HOOFDSTUK IV.

Tegen den morgenstond hadden uitputting en vermoeidheid allen

overweldigd, en de oogen gesloten, die zorgen en kommer lang wakend

hadden doen blijven.—Een schot, welks donderende weerklank de doodsche

stilte afbrak, deed de reizigers eensklaps ontwaken. „Dat is het teeken

van redding,” riep de postiljon, die naast Paul op den breeden bok

had plaats genomen, en door dien uitroep Bianca's ontsteltenis in de

levendigste vreugde veranderde. „Wij moeten dadelijk antwoord geven,”

voegde hij er bij, greep zijn geweer en begaf zich naar den uitgang,

aan de zijde van Brieg, waar hij zijn schot door de opening losbrandde.

Terstond verhief zich een luid geschreeuw van vele mannenstemmen zeer

nabij de plaats, waar de reizigers zich bevonden.

„De sneeuwlaag kan niet diep zijn,” riep de postiljon vroolijk uit.

„Binnen weinige uren zijn wij misschien reeds verlost.”

Er verliepen geen tien minuten, of reeds vertoonden zich eenige mannen

op de sneeuw aan den ingang, zoodat men met hen spreken konde. Spoedig

hadden ze eene opening gebaand, door welke men te voet naar buiten

konde komen, schoon deze aan den wagen nog geen doortocht vergunde. Zoo

was dan de poort der duistere gevangenis ontsloten! Lodewijk leidde

de geliefde over de opeengepakte sneeuwheuvels in de vrije lucht. Met

zoeten wellust begroetten beiden het schoone daglicht weder. Uit het

duister graf traden zij in eene romantische landstreek, welke men

bekoorlijk zou genoemd hebben, had niet de winter zijn looden scepter

nog daarover uitgestrekt. Voor hen gaapte een steile, loodrecht

neerdalende afgrond; de vlakte rondom hen was met slanke groene dennen

schilderachtig omzoomd, en diep beneden in het vriendelijke dal

zag men het kleine stadje Brieg, door de kronkelende Rhône met een

glinsterenden zilverband omstrikt, blinkend wit tegen de groene velden

afsteken, die reeds lang met den schoonsten dos der lente getooid

waren.—De lucht, schoon niet warm, was zacht, en de zon scheen helder

op de sneeuwtoppen. De luwe, zoete adem der italiaansche lentelucht,

die men gisteren had vaarwel gezegd, liet zich echter niet meer

bespeuren, en slechts een heldere Februaridag kon men op deze steile

hoogte verwachten. Vandaar dat Bianca met een glimlach zeide:

„Wij zijn sinds gisteren eenige maanden jonger geworden; dáár ademden

wij de Meilucht in, hier echter begroeten ons de eerste dagen van Maart

weder.”

„Zij waren mij van mijne jeugd af de liefste,” antwoordde Lodewijk met

vuur; „dan heeft de lente mij altijd het levendigst getroffen, wanneer

zij nog slechts vluchtig de ijskorsten des winters met haren adem

aanroerde, wanneer wij hare komst eer vermoedden dan reeds dadelijk

ondervonden. De zonneschijn, die het eerst van de boomen in den tuin

den ijzel deed afdruppen, de klokjes, die het eerst uit de sneeuw

oprezen, waren mij als knaap reeds oneindig liever, dan de bloeiendste

Meidag.”

Bianca's lippen bewogen zich tot een toestemmend gefluister, terwijl

zij met het schoone hoofd den jongeling vriendelijk toeknikte. „Het

is waar,” sprak zij peinzende, „het zijn de eerste dagen der genezing

na eene lange, akelige krankte. De kracht der gezondheid is nog niet

teruggekeerd, maar men gevoelt de weldaad der geringe gave ook des te

sterker.”

„Voorzeker,” hervatte Lodewijk, „zij doen ons, even als den behoeftige

het geringste geschenk, meer vreugde gevoelen, dan in dagen van

overmatig geluk het grootste gewin ons geven kan.”

