Met een kloppend hart bereikte Lodewijk het vrije veld en hij was er nu
slechts op bedacht, de ter bijeenkomst bestemde plaats op de beste en
zekerste wijze op te sporen. Dit was echter niet gemakkelijk, want de
verschillende bochten der kleine straat, die hij gevolgd was, hadden
hem naar de geheel tegenovergestelde zijde van het stadje gevoerd. De
binnenweg, dien hij vervolgens insloeg, was aan weerszijden met tuinen
omgeven en vergunde hem niet eenmaal het gezicht op de Rhône. Een
geruimen tijd hield hij dien weg, verdrietig zich bij voortduring door
heggen, heiningen en staketten omringd te zien. Eindelijk toch bereikte
hij de vlakte, maar ontdekte tevens zoo diep in de landstreek te zijn
doorgedrongen, dat het hem niet mogelijk was te bepalen op welke hoogte
hij zich bevond. Op goed geluk af spoedde hij zich dwars over akkers
en weilanden in de richting voort, welke hij nemen moest. Voor meer
dan een half uur had Bianca het huis reeds verlaten; elke minuut was
hem derhalve kostbaar, wilde hij de geliefde niet aan eene angstige
onzekerheid overlaten en, door zijn lang achterblijven, aan eenig
nieuw gevaar blootstellen. Hij verhaastte zijne schreden en bereikte
eindelijk een pad, dat naar eene hoogte opvoerde, vanwaar hij de Rhône
moest ontdekken. Deze beklommen hebbende, zag hij zich tot zijne niet
geringe ontsteltenis aanmerkelijk verder van de rivier verwijderd,
dan hij in den beginne geweest was. De Rhône toch kronkelde zich,
eenigszins ter zijde van Brieg, met eene zoo sterke, bijna achterwaarts
springende bocht, dat Lodewijk, den oorspronkelijken loop der rivier
tot grondslag van zijne richting genomen hebbende, thans dat gedeelte
van den oever, dat omstreeks een half uur van de stad verwijderd
lag en waar Bianca dus volgens afspraak op hem wachtte, op een vrij
aanmerkelijken afstand achter zich zag liggen. Ging hij dus van de
plek waar hij zich nu bevond in eene rechte lijn op den vloed af, dan
bereikte hij dien ver aan gene zijde der plaats van samenkomst; nam hij
zijn koers zoo, dat hij vóór het punt, waar Bianca hem vermoedelijk
verbeidde, de rivier raakte, dan moest hij een terugweg maken, grooter
dan die, welke hem thans van de stad scheidde, en een geheel uur
ging volstrekt verloren. Het raadzaamst was dus rechtstreeks op de
rivier af te gaan en haar loop te volgen, tot hij zijne reisgenooten
van de tegenovergestelde zijde bereikt had. Hij raapte daarom al
zijne krachten bijeen en spoedde voort. Daar breede aardkloven,
zandhoogten en enkele moerassige plaatsen hem dikwijls tot kleine
omwegen noodzaakten, was er weldra een half uur voorbijgegaan zonder
dat hij den oever bereikt had. De zon was reeds achter den rotsmuur
der Alpenketen weggezonken en de blauwachtige schaduwen van den avond
begonnen zich over het diepe dal van Brieg uit te breiden. Thans hoorde
hij de Rhône ruischen; nog eene rotsachtige met distelachtige struiken
overdekte, tamelijk steile hoogte, die den vloed als een dam scheen te
vergezellen, moest hij beklimmen, dan hoopte hij het oeverpad bereikt
te hebben. Moedig begon hij opwaarts te klauteren. De hoogte was echter
steiler dan hij bij den eersten, vluchtigen aanblik vermoed had;
slangvormige kronkelende braamstruiken spreidden zich als strikken over
den grond uit en wondden met hunne scherpe, puntige doornen door de
laars heen zijn voet. Eindelijk had hij deze hindernissen met bloedige
handen en voeten doorworsteld en de hoogte bereikt. Haastig trad hij
voort, om aan de andere zijde af te stijgen, toen hij eensklaps in
zijn loop gestuit werd; hij stond voor een afgrond en hoorde onder zich
de Rhône in hare diepe bedding voortrollen; hare golven zien kon hij
niet, daar de rots waarop hij stond met eene schuine helling voorover
neigde. Omkeeren en de hoogte, de rivier afwaarts, volgen, was het
eenige dat hem overbleef, nergens echter ontwaarde hij een begaanbaar
voetpad en hij moest dus vreezen, zich nog niet op den weg te bevinden,
waarop hij de geliefde hoopte aan te treffen. Hij zag zich intusschen
genoodzaakt, langs den stellen oeverkant voort te gaan, die, gestadig
dichter met hoog kreupelhout begroeid, hem eindelijk het uitzicht in
de verte geheel belette. Tot zijne bemoediging echter ontdekte hij,
dat de grond van lieverlede meer gebaand werd en eindelijk in een druk
betreden voetpad uitliep. Dit moest voorzeker den weg zijn, dien Paul
bedoeld had. Lodewijk trad dus met verdubbelde snelheid langs dien weg
voort. De spoed echter deed hem vergeten op het bruisen van den stroom
acht te geven, en eerst na een kwartier te zijn voortgegaan, bemerkte
hij de doodelijke, zwijgende stilte, die in het rond heerschte en hem
deed vreezen, dat hij wederom van de rivier was afgedwaald. Gelukkig
werd het pad nu minder dicht begroeid, en dit maakte het vertrouwen
bij hem levendig, dat hij nu toch eindelijk de vlakte zoude bereiken,
waar hij stellig verwachtte, Bianca spoedig te zullen opsporen.
