Het was reeds helder dag, toen hij door een zacht tikken aan zijne deur
ontwaakte. Op zijn: „binnen!” trad de jongste der drie officieren, de
blonde, bloeiende graaf Jaromir de kamer in. „Vergeef mij,” sprak deze,
„dat ik u zoo stoor. Ons allen zou het echter zulk een groot genoegen
zijn, de reis in uw gezelschap te mogen voortzetten, dat ik door mijne
kameraden verzocht ben u daarover te spreken; eene opdracht, die ik
zeer gaarne op mij neem, zelfs op het gevaar af van u vertoornd te
hebben.”
Lodewijk verontschuldigde zich over zijn lang slapen en beloofde
dadelijk op te staan en in de ontbijtzaal te komen. Binnen weinige
minuten trad hij die binnen en werd door de officieren met hartelijkheid
begroet. Rasinski, die alle gezellige betrekkingen gaarne zoo ver
mogelijk scheen uit te breiden, verklaarde dat hij het was, die het
voorstel gedaan had, op Lodewijk te wachten, daar men onmogelijk had
kunnen besluiten, vóór hem af te reizen en hem de beroemde straat van
den Gotthard alleen te laten langs trekken. „Twee menschen,” meende
hij, „die gezamenlijk over de Duivelsbrug gegaan zijn, blijven door die
herinnering hun leven lang even nauw verbonden, als de beide oevers
der Reuss door de brug zelve worden aanéén gehecht. Zelfs de wilde
vloed des levens zal niet alle banden tusschen hen verbreken, zoo
onuitwischbaar is de herinnering aan een belangrijk uur, hetwelk men te
zamen doorleefde.” Lodewijk gevoelde de waarheid van deze opmerking en
dankte den graaf met warmte voor zijne vriendschappelijke oplettendheid.
De frissche, wintersche morgen, het gevoel van teruggekeerde
lichaamskracht, de innemende gulhartigheid zijner reisgezellen, dit
alles te zamen was bij hem van eene zoo gelukkige uitwerking, dat hij
zelfs een zweem van opgeruimdheid gevoelde, ofschoon Bianca's beeld
niet uit zijne ziel week en als eene stomme, treurende gestalte stand
hield te midden der schoone, frissche tooneelen, welke het tegenwoordige
oogenblik hem voorspiegelde.
De muildieren waren getoomd, de gidsen reisvaardig. Men verliet het
statelijke hotel der Drie Koningen te Andermatt en reed nu het dal
afwaarts, op zijn donkere uitgangspoort toe. De gelijksoortigheid dezer
landstreek met die, welke hij een paar dagen vroeger was doorgetrokken,
maakte weemoedige herinneringen bij den jongeling levendig. Evenals op
den Simplon opende zich thans de duistere kloof, het Urnerloch genaamd;
gelijk dáár stortte zich de stroom schuimend in de diepte neder, gelijk
dáár viel in het midden van den doorgang eene kortstondige schemering
door eene vierkante opening naar beneden en zag men de Reuss, een
wit spooksel gelijk, al schuimende voorbijschieten. Nu verdoofde de
vreeselijke donder van den rollenden stroom het oor. De kloof opende
zich, en men stond in de door hemelhooge rotsen ingesloten bergpas,
waar de bruisende Reuss klaterend in den afgrond nederstort en in hare
onstuimige woede boorden en oeverdammen dreigt vaneen te rijten. Over
dezen borrelenden, ziedenden waterketel is de smalle brug met zulk eene
koenheid heengeslagen, dat de overlevering gelijk schijnt te hebben,
wanneer zij beweert:
_Die brug is het werk niet der menschelijke hand,
Wie toch zou zich zoo iets vermeten._
Toen de reizigers zich op het midden dier brug bevonden, bogen zich
de dunne boomstammen onder den tred hunner lastdieren. Graaf Rasinski
hield een oogenblik stil, mat met het oog het rotsgewelf boven zich
en wierp toen een blik in den schuimenden afgrond. Hij wilde iets
zeggen, maar in het gedonder der vallende watermassa's verliest zich
elke menschelijke stem. En toch heerscht hier voor het gevoel eene
huiveringwekkende, eeuwige stilte en ledigheid. Geen vogel verroert
zich, geen mugje gonst, geen halm, geene mosplant groeit hier; slechts
de versteende, onbewegelijke granietklompen stijgen loodrecht op en
verliezen zich in den blauwen hemel. Te midden van dit rusteloos woelen
en klateren en donderen der wentelende golven gevoelt men, dat, wanneer
de Reuss plotselijk verstomde, ook elk ander geluid ophouden en men
zich als in een steenen grafkuil der natuur bevinden zoude.
