Aan Bianca's zijde had de bedriegelijke droomgod den jongeling
verplaatst, en hij waande eene bloeiende landstreek met haar te
doorwandelen, toen de stem van zijn huiswaard hem wekte.
„Het wordt tijd, mijnheer; de maan komt even boven den Simplon op en
schijnt helder in het dal. Wanneer gij haast hebt, moeten wij thans op
weg.”
Nog half in den droom verward, hoorde Lodewijk des grijsaards woorden
aan en hij kon zich niet bezinnen, waar hij zich bevond; want uit de
lachende velden van Italië, uit den helderen zonneschijn, die zijn
sluimerend oog had omgeven, zag hij zich thans, daar hij het opende,
in eene enge, duistere ruimte verplaatst, waar het bleeke maanlicht
zonderling kampte met het roodachtige schijnsel van den mat glimmenden
dennespaander. Eerst toen de oude hem de hand reikte om hem op te
richten, en de maanschijf hem door het kleine venster vriendelijk in
de oogen blonk, kwam hij volkomen tot bewustzijn. „Zoo dadelijk, goede
vader; ik was nog half in den droom; zoo dadelijk.”
Met deze woorden sprong hij van zijne harde legerstede op en was binnen
weinige oogenblikken geheel reisvaardig.
„Gij moet eerst ontbijten mijn goede heer,” sprak de oude; „ik heb de
melk al gewarmd. De morgenlucht is koel en de koude zou u bevangen, als
gij zoo nuchteren buiten kwaamt. Een warme dronk is altijd goed.”
Door des grijsaards gulhartige voorzorg getroffen, wilde Lodewijk de
aangeboden verversching niet afslaan; echter vergunde hij zich daartoe
slechts weinige oogenblikken, daar de onrust van gisteren zich weder
geheel van zijne ziel had meester gemaakt.
De grijsaard liet bij het verlaten der hut de deur ongesloten. „Hier
berooft ons niemand van ons weinigje bezitting,” zeide hij; „enkel des
nachts schuiven wij den grendel toe om wilde dieren buiten te houden,
want aan wolven is geen gebrek hier op het gebergte.”
De maan scheen vrij helder op hun pad; weldra bemerkten zij ook de
schemering van den dageraad. Lodewijk moest toestemmen, dat de weg
inderdaad gevaarlijk was want zelfs nu nog, terwijl men zien kon waar
men den voet zette, was behoedzaamheid noodig, wilde men geen gevaar
loopen van uit te glijden. Echter scheen hem zijn leidsman al te
omzichtig, al te zorgvuldig toe en vooral waar de weg effen was, stelde
diens wankelende, slepende grijsaardstred zijn geduld meermalen op de
zwaarste proef.
Na ongeveer twee uren wandelens, zeide de oude met zijn stok vooruit
wijzende: „Ziet gij, mijnheer? Daar links hebben wij nu de brug over de
Rhône.”
Lodewijk zag op eenigen afstand twee sterke, zeer lange boomstammen
in de schuinte over de rivier gelegd en herkende ook de plaats weder
aan eenige vreemd gevormde rotsklompen, die den vorigen avond zijne
aandacht getrokken hadden: in het duister had hij de boomen niet
voor eene brug, maar voor een sterk naar het water overhellenden den
gehouden, hoedanige hij er meer langs den oever had gezien. Dat het
pad zich hier verdeelde, was, vooral bij avond, voor een vreemdeling
nauwelijks merkbaar; want naderbij gekomen zag hij, dat men om de
brug te genaken, eensklaps ter zijde wenden en alsdan eenige steile
rotstrappen beklimmen moest, die, bij dag zelfs, bezwaarlijk voor een
pad te onderkennen waren.
Juist wilde Lodewijk aan zijn geleider de vraag doen of hij zich
stellig kon verzekerd houden, dat de weg aan de overzijde der Rhône de
eenige was, dien de reizigers welke hij zocht, konden zijn ingeslagen,
toen een voorwerp, dat bij toeval zijn oog trok, hem met blijde
verrassing vervulde. Hij werd namelijk aan een boomstam, juist bij de
plaats waar de rotstrap naar de rivier afdaalde, een rozerood lint
gewaar, dat in den koelen morgenwind lustig heen en weer fladderde! Vol
zoete verwachting snelde hij er op toe en bemerkte met verrukking, dat
een strik van Bianca's kleed daaraan was vastgehecht.
