HOOFDSTUK V.

Met een kloppend hart bereikte Lodewijk het vrije veld en hij was er nu

slechts op bedacht, de ter bijeenkomst bestemde plaats op de beste en

zekerste wijze op te sporen. Dit was echter niet gemakkelijk, want de

verschillende bochten der kleine straat, die hij gevolgd was, hadden

hem naar de geheel tegenovergestelde zijde van het stadje gevoerd. De

binnenweg, dien hij vervolgens insloeg, was aan weerszijden met tuinen

omgeven en vergunde hem niet eenmaal het gezicht op de Rhône. Een

geruimen tijd hield hij dien weg, verdrietig zich bij voortduring door

heggen, heiningen en staketten omringd te zien. Eindelijk toch bereikte

hij de vlakte, maar ontdekte tevens zoo diep in de landstreek te zijn

doorgedrongen, dat het hem niet mogelijk was te bepalen op welke hoogte

hij zich bevond. Op goed geluk af spoedde hij zich dwars over akkers

en weilanden in de richting voort, welke hij nemen moest. Voor meer

dan een half uur had Bianca het huis reeds verlaten; elke minuut was

hem derhalve kostbaar, wilde hij de geliefde niet aan eene angstige

onzekerheid overlaten en, door zijn lang achterblijven, aan eenig

nieuw gevaar blootstellen. Hij verhaastte zijne schreden en bereikte

eindelijk een pad, dat naar eene hoogte opvoerde, vanwaar hij de Rhône

moest ontdekken. Deze beklommen hebbende, zag hij zich tot zijne niet

geringe ontsteltenis aanmerkelijk verder van de rivier verwijderd,

dan hij in den beginne geweest was. De Rhône toch kronkelde zich,

eenigszins ter zijde van Brieg, met eene zoo sterke, bijna achterwaarts

springende bocht, dat Lodewijk, den oorspronkelijken loop der rivier

tot grondslag van zijne richting genomen hebbende, thans dat gedeelte

van den oever, dat omstreeks een half uur van de stad verwijderd

lag en waar Bianca dus volgens afspraak op hem wachtte, op een vrij

aanmerkelijken afstand achter zich zag liggen. Ging hij dus van de

plek waar hij zich nu bevond in eene rechte lijn op den vloed af, dan

bereikte hij dien ver aan gene zijde der plaats van samenkomst; nam hij

zijn koers zoo, dat hij vóór het punt, waar Bianca hem vermoedelijk

verbeidde, de rivier raakte, dan moest hij een terugweg maken, grooter

dan die, welke hem thans van de stad scheidde, en een geheel uur

ging volstrekt verloren. Het raadzaamst was dus rechtstreeks op de

rivier af te gaan en haar loop te volgen, tot hij zijne reisgenooten

van de tegenovergestelde zijde bereikt had. Hij raapte daarom al

zijne krachten bijeen en spoedde voort. Daar breede aardkloven,

zandhoogten en enkele moerassige plaatsen hem dikwijls tot kleine

omwegen noodzaakten, was er weldra een half uur voorbijgegaan zonder

dat hij den oever bereikt had. De zon was reeds achter den rotsmuur

der Alpenketen weggezonken en de blauwachtige schaduwen van den avond

begonnen zich over het diepe dal van Brieg uit te breiden. Thans hoorde

hij de Rhône ruischen; nog eene rotsachtige met distelachtige struiken

overdekte, tamelijk steile hoogte, die den vloed als een dam scheen te

vergezellen, moest hij beklimmen, dan hoopte hij het oeverpad bereikt

te hebben. Moedig begon hij opwaarts te klauteren. De hoogte was echter

steiler dan hij bij den eersten, vluchtigen aanblik vermoed had;