Eene poos lang vertoefden de reizigers en staarden het schrikwekkend
verhevene schouwspel met stomme verbazing aan. Lodewijk had het oog
gevestigd op eenige witte, lichte wolkjes, die in de enge, blauwe
ruimte des hemels, die tusschen de steile rotsmuren zichtbaar was,
over het dal heentogen. Als zalige geesten schenen zij in die heldere
kringen des lichts over de vreeselijke kolk des duisteren afgronds
heen te zweven. Rasinski wekte hem eindelijk uit deze mijmering, door
onder het voorbijrijden zijne hand te grijpen en haar te drukken met
een blik, die scheen te kennen te geven: Niet waar? een prachtvol
schouwspel! Die het gemeenschappelijk genoten, verbindt die herinnering
voor langen tijd!
Rasinski was door zijne jaren en zijne bedaardheid, door zijn dieper
inzicht en rijker ervaring de stilzwijgend erkende Mentor zijner
metgezellen, zoodat men ook de verdere inrichting der reis geheel aan
hem overliet, daar hij overal de juiste maat en wat voor het oogenblik
het best voegde, gelukkig wist te treffen. Hij was het, die den tocht
bestuurde; de anderen volgden zonder dwang en als onwillekeurig.
Langer dan een uur reed men over scherpe ijsschollen en breede, naakte
granietvloeren voort; aan beide zijden stegen vlakke rotswanden omhoog,
doch rechts baande zich de Reuss, in eene onafgebroken keten van
watervallen in het dal neerbruisend, tusschen het smalle pad en den
rotsigen muur van den tegenovergestelden oever een kronkelend spoor.
Boven de naaste steenglooiingen hieven de steile, met sneeuw beladen
toppen der Alpen zich trotsch in de hoogte en hulden nu eens het
glansrijke hoofd in grauwe wolkensluiers, terwijl zij zich dan weder,
in zonnegloed fonkelende, met koene omtrekken op den donkerblauwen
grond des hemels afteekenden.
Ware het verder in het jaargetijde geweest, dan zoude het dal spoedig
bloeiender en vriendelijker zijn geworden. Nu echter heerschte de
winter hier nog in volle kracht en dikke sneeuw bedekte nog de meeste
rotsklompen, ja zelfs de toppen der dennen, die zich gedurig talrijker
begonnen te vertoonen. Langzamerhand werden de hoogten toch meer
begroeid en boschachtig, en zag men van tijd tot tijd eene heldere,
groene grasstrook door het dunne sneeuwdek heenschemeren.
In weerwil van het vroege seizoen, was de reis nog rijk aan
indrukwekkende schoonheden geweest en zou bij Lodewijk, vooral door
de belangstelling, welke hem zijne geleiders inboezemden, gewisselijk
de aangenaamste herinneringen hebben nagelaten, wanneer niet de smart
zich met toenemende hevigheid van zijn boezem had meester gemaakt. Een
tijdlang mochten de nieuwe, afwisselende voorwerpen, het aanlokkelijke
van zijn gezelschap, de wonderbare natuur, het zonnelicht en de heldere
hemel met hunne vereende krachten tegen de diepe droefheid zijner ziel
eenigermate het evenwicht hebben gehouden, thans, daar deze nieuwe
prikkels verstompt waren, daar de hoop van toch eindelijk zijn doel
nog te bereiken meer en meer verdween, en de angst daarentegen van het
voor altijd te verliezen, in dezelfde mate sterker werd, thans was
zijne gansche ziel weder aan dat onstuimig verlangen ten prooi gegeven,
dat ons hart dikwijls nog grievender en heviger pijnigt, dan een zeker
onherroepelijk verlies. Bij het laatste brengt elke voorbijsnellende
minuut kalmte en heeling aan; bij het eerste geven de sleepend voorbij
kruipende uren het hart aan eene gestadig toenemende foltering over,
tot eindelijk algeheele verdooving en afmatting de verstompte smart
opvolgen en in de ziel eene doffe rust doen terugkeeren, die een halven
dood gelijkt.
Reeds vroegtijdig bereikte men het dorp Am Steg, waar het Schaechendal
zich met kronkelende bochten van de Reuss afscheidt. Hier ontbeten de
reizigers en zij sloegen vervolgens den weg naar Altorf in, die in het
breede, groene dal tusschen frissche grasvelden heenvoert en waarop
men niet meer door het donderen en klateren der Reuss verdoofd, maar
slechts door het verre ruischen en suizen verzeld wordt.
