HOOFDSTUK VI.

Aan Bianca's zijde had de bedriegelijke droomgod den jongeling

verplaatst, en hij waande eene bloeiende landstreek met haar te

doorwandelen, toen de stem van zijn huiswaard hem wekte.

„Het wordt tijd, mijnheer; de maan komt even boven den Simplon op en

schijnt helder in het dal. Wanneer gij haast hebt, moeten wij thans op

weg.”

Nog half in den droom verward, hoorde Lodewijk des grijsaards woorden

aan en hij kon zich niet bezinnen, waar hij zich bevond; want uit de

lachende velden van Italië, uit den helderen zonneschijn, die zijn

sluimerend oog had omgeven, zag hij zich thans, daar hij het opende,

in eene enge, duistere ruimte verplaatst, waar het bleeke maanlicht

zonderling kampte met het roodachtige schijnsel van den mat glimmenden

dennespaander. Eerst toen de oude hem de hand reikte om hem op te

richten, en de maanschijf hem door het kleine venster vriendelijk in

de oogen blonk, kwam hij volkomen tot bewustzijn. „Zoo dadelijk, goede

vader; ik was nog half in den droom; zoo dadelijk.”

Met deze woorden sprong hij van zijne harde legerstede op en was binnen

weinige oogenblikken geheel reisvaardig.

„Gij moet eerst ontbijten mijn goede heer,” sprak de oude; „ik heb de

melk al gewarmd. De morgenlucht is koel en de koude zou u bevangen, als

gij zoo nuchteren buiten kwaamt. Een warme dronk is altijd goed.”

Door des grijsaards gulhartige voorzorg getroffen, wilde Lodewijk de

aangeboden verversching niet afslaan; echter vergunde hij zich daartoe

slechts weinige oogenblikken, daar de onrust van gisteren zich weder

geheel van zijne ziel had meester gemaakt.

De grijsaard liet bij het verlaten der hut de deur ongesloten. „Hier

berooft ons niemand van ons weinigje bezitting,” zeide hij; „enkel des

nachts schuiven wij den grendel toe om wilde dieren buiten te houden,

want aan wolven is geen gebrek hier op het gebergte.”

De maan scheen vrij helder op hun pad; weldra bemerkten zij ook de

schemering van den dageraad. Lodewijk moest toestemmen, dat de weg

inderdaad gevaarlijk was want zelfs nu nog, terwijl men zien kon waar

men den voet zette, was behoedzaamheid noodig, wilde men geen gevaar

loopen van uit te glijden. Echter scheen hem zijn leidsman al te

omzichtig, al te zorgvuldig toe en vooral waar de weg effen was, stelde

diens wankelende, slepende grijsaardstred zijn geduld meermalen op de

zwaarste proef.

Na ongeveer twee uren wandelens, zeide de oude met zijn stok vooruit

wijzende: „Ziet gij, mijnheer? Daar links hebben wij nu de brug over de

Rhône.”

Lodewijk zag op eenigen afstand twee sterke, zeer lange boomstammen

in de schuinte over de rivier gelegd en herkende ook de plaats weder

aan eenige vreemd gevormde rotsklompen, die den vorigen avond zijne

aandacht getrokken hadden: in het duister had hij de boomen niet

voor eene brug, maar voor een sterk naar het water overhellenden den

gehouden, hoedanige hij er meer langs den oever had gezien. Dat het

pad zich hier verdeelde, was, vooral bij avond, voor een vreemdeling

nauwelijks merkbaar; want naderbij gekomen zag hij, dat men om de

brug te genaken, eensklaps ter zijde wenden en alsdan eenige steile

rotstrappen beklimmen moest, die, bij dag zelfs, bezwaarlijk voor een

pad te onderkennen waren.

Juist wilde Lodewijk aan zijn geleider de vraag doen of hij zich

stellig kon verzekerd houden, dat de weg aan de overzijde der Rhône de

eenige was, dien de reizigers welke hij zocht, konden zijn ingeslagen,

toen een voorwerp, dat bij toeval zijn oog trok, hem met blijde

verrassing vervulde. Hij werd namelijk aan een boomstam, juist bij de

plaats waar de rotstrap naar de rivier afdaalde, een rozerood lint

gewaar, dat in den koelen morgenwind lustig heen en weer fladderde! Vol

zoete verwachting snelde hij er op toe en bemerkte met verrukking, dat

een strik van Bianca's kleed daaraan was vastgehecht.

