HOOFDSTUK VIII.

Het was reeds helder dag, toen hij door een zacht tikken aan zijne deur

ontwaakte. Op zijn: „binnen!” trad de jongste der drie officieren, de

blonde, bloeiende graaf Jaromir de kamer in. „Vergeef mij,” sprak deze,

„dat ik u zoo stoor. Ons allen zou het echter zulk een groot genoegen

zijn, de reis in uw gezelschap te mogen voortzetten, dat ik door mijne

kameraden verzocht ben u daarover te spreken; eene opdracht, die ik

zeer gaarne op mij neem, zelfs op het gevaar af van u vertoornd te

hebben.”

Lodewijk verontschuldigde zich over zijn lang slapen en beloofde

dadelijk op te staan en in de ontbijtzaal te komen. Binnen weinige

minuten trad hij die binnen en werd door de officieren met hartelijkheid

begroet. Rasinski, die alle gezellige betrekkingen gaarne zoo ver

mogelijk scheen uit te breiden, verklaarde dat hij het was, die het

voorstel gedaan had, op Lodewijk te wachten, daar men onmogelijk had

kunnen besluiten, vóór hem af te reizen en hem de beroemde straat van

den Gotthard alleen te laten langs trekken. „Twee menschen,” meende

hij, „die gezamenlijk over de Duivelsbrug gegaan zijn, blijven door die

herinnering hun leven lang even nauw verbonden, als de beide oevers

der Reuss door de brug zelve worden aanéén gehecht. Zelfs de wilde

vloed des levens zal niet alle banden tusschen hen verbreken, zoo

onuitwischbaar is de herinnering aan een belangrijk uur, hetwelk men te

zamen doorleefde.” Lodewijk gevoelde de waarheid van deze opmerking en

dankte den graaf met warmte voor zijne vriendschappelijke oplettendheid.

De frissche, wintersche morgen, het gevoel van teruggekeerde

lichaamskracht, de innemende gulhartigheid zijner reisgezellen, dit

alles te zamen was bij hem van eene zoo gelukkige uitwerking, dat hij

zelfs een zweem van opgeruimdheid gevoelde, ofschoon Bianca's beeld

niet uit zijne ziel week en als eene stomme, treurende gestalte stand

hield te midden der schoone, frissche tooneelen, welke het tegenwoordige

oogenblik hem voorspiegelde.

De muildieren waren getoomd, de gidsen reisvaardig. Men verliet het

statelijke hotel der Drie Koningen te Andermatt en reed nu het dal

afwaarts, op zijn donkere uitgangspoort toe. De gelijksoortigheid dezer

landstreek met die, welke hij een paar dagen vroeger was doorgetrokken,

maakte weemoedige herinneringen bij den jongeling levendig. Evenals op

den Simplon opende zich thans de duistere kloof, het Urnerloch genaamd;

gelijk dáár stortte zich de stroom schuimend in de diepte neder, gelijk

dáár viel in het midden van den doorgang eene kortstondige schemering

door eene vierkante opening naar beneden en zag men de Reuss, een

wit spooksel gelijk, al schuimende voorbijschieten. Nu verdoofde de

vreeselijke donder van den rollenden stroom het oor. De kloof opende

zich, en men stond in de door hemelhooge rotsen ingesloten bergpas,

waar de bruisende Reuss klaterend in den afgrond nederstort en in hare

onstuimige woede boorden en oeverdammen dreigt vaneen te rijten. Over

dezen borrelenden, ziedenden waterketel is de smalle brug met zulk eene

koenheid heengeslagen, dat de overlevering gelijk schijnt te hebben,

wanneer zij beweert:

_Die brug is het werk niet der menschelijke hand,

Wie toch zou zich zoo iets vermeten._

Toen de reizigers zich op het midden dier brug bevonden, bogen zich

de dunne boomstammen onder den tred hunner lastdieren. Graaf Rasinski

hield een oogenblik stil, mat met het oog het rotsgewelf boven zich

en wierp toen een blik in den schuimenden afgrond. Hij wilde iets

zeggen, maar in het gedonder der vallende watermassa's verliest zich

elke menschelijke stem. En toch heerscht hier voor het gevoel eene

huiveringwekkende, eeuwige stilte en ledigheid. Geen vogel verroert

zich, geen mugje gonst, geen halm, geene mosplant groeit hier; slechts

de versteende, onbewegelijke granietklompen stijgen loodrecht op en

verliezen zich in den blauwen hemel. Te midden van dit rusteloos woelen

en klateren en donderen der wentelende golven gevoelt men, dat, wanneer

de Reuss plotselijk verstomde, ook elk ander geluid ophouden en men

zich als in een steenen grafkuil der natuur bevinden zoude.