Nauwelijks echter vergunde het lage kreupelhout hem een onbelemmerd
uitzicht, of tot zijne levendige ontsteltenis zag hij zich weder ver
van de Rhône verwijderd. De bedriegelijke stroom had andermaal door een
breede kronkeling zijn loop veranderd. Van spijt en bezorgdheid buiten
zich zelf, sloeg de jongeling nu dadelijk rechts af en richtte zich
lijnrecht naar de rivier. Geheel ademloos bereikte hij haar en vond
inderdaad een betreden voetpad, dat den gekromden oever van de stad
af scheen te volgen en verder daar langs voortliep. Hij raadpleegde
zijn horloge. Volle twee uren was hij nu reeds op weg en nog slechts
een half uur van de stad verwijderd. Enkele donkere groepen van braam-
en vlierstruiken vertoonden zich van tijd tot tijd aan den oever en
waren buiten twijfel geschikte schuilplaatsen voor de vrouwen geweest
om er de komst der mannen te verbeiden. Maar wachtten zij nu, daar
het duister reeds begon te vallen, nog op hem? Hadden zij het punt om
hem te ontmoeten op de hoogte waar hij zich thans bevond, of wellicht
niet ver achter hem gekozen? Dit waren twee vragen, die hem met bange
onzekerheid vervulden. Intusschen draalde hij niet met het nemen van
een besluit. Hij wilde zoo ver terugsnellen, tot hij verzekerd kon
zijn, dat het punt van samenkomst niet meer tusschen hem en de stad
lag. Dan ten minste kon hij met zekerheid zijne schreden voorwaarts
richten. Zoo snel mogelijk ijlde hij dus weder op de stad toe; in elk
naderend boschje hoopte hij de dierbare te zullen ontdekken; telkens
bedroog hij zich. Thans zag hij iets wits schemeren; zij moest het
zijn! IJdele hoop! Het was een stuk linnen, dat, tegen de afhelling
van een grasheuvel te bleeken gespannen, door de bijna ontbladerde heg
heenblonk. Nu was hij de stad zoo na genaderd, dat Bianca onmogelijk
reeds hier had kunnen wachten. Daar zag hij, niettegenstaande de
toenemende duisternis, twee gedaanten zich in het naaste, ongeveer
honderd schreden verwijderde boschje bewegen. Zijn hart sprong op van
vreugde; hij ijlde er op toe. Het waren vrouwen; zij droegen hooge
reishoeden; hij zag een witten doek. Hemel, zij is het! juichte hij
ademloos en voelde zijn beklemde hart door de zoetste vreugde verruimd.
Naderbij gekomen ontdekte hij, dat zij, in een gesprek verdiept, den
blik opwaarts naar de met sneeuw bedekte bergtoppen gericht hadden,
die, daar de zon reeds verdwenen was, als bleeke nachtspooksels aan
den schemerenden gezichtseinder oprezen.—Paul was niet bij de vrouwen;
hare houding verried geenerlei onrust of gejaagdheid; dit bracht
Lodewijk aan het twijfelen. Thans wendden zij zich om, door zijne
haastige nadering opmerkzaam gemaakt, en hij had zich wederom bedrogen!
