hier als het ware op den kruisweg der wereld. Morgen volgt deze den
Rijn of de Reuss, die den Tessino, een derde de Rhône. Het oogenblik
van samenzijn moet men genieten, het als eene vroolijke en zoete
herinnering in aandenken houden, want wie weet of men elkander op de
wegen dezer aarde wel immer weer ontmoet.—Wij drieën,” ging hij zich
tot Lodewijk wendende voort, „kennen elkander, zijn landslieden en
krijgsmakkers. Gij moet ons vreemd blijven, wij u, wanneer wij hier
geen vriendschappelijke vertrouwelijkheid laten heerschen; zoo kon
een gelukkig uur, waaraan wij naderhand nog wel eens gaarne zouden
terugdenken, ons koud en ongenoten voorbijvliegen. Mij dunkt dus, wij
geven naam voor naam. Ik noem mij Stephanus Rasinski en ben overste
bij het keizerlijk leger; deze mijne jonge vrienden en kameraden zijn
officieren bij hetzelfde regiment, graaf Boleslaw en graaf Jaromir, en
gij, mijnheer?”
„Mijn naam is Lodewijk Rosen, ik ben een Duitscher,” antwoordde de
gevraagde.
„Welkom dan! Rosen is een schoone naam. Wel hem voor wien nog rozen
bloeien, al zijn 't slechts alpenrozen. Die tijd is voor mij voorbij,
want wie dra zijn veertigste jaar bereikt heeft, mag niet meer aan
bloesems denken en kan ten hoogste nog op eenige late vruchten hopen.
Nu, ook ik zag bloesems ontluiken en zag ze vallen! Op de ontwikkeling
van elken schoonen bloesem der jeugd, der hoop en der liefde! Klinkt
meê, jonge vrienden want de wensch betreft meer u dan mij zelf!”
Lodewijk hief met ontroering den beker omhoog. Rasinski's woorden
troffen zijn hart, maar vervulden het tevens met een zachte schemering
van hoop, daar hij, gelijk men in eene dergelijke gemoedsstemming vaak
aan kleinigheden pleegt te hechten, er eene gelukkige voorbeduidenis
in waande te ontdekken. Nog eene tweede gedachte rees bij hem op. Hoe
gelukkig werkte de gulle openhartigheid van den graaf, daar zij vier
vreemden door het eenvoudige, maar tooverachtig werkende middel eener
mededeeling van namen en naaste betrekkingen zoo ras met elkander
in verbintenis bracht. Wanneer ik, dacht hij, door schuwe blooheid
weerhouden, slechts niet verzuimd had aan het bekoorlijke wezen,
hetwelk mij hare betrekkingen verbergen moest, ten minste de mijne
op te geven, en haar mijn naam te noemen, dan ware de band tusschen
ons beiden, nog niet geheel afgebroken, schoon ik haar nu ook al
dadelijk niet wedervond. Neen, hoe nauw de vrouwelijke kieschheid ook
in hare handelingen beperkt zij, voorzeker zou Bianca mij toch een
teeken hebben weten te geven, waardoor ik haar naderhand nog eens kon
opsporen. Zoo heeft dat pijnlijk verzuim mij wellicht voor altijd het
geluk van mijn leven ontroofd!
Dergelijke gedachten vervulden zijne ziel, terwijl het gesprek over
verschillende onderwerpen voortliep. Graaf Rasinski scheen de droeve
snaar welke hij in den beginne had aangeroerd, opzettelijk te vermijden
en de jonge officieren eerden daarin bescheiden zijn wensch. Men sprak
over Italië, over Parijs, over de verdiensten des keizers als veldheer
en staatsman, van zijn tocht over den grooten St. Bernard, in welks
nabijheid men zich bevond, van de vreeselijke toerustingen tot den
aanstaanden oorlog, over de reusachtige ontwerpen van zijn heldengeest,
die Frankrijks vanen van de piramiden naar den Taag, van den Taag naar
Ruslands sneeuwvelden rusteloos voortjoeg; kortom, men sprak over alles
wat toenmaals ieders hart en hoofd bezig hield en de tongen van geheel
Europa in beweging bracht.
Ongemerkt was een uur vervlogen; het maal was afgeloopen en men begaf
zich ter rust.
Door een vloed van gedachten en tegenstrijdige gewaarwordingen zoo
geslingerd, dat hij, niettegenstaande zijne geweldige afmatting, den
slaap niet dadelijk vatten kon, overdacht Lodewijk op zijne zachte
legerstede, wat hem den volgenden dag te doen stond. Zou hij de reis
voortzetten, of terugkeeren? Moest hij Bianca langs een anderen weg
opsporen, of den kortsten, die naar Duitschland voerde, blijven volgen?
Het was hem niet ontgaan, dat de Polen met hem dezelfde bestemming
hadden, en in het eerste oogenblik had zijne vreugde daarover hem
bijna verraden; bij nader inzien deed het hem echter genoegen, te
rechter tijde gezwegen en zich zelven beheerscht te hebben, daar een
dergelijk geleide hem alle mogelijkheid zou benomen hebben, om zijne
navorschingen voort te zetten. Hij besloot derhalve, wanneer zulks
doenlijk was, zonder zijn hoofddoel te ver uit het oog te verliezen,
zijn nieuwe bekenden zoodra mogelijk weder vaarwel te zeggen en alleen
de reis te vervolgen.
Onder deze overleggingen overviel hem eindelijk de slaap, welke zijne
uitgeputte krachten zoozeer noodig hadden.