„O, dat de nacht dat schoone teeken gisteren voor mij verbergen moest!”

riep hij uit en voelde een traan in zijn oog opwellen. „Voorzeker

vervulde mijn achterblijven haar met angst en wilde zij mijne schreden

richten en voor afdwalen behoeden.”

Hij knoopte het lint van den boom los, verborg het zorgvuldig in zijne

brieventasch en trad met vernieuwden moed verder. Aan de overzijde der

rivier gekomen, hield de grijsaard hem andermaal staande met de vraag:

„En waarheen moet ik u nu verder brengen, mijn goede heer?”

„Wel, het dal door; er is immers maar één weg,” antwoordde Lodewijk.

„Nu ja, een hoofdweg,” hervatte de oude; „maar gij zeidet gisteren, dat

uwe vrienden, het gebergte door, Zwitserland dieper in wilden, en dan

hebben wij ruime keus, want hier zijn verscheidene wegen, die u over

de Alpen in het Berner-bovenland brengen; de vraag is maar, welken gij

verkiest.”

Lodewijk stond eene poos besluiteloos. Eensklaps rees de gedachte bij

hem op: zij zal mij voorzeker wel een tweede teeken geven en ook verder

op het spoor doen blijven. „Voorwaarts maar,” sprak hij; „zoodra de

weg zich verdeelt, zullen wij verder zien.”

Zij traden voort en kwamen spoedig op een weg, die voor bergwagens en

muilezels bruikbaar begon te worden. Bovenal op spoed bedacht, zoude

Lodewijk gaarne zijne schreden verdubbeld hebben, maar de loome tred

van den oude, die met moeite de wandeling voortzette, noodzaakte hem

zijne vurige drift te beteugelen. Na reeds verscheiden jonge landlieden

ontmoet te hebben, wier voorkomen de kracht en vlugheid aanduidde,

welke Lodewijk zoo gaarne aan zijn gids had toegewenscht, nam deze

eindelijk uit eigen beweging het woord op en zeide: „Ik zie wel

mijnheer, dat gij gaarne sneller voort wildet dan mijne zwakke krachten

toelaten. Wilt gij niet liever een geleider nemen die wat vlugger ter

been is? Zoo dadelijk komen wij aan eene hoeve, waar ik bekend ben en u

licht een gids kan bezorgen, die tot Bern of Zurich nauwkeurig den weg

weet.”

Lodewijk, wien dit voorstel reeds lang op de lippen zweefde zonder dat

hij er, om den goedhartigen oude niet te krenken, voor dorst uitkomen,

nam het met blijdschap aan en antwoordde: „Het zal daarom uwe schade

niet zijn, oude heer; maar spoed is voor mij van zooveel aanbelang,

dat ik desnoods alleen verder zou gegaan zijn om maar haastiger voort

te komen. Ik moet, het koste wat het wil, mijne vrienden van daag nog

inhalen.”

„Daar komt Jozef waarlijk zelf aan!” viel hem de grijsaard met een

vroolijken uitroep in de rede en wees op een jonkman, die met een korf

op den schouder, in de verte naderde.

„Ei, Seppi,” riep hij hem op eenigen afstand toe, „gij komt juist van

pas; wilt gij dezen heer over het gebergte brengen?”

„Van harte gaarne,” antwoordde de gevraagde met eene krachtige basstem;

„was ik dan maar van dit pak bevrijd, dat naar Brieg moet.”

„Geef maar over,” riep de oude; „dat bezorg ik voor u; brengt gij den

heer maar verder.”

Lodewijk nam een hartelijk afscheid van den wakkeren grijsaard, en

moest zich, door met spoed zijn weg voort te zetten, aan de luide en

herhaalde dankbetuigingen onttrekken, waarin eene rijkelijke belooning

den oude deed uitbarsten. Zijne eerste zorg was nu bij den nieuwen gids

te vernemen of deze misschien ook eenig spoor van de door hem gezochte

reizigers ontdekt had.

