HOOFDSTUK VII.

„God dank, dat wij onder dak zijn!” riep Jozef. „Het was geen klein

dagwerk. Ik ben anders geen van de zwaksten, maar wij hebben toch een

eindweegs afgelegd van daag!”

De gids hielp Lodewijk uit den zadel stijgen; een gedienstige

huisknecht was met hetzelfde oogmerk toegesneld en noodigde hem uit

in het warme vertrek te treden, alwaar reeds eenige, zoo even eerst

aangekomen gasten tot den avondmaaltijd verzameld waren.

Het verwekte bij den jongeling eene zeldzame gewaarwording, zich zoo

eensklaps uit de woeste, zwijgende wildernis, die hem den ganschen

dag had omgeven, in den vriendelijken kring des gezelligen levens

verplaatst te zien. Hij trad toch in eene ruime, door een aantal

kaarsen helder verlichte zaal, in wier midden eene zindelijk gedekte

tafel hem uitlokkend toelachte. Aan het boveneinde, om de gloeiende

kachel, zaten drie reizigers, voor wie men juist het avondeten had

opgedragen.

„De heeren hebben zich reeds aan tafel gezet,” zeide de knecht:

„verkiest mijnheer dadelijk aan den maaltijd deel te nemen, of zich

eerst op zijn kamer te ontkleeden?”

Lodewijk, niets anders bij zich hebbende dan hetgeen hij aan het lijf

droeg, zou dat gemak moeten ontberen, al ware het hem ook niet zoo

aangenaam geweest, dadelijk aan tafel te kunnen gaan, om zich daarna

te spoediger ter rust te begeven. Hij trad dus op de vreemden toe en

groette beleefd, zonder hen echter aan te spreken. Zij beantwoordden

zijn groet met eene zoo voorkomende vriendelijkheid, dat hij zich

daardoor reeds aangenaam verrast gevoelde. Naar hunne kleeding en

hunne door de zon verschroeide gelaatstrekken te oordeelen moesten zij

officieren zijn. Schoon zij hem in het Fransch hadden aangesproken,

verried een zeker iets in hun voorkomen, dat zij tot eene andere natie

behoorden. Twee, de oudste ongeveer zes en dertig, de jongere omstreeks

twintig jaar oud, hadden zwart haar en kleine zwarte knevels; de derde

was blond en blozend van gelaatskleur. Lodewijk nam plaats en trachtte,

zich zelf geweld aandoende, de opgeruimde stemming der vreemden ten

minste uiterlijk tot de zijne te maken. „Komen de heeren uit Italië of

zijn zij derwaarts op weg?” vroeg hij.

„Onze weg,” hernam de oudste, wiens rijzige gestalte en, men had kunnen

zeggen, koninklijk voorkomen hem iets gebiedends gaven, „onze weg leidt

ons waarschijnlijk diep het noorden in. Voorloopig echter gaan wij naar

Duitschland en wel naar Dresden, werwaarts de Fransche keizer zich

dezer dagen begeven moet.”

„De oorlog is dan zeker?” vroeg Lodewijk.

„Wij hopen het,” sprak de vreemdeling op een toon, die meer uitdrukte

dan de gewone vreugde des krijgsmans, die bij het begin van een

veldtocht eene reeks van glansrijke daden en overwinningen door de

onzekere toekomst ziet heenblinken.

Lodewijk zweeg. Als Duitscher zag hij met diepen weemoed de vreemde

krijgsbenden zijn ongelukkig vaderland opnieuw overstroomen; echter

zeide hem de onwraakbare rechterstem der waarheid, dat Duitschlands

smaad niet geheel onverdiend was en dat, hoe zwaar het vreemde juk

knellen mocht, hoe grievend het ware, zich zonder vrije keus en

onvoorwaardelijk aan den overwinnaar te moeten aansluiten, dit, schoon

vernederender voor de vorsten, voor de volken toch nog steeds eervoller

bleef, dan langer zich te zien prijsgeven, aan die ontzenuwde,

smadelijke en baatzuchtige staatkunde, waardoor sedert eene eeuw, en

voornamelijk sinds den dood van den grooten Frederik, de duitsche natie

zoo schandelijk was verlaagd geworden. De drie woorden des vreemden:

„wij hopen het” wekten derhalve den innerlijken tweestrijd zoo levendig

weder in zijne borst op, dat zelfs de bange bezorgdheid, die hem sinds

gisteren vervulde, voor een oogenblik daardoor verdrongen werd.