Paul maakte een eind aan dit gesprek door aan de gravin den voorslag

te doen om te voet naar het naaste, slechts een half uur verwijderd

posthuis te wandelen en daar te vertoeven tot de wagen nakwam. Lodewijk

vond dit zeer aannemelijk, daar de vrouwen eenige verversching

behoefden; hij bood Bianca den arm en begaf zich met haar en Margaretha

op weg. Paul en de postiljon wilden, terwijl de landlieden de sneeuw

geheel uit den weg ruimden, het rijtuig zoo veel mogelijk weder

herstellen.

Men had het posthuis in minder dan een half uur bereikt. Het lag

zoo verre benedenwaarts, dat men er geen sneeuw meer ontdekte. Ook

schoot het geboomte er reeds hooger op, schoon nog alleen de dennen en

talrijke mossoorten met groen bekleed waren.

De net gebouwde, zindelijke woning, even toereikende om een huisgezin

tot verblijf te strekken en nog een of twee kamers den reizenden

vreemdeling aan te bieden, vertoonde een treffend beeld van vreedzame

kalmte en rust. Midden in de wildernis neergeworpen, eenzaam, ver boven

andere woningen van menschen verheven, door een sombere, dikwijls

vreeselijke natuur omringd, leverde zij toch zoo alle kenteekenen eener

schuilplaats van stil geluk en ongestoorde tevredenheid op, dat men de

bewoners zoude hebben kunnen benijden. Welke zorgen zouden zich hier

vestigen? Welke kwellende begeerten hier het geluk ondermijnen? Eene

geregelde huishouding, gezette bezigheid, geen mededinger, geen vijand,

geen afgunstig nabuur, genoegzaam verkeer met menschen om niet geheel

af te sterven, te weinig, om door de wisseling der gebeurtenissen in

de woelige wereld mede verontrust te worden—voorzeker, dit zijn de

natuurlijke, vaste grondslagen van een wezenlijk geluk, en slechts de

zich zelf vijandige dwaas vermag die omver te rukken. Maar de drift,

die zich blind en waanzinnig tegen eigen geluk aankant, heerscht

helaas! maar al te menigvuldig en te machtig in den boezem der

menschen. Daarom zal niemand zijn zwart noodlot ontvlieden, die het op

deze wijze in zich zelf omdraagt; maar niemand ook zal het lot vijandig

vinden, die in een kalm, tevreden gemoed den grond legt tot zijn geluk.

„_Mama, mama_,” juichte, toen Lodewijk en Bianca naderden, een klein

meisje, dat voor de huisdeur zat, en klapte vroolijk in de handjes,

„_Mama mia! Un signore, una signora!_” De moeder, eene italiaansche

vrouw, kwam toesnellen, nam het kind op den arm en trad de

vreemdelingen te gemoet.

„De heerschappen hebben een ongeluk gehad?” vroeg zij met deelneming in

die zoete welluidendheid in taal en stem, welke men slechts in Italië

kent. „Er is toch niemand die letsel heeft bekomen?”

„Gelukkig neen,” antwoordde Lodewijk in het italiaansch. „Kunnen wij

hier een ontbijt bekomen?”

„Gewis, signore. Gelieft het u binnen te treden?” Tevens trad zij op

zijde en wilde de vreemdelingen laten doorgaan. Bianca neigde zich in

het voorbijgaan tot het kleine meisje, dat in den beginne eenigszins

schuw terugweek, maar, toen de vreemde haar vleiend liefkoosde,

met onschuldige vreugde tot de moeder zeide: „_Una bellissima

signora_!”—„Ja wel, Giannettina,” hernam deze, „eene schoone,

voorname, lieve dame! Geef haar toch een handje.” De kleine stak de

hand uit; Bianca bracht hare lippen op den bloeienden rozenmond van het

lachend wicht, dat beide armen vertrouwelijk om haren hals sloeg en

haar recht van harte kuste.