Het antwoord was ontkennend.

Eene tweede taak was, uit te vorschen welken weg de vreemden, die

spoedig en zonder opgemerkt te worden hunne reis wenschten voort

te zetten, wel konden genomen hebben om op de veiligste wijze over

het gebergte te komen en de Duitsche grenzen te bereiken. Dit was

bezwaarlijk, zonder den samenhang der omstandigheden te doen gissen;

nochtans verzon hij eene fabel, waardoor hij alle verdenking van Bianca

en hare geleiders hoopte af te weren, en zeide op een vertrouwelijken

toon: „Ik zal u maar zonder omwegen bekennen, goede vriend, dat vurige

liefde voor eene jonge engelsche dame, die ik, van Italië komende,

op den Simplon ontmoette, mij tot zulk een haast aanzet. Te Brieg

vernam ik, dat zij, niettegenstaande het vroegere jaargetij, besloten

had, midden door het gebergte te trekken om de woeste natuur te beter

te leeren kennen. Daar hare reis overigens grooten spoed vordert,

wilde zij een weg nemen, die haar daartoe het best de gelegenheid

aanbood en tevens nader naar Duitschland bracht. Haar mijn geleide

aanbieden durfde ik niet, daar zij, alleen door eene kamenier en

een oude bediende vergezeld, verder geen gezelschap verlangt, maar

vrij en zelfstandig de wereld wil doorreizen, zooals dat wel meer de

verkiezing der engelsche vrouwen is. Echter was mijn verlangen om bij

haar te blijven zoo groot, dat ik vast besloten had haar heimelijk te

volgen en mij dan in het gebergte, waar de wegen niet zoo spoedig weer

uiteen loopen, als toevallig bij haar te voegen. Of zij mijn voornemen

geraden had en het opzettelijk wilde verhinderen, weet ik niet; doch

hoe 't zij, gisteren tegen den middag, terwijl ik eene wandeling deed,

heeft zij Brieg verlaten, schoon zij mij gezegd had, niet voor den

volgenden morgen te willen vertrekken. Het eenige, dat ik met zekerheid

heb kunnen gewaar worden, is dat zij dezen weg langs de Rhône heeft

ingeslagen. Wat dunkt u nu, dat ik verder moet doen om haar op het

spoor te komen, goede vriend? Was ik gelukkig genoeg haar te vinden,

dan zou ik u rijkelijk voor uwen goeden raad beloonen.”

„Ja, mijnheer, dat is waarlijk eene moeielijke zaak, iemand op te

zoeken van wien men niet weet, welken weg hij genomen heeft. Er zijn

hier eene menigte van wegen. Als wij bij Naters, dat daar beneden

voor ons ligt, over de bergen gaan, kunnen wij, de Jungfrau voorbij,

in het Bovenland komen. Dat zou de naaste weg naar Bern zijn, maar in

dit jaargetij is hij hoogst gevaarlijk en de beste gemzenjager zou

hem niet licht uitkiezen. Drie uren verder bovenwaarts loopt nog een

pad over de steilte, dat de Jungfrau links laat liggen en waarlangs

wij, zoo God wil, Grindelwald bereiken kunnen. Maar dat is ook al een

weg, dien men in den zomer neemt; bij wintertij, zooals nu, wordt hij

zelden of nooit gebruikt. Die wegen denk ik dus niet, dat de dame

genomen heeft, ook zou zij daartoe bezwaarlijk een gids vinden. Nu

blijft er nog een pad over, dat bezijden den Grimsel heenloopt, of,

willen wij in het Rhônedal blijven, een ander, dat over de Furca naar

Realp, Hospital en vervolgens op de Gotthardstraat brengt. Dat zijn

de vier hoofdwegen; wie klimmen en klauteren wil en voor omwegen niet

bang is, kan nog verscheidene andere nemen, maar met die bijpaden zijn

wij landlieden niet bekend, en om daarop te recht te komen, dient men

een goed bergjager bij zich te hebben, die dag en nacht in de bergen

rondzwerft. Thans echter, in het voorjaar, daar de sneeuw nog zoo

hoog ligt en men elk oogenblik lawinen te wachten heeft, thans is het

waarachtig niet te wagen, mijnheer! Ik geloof dus zeker, dat de dame òf

over de Grimsel òf over de Furca gegaan is en, heeft zij haast, dan is

de laatste weg nog de beste; want hij loopt regelrecht op den grooten

weg naar Altorf uit en gaat verder door Brunnen en Zug naar Zurich.