slangvormige kronkelende braamstruiken spreidden zich als strikken over

den grond uit en wondden met hunne scherpe, puntige doornen door de

laars heen zijn voet. Eindelijk had hij deze hindernissen met bloedige

handen en voeten doorworsteld en de hoogte bereikt. Haastig trad hij

voort, om aan de andere zijde af te stijgen, toen hij eensklaps in

zijn loop gestuit werd; hij stond voor een afgrond en hoorde onder zich

de Rhône in hare diepe bedding voortrollen; hare golven zien kon hij

niet, daar de rots waarop hij stond met eene schuine helling voorover

neigde. Omkeeren en de hoogte, de rivier afwaarts, volgen, was het

eenige dat hem overbleef, nergens echter ontwaarde hij een begaanbaar

voetpad en hij moest dus vreezen, zich nog niet op den weg te bevinden,

waarop hij de geliefde hoopte aan te treffen. Hij zag zich intusschen

genoodzaakt, langs den stellen oeverkant voort te gaan, die, gestadig

dichter met hoog kreupelhout begroeid, hem eindelijk het uitzicht in

de verte geheel belette. Tot zijne bemoediging echter ontdekte hij,

dat de grond van lieverlede meer gebaand werd en eindelijk in een druk

betreden voetpad uitliep. Dit moest voorzeker den weg zijn, dien Paul

bedoeld had. Lodewijk trad dus met verdubbelde snelheid langs dien weg

voort. De spoed echter deed hem vergeten op het bruisen van den stroom

acht te geven, en eerst na een kwartier te zijn voortgegaan, bemerkte

hij de doodelijke, zwijgende stilte, die in het rond heerschte en hem

deed vreezen, dat hij wederom van de rivier was afgedwaald. Gelukkig

werd het pad nu minder dicht begroeid, en dit maakte het vertrouwen

bij hem levendig, dat hij nu toch eindelijk de vlakte zoude bereiken,

waar hij stellig verwachtte, Bianca spoedig te zullen opsporen.

Nauwelijks echter vergunde het lage kreupelhout hem een onbelemmerd

uitzicht, of tot zijne levendige ontsteltenis zag hij zich weder ver

van de Rhône verwijderd. De bedriegelijke stroom had andermaal door een

breede kronkeling zijn loop veranderd. Van spijt en bezorgdheid buiten

zich zelf, sloeg de jongeling nu dadelijk rechts af en richtte zich

lijnrecht naar de rivier. Geheel ademloos bereikte hij haar en vond

inderdaad een betreden voetpad, dat den gekromden oever van de stad

af scheen te volgen en verder daar langs voortliep. Hij raadpleegde

zijn horloge. Volle twee uren was hij nu reeds op weg en nog slechts

een half uur van de stad verwijderd. Enkele donkere groepen van braam-

en vlierstruiken vertoonden zich van tijd tot tijd aan den oever en

waren buiten twijfel geschikte schuilplaatsen voor de vrouwen geweest

om er de komst der mannen te verbeiden. Maar wachtten zij nu, daar

het duister reeds begon te vallen, nog op hem? Hadden zij het punt om

hem te ontmoeten op de hoogte waar hij zich thans bevond, of wellicht

niet ver achter hem gekozen? Dit waren twee vragen, die hem met bange

onzekerheid vervulden. Intusschen draalde hij niet met het nemen van

een besluit. Hij wilde zoo ver terugsnellen, tot hij verzekerd kon

zijn, dat het punt van samenkomst niet meer tusschen hem en de stad

lag. Dan ten minste kon hij met zekerheid zijne schreden voorwaarts

richten. Zoo snel mogelijk ijlde hij dus weder op de stad toe; in elk

naderend boschje hoopte hij de dierbare te zullen ontdekken; telkens

bedroog hij zich. Thans zag hij iets wits schemeren; zij moest het

zijn! IJdele hoop! Het was een stuk linnen, dat, tegen de afhelling

van een grasheuvel te bleeken gespannen, door de bijna ontbladerde heg

heenblonk. Nu was hij de stad zoo na genaderd, dat Bianca onmogelijk

reeds hier had kunnen wachten. Daar zag hij, niettegenstaande de

toenemende duisternis, twee gedaanten zich in het naaste, ongeveer

honderd schreden verwijderde boschje bewegen. Zijn hart sprong op van

vreugde; hij ijlde er op toe. Het waren vrouwen; zij droegen hooge

reishoeden; hij zag een witten doek. Hemel, zij is het! juichte hij

ademloos en voelde zijn beklemde hart door de zoetste vreugde verruimd.

Naderbij gekomen ontdekte hij, dat zij, in een gesprek verdiept, den

blik opwaarts naar de met sneeuw bedekte bergtoppen gericht hadden,

die, daar de zon reeds verdwenen was, als bleeke nachtspooksels aan

den schemerenden gezichtseinder oprezen.—Paul was niet bij de vrouwen;

hare houding verried geenerlei onrust of gejaagdheid; dit bracht

Lodewijk aan het twijfelen. Thans wendden zij zich om, door zijne

haastige nadering opmerkzaam gemaakt, en hij had zich wederom bedrogen!