„Giannettina!” riep de moeder. „Dat gij zoo stout zijt!”

„O, laat haar toch,” antwoordde Bianca, terwijl zij het kind op haren

arm overnam en mede naar binnen droeg; „ik speel zoo gaarne met

kinderen!”

Zij traden in het voor vreemdelingen bestemde vertrek, waaruit hun

een aangename geur van hyacinten, rozen, reseda en andere welriekende

bloemen te gemoet kwam, die in zindelijke potten de lage vensterbanken

en eene hoektafel versierden. „Ei wat schoone bloemen vindt men

hierboven!” zeide Bianca verwonderd.

„Hier groeit zoo weinig,” was het antwoord, „dat men wel het een en

ander uit het dal moet laten komen. De voerlieden en postiljons brengen

ze ons uit Duomo d'Ossola mede. Gelieft de signora plaats te nemen? Ik

zal dadelijk het ontbijt brengen.”

Zij ging. Bianca plaatste zich op de sofa en wiegde de kleine

Giannettina op haren schoot. Margaretha nam een stoel, Lodewijk trad

aan het venster en wierp verstrooide blikken op het landschap voor

hem. Hij overdacht zijne vreemde ontmoetingen sedert den vorigen

avond, en zij kwamen hem nog als een droom voor, waaruit hij vreesde

te ontwaken; bij tusschenpoozen vestigde hij zijn oog op Bianca

om zich in het gevoel der werkelijkheid te versterken. En deze

werkelijkheid, konde zij zelf zich niet in eene waarheid oplossen,

oneindig smartelijker, dan wanneer alles slechts een schijnbeeld zijner

verbeelding ware geweest? Neen! neen! En al moest hij dan ook alles

weder verliezen, wat hij thans bezat, deze oogenblikken, hoe vluchtig

ook, waren toch op zichzelve reeds een geluk. Hij had de geliefde

werkelijk aan zijn borst geprangd, had zijne lippen gedrukt op haar

zuiver voorhoofd. Zij wist dat en het had haar niet afkeerig van hem

gemaakt. Haar hart sloeg voor hem met minnend dankgevoel, en eene

heilige, onbedriegelijke gewaarwording zeide hem dit; het gevoel, dat

in hare borst woonde, beantwoordde aan den gloed, dien zijn binnenste

bezielde. Mocht ook vrouwelijke schaamte haar thans van hem verwijderd

houden, in een zalig, bedwelmend oogenblik had zij hem toch haar hart

geschonken, en niets was hem vreeselijker dan de gedachte, dat dit

eene dwaling kon geweest zijn. Opnieuw verliezen kon hij, daarop was

hij voorbereid; maar met het gevoel van nooit bezeten te hebben in die

akelige ledigheid van het niet geslingerd te worden, zoo iets ware hem

duizendmaal verschrikkelijker geweest. Met een door dankbaarheid diep

getroffen ziel beschouwde hij derhalve deze wending in zijn lot. Hij

gevoelde het innig, dat eene veredelende smart ons dierbaar kan worden,

dat een kortstondig, maar tevens waarachtig bezit zelfs door het meest

grievend verlies nimmer te duur gekocht wordt.

De waardin verscheen met een echt zwitsersch ontbijt. Op het schenkblad

stond eene reusachtig groote kan met koffie, een andere met chocolade;

versche boter, kaas, honig, ingemaakte vruchten en gebak werden haar

door een dienstmeisje nagedragen.

Men zette zich aan tafel. Bianca hield de kleine Giannettina bij zich

en liet haar mede ontbijten, ten einde, door zich geheel met het kind

bezig te houden, een angstvallig gespannen gesprek te vermijden, dat

zij met Lodewijk op den vertrouwelijksten toon had moeten voeren.