Nader weg op Duitschland is er niet; er zijn er wel, die meer rechtuit

loopen, maar daar ze dikwijls zoo ongebaand en gevaarlijk zijn, vallen

zij bij slot van rekening doorgaans nog wel eens zoo lang. Wanneer het

weêr bovendien eens onstuimig werd, konden wij licht acht dagen op het

gebergte liggen, zonder een voet verder te komen.”

Lodewijk hoorde deze niet zeer troostrijke berichten onder het

voortwandelen aan. Hij besloot, tot aan Maienwand het dal te volgen

en op ieder zijpad scherp acht te slaan, om te zien, of Bianca hem

misschien ook eenig nieuw teeken mocht hebben achtergelaten.

Vrij spoedig bereikte men het kleine dorpje Naters, waar het meisje

waarschijnlijk moest overnacht hebben. Lodewijk won overal berichten

in, doch niemand wist hem eenig uitsluitsel te geven. Toen hij, het

dorp verlatende, aan de plaats kwam waar de weg ter linkerzijde naar

het gebergte afsloeg, zag hij te vergeefs naar een lint of eenig ander

teeken om: geen spoor van de geliefde was in het rond te ontdekken.

Hoe bekoorlijk het dal ook zijn mocht, door hetwelk hij aan de zijde

van zijn geleider stilzwijgend voortwandelde, trok toch geene der

hem omringende schoonheden zijne oogen tot zich. Zijne gansche ziel

was met Bianca vervuld, die hij thans vreezen moest even snel en

onverhoeds weder te zullen verliezen als hij haar gevonden had. Elken

wandelaar, dien hij ontmoette, ondervroeg hij; in verschillende aan

den weg gelegene woonhuizen deed hij onderzoek naar de reizigers; doch

al zijne pogingen bleven zonder gevolg. Nauwelijks vergunde hij zich

zooveel rust, als hem en zijnen leidsman tot verademing volstrekt

noodzakelijk was. Met klimmende beangstheid zette hij zijn tocht

voort; de laatste bewoonde plaats die hij aantrof, was Ulrichen. Het

was drie uur in den namiddag toen hij daar aankwam; twaalf volle uren

had zijn wandeling nu reeds geduurd en de weg was bij tusschenpoozen

uiterst vermoeiend geweest. Onbegrijpelijk scheen het hem, dat hij

tot hiertoe zelfs niet het geringste spoor van het voorwerp zijner

navorsching ontdekt had. Verder toch kon zij, ook bij den grootsten

spoed, bezwaarlijk gekomen zijn; ja, al had zij ook den ganschen

nacht door hare vlucht voortgezet, het laatste gedeelte van den weg

moest zij toch bij helderen dag hebben afgelegd en kon zij dus, daar

eene reizende dame in het tegenwoordige vroege jaargetij een zeldzaam

verschijnsel was, onmogelijk onopgemerkt zijn gebleven. Dit deed hem

meer en meer bevreesd worden, dat zij, om te spoediger de nasporingen

harer vervolgers te ontkomen, het gewaagd had een dier gevaarlijke

bergpaden te nemen; en zoo kwelde hem nu niet alleen de gedachte van

haar gescheiden te zijn, maar ook de bezorgdheid, welke hij voor haar

leven moest beginnen te koesteren. De eenige en laatste hoop die hem

overbleef, was deze, dat hij aan den Maienwand, waar het steile pad

naar den Grimsel opwaarts stijgt, een teeken vinden mocht, dat hem

uitnoodde dezen weg te vervolgen, of dien naar den Gotthard in te

slaan. Zijne uitgeputte krachten vergunden hem echter niet de reis

verder te voet voort te zetten; hij droeg dus aan Jozef den last op,

twee muildieren te huren, welke deze hem reeds vroeger gezegd had,

dat hier voor vreemdelingen, die zich het beklimmen van den steilen

Maienwand gemakkelijk wilden maken, doorgaans wel te bekomen waren. Na

verloop van een half uur, terwijl de vermoeide jongeling een vluchtig

middagmaal nuttigde, kwam Jozef dan ook reeds met twee goed gezadelde,

door een drijver geleide muilezels terug, en onverwijld begaf zich

de kleine karavane nu weder op weg. Spoedig had men den Maienwand

bereikt en Lodewijk onderzocht met angstvolle opmerkzaamheid elken

boom en elken struik, dien zich aan den weg vertoonde; doch helaas!