„O, dat de nacht dat schoone teeken gisteren voor mij verbergen moest!”
riep hij uit en voelde een traan in zijn oog opwellen. „Voorzeker
vervulde mijn achterblijven haar met angst en wilde zij mijne schreden
richten en voor afdwalen behoeden.”
Hij knoopte het lint van den boom los, verborg het zorgvuldig in zijne
brieventasch en trad met vernieuwden moed verder. Aan de overzijde der
rivier gekomen, hield de grijsaard hem andermaal staande met de vraag:
„En waarheen moet ik u nu verder brengen, mijn goede heer?”
„Wel, het dal door; er is immers maar één weg,” antwoordde Lodewijk.
„Nu ja, een hoofdweg,” hervatte de oude; „maar gij zeidet gisteren, dat
uwe vrienden, het gebergte door, Zwitserland dieper in wilden, en dan
hebben wij ruime keus, want hier zijn verscheidene wegen, die u over
de Alpen in het Berner-bovenland brengen; de vraag is maar, welken gij
verkiest.”
Lodewijk stond eene poos besluiteloos. Eensklaps rees de gedachte bij
hem op: zij zal mij voorzeker wel een tweede teeken geven en ook verder
op het spoor doen blijven. „Voorwaarts maar,” sprak hij; „zoodra de
weg zich verdeelt, zullen wij verder zien.”
Zij traden voort en kwamen spoedig op een weg, die voor bergwagens en
muilezels bruikbaar begon te worden. Bovenal op spoed bedacht, zoude
Lodewijk gaarne zijne schreden verdubbeld hebben, maar de loome tred
van den oude, die met moeite de wandeling voortzette, noodzaakte hem
zijne vurige drift te beteugelen. Na reeds verscheiden jonge landlieden
ontmoet te hebben, wier voorkomen de kracht en vlugheid aanduidde,
welke Lodewijk zoo gaarne aan zijn gids had toegewenscht, nam deze
eindelijk uit eigen beweging het woord op en zeide: „Ik zie wel
mijnheer, dat gij gaarne sneller voort wildet dan mijne zwakke krachten
toelaten. Wilt gij niet liever een geleider nemen die wat vlugger ter
been is? Zoo dadelijk komen wij aan eene hoeve, waar ik bekend ben en u
licht een gids kan bezorgen, die tot Bern of Zurich nauwkeurig den weg
weet.”
Lodewijk, wien dit voorstel reeds lang op de lippen zweefde zonder dat
hij er, om den goedhartigen oude niet te krenken, voor dorst uitkomen,
nam het met blijdschap aan en antwoordde: „Het zal daarom uwe schade
niet zijn, oude heer; maar spoed is voor mij van zooveel aanbelang,
dat ik desnoods alleen verder zou gegaan zijn om maar haastiger voort
te komen. Ik moet, het koste wat het wil, mijne vrienden van daag nog
inhalen.”
„Daar komt Jozef waarlijk zelf aan!” viel hem de grijsaard met een
vroolijken uitroep in de rede en wees op een jonkman, die met een korf
op den schouder, in de verte naderde.
„Ei, Seppi,” riep hij hem op eenigen afstand toe, „gij komt juist van
pas; wilt gij dezen heer over het gebergte brengen?”
„Van harte gaarne,” antwoordde de gevraagde met eene krachtige basstem;
„was ik dan maar van dit pak bevrijd, dat naar Brieg moet.”
„Geef maar over,” riep de oude; „dat bezorg ik voor u; brengt gij den
heer maar verder.”
Lodewijk nam een hartelijk afscheid van den wakkeren grijsaard, en
moest zich, door met spoed zijn weg voort te zetten, aan de luide en
herhaalde dankbetuigingen onttrekken, waarin eene rijkelijke belooning
den oude deed uitbarsten. Zijne eerste zorg was nu bij den nieuwen gids
te vernemen of deze misschien ook eenig spoor van de door hem gezochte
reizigers ontdekt had.