Korten tijd had men nog slechts vertoefd, toen de wagen kwam aanrollen,

die met behulp van eenige landlieden van de bekomen schade weder

eenigszins hersteld was. IJlende spoed nog altijd noodzakelijk

achtende, nam Bianca overhaast en vriendelijk afscheid van de lieve

kleine, die bitterlijk begon te weenen, toen de schoone signora haar

verlaten wilde. „Ik kom spoedig terug, mijne Giannettina,” sprak deze

vleiend; maar het kind weende voort en scheen niet tot bedaren te

brengen. Bianca kuste het, gaf het aan de moeder over en snelde naar

buiten.

„Hoe elk haar bemint en beminnen moet!” zuchtte Lodewijk, toen hij

haar naar den wagen geleidde en eene zachte aandoening op hare schoone

gelaatstrekken bespeurde.

In snellen draf spoedde men thans over den straatweg voort; want de

nieuwe postiljon, die getuige geweest was, hoe rijkelijk Paul zijn

voorganger en de landlieden in naam der gravin begiftigde, hoopte

insgelijks op een goed drinkgeld. Zoo bereikte men Brieg, in het kanton

van Wallis, binnen weinige uren, doch ook slechts te nauwernood, daar

't rijtuig bij elken schok uiteen scheen te zullen springen, zoodat men

zich op het laatst nog genoodzaakt zag, zachter te rijden wilde men

nieuwe ongelukken verhoeden.

De herberg bereikt hebbende, was het Lodewijks eerste werk voor de

herstelling van het rijtuig zorg te dragen. Smid en wagenmaker werden

ontboden; zij verklaarden dat ten minste vier uren daarmede zouden

verloopen.

Bianca zou gaarne den wagen met een anderen verwisseld hebben, doch

hiertoe was in het kleine stadje waarschijnlijk geen gelegenheid

te vinden; ook zou het verruilen van dit, overigens voortreffelijk

ingericht rijtuig een argwaan verwekt hebben, die gevaarlijker kon

worden dan de vertraging zelve. Men vergenoegde zich dus met, door de

belofte van een rijkelijke belooning, den ijver der werklieden aan te

wakkeren.

Bianca verkreeg met Margaretha een afzonderlijke kamer, terwijl

Lodewijk de daaraan grenzende betrok. Paul bleef beneden in de

schenkkamer, waar hij zich vermoeid in een leunstoel nederwierp. Hij

had een geneesheer ontboden, die de bloedende, pijnlijke wonde aan het

hoofd verbond. Zijne krachten schenen zeer uitgeput; in dit opzicht ook

waren eenige uren rust dus wellicht noodzakelijk, wilde men het leven

van den reeds vrij bejaarden dienaar niet aan gevaar blootstellen.

Lodewijk, die, hoe sterk eene begeerte hij er ook toe gevoelde, het

onvoegzaam oordeelde zijn gezelschap aan de zoo zeer rust en verademing

behoevende vrouwen op te dringen, wilde van dit uur gebruik maken, om

de gebeurtenissen der laatst voorgaande uren in zijn dagboek op te

teekenen. Met schrik echter ontwaarde hij, de brieventasch verloren

te hebben, welker bladen hij tot dat einde gewoon was te bezigen.

Hij herinnerde zich duidelijk, ze op geringen afstand van Brieg nog

gebruikt te hebben; zij moest dus in het huis of op den korten weg

daarheen verloren zijn geraakt.