Eene poos lang vertoefden de reizigers en staarden het schrikwekkend

verhevene schouwspel met stomme verbazing aan. Lodewijk had het oog

gevestigd op eenige witte, lichte wolkjes, die in de enge, blauwe

ruimte des hemels, die tusschen de steile rotsmuren zichtbaar was,

over het dal heentogen. Als zalige geesten schenen zij in die heldere

kringen des lichts over de vreeselijke kolk des duisteren afgronds

heen te zweven. Rasinski wekte hem eindelijk uit deze mijmering, door

onder het voorbijrijden zijne hand te grijpen en haar te drukken met

een blik, die scheen te kennen te geven: Niet waar? een prachtvol

schouwspel! Die het gemeenschappelijk genoten, verbindt die herinnering

voor langen tijd!

Rasinski was door zijne jaren en zijne bedaardheid, door zijn dieper

inzicht en rijker ervaring de stilzwijgend erkende Mentor zijner

metgezellen, zoodat men ook de verdere inrichting der reis geheel aan

hem overliet, daar hij overal de juiste maat en wat voor het oogenblik

het best voegde, gelukkig wist te treffen. Hij was het, die den tocht

bestuurde; de anderen volgden zonder dwang en als onwillekeurig.

Langer dan een uur reed men over scherpe ijsschollen en breede, naakte

granietvloeren voort; aan beide zijden stegen vlakke rotswanden omhoog,

doch rechts baande zich de Reuss, in eene onafgebroken keten van

watervallen in het dal neerbruisend, tusschen het smalle pad en den

rotsigen muur van den tegenovergestelden oever een kronkelend spoor.

Boven de naaste steenglooiingen hieven de steile, met sneeuw beladen

toppen der Alpen zich trotsch in de hoogte en hulden nu eens het

glansrijke hoofd in grauwe wolkensluiers, terwijl zij zich dan weder,

in zonnegloed fonkelende, met koene omtrekken op den donkerblauwen

grond des hemels afteekenden.

Ware het verder in het jaargetijde geweest, dan zoude het dal spoedig

bloeiender en vriendelijker zijn geworden. Nu echter heerschte de

winter hier nog in volle kracht en dikke sneeuw bedekte nog de meeste

rotsklompen, ja zelfs de toppen der dennen, die zich gedurig talrijker

begonnen te vertoonen. Langzamerhand werden de hoogten toch meer

begroeid en boschachtig, en zag men van tijd tot tijd eene heldere,

groene grasstrook door het dunne sneeuwdek heenschemeren.

In weerwil van het vroege seizoen, was de reis nog rijk aan

indrukwekkende schoonheden geweest en zou bij Lodewijk, vooral door

de belangstelling, welke hem zijne geleiders inboezemden, gewisselijk

de aangenaamste herinneringen hebben nagelaten, wanneer niet de smart

zich met toenemende hevigheid van zijn boezem had meester gemaakt. Een

tijdlang mochten de nieuwe, afwisselende voorwerpen, het aanlokkelijke

van zijn gezelschap, de wonderbare natuur, het zonnelicht en de heldere

hemel met hunne vereende krachten tegen de diepe droefheid zijner ziel

eenigermate het evenwicht hebben gehouden, thans, daar deze nieuwe

prikkels verstompt waren, daar de hoop van toch eindelijk zijn doel

nog te bereiken meer en meer verdween, en de angst daarentegen van het

voor altijd te verliezen, in dezelfde mate sterker werd, thans was

zijne gansche ziel weder aan dat onstuimig verlangen ten prooi gegeven,

dat ons hart dikwijls nog grievender en heviger pijnigt, dan een zeker

onherroepelijk verlies. Bij het laatste brengt elke voorbijsnellende

minuut kalmte en heeling aan; bij het eerste geven de sleepend voorbij

kruipende uren het hart aan eene gestadig toenemende foltering over,

tot eindelijk algeheele verdooving en afmatting de verstompte smart

opvolgen en in de ziel eene doffe rust doen terugkeeren, die een halven

dood gelijkt.

Reeds vroegtijdig bereikte men het dorp Am Steg, waar het Schaechendal

zich met kronkelende bochten van de Reuss afscheidt. Hier ontbeten de

reizigers en zij sloegen vervolgens den weg naar Altorf in, die in het

breede, groene dal tusschen frissche grasvelden heenvoert en waarop

men niet meer door het donderen en klateren der Reuss verdoofd, maar

slechts door het verre ruischen en suizen verzeld wordt.