Hij stond als verpletterd; met moeite herstelde hij zich in zoo verre
van zijn schrik, dat hij vragen kon of zij niet twee dames onder
geleide van een bediende gezien hadden. De eene ontkende het, de andere
herinnerde zich, voor omstreeks een uur, op hare wandeling dieper in
het dal, in de verte twee dames onder mannelijk geleide den weg naar
de Rhône te hebben zien inslaan. Lodewijk dankte in haast voor dit
naricht, en verheugd nu ten minste eenig spoor ontdekt te hebben, en te
weten, werwaarts hij zich wenden moest, snelde hij weer terug, den loop
van den schuimenden stroom te gemoet. De angst bevleugelde zijn spoed.
Spoedig had hij de plaats weder bereikt, vanwaar hij was uitgegaan en
hij volgde nu rusteloos het pad aan den oever. Doch nu was het in het
diepe, aan beide zijden door den hoogen muur der Alpen ingesloten dal
reeds volkomen duister, en binnen het uur kon men niet verwachten, dat
de maan den wandelaar zou te hulp komen. Huiveringwekkende eenzaamheid
omringde hem; de landstreek werd spoedig woest en ongebaand. De ruwe
bergklompen stapelden zich gestadig steiler en reusachtiger opeen; de
glinsterende spitsen der sneeuwkruinen staken hoog boven de zwarte
granietwanden uit. Bruisend stuwde de Rhône haar breeden vloed nevens
hem voort en bekranste hare zwarte golven met sissend waterschuim.
Thans werd de oever aanmerkelijk steiler; dra zelfs boog zich een
dreigend rotsblok ver daarover heen. Lodewijk ontwaarde, dat dit de
plaats was, waar hij voor meer dan een uur op de hoogte stond; het
pad liep onder de hellende rots door. Wellicht was Bianca juist op
hetzelfde oogenblik met een angstig beklemd hart hier beneden voorbij
gespoed, dat hij daarboven in doodelijken angst voor den afgrond stond
en niets hoorde dan den rollenden stroom, die aan zijne voeten door
de klippen worstelde.—De weg werd zeer ongebaand en zelfs bij de
steeds toenemende duisternis zeer gevaarlijk; want nu eens steeg hij
steil tegen de rotswanden op, dan weder daalde hij bijna loodrecht
in de diepte neder. Lodewijk getroostte zich gaarne deze hinderpalen
en gevaren, daar hij hoopte, dat Bianca daardoor zoolang zoude zijn
opgehouden, dat hij haar spoedig moest inhalen. Met bedaarden moed
drong hij voort, ofschoon zijne handen bloedden en zijne door den
verhaasten loop als vuur gloeiende voeten hem bij elke schrede eene
hevige pijn veroorzaakten. Een groot uur bleef de weg even bezwaarlijk;
toen steeg hij bij de hoogte op en voerde Lodewijk op een heuvel, waar
het laatste spoor van een gebaand pad, deels door het diepe zand, deels
door de lage, overhangende struiken geheel onzichtbaar werd. De angst
der onzekerheid maakte zich opnieuw van den jongeling meester; want hoe
licht kon hij hier zijne richting geheel uit het oog verliezen en, bij
de woestheid van het dal, in geheel ontoegankelijke streken uitkomen!
Wel is waar bemoedigde hem de gedachte, dat de hoofdrichting van den
weg geen andere zijn konde en dat hij dus waarschijnlijk den volgenden
morgen zou kunnen inhalen, wat hij heden verzuimde; doch welk een zorg
en bekommernis moest die vertraging hem niet doen doorstaan! In allen
gevalle won hij iets, wanneer hij zooveel mogelijk voorwaarts trachtte
te komen; hij hield dus, voor zoover het duister zulks toeliet, de
hoofdrichting in het oog en gunde zich rust noch verademing. Andermaal
verstreek er een uur. Daar schemerde hem een lichtstraal in de oogen;
hij bevond zich in de nabijheid van een hut, de eerste menschelijke
woning, welke hij tot hiertoe op zijn pad had aangetroffen.
Een zoet voorgevoel zeide hem, dat hij daar de geliefde moest
aantreffen; want verder konden hare zwakke krachten haar toch
onmogelijk hebben gebracht. Haastig trad hij op den vriendelijken glans
van het licht toe; binnen weinige minuten had hij het huis bereikt. Hij
klopte aan.
„Wie is daar?” deed zich een ruwe mannenstem hooren en twee zware
holsblokken rammelden in langzamen tred over den grond.
„Een verdwaald reiziger,” antwoordde Lodewijk.—„Goed vriend; ik zal
dadelijk openen,” klonk het van binnen.
Zijn hart sloeg met hevigheid in de hijgende borst; elke seconde,
die voor het openen van de deur verliep, folterde hem met
onbeschrijfelijken angst.