Na vruchteloos zijne kamer doorzocht en bij den waard navorschingen

gedaan te hebben, besloot hij te beproeven, of het verloren goed,

waarop hij wegens de daarin vervatte papieren grooten prijs stelde,

misschien op den weg nog te vinden was. Hij bereikte het einde van

het stadje zonder iets te hebben ontdekt, en wandelde nu verdrietig

langs den straatweg voort. Thans eerst bemerkte hij, dat de plaats,

die hem bij het binnenrijden zoo nabij de stad gelegen scheen, nog een

vrij aanmerkelijken afstand daarvan verwijderd was. Bijna een uur had

hij in snellen tred afgelegd, en nog niets gevonden. Reeds gaf hij

alle hoop op, toen hij eenige schreden voor zich uit iets roods in het

gras zag liggen; hij ijlde er op toe en vond inderdaad het vermiste

weder. Vroolijk spoedde hij zich naar de stad terug. Omstreeks een

vierde uur mocht hij nog van haar verwijderd zijn, toen hij achter

zich den hoefslag van een paard vernam. Hij wendde zich om en bemerkte

een ruiter, die in vollen galop kwam aanrennen, ettelijke honderd

schreden achter dezen zag hij eene, door een tweeden ruiter vergezelde

reiskoets den, door de kromming van een weg veroorzaakten hoek omslaan

en vervolgens met buitengewone snelheid de straat afrollen. Dit maakte

zijne opmerkzaamheid gaande. Hij had echter nog den tijd niet gehad om

eenige gissingen te maken, toen de eerste ruiter hem reeds genaderd

was, het paard aanhield en in het fransch vroeg:

„Zijt gij uit Brieg, mijnheer?”

„Dat niet,” antwoordde Lodewijk, „ik ben een reiziger en keer van eene

kleine wandeling naar de stad terug.”

„Weet gij niet, of daar een wagen met vier paarden, twee dames, een

heer, benevens een bediende op den bok is aangekomen?”

Lodewijk wilde juist neen antwoorden, toen de reiskoets naderde en

stilhield. De heer, die zich in gezelschap van een Franschen officier

daarin bevond, boog zich uit het portier en herhaalde dezelfde

vraag. Dit stelde Lodewijk, die terstond een samenhang tusschen deze

navorschingen en Bianca's vlucht vermoedde, in staat, zich op eenig,

gevaar afleidend antwoord voor te bereiden. Hij herinnerde zich,

dat het posthuis vooraan in het stadje lag en men dus van paarden

kon verwisselen, zonder tot de herberg door te rijden. Vrij bedaard

antwoordde hij dus: „Reeds voor eenige uren heeft die wagen hier

stilgehouden. Er was, geloof ik, eene as gebroken, die men eerst weder

hersteld heeft. Doch voor ongeveer een kwartier, juist toen ik de stad

uitging, zijn die vreemden ook weer weggereden.”

„Duivel!” bromde de heer uit de koets, „welke richting namen zij?”

„De eenige, die zij nemen konden, over Sion naar Genève,” was het

antwoord. „Daar ginds ziet gij de straat, op zijde van de Rhône.”

„Kan men niet recht doorrijden?” vroeg de reiziger met drift.—„O ja,”

dus nam de postiljon van Lodewijk het woord op, „daar beneden kan men

terstond links afslaan en indien uwe genade niet bevreesd is voor een

weinig water, dat misschien in den wagen kan komen, zoo rijden wij de

beek door en winnen een groot half uur uit, zonder de stad te raken.

Wanneer uwe genade daarmee tevreden is, hoop ik de reizigers nog in te

halen; want zij moeten op dit oogenblik in het bosch daar beneden zijn,

wijl men anders van hier den wagen op de landstraat zien zou.”

„Is de zijweg gevaarlijk?”

„In het minst niet, slechts een weinig hobbelig; in één uur op

zijn langst hebben wij de reizigers achterhaald, als uwe genade

verantwoorden wil, dat ik het posthuis voorbij rijd.”

„Ik sta voor alles,” riep de officier in den wagen, „en bovendien

behoudt gij de twintig gouden napoleons, die ik u beloofde, zoo wij de

vluchtelingen vóór Brieg achterhaalden. Kom, voorwaarts!”

De wagen rolde voort.