De reisgenooten van Lodewijk wilden het Vierwaldstättermeer bezichtigen
en haastten zich Flüelen te bereiken, om zoo mogelijk nog tegen den
avond te Lucern te zijn. Hij zelf echter kon nog slechts hopen,
het voorwerp zijner nasporingen op den naasten, grooten weg naar
Duitschland aan te treffen, en had dus besloten, te meer daar hij
het meer en zijne merkwaardigheden reeds kende, zijne reis zonder
verwijl over Zurich op Schaffhausen voort te zetten. Hij moest dus
van zijne geleiders afscheid nemen. Rasinski, wiens opmerkzamen blik
zelden iets ontging, vroeg hem naar zijne koffers. Lodewijk was op die
vraag bedacht geweest en had eene uitvlucht gereed. Hij zeide, zijne
groote koffers, en zulks was inderdaad zoo, naar Heidelberg te hebben
vooruitgezonden, terwijl achteloosheid of ontrouw van een vetturino, en
hierin veroorloofde hij zich eene kleine onwaarheid, zijn valies op den
weg van Milaan naar Duomo d'Ossola had doen zoek raken.
Met gulle bereidwilligheid boden zijne reisgenooten, nog uit het veld
gewoon den laatsten voorraad broederlijk met een makker te deelen, hem
eenige noodwendigheden aan. Dit was hem inderdaad welkom; want anders
ware hij genoodzaakt geweest, te Zurich onderscheidene aankoopen te
doen, die hij zooveel mogelijk vermijden moest, daar zijne reiskas
reeds veel geleden en hij al zijne middelen dringend noodig had om
zijne navorschingen met kracht te kunnen voortzetten.
Men nam dus een hartelijk afscheid en troostte zich met eene vroolijk
hereeniging in Dresden, wanneer het geluk al niet willen mocht, dat men
elkander reeds vroeger op de landstraat weder ontmoette. Niet zonder
weemoed zag Lodewijk zijne vrienden zich verwijderen; want of hij hen
wel ooit zoude wederzien was onzeker, daar hun verblijf te Dresden
wellicht zeer kort zijn kon en hij zelf den juisten tijd van zijne
aankomst aldaar met geene zekerheid vooraf durfde bepalen.
In de herberg te Altorf bevond zich toevallig een voerman, die met
een ledigen wagen naar Zurich wilde. Lodewijk nam daarop eene plaats
en zette, na zijn vriendelijken leidsman Jozef en den muildierdrijver
uit Ulrichen ontslagen te hebben, onverwijld de reis voort. Zonder
verdere ontmoetingen kwam hij in den laten avond te Zug aan, en den
volgenden middag bereikte hij over den Albiss, welks hoogte hem een
laatst uitzicht op de Alpenketen en Zwitserlands blauwe bergen en
meren vergunde, het oude Zurich. Dit was een punt, dat Bianca, wanneer
zij haren weg door eene der bergpassen van het kanton Wallis genomen
had, noodzakelijk moest aandoen. Met groote zorgvuldigheid onderzocht
hij derhalve in alle herbergen, of men ook reizigers, met zijne
beschrijving overeenkomende, had opgemerkt. Hij had zijn weg zoo snel
en gelukkig afgelegd, dat hij er bijna niet aan twijfelen kon, of
hij was de eerste in Zurich aangekomene, en dit deed hem besluiten,
dezen en den volgenden dag te vertoeven, om verdere berichten in te
winnen. Hij deed zulks, maar zonder gevolg. Ook den derden gaf hij
nog toe, schoon hij in doodelijken angst verkeerde juist daardoor
de mogelijkheid te zullen verbeuren, van de geliefde nog op een der
hoofdwegen van Duitschland te achterhalen. Toen ook deze laatste poging
hem geen spoor deed ontdekken, moest hij eindelijk met een bloedend
hart besluiten, van verdere navorschingen af te zien en de reis naar
zijne woonplaats aan te nemen. Over Schaffhausen en Freiburg kwam hij
binnen weinige dagen te Heidelberg aan.
Het was in de eerste schoone dagen van Mei, dat hij deze bevallige
plaats, waar hij zoo menig vroolijk uur zijns levens had doorgebracht,
binnenreed. Hij betrad haar met weemoed. Zijne akademievrienden hadden
gelijktijdig met hem de stad verlaten. Slechts één jaar was verloopen,
en reeds zoude hij, eenige verre bekenden uitgezonderd, zich geheel
vreemd onder de jongelingen, die thans studeerden, bevonden hebben.
Alles, waarvan hij zich in het vooruitzicht zooveel genoegen voorspeld
had, het wederzien van zijn ouden, eerlijken huisbaas, het ontmoeten
van eenige huisgezinnen, waarmede hij weleer bevriend was geweest,
het bezoeken van zijne geliefde wandelplaatsen, die, thans met het
frissche groen der lente getooid, den ouden vriend schenen welkom te
heeten, dit alles wekte slechts eene sombere, zwarte zwaarmoedigheid
in hem op. Geheel moedeloos besloot hij eindelijk zijne reis naar huis
te bespoedigen, om in de armen der geliefde moeder en zuster troost
en opbeuring voor zijn smartelijk gewond hart te zoeken en tegen den
volgenden morgen nam hij eene plaats op den postwagen.