De reisgenooten van Lodewijk wilden het Vierwaldstättermeer bezichtigen

en haastten zich Flüelen te bereiken, om zoo mogelijk nog tegen den

avond te Lucern te zijn. Hij zelf echter kon nog slechts hopen,

het voorwerp zijner nasporingen op den naasten, grooten weg naar

Duitschland aan te treffen, en had dus besloten, te meer daar hij

het meer en zijne merkwaardigheden reeds kende, zijne reis zonder

verwijl over Zurich op Schaffhausen voort te zetten. Hij moest dus

van zijne geleiders afscheid nemen. Rasinski, wiens opmerkzamen blik

zelden iets ontging, vroeg hem naar zijne koffers. Lodewijk was op die

vraag bedacht geweest en had eene uitvlucht gereed. Hij zeide, zijne

groote koffers, en zulks was inderdaad zoo, naar Heidelberg te hebben

vooruitgezonden, terwijl achteloosheid of ontrouw van een vetturino, en

hierin veroorloofde hij zich eene kleine onwaarheid, zijn valies op den

weg van Milaan naar Duomo d'Ossola had doen zoek raken.

Met gulle bereidwilligheid boden zijne reisgenooten, nog uit het veld

gewoon den laatsten voorraad broederlijk met een makker te deelen, hem

eenige noodwendigheden aan. Dit was hem inderdaad welkom; want anders

ware hij genoodzaakt geweest, te Zurich onderscheidene aankoopen te

doen, die hij zooveel mogelijk vermijden moest, daar zijne reiskas

reeds veel geleden en hij al zijne middelen dringend noodig had om

zijne navorschingen met kracht te kunnen voortzetten.

Men nam dus een hartelijk afscheid en troostte zich met eene vroolijk

hereeniging in Dresden, wanneer het geluk al niet willen mocht, dat men

elkander reeds vroeger op de landstraat weder ontmoette. Niet zonder

weemoed zag Lodewijk zijne vrienden zich verwijderen; want of hij hen

wel ooit zoude wederzien was onzeker, daar hun verblijf te Dresden

wellicht zeer kort zijn kon en hij zelf den juisten tijd van zijne

aankomst aldaar met geene zekerheid vooraf durfde bepalen.

In de herberg te Altorf bevond zich toevallig een voerman, die met

een ledigen wagen naar Zurich wilde. Lodewijk nam daarop eene plaats

en zette, na zijn vriendelijken leidsman Jozef en den muildierdrijver

uit Ulrichen ontslagen te hebben, onverwijld de reis voort. Zonder

verdere ontmoetingen kwam hij in den laten avond te Zug aan, en den

volgenden middag bereikte hij over den Albiss, welks hoogte hem een

laatst uitzicht op de Alpenketen en Zwitserlands blauwe bergen en

meren vergunde, het oude Zurich. Dit was een punt, dat Bianca, wanneer

zij haren weg door eene der bergpassen van het kanton Wallis genomen

had, noodzakelijk moest aandoen. Met groote zorgvuldigheid onderzocht

hij derhalve in alle herbergen, of men ook reizigers, met zijne

beschrijving overeenkomende, had opgemerkt. Hij had zijn weg zoo snel

en gelukkig afgelegd, dat hij er bijna niet aan twijfelen kon, of

hij was de eerste in Zurich aangekomene, en dit deed hem besluiten,

dezen en den volgenden dag te vertoeven, om verdere berichten in te

winnen. Hij deed zulks, maar zonder gevolg. Ook den derden gaf hij

nog toe, schoon hij in doodelijken angst verkeerde juist daardoor

de mogelijkheid te zullen verbeuren, van de geliefde nog op een der

hoofdwegen van Duitschland te achterhalen. Toen ook deze laatste poging

hem geen spoor deed ontdekken, moest hij eindelijk met een bloedend

hart besluiten, van verdere navorschingen af te zien en de reis naar

zijne woonplaats aan te nemen. Over Schaffhausen en Freiburg kwam hij

binnen weinige dagen te Heidelberg aan.

Het was in de eerste schoone dagen van Mei, dat hij deze bevallige

plaats, waar hij zoo menig vroolijk uur zijns levens had doorgebracht,

binnenreed. Hij betrad haar met weemoed. Zijne akademievrienden hadden

gelijktijdig met hem de stad verlaten. Slechts één jaar was verloopen,

en reeds zoude hij, eenige verre bekenden uitgezonderd, zich geheel

vreemd onder de jongelingen, die thans studeerden, bevonden hebben.

Alles, waarvan hij zich in het vooruitzicht zooveel genoegen voorspeld

had, het wederzien van zijn ouden, eerlijken huisbaas, het ontmoeten

van eenige huisgezinnen, waarmede hij weleer bevriend was geweest,

het bezoeken van zijne geliefde wandelplaatsen, die, thans met het

frissche groen der lente getooid, den ouden vriend schenen welkom te

heeten, dit alles wekte slechts eene sombere, zwarte zwaarmoedigheid

in hem op. Geheel moedeloos besloot hij eindelijk zijne reis naar huis

te bespoedigen, om in de armen der geliefde moeder en zuster troost

en opbeuring voor zijn smartelijk gewond hart te zoeken en tegen den

volgenden morgen nam hij eene plaats op den postwagen.