Lodewijk stond als versteend van schrik; doch spoedig besefte hij, dat

hem geen keus overbleef. Buiten adem spoedde hij zich naar het stadje

terug, om de vrouwen van het gehoorde te onderrichten. In minder tijds

nog, dan voor eenige uren met den wagen, had hij de herberg bereikt en

stond hij, hijgend, in Bianca's kamer. „Mijn hemel, wat deert u?” vroeg

deze, zijne ontroering en ontsteltenis bespeurende. Ademloos begon hij

te verhalen, wat hem bejegend was.

„Barmhartige God,” viel zij hem angstig in de rede, „dan zijn wij

verloren! Welk voorkomen had de reiziger? Had hij zwart haar en donkere

oogen, een bleek gezicht, zeer witte tanden?”

„Het scheen mij zoo,” antwoordde Lodewijk; „doch daar hij zoo dicht

in zijn mantel gewikkeld was, kon ik zijn gelaat niet behoorlijk

onderscheiden; ook beken ik, daarop juist geen bijzonder acht geslagen

te hebben, daar de zaak zelve mij te zeer ontroerde; doch hoor

verder!”—Hij berichtte nu, door welk eene zeldzame aaneenschakeling

van omstandigheden de vervolgers op een dwaalspoor waren gebracht.

„God zij gedankt,” riep Bianca en drukte hare voedster nauwer aan het

hart. „O, gij zijt onze beschermengel!” ging ze, zich tot Lodewijk

wendende, voort en reikte hem de hand.—„Maar wij hebben geen oogenblik

te verliezen!” Met deze woorden rees zij driftig op en schelde om Paul.

„Ten minste twee uren moeten er verloopen,” riep Lodewijk, „eer zij

hunne dwaling bemerken; want in een groot uur dacht de postiljon de

reizigers eerst te bereiken. Hij zal van de eene minuut tot de andere

door valsche hoop verder gelokt worden en misschien wel tot de volgende

posterij doorrijden. Dan kunnen zij vóór den nacht niet terug zijn, en

in dien tijd schaf ik met Gods hulp raad.”

Bianca sidderde hevig en wees den arm van Lodewijk, die haar

ondersteunen en naar een stoel geleiden wilde, niet terug. „God

heeft ons zóó zichtbaar beschermd,” sprak zij, na van den eersten

schrik bekomen te zijn, met meerdere kalmte, „dat ik ook verder op

Hem mijn vertrouwen stel. Gij werdt ten tweede male onze redder.

Zonder het toeval, dat u op de landstraat voerde,—hetgeen anders

hoogst gevaarlijk had kunnen zijn,—waren wij onherstelbaar verloren.

Doch de Algoede is kennelijk met ons!” Daarbij richtte zij een

onbeschrijfelijken blik, waarin een traan van kinderlijke dankbaarheid

met een van angst te zamen smolt, ten hemel.

Paul was naar boven gekomen. Margaretha nam hem ter zijde en fluisterde

eenige woorden, die den ouden dienaar bleek en verschrikt deden

terugtreden. „Dadelijk vertrekken,” riep hij uit, „geen ander redmiddel

blijft ons. Naar den wagen kunnen wij niet wachten; ook zou deze ons

niets baten, daar wij geen anderen weg kunnen inslaan, dan dien onze

vervolgers reeds genomen hebben. Ongemerkt, elk afzonderlijk en te

voet moeten wij de stad verlaten en het gebergte zien te bereiken; dat

is alles wat wij doen kunnen. Pak dus het onontbeerlijkste bijeen,

genadige gravin, en tracht met vrouw Margaretha buiten de stad te

komen. Gij neemt uwen weg het dal door, de Rhône opwaarts en houdt

haren linkeroever. Bij het voorbijrijden heb ik gezien, dat een sterk

betreden voetpad langs de rivier voortloopt; buiten twijfel strekt zich

dat tot het dal uit. Een half uur van hier wacht gij mij op en kiest

daartoe eene boschachtige plaats aan den oever, vanwaar gij den weg

naar de stad overzien kunt, opdat wij elkander niet misloopen. Ik zal

het huis in eene tegenovergestelde richting verlaten; mijnheer de graaf

moet schijnbaar een derden weg inslaan, opdat het zooveel mogelijk

verborgen blijve, waarheen wij ons gewend hebben. Als wij eens weder

bijeen zijn, zullen wij wel gidsen vinden, die ons over het gebergte

leiden, en wellicht zijn ook muildieren te bekomen, om onze reis te

bespoedigen.”