Hij stond als verpletterd; met moeite herstelde hij zich in zoo verre

van zijn schrik, dat hij vragen kon of zij niet twee dames onder

geleide van een bediende gezien hadden. De eene ontkende het, de andere

herinnerde zich, voor omstreeks een uur, op hare wandeling dieper in

het dal, in de verte twee dames onder mannelijk geleide den weg naar

de Rhône te hebben zien inslaan. Lodewijk dankte in haast voor dit

naricht, en verheugd nu ten minste eenig spoor ontdekt te hebben, en te

weten, werwaarts hij zich wenden moest, snelde hij weer terug, den loop

van den schuimenden stroom te gemoet. De angst bevleugelde zijn spoed.

Spoedig had hij de plaats weder bereikt, vanwaar hij was uitgegaan en

hij volgde nu rusteloos het pad aan den oever. Doch nu was het in het

diepe, aan beide zijden door den hoogen muur der Alpen ingesloten dal

reeds volkomen duister, en binnen het uur kon men niet verwachten, dat

de maan den wandelaar zou te hulp komen. Huiveringwekkende eenzaamheid

omringde hem; de landstreek werd spoedig woest en ongebaand. De ruwe

bergklompen stapelden zich gestadig steiler en reusachtiger opeen; de

glinsterende spitsen der sneeuwkruinen staken hoog boven de zwarte

granietwanden uit. Bruisend stuwde de Rhône haar breeden vloed nevens

hem voort en bekranste hare zwarte golven met sissend waterschuim.

Thans werd de oever aanmerkelijk steiler; dra zelfs boog zich een

dreigend rotsblok ver daarover heen. Lodewijk ontwaarde, dat dit de

plaats was, waar hij voor meer dan een uur op de hoogte stond; het

pad liep onder de hellende rots door. Wellicht was Bianca juist op

hetzelfde oogenblik met een angstig beklemd hart hier beneden voorbij

gespoed, dat hij daarboven in doodelijken angst voor den afgrond stond

en niets hoorde dan den rollenden stroom, die aan zijne voeten door

de klippen worstelde.—De weg werd zeer ongebaand en zelfs bij de

steeds toenemende duisternis zeer gevaarlijk; want nu eens steeg hij

steil tegen de rotswanden op, dan weder daalde hij bijna loodrecht

in de diepte neder. Lodewijk getroostte zich gaarne deze hinderpalen

en gevaren, daar hij hoopte, dat Bianca daardoor zoolang zoude zijn

opgehouden, dat hij haar spoedig moest inhalen. Met bedaarden moed

drong hij voort, ofschoon zijne handen bloedden en zijne door den

verhaasten loop als vuur gloeiende voeten hem bij elke schrede eene

hevige pijn veroorzaakten. Een groot uur bleef de weg even bezwaarlijk;

toen steeg hij bij de hoogte op en voerde Lodewijk op een heuvel, waar

het laatste spoor van een gebaand pad, deels door het diepe zand, deels

door de lage, overhangende struiken geheel onzichtbaar werd. De angst

der onzekerheid maakte zich opnieuw van den jongeling meester; want hoe

licht kon hij hier zijne richting geheel uit het oog verliezen en, bij

de woestheid van het dal, in geheel ontoegankelijke streken uitkomen!

Wel is waar bemoedigde hem de gedachte, dat de hoofdrichting van den

weg geen andere zijn konde en dat hij dus waarschijnlijk den volgenden

morgen zou kunnen inhalen, wat hij heden verzuimde; doch welk een zorg

en bekommernis moest die vertraging hem niet doen doorstaan! In allen

gevalle won hij iets, wanneer hij zooveel mogelijk voorwaarts trachtte

te komen; hij hield dus, voor zoover het duister zulks toeliet, de

hoofdrichting in het oog en gunde zich rust noch verademing. Andermaal

verstreek er een uur. Daar schemerde hem een lichtstraal in de oogen;

hij bevond zich in de nabijheid van een hut, de eerste menschelijke

woning, welke hij tot hiertoe op zijn pad had aangetroffen.

Een zoet voorgevoel zeide hem, dat hij daar de geliefde moest

aantreffen; want verder konden hare zwakke krachten haar toch

onmogelijk hebben gebracht. Haastig trad hij op den vriendelijken glans

van het licht toe; binnen weinige minuten had hij het huis bereikt. Hij

klopte aan.

„Wie is daar?” deed zich een ruwe mannenstem hooren en twee zware

holsblokken rammelden in langzamen tred over den grond.

„Een verdwaald reiziger,” antwoordde Lodewijk.—„Goed vriend; ik zal

dadelijk openen,” klonk het van binnen.

Zijn hart sloeg met hevigheid in de hijgende borst; elke seconde,

die voor het openen van de deur verliep, folterde hem met

onbeschrijfelijken angst.