Het antwoord was ontkennend.
Eene tweede taak was, uit te vorschen welken weg de vreemden, die
spoedig en zonder opgemerkt te worden hunne reis wenschten voort
te zetten, wel konden genomen hebben om op de veiligste wijze over
het gebergte te komen en de Duitsche grenzen te bereiken. Dit was
bezwaarlijk, zonder den samenhang der omstandigheden te doen gissen;
nochtans verzon hij eene fabel, waardoor hij alle verdenking van Bianca
en hare geleiders hoopte af te weren, en zeide op een vertrouwelijken
toon: „Ik zal u maar zonder omwegen bekennen, goede vriend, dat vurige
liefde voor eene jonge engelsche dame, die ik, van Italië komende,
op den Simplon ontmoette, mij tot zulk een haast aanzet. Te Brieg
vernam ik, dat zij, niettegenstaande het vroegere jaargetij, besloten
had, midden door het gebergte te trekken om de woeste natuur te beter
te leeren kennen. Daar hare reis overigens grooten spoed vordert,
wilde zij een weg nemen, die haar daartoe het best de gelegenheid
aanbood en tevens nader naar Duitschland bracht. Haar mijn geleide
aanbieden durfde ik niet, daar zij, alleen door eene kamenier en
een oude bediende vergezeld, verder geen gezelschap verlangt, maar
vrij en zelfstandig de wereld wil doorreizen, zooals dat wel meer de
verkiezing der engelsche vrouwen is. Echter was mijn verlangen om bij
haar te blijven zoo groot, dat ik vast besloten had haar heimelijk te
volgen en mij dan in het gebergte, waar de wegen niet zoo spoedig weer
uiteen loopen, als toevallig bij haar te voegen. Of zij mijn voornemen
geraden had en het opzettelijk wilde verhinderen, weet ik niet; doch
hoe 't zij, gisteren tegen den middag, terwijl ik eene wandeling deed,
heeft zij Brieg verlaten, schoon zij mij gezegd had, niet voor den
volgenden morgen te willen vertrekken. Het eenige, dat ik met zekerheid
heb kunnen gewaar worden, is dat zij dezen weg langs de Rhône heeft
ingeslagen. Wat dunkt u nu, dat ik verder moet doen om haar op het
spoor te komen, goede vriend? Was ik gelukkig genoeg haar te vinden,
dan zou ik u rijkelijk voor uwen goeden raad beloonen.”
„Ja, mijnheer, dat is waarlijk eene moeielijke zaak, iemand op te
zoeken van wien men niet weet, welken weg hij genomen heeft. Er zijn
hier eene menigte van wegen. Als wij bij Naters, dat daar beneden
voor ons ligt, over de bergen gaan, kunnen wij, de Jungfrau voorbij,
in het Bovenland komen. Dat zou de naaste weg naar Bern zijn, maar in
dit jaargetij is hij hoogst gevaarlijk en de beste gemzenjager zou
hem niet licht uitkiezen. Drie uren verder bovenwaarts loopt nog een
pad over de steilte, dat de Jungfrau links laat liggen en waarlangs
wij, zoo God wil, Grindelwald bereiken kunnen. Maar dat is ook al een
weg, dien men in den zomer neemt; bij wintertij, zooals nu, wordt hij
zelden of nooit gebruikt. Die wegen denk ik dus niet, dat de dame
genomen heeft, ook zou zij daartoe bezwaarlijk een gids vinden. Nu
blijft er nog een pad over, dat bezijden den Grimsel heenloopt, of,
willen wij in het Rhônedal blijven, een ander, dat over de Furca naar
Realp, Hospital en vervolgens op de Gotthardstraat brengt. Dat zijn
de vier hoofdwegen; wie klimmen en klauteren wil en voor omwegen niet
bang is, kan nog verscheidene andere nemen, maar met die bijpaden zijn
wij landlieden niet bekend, en om daarop te recht te komen, dient men
een goed bergjager bij zich te hebben, die dag en nacht in de bergen
rondzwerft. Thans echter, in het voorjaar, daar de sneeuw nog zoo
hoog ligt en men elk oogenblik lawinen te wachten heeft, thans is het
waarachtig niet te wagen, mijnheer! Ik geloof dus zeker, dat de dame òf
over de Grimsel òf over de Furca gegaan is en, heeft zij haast, dan is
de laatste weg nog de beste; want hij loopt regelrecht op den grooten
weg naar Altorf uit en gaat verder door Brunnen en Zug naar Zurich.
