„Dat was redding uit den leeuwenkuil!” riep de postiljon. „Wij hebben
nog gelukkig de gaanderij bereikt.”
De woorden vervulden de van angst ontzielden met nieuw leven. „Wij zijn
niet bedolven?” riep Lodewijk ademloos.
„De lawine moet dicht achter ons neergeschoten zijn,” antwoordde de
postiljon, „want de ijssplinters en het sneeuwstof hebben mij half
blind gemaakt.—Maar éene as, mogelijk beide, zal het gekost hebben;
want ik merk wel dat wij wat na aan den rotskant geraakt zijn. Het was
ook geene kleinigheid, zoo in vollen galop de nauwe opening te treffen,
en dat nog wel in het donker!”
Lodewijk hoorde de laatste woorden van den postiljon niet meer, daar
hij bemerkte, dat Bianca naast hem nederzeeg, en hij de onmachtige in
zijn armen opving. „In 's hemels naam, zuster,” riep hij, terwijl hij
haar zacht aan zijn kloppend hart drukte; „zuster wat deert u?”—Zij
antwoordde niet; ook in het rond liet zich geen geluid hooren. Eene
rilling ging den jongeling door de leden. Had het ontzettend oogenblik
allen tegelijk het leven benomen?
Intusschen verdreven lichtvonken het duister. Het was de postiljon,
die vuur sloeg. Bij het flikkerend schijnsel zag Lodewijk, dat Bianca
bleek, met gesloten oogen en lippen in zijne armen lag, en dat ook hare
voedster bewusteloos op de bank was neergezonken.
„Licht, licht!” riep hij driftig.
„Dadelijk, signore!”
De lantaarn was ontstoken en verspreidde een droeve schemering door het
duister gewelf der gaanderij. De postiljon richtte zich op en vroeg:
„Er is toch niemand, die zich bezeerd heeft?—Maar wat duivel, waar is
dan de bediende toch?” Eerst nu bemerkte Lodewijk, dat deze ontbrak:
hij moest van den bok zijn gevallen. „Wij moeten hem opzoeken,” riep
hij en vlijde zijn dierbaren last voorzichtig op de wagenbank neder;
vervolgens sprong hij ter aarde, om gezamenlijk met den postiljon den
verongelukte op te zoeken. Dit was weldra geschied; want zij vonden
hem aan den ingang der gaanderij buiten kennis op den rotsachtigen
grond uitgestrekt. Aan zijn voorhoofd bloedde hij een weinig, doch de
wonde was onbeduidend; ook scheen hij overigens onverlet. De postiljon
wiesch hem met eene handvol sneeuw, die de wind tegen de zijwanden der
opening had aangedreven, het voorhoofd, terwijl Lodewijk hem poogde
op te richten en tot bewustzijn te brengen. De oude opende weldra de
oogen. „Waar ben ik?” vroeg hij, meer verbaasd dan uitgeput. Lodewijk
gunde zich den tijd niet om hem te antwoorden, maar ijlde, de lantaarn
in de hand, naar Bianca terug. Zij scheen gerust te sluimeren, zoo kalm
en zacht waren hare gelaatstrekken. Toen het schijnsel van het licht,
door Lodewijk op de voorbank geplaatst, haar op het oog viel, opende
zij dat, sloot het echter, door den glans verblind, weder even ras,
en haalde diep adem. Lodewijk greep hare hand en noemde fluisterend,
maar met innige warmte haren naam; verbaasd sloeg zij de oogen op en
vroeg vervolgens, als met bevreemding en nog ten halven in hare droomen
verzonken: „Wie roept mij toch?”
„Uw broeder, lieve Bianca,” sprak Lodewijk diep geroerd.
„Broeder! broeder!” riep zij, nog bewusteloos, angstig uit, neigde
zich bevende voorover en leunde zacht aan Lodewijks borst, die, door
zijn gevoel overweldigd, haar aan zijn hart en een zoeten kus op haar
voorhoofd drukte. Daar rees zij eensklaps ontwakende op, zag hem met
schuwe, verwonderde blikken aan, en terwijl zij zich met maagdelijke
beschaming aan zijne armen ontwond, stamelde zij: „Mijn God! De
bedwelming—ik weet niet, wat ik gedaan heb!” Tevens viel haar oog op
de voedster, die, nog bewusteloos en het hoofd op de borst gezonken,
in den hoek van den wagen zat. Eene uitdrukking van doodelijken angst
vertoonde zich bij den aanblik op haar gelaat; zij opende de lippen
tot een uitroep, maar deze stierf weg in een beklemden zucht. Daar
bewoog zich de onmachtige en uitte eenige vreemde woorden. „Zij leeft!
zij leeft!” juichte Bianca, in uitgelaten vreugde de armen om den hals
der neergezonkene slaande en haar met teederheid oprichtende. „O mijne
Margaretha, herkent gij mij?”