Toen hij des avonds zijne zaken gepakt en alles geordend had, trad hij,
om aan het avondeten deel te nemen, de spijszaal binnen. De gasten,
eenige vreemdelingen en enkele ongehuwde professoren uit de stad zelve,
zaten reeds aan tafel. Een der laatsten hield een dagblad in de hand,
waaruit hij het gezelschap de belangrijkste narichten betrekkelijk den
naderenden oorlog scheen medegedeeld te hebben.
„Wat nieuws is er?” vroeg Lodewijk, zonder eenig gewicht aan die vraag
te hebben.
„Wat den krijg betreft nog niets beslissends,” antwoordde een der
aanzittenden, „oprukken van troepen, berichten van het aankomen
en afreizen van generaals, lange opsommingen der vreeselijke
krijgstoerustingen des Franschen keizers; kortom alles wat wij
reeds sinds weken dagelijks herhaald zien. Maar nu en dan worden
de bladen ook in andere opzichten belangrijk. Zij leenen zich
in onzen romantischen tijd zelfs tot kleine romans en behelzen
brieven, die allen schijn van minnebrieven hebben. Lees hier deze
regels eens, waarover wij juist in gesprek waren.” Lodewijk wierp
een onverschilligen blik op het papier; doch nauwelijks had hij de
eerste regels gelezen, of hij was bijna niet in staat zich zelven
meester te blijven. De woorden, die de nieuwsgierige verwondering van
het gezelschap hadden gaande gemaakt en zijn hart aan eene hevige
slingering van afwisselende gewaarwordingen prijsgaven, luidden in
dezer voege:
„Aan den onbekenden Vriend!
Den redder in den hoogsten nood, die de vreemde als ~zuster~
begroette, haar trouw als een broeder geleidde en beschermde, zij
vurige, onvergetelijke dank. Reet hij zelf ook die banden even snel
weder vanéén, als een hoogere hand ze had vastgeknoopt, hij verneme
toch, dat zijn wil geëerbiedigd wordt, dat innige dankbaarheid de
scheidende bezielt. Maar rukte een onbegrijpelijk toeval de zuster van
de zijde des broeders weg, o zoo geloove hij, dat diepe weemoed en
droefheid haar overal zullen vergezellen. Mochten de verwarde paden
der menschelijke lotwisselingen hem nog eenmaal de thans ver van hem
verwijderde doen ontmoeten, hij zal eene getrouwe zuster in haar
wedervinden, die hem gaarne alles wil ten offer brengen, daar zij hem
alles, alles verschuldigd is.
De geredde B.....”
„Nu, wat zegt gij daarvan?” keerde zich de professor tot Lodewijk, die
het door tranen verdonkerde oog van de dierbare regels bijna niet kon
afwenden.
„Zonderling, inderdaad zonderling!” antwoordde hij haastig en zocht
zijne ontroering zoo goed mogelijk te verbergen. „Ik vind den brief zoo
roerend,” voegde hij er met een gedwongen lachje bij, „hij wekt zoo
duizend verschillende vermoedens en gissingen in de ziel op, dat het
lezen mij sterker getroffen heeft dan het moest. Maar ik ben nu eenmaal
zulk een romaneske droomer!”
„Het had bij ons allen dezelfde uitwerking,” hernam de ander; „want
juist het geheimvolle van deze woorden verwekt zulke zonderlinge
gewaarwordingen, dat men nooit jong, nooit met eenig dichterlijk gevoel
bezield moet geweest zijn, zoo men in zijne verbeelding niet het
bekoorlijkste vrouwelijke wezen voor zich staan en de zoetste tranen
vloeien ziet, welke ooit een helder oog verdonkerd hebben. Ja, ik zou
bijna durven beweren, dat elk mensch in zijn leven de een of andere
ontmoeting gehad heeft, waaraan hij hier op eene zonderlinge wijze
herinnerd werd.”
Het gesprek over dit onderwerp werd opnieuw zeer levendig en gaf
Lodewijk tijd om tot bedaren te komen. Het uur van den maaltijd scheen
hem eindeloos lang te duren, en niet zoodra was deze afgeloopen, of
hij stond op, maakte zich heimelijk van het kostelijke blad meester
en snelde naar zijne kamer. Hier gaf hij in een stroom van lang
weerhouden, heete tranen den beklemden boezem lucht. Door grievende
smart overweldigd, boog hij zich neder en smeekte uit het diepste
zijner ziel: „Algoede Vader! houd mij niet voor eeuwig van haar
gescheiden, laat het schoone gesternte nog eenmaal op mijn donker
levenspad lichten! Neen, niet daarom hebt gij mij de zaligheid des
levens getoond, om mij voor altijd weder in den duisteren afgrond der
vertwijfeling terug te stooten.”