geen rooskleurig schijnsel liet zich tusschen het nauw ontloken groen

bespeuren.

Nu bleef hem geen keus meer over. De geliefde had hem ook hier geen

wenk gegeven om de baan te verlaten; was zij hem dus nog vooruit, dan

moest zij den weg over den Gotthard gekozen hebben. Van nu af begon de

landstreek woest en eenzaam te worden; slechts weinige, thans verlaten

herdershutten vertoonden zich in de nog geheel met sneeuw overdekte

wildernis. Ter linkerzijde der reizigers hief het ijspaleis van den

Rhônegletser, door de brekende zonnestralen met ontelbare verven

gekleurd, zijne glinsterende spitsen omhoog; ter rechter stapelden zich

onmetelijke rotskolossen uit de diepte opeen, en vóór hen verloren de

beide sneeuwpiramiden der Furca hare witte toppen in het heldere blauw

van den onbewolkten hemel. Het dal was bij een prachtigen voorhof van

het versteende, fonkelende rijksgebied van den winter te vergelijken,

op welks diamanten bodem plant noch bloesem ontkiemt en de warme

zonnestraal in zeven koude kleuren afstuit.

Lodewijk ontdekte nog een groen heestertakje, dat op eene zonnige

plaats van den rotswand, tusschen de steenkloven uitstak en zijne

teedere bladeren even begon te ontwikkelen. Hij plukte het, om een

herinneringsteeken van de laatste grenzen der lente in het barre

wintergebied mede te voeren. Het pas ontloken groen was een beeld van

zijne hoop, wier even geopende kelk, tegen den storm van zoo gedurige

en ruwe teleurstellingen niet bestand, zich bijna geheel weder gesloten

had. Wie weet, dacht hij, of de bloesems mijner hoop niet reeds

geheel zijn afgevallen, als deze nauwelijks geopende knoppen aan den

dorren stam beginnen te verwelken. Hij hechtte de twijg op zijn hoed

vast en reed in diep stilzwijgen naast zijne geleiders verder. Toen

zij den hoogen sneeuwpas, waarover het spoor door lange seinstaken

was afgebakend, bereikt hadden en zich, door snerpende winterkoude

verkleumd, aan den voet der beide steile rotskegels bevonden,

waartusschen de beroemde straatweg heenkronkelt, wierp hij nog eens

den blik terug. De zon, de hooge bergkruinen tot zeer nabij genaderd,

schoot hare laatste vlakke stralen over de blauwe, nevelachtige

steilten in het dal neder. Zoo ver zijn oog reikte, waren slechts

sneeuwvelden en granietklompen te bespeuren. De aanblik van dit sombere

kerkhof der natuur verlevendigde het smartelijk gevoel, dat zijn

boezem beklemde. O God, zuchtte hij, laat mij haar wedervinden, haar,

de eenige, die den helderen straal der hoop in mijn treurend, diep

gewond hart deed nederdalen. Gij zondt mij haar toe als eene hemelsche

verschijning uit uw zalig rijk, o laat haar niet als een ijdel

droombeeld spoorloos weder verdwijnen; ontruk mij haar niet, evenals

gij mij haar geschonken hebt!

De ruwe storm, die gierend over de kale hoogte heenblies en de sneeuw

in dwarreling deed opstuiven, was het eenige antwoord, dat zich op deze

klacht deed hooren; de zon zonk weg achter eene breede rotskruin en

eene reusachtige schaduw breidde zich over het sneeuwvlak uit.

„Verder,” riep Lodewijk den gids toe en wendde zijn muildier om,

„verder!”