De vreemdeling scheen den indruk te bevroeden, die zijn gezegde op

Lodewijks ziel had te weeg gebracht. Na eenig stilzwijgen vervolgde

hij in het hoogduitsch. „Het bevreemdt u, mijnheer, dat ik van een,

naar alle waarschijnlijkheid bloedigen oorlog zeide: wij hopen, dat

hij zeker zij; het bevreemdt u te meer, daar gij, naar ik hoor, een

Duitscher zijt. Door een lang verblijf zijn wij het ten halve; vergun

dus, dat wij ons van de taal van uw land bedienen. Het moet u ten

hoogste roekeloos en lichtzinnig toeschijnen, dat wij op een keer der

wereldgebeurtenissen hopen, die half Europa met siddering en bange

verwachting te gemoet ziet. Het is inderdaad hard, zich in een toestand

te bevinden, waarin men slechts uit een groot, algemeen onheil eenige

gegronde hoop op de herkrijging der eigene, dierbaarste goederen kan

opvatten; wij echter bevinden ons in dat geval.”

Hier hield hij een oogenblik op en scheen door een hevige

gemoedsbeweging verhinderd om verder te gaan. Zijne mannelijke

gelaatstrekken kenteekenden innigen, diepen weemoed; eene donkere wolk

van zwaarmoedigheid breidde zich over zijn open voorhoofd uit en zijn

oog staarde mijmerend voor zich heen, zonder dat de wil den weifelenden

blik bestuurde.

Lodewijk waagde 't niet de diepe stilte af te breken; ook de beide

jongelingen zwegen en vestigden weemoedige blikken op het peinzend

gelaat van hun geleider.

„Wij zijn Polen, mijnheer!” vervolgde deze eindelijk op vasten,

mannelijken toon. „Wij verwachten van den op handen zijnden krijg

een vaderland, terwijl wij nu als arme ballingen rondzwerven. Gij

zult thans toestemmen, dat ik zeggen mocht: wij hopen op oorlog!”

Lodewijk was zoo verrast, dat hij niet wist wat dadelijk te antwoorden;

doch de vreemdeling bespaarde hem die moeite, door het gevulde wijnglas

op te vatten met den uitroep: „Het vaderland! Met dien dronk kan ieder

instemmen, tot welk land hij ook behoore.”

Met dit glas wijn scheen de vreemdeling als door een toovermiddel zijne

sombere stemming op eens verbannen te hebben. „Wij zijn reizigers,”

ging hij voort, „die elkander in een buitengewonen tijd, op een

buitengewone plaats aantreffen. Uit de gebergten van den Gotthard,

waarop wij ons bevinden, ontspringen bronnen naar alle vier deelen

der wereld, die hare stroomen uitgieten over Duitschland, Frankrijk

en Italië. Daarentegen loopen de wegen dier landen op dit ééne punt

te zamen en ontmoeten elkander in dit middelpunt. Men bevindt zich

hier als het ware op den kruisweg der wereld. Morgen volgt deze den

Rijn of de Reuss, die den Tessino, een derde de Rhône. Het oogenblik

van samenzijn moet men genieten, het als eene vroolijke en zoete

herinnering in aandenken houden, want wie weet of men elkander op de

wegen dezer aarde wel immer weer ontmoet.—Wij drieën,” ging hij zich

tot Lodewijk wendende voort, „kennen elkander, zijn landslieden en

krijgsmakkers. Gij moet ons vreemd blijven, wij u, wanneer wij hier

geen vriendschappelijke vertrouwelijkheid laten heerschen; zoo kon

een gelukkig uur, waaraan wij naderhand nog wel eens gaarne zouden

terugdenken, ons koud en ongenoten voorbijvliegen. Mij dunkt dus, wij

geven naam voor naam. Ik noem mij Stephanus Rasinski en ben overste

bij het keizerlijk leger; deze mijne jonge vrienden en kameraden zijn

officieren bij hetzelfde regiment, graaf Boleslaw en graaf Jaromir, en

gij, mijnheer?”

„Mijn naam is Lodewijk Rosen, ik ben een Duitscher,” antwoordde de

gevraagde.