Nader weg op Duitschland is er niet; er zijn er wel, die meer rechtuit
loopen, maar daar ze dikwijls zoo ongebaand en gevaarlijk zijn, vallen
zij bij slot van rekening doorgaans nog wel eens zoo lang. Wanneer het
weêr bovendien eens onstuimig werd, konden wij licht acht dagen op het
gebergte liggen, zonder een voet verder te komen.”
Lodewijk hoorde deze niet zeer troostrijke berichten onder het
voortwandelen aan. Hij besloot, tot aan Maienwand het dal te volgen
en op ieder zijpad scherp acht te slaan, om te zien, of Bianca hem
misschien ook eenig nieuw teeken mocht hebben achtergelaten.
Vrij spoedig bereikte men het kleine dorpje Naters, waar het meisje
waarschijnlijk moest overnacht hebben. Lodewijk won overal berichten
in, doch niemand wist hem eenig uitsluitsel te geven. Toen hij, het
dorp verlatende, aan de plaats kwam waar de weg ter linkerzijde naar
het gebergte afsloeg, zag hij te vergeefs naar een lint of eenig ander
teeken om: geen spoor van de geliefde was in het rond te ontdekken.
Hoe bekoorlijk het dal ook zijn mocht, door hetwelk hij aan de zijde
van zijn geleider stilzwijgend voortwandelde, trok toch geene der
hem omringende schoonheden zijne oogen tot zich. Zijne gansche ziel
was met Bianca vervuld, die hij thans vreezen moest even snel en
onverhoeds weder te zullen verliezen als hij haar gevonden had. Elken
wandelaar, dien hij ontmoette, ondervroeg hij; in verschillende aan
den weg gelegene woonhuizen deed hij onderzoek naar de reizigers; doch
al zijne pogingen bleven zonder gevolg. Nauwelijks vergunde hij zich
zooveel rust, als hem en zijnen leidsman tot verademing volstrekt
noodzakelijk was. Met klimmende beangstheid zette hij zijn tocht
voort; de laatste bewoonde plaats die hij aantrof, was Ulrichen. Het
was drie uur in den namiddag toen hij daar aankwam; twaalf volle uren
had zijn wandeling nu reeds geduurd en de weg was bij tusschenpoozen
uiterst vermoeiend geweest. Onbegrijpelijk scheen het hem, dat hij
tot hiertoe zelfs niet het geringste spoor van het voorwerp zijner
navorsching ontdekt had. Verder toch kon zij, ook bij den grootsten
spoed, bezwaarlijk gekomen zijn; ja, al had zij ook den ganschen
nacht door hare vlucht voortgezet, het laatste gedeelte van den weg
moest zij toch bij helderen dag hebben afgelegd en kon zij dus, daar
eene reizende dame in het tegenwoordige vroege jaargetij een zeldzaam
verschijnsel was, onmogelijk onopgemerkt zijn gebleven. Dit deed hem
meer en meer bevreesd worden, dat zij, om te spoediger de nasporingen
harer vervolgers te ontkomen, het gewaagd had een dier gevaarlijke
bergpaden te nemen; en zoo kwelde hem nu niet alleen de gedachte van
haar gescheiden te zijn, maar ook de bezorgdheid, welke hij voor haar
leven moest beginnen te koesteren. De eenige en laatste hoop die hem
overbleef, was deze, dat hij aan den Maienwand, waar het steile pad
naar den Grimsel opwaarts stijgt, een teeken vinden mocht, dat hem
uitnoodde dezen weg te vervolgen, of dien naar den Gotthard in te
slaan. Zijne uitgeputte krachten vergunden hem echter niet de reis
verder te voet voort te zetten; hij droeg dus aan Jozef den last op,
twee muildieren te huren, welke deze hem reeds vroeger gezegd had,
dat hier voor vreemdelingen, die zich het beklimmen van den steilen
Maienwand gemakkelijk wilden maken, doorgaans wel te bekomen waren. Na
verloop van een half uur, terwijl de vermoeide jongeling een vluchtig
middagmaal nuttigde, kwam Jozef dan ook reeds met twee goed gezadelde,
door een drijver geleide muilezels terug, en onverwijld begaf zich
de kleine karavane nu weder op weg. Spoedig had men den Maienwand
bereikt en Lodewijk onderzocht met angstvolle opmerkzaamheid elken
boom en elken struik, dien zich aan den weg vertoonde; doch helaas!