„Wij zullen onzen tijd ook noodig hebben,” was het antwoord, „willen

wij Andermatt nog vóór den nacht bereiken. Als de storm aanhoudt, kon

het licht mogelijk zijn, dat wij bij den kapucijn te Realp overnachten

moesten.”

Men reed door, Lodewijk in sombere mijmering verzonken, zijne geleiders

onder het voeren van een levendig gesprek in den zwitserschen tongval,

waarvan een vreemde, ook als hij er naar geluisterd had, weinig

verstaan kon.

Toen men de hoogte achter den rug had, werd de storm minder hevig

en, vroeger dan men gedacht had, kwam men te Realp aan, waar men

eenige oogenblikken in de hut vertoefde van den kapucijn, die de

vreemdelingen op brood, honig en melk gastvrij onthaalde. Deze

ververschingen worden om niet aangeboden; wat de reiziger daarvoor

betalen wil, is eene vrijwillige gift, en de goede pater, die in deze

sombere eenzaamheid zijne dagen vreedzaam slijt, ontvangt het in naam

van zijn klooster in eene armbus. Op zijne navorsching naar Bianca

ontving Lodewijk ten antwoord, dat sedert 17 October geen enkele

reiziger was voorbijgekomen, en tot bevestiging legde de monnik hem

het vreemdelingenboek des voorgaanden jaars voor. Hiermede was zijne

laatste hoop verdwenen; hij haalde diep adem, bedwong met moeite zijne

tranen en stond op om te gaan. „De hemelsche Vader trooste en zegene u!

Gij schijnt niet gelukkig,” sprak de monnik en reikte hem vriendelijk

de hand. Lodewijk drukte die met warmte en verliet haastig de kleine

cel.

Toen hij weder onder den vrijen hemel stond en de snijdende wind hem de

fijne stuifsneeuw in het aangezicht joeg, scheen het hem een oogenblik

toe, dat hij zijne gestoorde zielrust moest terug bekomen in een rustig

verblijf, te midden eener zwijgende eenzaamheid als deze, waar hij tijd

had alleen voor zijne droomen en in de wereld der herinnering te leven,

onbekommerd over het lot der aardbewoners, die daar buiten door den

storm der wisselende gebeurtenissen rusteloos heen en weder geslingerd

worden.

Maar neen, dacht hij weder, gij zoudt ook hier den storm niet

ontvlieden, die in uw eigen boezem zich verheft. Sluimeren niet in de

ziel, ook des eenzamen, al die verderfelijke zaden, die eensklaps tot

giftplanten opschieten, wanneer de vijand ze ontkiemen doet? En wie

anders is des menschen vijand dan hij zelf? Neen, ook die hoop zou

grievende teleurstelling baren!

Allengs begon het duister te vallen. De storm verhief zich opnieuw en

deed de aan weerszijden van den weg opeengehoopte sneeuwheuvels in

tallooze vlokken verstuiven. Het werd vinnig koud. Nu begon Lodewijk

eindelijk te voelen, dat zijne krachten waren uitgeput, dat zijn

afgetobd lichaam na de geweldige overspanning dringend rust behoefde.

Met zekere ontevredenheid over zich zelven bespeurde hij, dat het

bereiken eener herberg, het vinden van een goed bed, ongemerkt de

vurige wensch was geworden, die zich, nevens het verlangen naar het

verlorene, van geheel zijn hart had meester gemaakt. De laatste dagen

waren dan ook boven alle beschrijving vermoeiend geweest, en misschien

had wel nooit een reiziger in één dag den afstand afgelegd, die zich

tusschen zijn voorgaand nachtverblijf en Andermatt, het plaatsje dat

hij nu naderde, uitstrekte.

Door den vochtigen nevel en de toenemende duisternis, waarmede de nacht

het dal overtoog, liet zich van tijd tot tijd een flikkerend schijnsel

van verlichte vensters in de verte ontwaren, dat den vermoeiden

reizigers tot eene troostende leidstar diende. Eindelijk bereikte

men de eerste huizen en, na verloop van eenige minuten, steeg men af

voor een vrij aanzienlijk gebouw, welks benedenverdieping van heldere

lichten straalde.

1812: Historische roman · 第 16 / 154 题