Hare omarming was zoo innig, dat Lodewijk hier eene nauwere betrekking
moest vermoeden, dan die tusschen meesteres en dienstbare bestaat. Doch
eer hij daarover had kunnen nadenken, wendde Bianca zich tot hem met de
angstige vraag: „Maar waar is—in Gods naam....” Lodewijk ried, wat zij
vragen wilde, en viel haar in de rede met het bericht, dat de dienaar
zich niet bezeerd had. Juist kwam deze met den postiljon op den wagen
toe. Bianca scheen eene rasse beweging te willen maken om hem te gemoet
te ijlen; de dienaar boog zich echter met eerbied en sprak ernstig:
„Het verheugt mij, dat uwe genade geen letsel heeft bekomen; ook ik ben
het gevaar nog gelukkig genoeg ontkomen.”
Men kon in Bianca's trekken lezen, dat eene zeldzame ontroering haar
binnenste schokte. Zij scheen hevig te kampen met eene begeerte,
waaraan zij niet dan met moeite weerstand bood. De oude bediende scheen
daar echter niet veel acht op te slaan en vervolgde koeltjes: „Nu
moeten wij toch maar spoedig eens zien, of de wagen ook veel geleden
heeft.” Tegelijk greep hij de lantaarn en begon as en wielen nauwkeurig
te onderzoeken.
Bianca scheen uitgeput. „Ik kan nog niet tot mij zelve komen; ook weet
ik immers nog volstrekt niet, wat er voorgevallen is en waar wij ons op
dit oogenblik bevinden,” sprak zij op een matten toon en neigde zich
inniger tegen de borst harer voedster, die bij dit alles een koelheid
en afgemetenheid bleef bewaren, die schenen aan te duiden, dat zij
vreesde, het tusschen beiden heerschend verschil van rang en stand uit
het oog te verliezen.
Lodewijk verhaalde in weinig woorden, wat er was voorgevallen en waar
men zich thans bevond.
„De wagen is zoo goed als in duizend stukken gesprongen,” berichtte
thans de postiljon, die gezamenlijk met Paul, den bediende, de wielen
en assen onderzocht. „De heerschappen zullen wel een oogenblik moeten
afklimmen.”
Lodewijk was de vrouwen daartoe behulpzaam. „Zou de ramp ons lang
ophouden?” vroeg Bianca, op de beide mannen toetredende, die bezig
waren het achterrad te bezichtigen.
„Nu ja, signora,” antwoordde de postiljon en nam eerbiedig zijne roode
muts af, „tot het naaste posthuis, misschien wel tot Brieg, zullen
wij het nog voortsleepen; maar daar zal de wagenmaker ons wel een dag
ophouden. De rechter vooras is door midden gebarsten en het rad houdt
met moeite de spaken nog in de naven. De dissel is ook beschadigd; dat
de kast vrij wat geleden heeft, wil ik niet eenmaal rekenen. Achter
gaat het zoo tamelijk, maar het linkerrad heeft ook uitgediend.”
Bianca wierp gedurende dit verslag bezorgde blikken op hare
reisgezellin en op Paul. De laatste begon eindelijk: „Het zal nog te
herstellen zijn, genadige gravin; als smid en wagenmaker goed betaald
worden, zullen, dunkt mij, weinig uren oponthoud voldoende zijn.
Evenwel mag er thans geen tijd verloren gaan.”
„Ja, mijn vriend,” zeide de postiljon; „maar zoo kunnen wij niet
voorwaarts; een paar jonge boomen moeten er eerst zijn: de een om tegen
de as, de andere om tegen den dissel te binden. Verwenscht is het maar,
dat wij hier bezwaarlijk geschikt hout zullen vinden, want heb ik ooit
goed uit mijne oogen gezien, dan wast op deze hoogte geen enkele stam,
zoo als wij dien noodig hebben; hier is alles laag en krom kniehout.
Een half uur verder naar beneden zal het beter gaan.”
„Laat ons dan zoeken,” hernam Paul; „want voorwaarts moeten wij; hare
genade heeft groote haast.”