geen rooskleurig schijnsel liet zich tusschen het nauw ontloken groen
bespeuren.
Nu bleef hem geen keus meer over. De geliefde had hem ook hier geen
wenk gegeven om de baan te verlaten; was zij hem dus nog vooruit, dan
moest zij den weg over den Gotthard gekozen hebben. Van nu af begon de
landstreek woest en eenzaam te worden; slechts weinige, thans verlaten
herdershutten vertoonden zich in de nog geheel met sneeuw overdekte
wildernis. Ter linkerzijde der reizigers hief het ijspaleis van den
Rhônegletser, door de brekende zonnestralen met ontelbare verven
gekleurd, zijne glinsterende spitsen omhoog; ter rechter stapelden zich
onmetelijke rotskolossen uit de diepte opeen, en vóór hen verloren de
beide sneeuwpiramiden der Furca hare witte toppen in het heldere blauw
van den onbewolkten hemel. Het dal was bij een prachtigen voorhof van
het versteende, fonkelende rijksgebied van den winter te vergelijken,
op welks diamanten bodem plant noch bloesem ontkiemt en de warme
zonnestraal in zeven koude kleuren afstuit.
Lodewijk ontdekte nog een groen heestertakje, dat op eene zonnige
plaats van den rotswand, tusschen de steenkloven uitstak en zijne
teedere bladeren even begon te ontwikkelen. Hij plukte het, om een
herinneringsteeken van de laatste grenzen der lente in het barre
wintergebied mede te voeren. Het pas ontloken groen was een beeld van
zijne hoop, wier even geopende kelk, tegen den storm van zoo gedurige
en ruwe teleurstellingen niet bestand, zich bijna geheel weder gesloten
had. Wie weet, dacht hij, of de bloesems mijner hoop niet reeds
geheel zijn afgevallen, als deze nauwelijks geopende knoppen aan den
dorren stam beginnen te verwelken. Hij hechtte de twijg op zijn hoed
vast en reed in diep stilzwijgen naast zijne geleiders verder. Toen
zij den hoogen sneeuwpas, waarover het spoor door lange seinstaken
was afgebakend, bereikt hadden en zich, door snerpende winterkoude
verkleumd, aan den voet der beide steile rotskegels bevonden,
waartusschen de beroemde straatweg heenkronkelt, wierp hij nog eens
den blik terug. De zon, de hooge bergkruinen tot zeer nabij genaderd,
schoot hare laatste vlakke stralen over de blauwe, nevelachtige
steilten in het dal neder. Zoo ver zijn oog reikte, waren slechts
sneeuwvelden en granietklompen te bespeuren. De aanblik van dit sombere
kerkhof der natuur verlevendigde het smartelijk gevoel, dat zijn
boezem beklemde. O God, zuchtte hij, laat mij haar wedervinden, haar,
de eenige, die den helderen straal der hoop in mijn treurend, diep
gewond hart deed nederdalen. Gij zondt mij haar toe als eene hemelsche
verschijning uit uw zalig rijk, o laat haar niet als een ijdel
droombeeld spoorloos weder verdwijnen; ontruk mij haar niet, evenals
gij mij haar geschonken hebt!
De ruwe storm, die gierend over de kale hoogte heenblies en de sneeuw
in dwarreling deed opstuiven, was het eenige antwoord, dat zich op deze
klacht deed hooren; de zon zonk weg achter eene breede rotskruin en
eene reusachtige schaduw breidde zich over het sneeuwvlak uit.
„Verder,” riep Lodewijk den gids toe en wendde zijn muildier om,
„verder!”