Toen hij des avonds zijne zaken gepakt en alles geordend had, trad hij,

om aan het avondeten deel te nemen, de spijszaal binnen. De gasten,

eenige vreemdelingen en enkele ongehuwde professoren uit de stad zelve,

zaten reeds aan tafel. Een der laatsten hield een dagblad in de hand,

waaruit hij het gezelschap de belangrijkste narichten betrekkelijk den

naderenden oorlog scheen medegedeeld te hebben.

„Wat nieuws is er?” vroeg Lodewijk, zonder eenig gewicht aan die vraag

te hebben.

„Wat den krijg betreft nog niets beslissends,” antwoordde een der

aanzittenden, „oprukken van troepen, berichten van het aankomen

en afreizen van generaals, lange opsommingen der vreeselijke

krijgstoerustingen des Franschen keizers; kortom alles wat wij

reeds sinds weken dagelijks herhaald zien. Maar nu en dan worden

de bladen ook in andere opzichten belangrijk. Zij leenen zich

in onzen romantischen tijd zelfs tot kleine romans en behelzen

brieven, die allen schijn van minnebrieven hebben. Lees hier deze

regels eens, waarover wij juist in gesprek waren.” Lodewijk wierp

een onverschilligen blik op het papier; doch nauwelijks had hij de

eerste regels gelezen, of hij was bijna niet in staat zich zelven

meester te blijven. De woorden, die de nieuwsgierige verwondering van

het gezelschap hadden gaande gemaakt en zijn hart aan eene hevige

slingering van afwisselende gewaarwordingen prijsgaven, luidden in

dezer voege:

„Aan den onbekenden Vriend!

Den redder in den hoogsten nood, die de vreemde als ~zuster~

begroette, haar trouw als een broeder geleidde en beschermde, zij

vurige, onvergetelijke dank. Reet hij zelf ook die banden even snel

weder vanéén, als een hoogere hand ze had vastgeknoopt, hij verneme

toch, dat zijn wil geëerbiedigd wordt, dat innige dankbaarheid de

scheidende bezielt. Maar rukte een onbegrijpelijk toeval de zuster van

de zijde des broeders weg, o zoo geloove hij, dat diepe weemoed en

droefheid haar overal zullen vergezellen. Mochten de verwarde paden

der menschelijke lotwisselingen hem nog eenmaal de thans ver van hem

verwijderde doen ontmoeten, hij zal eene getrouwe zuster in haar

wedervinden, die hem gaarne alles wil ten offer brengen, daar zij hem

alles, alles verschuldigd is.

De geredde B.....”

„Nu, wat zegt gij daarvan?” keerde zich de professor tot Lodewijk, die

het door tranen verdonkerde oog van de dierbare regels bijna niet kon

afwenden.

„Zonderling, inderdaad zonderling!” antwoordde hij haastig en zocht

zijne ontroering zoo goed mogelijk te verbergen. „Ik vind den brief zoo

roerend,” voegde hij er met een gedwongen lachje bij, „hij wekt zoo

duizend verschillende vermoedens en gissingen in de ziel op, dat het

lezen mij sterker getroffen heeft dan het moest. Maar ik ben nu eenmaal

zulk een romaneske droomer!”

„Het had bij ons allen dezelfde uitwerking,” hernam de ander; „want

juist het geheimvolle van deze woorden verwekt zulke zonderlinge

gewaarwordingen, dat men nooit jong, nooit met eenig dichterlijk gevoel

bezield moet geweest zijn, zoo men in zijne verbeelding niet het

bekoorlijkste vrouwelijke wezen voor zich staan en de zoetste tranen

vloeien ziet, welke ooit een helder oog verdonkerd hebben. Ja, ik zou

bijna durven beweren, dat elk mensch in zijn leven de een of andere

ontmoeting gehad heeft, waaraan hij hier op eene zonderlinge wijze

herinnerd werd.”

Het gesprek over dit onderwerp werd opnieuw zeer levendig en gaf

Lodewijk tijd om tot bedaren te komen. Het uur van den maaltijd scheen

hem eindeloos lang te duren, en niet zoodra was deze afgeloopen, of

hij stond op, maakte zich heimelijk van het kostelijke blad meester

en snelde naar zijne kamer. Hier gaf hij in een stroom van lang

weerhouden, heete tranen den beklemden boezem lucht. Door grievende

smart overweldigd, boog hij zich neder en smeekte uit het diepste

zijner ziel: „Algoede Vader! houd mij niet voor eeuwig van haar

gescheiden, laat het schoone gesternte nog eenmaal op mijn donker

levenspad lichten! Neen, niet daarom hebt gij mij de zaligheid des

levens getoond, om mij voor altijd weder in den duisteren afgrond der

vertwijfeling terug te stooten.”

1812: Historische roman · 第 18 / 154 题