De postiljon scheen besluiteloos. Lodewijk vermoedde, dat hij, volgens
den gebruikelijken trant der Italianen, eerst wilde zien, hoeveel hem
deze buitengewone dienst konde opbrengen, en beloofde hem derhalve
eene aanzienlijke belooning, wanneer hij den wagen spoedig weder in
gereedheid bracht. De kleine zwartkop schudde echter bedenkelijk
het hoofd en zeide: „Dat is wel licht gezegd, monsignore, maar niet
zoo licht gedaan. Als de sneeuw om dezen tijd eens begint neer te
ploffen, dan is men geen oogenblik van zijn leven zeker. De eene klomp
brengt de andere in beweging. Ja, als wij strenge vorst hadden. Maar
het is dooiweder en dan, vertrouw wie gij wilt, doch hoed u voor de
lawinen. Het kon licht mogelijk zijn, dat gij lang te vergeefs op onze
terugkomst wachten moest. Bij dag kan men beter op zijn hoede zijn;
ook houdt tegen den morgen het gevaar op, want wat de zon over dag los
gemaakt heeft, is dan naar beneden gestort, en zij moet weder nieuwe
massa's ontdooien. Maar nu, bij nacht, is het stuk niet te wagen.”
Lodewijk besefte, hoe pijnlijk deze vertraging der reize voor Bianca
zijn moest, alhoewel zij het dringendst gevaar ook reeds ontkomen
waren. „Ik verzel u, wij willen het gevaar samen deelen,” sprak hij dus
vastberaden.
„Dat ware goed en wel, monsignore,” antwoordde de postiljon, zonder
aan zijn bedenkelijk gelaat eene andere plooi te geven, „wanneer wij
het met een paar galgvogels te doen hadden, die aan den weg achter de
struiken op den loer zitten. Maar de lawine geeft er niet om, of wij
twee, of drie, of twintig te zamen zijn, en gaat toch haar gang.”
„Laat ons het dan ten minste beproeven, mijn vriend,” riep Lodewijk,
terwijl hij de lantaarn opnam. „Ik wil vooruitgaan.”
Bianca wierp hem een dankbaren blik toe, die hem nog meer in zijn
besluit versterkte. „Hebt gij een bijl?” vroeg hij.
„Bijl en touwen liggen in de kast onder den bok,” antwoordde Paul en
haalde het gevraagde te voorschijn.
„Zoo kom, mijn vriend,” sprak Lodewijk met vastheid tot den postiljon,
„de bediende mag bij de dames blijven.”
„Nu, dan moge Sint Borromeus ons bijstaan!” riep deze half zuchtende,
half verdrietig.
Paul trad voor. „Wanneer iemand gaan moet, heer graaf, dan ben ik het.
Gij zelf blijft dan tot bescherming der dames achter.”
Bianca was in tweestrijd, of zij Lodewijk smeeken zoude, het
waagstuk op te geven, ja dan neen. Dubbele, even machtige, maar met
elkander strijdige plichten en gevoelens bestormden hare ziel. Zijne
standvastigheid liet haar geene keuze.
„Ik ga zelf,” riep hij vol moed uit; „het blijft, gelijk ik gezegd heb.”
Bij deze woorden greep hij de lantaarn en ging voor. De postiljon
volgde hem.
„God moge u behoeden, mijn broeder,” snikte Bianca hem na.
De postiljon, met den weg bekend, nam hem nu de lantaarn uit de hand.
Nauwelijks waren zij vijftig passen voortgetreden, toen hij uitriep:
„Sante Borromeo! Ik geloof, dat de gaanderij versperd is! Zie slechts,
signore, de uitgang is geheel met sneeuw toegesloten. De lawine moet
zich verdeeld hebben en aan beide zijden van den gang zijn neergestort.
Daar zitten wij dus als muizen in de val; want dat de deur achter ons
toesloeg, hebben wij, de hemel weet het, maar al te duidelijk bemerkt.”
Het was inderdaad zoo, als de postiljon zeide. Eenige weinige schreden
waren toereikende, om Lodewijk te overtuigen, dat de uitgang volkomen
gesloten was.
„Wat vangen wij nu aan?” vroeg hij, niet zonder ongerustheid over deze
onverhoedsche gevangenschap onder de aarde.
„Wat wij aanvangen? Wij gaan naar de dames terug, want hier uitkomen
kunnen wij niet, voor men zoo goed is ons in te halen,” hernam de
postiljon.
„Maar zal men ons verlossen?”—„Pah! daar ben ik geen oogenblik bang
voor. Zij moesten in Sempione en in het naaste posthuis wel doof zijn,
als zij deze lawine niet gehoord hadden; en als men mij morgen vroeg
met mijne paarden niet terug ziet, gaan zij wel zoeken, waar ik beland
ben.”
Door dit antwoord eenigermate bemoedigd, keerde Lodewijk weder tot de
dames terug en berichtte haar, in hoedanigen toestand men verkeerde.