De grendel werd eindelijk teruggeschoven en een grijsaard met

zilverwitte haren en neerhangenden baard stond, door den vlammenden

houtspaan, dien hij in de hand hield, wonderbaar verlicht, voor hem en

heette hem vriendelijk welkom.

„Hebt gij geen andere gasten, goede Vader?” vroeg Lodewijk.

„Geen mensch,” hernam de grijsaard; „wie zou mij armen, ouden man hier

in de wildernis ook komen opzoeken?—Ik vrees niet eens booze gasten,

want bij mij is niets te vinden, dat de hebzucht kan opwekken. Maar

wie zijt gij, lieve vriend, en hoe komt gij zoo laat in den avond nog

hierheen?”

Er verliepen eenige oogenblikken eer Lodewijk, door deze grievende

teleurstelling geheel verbijsterd, in staat was eenig antwoord te geven.

„Ik ben in het gebergte verdwaald en van de mijnen, over wie ik nog

in de grootste ongerustheid verkeer, gescheiden. Zij wilden van Brieg

het dal door op de Rhône afgaan; ik volgde hen en ben, zonder eenig

spoor van hen te vinden, hier eindelijk aan de eerste menschelijke

woning gekomen, waar ik hen stellig dacht aan te treffen, daar, naar ik

meende, een andere weg zijlings af niet mogelijk was.”

„Zeker wel,” hervatte de oude: „de hoofdweg van het dal loopt langs den

anderen oever der Rhône; maar gij hebt vermoedelijk in de duisternis de

plaats waar men overgaat niet bemerkt. Dit pad verliest zich in onze

wildernis.”

„Kunt gij mij op den rechten weg brengen, goede vader?” riep Lodewijk

driftig. „Ik zal u rijkelijk beloonen.”

„Morgen vroeg gaarne, mijn goede heer,” was het antwoord „doch heden

avond zijn mijne zwakke, vermoeide krachten er niet meer toe in staat,

want de weg is in het donker uiterst gevaarlijk, zelfs voor de beste

bergbeklimmers, die hem nauwkeurig kennen.”

Lodewijk had, hoe vermoeid ook, gaarne den geheelen nacht

doorgewandeld; maar een blik op den zwakken, sidderenden grijsaard

overtuigde hem, dat het onmogelijk was van hem te vorderen, nog dezen

zelfden avond den tocht te ondernemen. Hij nam derhalve de gastvrije

uitnoodiging om den nacht in de hut door te brengen aan en volgde zijne

vriendelijke gastheer in het kleine, bekrompene, door den brandenden

houtspaan mat verlichte woonvertrek.

„Het doet mij leed, dat mijn zoon niet te huis is,” sprak de oude; „die

zou beter voor u kunnen zorgen. Doch morgen tegen den avond komt hij

eerst van Sion terug, waar hij bij zijne moei ter bruiloft genood is.

Dus moeten wij ons alleen trachten te behelpen.”

„Goede vader,” sprak Lodewijk, „ik heb slechts rust noodig en die zoude

ik toch niet vinden, al kondt gij mij het kostelijkste bed geven.—Het

eenige, dat ik u verzoeken wil, is, dat wij morgen vroegtijdig

opbreken.”

„Dat zullen wij,” sprak de grijsaard, „daar de maan reeds vóór 3 uur

opkomt; neem het thans met een stuk zwart brood en alpenkaas voor lief;

ook eene teug melk kan ik u geven. Heden morgen had ik nog een restje

wijn, maar dat heb ik waarlijk zelf al leeggeschonken.”

Lodewijk zette zich met den ouden aan den landelijken maaltijd. De

eenvoudige kost zoude hem voortreffelijk gesmaakt hebben, wanneer zijn

hart niet met kommer en bange zorgen was vervuld geweest. Intusschen

deed het genot van rust en verkwikking zijne frissche krachten en

met deze zijne zoete verwachtingen langzamerhand terugkeeren. Hij

voelde spoedig de zware lichaamsvermoeidheid, welke zijn rusteloos

voortsnellen langs onbegaande paden, dat meer dan vijf uren geduurd

had, na een slapeloozen nacht en de vermoeiende wandeling van gisteren

natuurlijk moest te weeg brengen. De legerstede van geurig alpenhooi,

door den vriendelijken oude voor hem uitgespreid, was hem dus van harte

welkom en spoedig zonk hij in een diepen slaap, die, hoe dikwijls ook

door akelige droomen verontrust, zijne krachten deed terugkeeren en hem

tot de nieuwe, moeielijke wandeling sterkte.

1812: Historische roman · 第 15 / 154 题