„Welkom dan! Rosen is een schoone naam. Wel hem voor wien nog rozen

bloeien, al zijn 't slechts alpenrozen. Die tijd is voor mij voorbij,

want wie dra zijn veertigste jaar bereikt heeft, mag niet meer aan

bloesems denken en kan ten hoogste nog op eenige late vruchten hopen.

Nu, ook ik zag bloesems ontluiken en zag ze vallen! Op de ontwikkeling

van elken schoonen bloesem der jeugd, der hoop en der liefde! Klinkt

meê, jonge vrienden want de wensch betreft meer u dan mij zelf!”

Lodewijk hief met ontroering den beker omhoog. Rasinski's woorden

troffen zijn hart, maar vervulden het tevens met een zachte schemering

van hoop, daar hij, gelijk men in eene dergelijke gemoedsstemming vaak

aan kleinigheden pleegt te hechten, er eene gelukkige voorbeduidenis

in waande te ontdekken. Nog eene tweede gedachte rees bij hem op. Hoe

gelukkig werkte de gulle openhartigheid van den graaf, daar zij vier

vreemden door het eenvoudige, maar tooverachtig werkende middel eener

mededeeling van namen en naaste betrekkingen zoo ras met elkander

in verbintenis bracht. Wanneer ik, dacht hij, door schuwe blooheid

weerhouden, slechts niet verzuimd had aan het bekoorlijke wezen,

hetwelk mij hare betrekkingen verbergen moest, ten minste de mijne

op te geven, en haar mijn naam te noemen, dan ware de band tusschen

ons beiden, nog niet geheel afgebroken, schoon ik haar nu ook al

dadelijk niet wedervond. Neen, hoe nauw de vrouwelijke kieschheid ook

in hare handelingen beperkt zij, voorzeker zou Bianca mij toch een

teeken hebben weten te geven, waardoor ik haar naderhand nog eens kon

opsporen. Zoo heeft dat pijnlijk verzuim mij wellicht voor altijd het

geluk van mijn leven ontroofd!

Dergelijke gedachten vervulden zijne ziel, terwijl het gesprek over

verschillende onderwerpen voortliep. Graaf Rasinski scheen de droeve

snaar welke hij in den beginne had aangeroerd, opzettelijk te vermijden

en de jonge officieren eerden daarin bescheiden zijn wensch. Men sprak

over Italië, over Parijs, over de verdiensten des keizers als veldheer

en staatsman, van zijn tocht over den grooten St. Bernard, in welks

nabijheid men zich bevond, van de vreeselijke toerustingen tot den

aanstaanden oorlog, over de reusachtige ontwerpen van zijn heldengeest,

die Frankrijks vanen van de piramiden naar den Taag, van den Taag naar

Ruslands sneeuwvelden rusteloos voortjoeg; kortom, men sprak over alles

wat toenmaals ieders hart en hoofd bezig hield en de tongen van geheel

Europa in beweging bracht.

Ongemerkt was een uur vervlogen; het maal was afgeloopen en men begaf

zich ter rust.

Door een vloed van gedachten en tegenstrijdige gewaarwordingen zoo

geslingerd, dat hij, niettegenstaande zijne geweldige afmatting, den

slaap niet dadelijk vatten kon, overdacht Lodewijk op zijne zachte

legerstede, wat hem den volgenden dag te doen stond. Zou hij de reis

voortzetten, of terugkeeren? Moest hij Bianca langs een anderen weg

opsporen, of den kortsten, die naar Duitschland voerde, blijven volgen?

Het was hem niet ontgaan, dat de Polen met hem dezelfde bestemming

hadden, en in het eerste oogenblik had zijne vreugde daarover hem

bijna verraden; bij nader inzien deed het hem echter genoegen, te

rechter tijde gezwegen en zich zelven beheerscht te hebben, daar een

dergelijk geleide hem alle mogelijkheid zou benomen hebben, om zijne

navorschingen voort te zetten. Hij besloot derhalve, wanneer zulks

doenlijk was, zonder zijn hoofddoel te ver uit het oog te verliezen,

zijn nieuwe bekenden zoodra mogelijk weder vaarwel te zeggen en alleen

de reis te vervolgen.

Onder deze overleggingen overviel hem eindelijk de slaap, welke zijne

uitgeputte krachten zoozeer noodig hadden.

1812: Historische roman · 第 17 / 154 题