Paul sprak deze woorden met zulk eene vastheid, dat zij als bevelen

klonken; intusschen was zijn raad zoo goed, dat men er daarom alleen

reeds onvoorwaardelijk gehoor aan had moeten verleenen. Lodewijk

bewonderde de koele vastberadenheid en den klaren, krachtigen

spreektrant van den ouden man, die zijne bedaardheid van geest ook

aan anderen scheen mede te deelen; want zelfs Bianca liet bij al hare

angstvalligheid eene kalmte en zielkracht blijken, welke Lodewijk

met recht verbaasde. Zij zocht hare papieren, hare brieventasch en

eenige andere kleinigheden bijeen, terwijl Margaretha de noodigste

kleedingstukken uitkoos en in hare reticule, in het werkmandje der

gravin, gedeeltelijk ook in beider hooge stroohoeden verdeelde. In

minder dan vijf minuten waren de vrouwen reisvaardig en verlieten

ze het vertrek. Een kamermeisje ontmoette haar in de gang en werd

door Bianca aan een venster gebracht, dat naar de zijde van Sion, de

tegenovergestelde richting van haar voorgenomen vlucht, een uitgestrekt

uitzicht opleverde. „Hoe ver is het wel?” vroeg deze, met den vinger

op eene nabijgelegene hoogte wijzende, „van hier tot aan den top van

gindschen heuvel? Kunnen wij nog vóór het duister eene wandeling

derwaarts doen?”

„Wanneer de dames vlug ter been zijn, zal het nog gaan; maar het is een

goed uur,” antwoordde het meisje.

„Dan komen wij niet voor donker, misschien ook wel iets later terug,”

zeide Bianca; „zorg dan slechts, dat onze kamer in orde zij, mijn kind.”

„Verkiest uwe genade het avondeten op hare kamer?”

„Zekerlijk; voor drie personen; maar niet vóór negen ure,” luidde

Bianca's antwoord, en hierop zweefde zij, aan de zijde harer gezellin,

de trappen af.

Lodewijk riep haar met opzet luid na: „Veel vermaak, lieve zuster; ik

voor mij voel geen lust, mij nog meer te vermoeien; zoo ik niet liever

geheel thuis blijf, zal ik mij met eene kleinere wandeling tevreden

stellen.”

Hierop boog hij zich uit het venster en zag, welke richting zij

insloegen. Nog vijf minuten liet hij verloopen, toen zocht ook hij het

noodwendigste bijeen en verliet, onder het neuriën van een liedje, het

huis, als wilde hij slechts een eindweegs de straat opwandelen. Onder

het voortdrentelen zag hij nog een paar malen naar Paul om, doch werd

hem niet gewaar. Weinig schreden van huis ontmoette hij den stalknecht,

wien hij opdroeg, aan Paul te gelasten nog eens naar den smid en

wagenmaker te gaan en hen tot spoed aan te manen, daar hij dadelijk na

het avondeten vertrekken wilde.

De stalknecht antwoordde: „De kamerdienaar laat juist daar beneden

in de straat een horlogeglas voor uwe genade inzetten; wanneer hij

terugkomt, zal ik hem de boodschap dadelijk overbrengen.” Lodewijk wist

nu ten minste, dat Paul ook reeds onder een geschikt voorwendsel het

huis verlaten had.

1812: Historische roman · 第 14 / 154 题