„Wij zullen onzen tijd ook noodig hebben,” was het antwoord, „willen
wij Andermatt nog vóór den nacht bereiken. Als de storm aanhoudt, kon
het licht mogelijk zijn, dat wij bij den kapucijn te Realp overnachten
moesten.”
Men reed door, Lodewijk in sombere mijmering verzonken, zijne geleiders
onder het voeren van een levendig gesprek in den zwitserschen tongval,
waarvan een vreemde, ook als hij er naar geluisterd had, weinig
verstaan kon.
Toen men de hoogte achter den rug had, werd de storm minder hevig
en, vroeger dan men gedacht had, kwam men te Realp aan, waar men
eenige oogenblikken in de hut vertoefde van den kapucijn, die de
vreemdelingen op brood, honig en melk gastvrij onthaalde. Deze
ververschingen worden om niet aangeboden; wat de reiziger daarvoor
betalen wil, is eene vrijwillige gift, en de goede pater, die in deze
sombere eenzaamheid zijne dagen vreedzaam slijt, ontvangt het in naam
van zijn klooster in eene armbus. Op zijne navorsching naar Bianca
ontving Lodewijk ten antwoord, dat sedert 17 October geen enkele
reiziger was voorbijgekomen, en tot bevestiging legde de monnik hem
het vreemdelingenboek des voorgaanden jaars voor. Hiermede was zijne
laatste hoop verdwenen; hij haalde diep adem, bedwong met moeite zijne
tranen en stond op om te gaan. „De hemelsche Vader trooste en zegene u!
Gij schijnt niet gelukkig,” sprak de monnik en reikte hem vriendelijk
de hand. Lodewijk drukte die met warmte en verliet haastig de kleine
cel.
Toen hij weder onder den vrijen hemel stond en de snijdende wind hem de
fijne stuifsneeuw in het aangezicht joeg, scheen het hem een oogenblik
toe, dat hij zijne gestoorde zielrust moest terug bekomen in een rustig
verblijf, te midden eener zwijgende eenzaamheid als deze, waar hij tijd
had alleen voor zijne droomen en in de wereld der herinnering te leven,
onbekommerd over het lot der aardbewoners, die daar buiten door den
storm der wisselende gebeurtenissen rusteloos heen en weder geslingerd
worden.
Maar neen, dacht hij weder, gij zoudt ook hier den storm niet
ontvlieden, die in uw eigen boezem zich verheft. Sluimeren niet in de
ziel, ook des eenzamen, al die verderfelijke zaden, die eensklaps tot
giftplanten opschieten, wanneer de vijand ze ontkiemen doet? En wie
anders is des menschen vijand dan hij zelf? Neen, ook die hoop zou
grievende teleurstelling baren!
Allengs begon het duister te vallen. De storm verhief zich opnieuw en
deed de aan weerszijden van den weg opeengehoopte sneeuwheuvels in
tallooze vlokken verstuiven. Het werd vinnig koud. Nu begon Lodewijk
eindelijk te voelen, dat zijne krachten waren uitgeput, dat zijn
afgetobd lichaam na de geweldige overspanning dringend rust behoefde.
Met zekere ontevredenheid over zich zelven bespeurde hij, dat het
bereiken eener herberg, het vinden van een goed bed, ongemerkt de
vurige wensch was geworden, die zich, nevens het verlangen naar het
verlorene, van geheel zijn hart had meester gemaakt. De laatste dagen
waren dan ook boven alle beschrijving vermoeiend geweest, en misschien
had wel nooit een reiziger in één dag den afstand afgelegd, die zich
tusschen zijn voorgaand nachtverblijf en Andermatt, het plaatsje dat
hij nu naderde, uitstrekte.
Door den vochtigen nevel en de toenemende duisternis, waarmede de nacht
het dal overtoog, liet zich van tijd tot tijd een flikkerend schijnsel
van verlichte vensters in de verte ontwaren, dat den vermoeiden
reizigers tot eene troostende leidstar diende. Eindelijk bereikte
men de eerste huizen en, na verloop van eenige minuten, steeg men af
voor een vrij aanzienlijk gebouw, welks benedenverdieping van heldere
lichten straalde.