De grendel werd eindelijk teruggeschoven en een grijsaard met
zilverwitte haren en neerhangenden baard stond, door den vlammenden
houtspaan, dien hij in de hand hield, wonderbaar verlicht, voor hem en
heette hem vriendelijk welkom.
„Hebt gij geen andere gasten, goede Vader?” vroeg Lodewijk.
„Geen mensch,” hernam de grijsaard; „wie zou mij armen, ouden man hier
in de wildernis ook komen opzoeken?—Ik vrees niet eens booze gasten,
want bij mij is niets te vinden, dat de hebzucht kan opwekken. Maar
wie zijt gij, lieve vriend, en hoe komt gij zoo laat in den avond nog
hierheen?”
Er verliepen eenige oogenblikken eer Lodewijk, door deze grievende
teleurstelling geheel verbijsterd, in staat was eenig antwoord te geven.
„Ik ben in het gebergte verdwaald en van de mijnen, over wie ik nog
in de grootste ongerustheid verkeer, gescheiden. Zij wilden van Brieg
het dal door op de Rhône afgaan; ik volgde hen en ben, zonder eenig
spoor van hen te vinden, hier eindelijk aan de eerste menschelijke
woning gekomen, waar ik hen stellig dacht aan te treffen, daar, naar ik
meende, een andere weg zijlings af niet mogelijk was.”
„Zeker wel,” hervatte de oude: „de hoofdweg van het dal loopt langs den
anderen oever der Rhône; maar gij hebt vermoedelijk in de duisternis de
plaats waar men overgaat niet bemerkt. Dit pad verliest zich in onze
wildernis.”
„Kunt gij mij op den rechten weg brengen, goede vader?” riep Lodewijk
driftig. „Ik zal u rijkelijk beloonen.”
„Morgen vroeg gaarne, mijn goede heer,” was het antwoord „doch heden
avond zijn mijne zwakke, vermoeide krachten er niet meer toe in staat,
want de weg is in het donker uiterst gevaarlijk, zelfs voor de beste
bergbeklimmers, die hem nauwkeurig kennen.”
Lodewijk had, hoe vermoeid ook, gaarne den geheelen nacht
doorgewandeld; maar een blik op den zwakken, sidderenden grijsaard
overtuigde hem, dat het onmogelijk was van hem te vorderen, nog dezen
zelfden avond den tocht te ondernemen. Hij nam derhalve de gastvrije
uitnoodiging om den nacht in de hut door te brengen aan en volgde zijne
vriendelijke gastheer in het kleine, bekrompene, door den brandenden
houtspaan mat verlichte woonvertrek.
„Het doet mij leed, dat mijn zoon niet te huis is,” sprak de oude; „die
zou beter voor u kunnen zorgen. Doch morgen tegen den avond komt hij
eerst van Sion terug, waar hij bij zijne moei ter bruiloft genood is.
Dus moeten wij ons alleen trachten te behelpen.”
„Goede vader,” sprak Lodewijk, „ik heb slechts rust noodig en die zoude
ik toch niet vinden, al kondt gij mij het kostelijkste bed geven.—Het
eenige, dat ik u verzoeken wil, is, dat wij morgen vroegtijdig
opbreken.”
„Dat zullen wij,” sprak de grijsaard, „daar de maan reeds vóór 3 uur
opkomt; neem het thans met een stuk zwart brood en alpenkaas voor lief;
ook eene teug melk kan ik u geven. Heden morgen had ik nog een restje
wijn, maar dat heb ik waarlijk zelf al leeggeschonken.”
Lodewijk zette zich met den ouden aan den landelijken maaltijd. De
eenvoudige kost zoude hem voortreffelijk gesmaakt hebben, wanneer zijn
hart niet met kommer en bange zorgen was vervuld geweest. Intusschen
deed het genot van rust en verkwikking zijne frissche krachten en
met deze zijne zoete verwachtingen langzamerhand terugkeeren. Hij
voelde spoedig de zware lichaamsvermoeidheid, welke zijn rusteloos
voortsnellen langs onbegaande paden, dat meer dan vijf uren geduurd
had, na een slapeloozen nacht en de vermoeiende wandeling van gisteren
natuurlijk moest te weeg brengen. De legerstede van geurig alpenhooi,
door den vriendelijken oude voor hem uitgespreid, was hem dus van harte
welkom en spoedig zonk hij in een diepen slaap, die, hoe dikwijls ook
door akelige droomen verontrust, zijne krachten deed terugkeeren en hem
tot de nieuwe, moeielijke wandeling sterkte.