Bianca hoorde hem met meer gelatenheid aan dan hij verwacht had,
en zuchtte slechts, met kalme berusting de oogen opwaarts slaande:
„Wij moeten dulden, wat God ons toezendt; Hij zelf wil thans ons lot
beslissen. Zijn wil geschiede—ik ben op alles voorbereid.”
De postiljon, niets buitengewoons in het voorval ziende, zocht haar
gerust te stellen. „Het heeft geen gevaar, signora, men zal er ons wel
weer uithelpen, morgen middag zijt gij frisch en gezond in Brieg, maak
daarop gerust staat.—Evenwel zullen wij toch een sein zoeken te geven.
Zoo groot eene opening is toch licht door de sneeuw te maken, dat het
schot van mijn musket er door naar buiten kan. Als zij ons in het
posthuis, dat geen half uur van hier is, hooren, luiden zij dadelijk de
noodklok, en dan zijn er morgen bij het aanbreken van den dag handen
genoeg om ons uit te graven. Want hooger dan vijftien of twintig voet
blijft de sneeuw op den smallen weg niet liggen.”
Na deze woorden ging de luchthartige, vlugge Italiaan terstond aan
het werk en hief den disselboom op, waarmede hij een luchtgat door de
sneeuw wilde boren. Terwijl hij hiermede bezig was, hoorde men een
doffen knal in de verte.
Bianca rees verschrikt op. „Wat beteekent dat?” vroeg zij bevende.
„Zoo dadelijk zult gij het hooren,” riep de postiljon en luisterde
aandachtig toe. „Daar hebt gij 't! Zeide ik het niet? Het is een tweede
lawine.” De knal liet zich versterkt twee, drie ras opéénvolgende malen
hooren; daarop volgde een lang aanhoudend, schokkend gedreun, alsof
een zware last steenen in den afgrond nederstortte. Het kwam nader en
nader; eindelijk rolde het zoo dicht over de hoofden der luisterenden
heen, dat het gewelf der gaanderij scheen verpletterd te worden. Bianca
klemde zich angstig aan Margaretha vast; ook de mannen verrieden
schrik door hunne verbleekte wangen. De postiljon echter lachte en
riep: „Hier regent het niet door!”—Het gedruisch nam nu langzamerhand
af en smolt eindelijk weg in een dof gemurmel, gelijk aan dat van een
verren stroom, die woest over klippen heenbruist.
„Heb ik nu geen gelijk gehad?” vroeg de postiljon. „Wanneer het geluk
niet gewild had, dat de uitgang voor ons versperd werd, geloof ik, dat
wij den ingang thans bezwaarlijk zouden hebben weêrgevonden.”
Bianca dankte God door een stom gebed, dat Lodewijks grootmoedig
waagstuk verijdeld was geworden.
Intusschen had de postiljon den disselboom uitgelicht, aan welks
uiteinde hij met behulp van Paul nog een langen stok door middel
van touwen vastmaakte. Toen deze in gereedheid was gebracht, om er
de zachte sneeuw mede te doorboren, begaven beiden zich naar de
uitgang der gaanderij, aan de zijde van het dal, ten einde daar eene
opening, in den vorm van een schoorsteen, door te graven. Lodewijk en
de vrouwen volgden hen; want de afloop van de onderneming was voor
allen van zooveel belang, dat zij er van den beginne af ooggetuige
van wilden zijn. Het maken van een luchtgat geschiedde bij wijze van
trechtervormige boring, daar Paul en de postiljon den dissel gestadig
in korte slingeringen omzwikten. Na weinige minuten stortte een zware
last sneeuw uit de verwijde opening naar beneden. „Ha!” riep de
postiljon, „wij hebben genoeg gewroet, het dak zakt in. Waarlijk,”
vervolgde hij, ter aarde gebogen opwaarts ziende, „de maan schijnt
juist door het venster; als ik schieten wil, dien ik haar maar goed
in 't vizier te nemen.” Lodewijk had het geweer medegenomen en
middelerwijl geladen.
„Wij willen er nog een paar sterke proppen opzetten, dan geeft
het meer slag,” meende de postiljon en haalde eenige stukken oud
papier te voorschijn, die hij bedaard kauwde en met den laadstok
instampte.—„Zoo; nu moet ik een weinig naar boven gelicht worden,
opdat de tromp zoo veel mogelijk naar buiten uitsteke; anders hoort men
het schot niet ver genoeg.” Zonder omstandigheden liet hij zich door
Paul en Lodewijk op de schouders tillen, en schoot nu zijn geweer af.
Een doffe knal deed het gewelf daveren; duidelijk hoorde men het geluid
zich van berg tot berg voortplanten. „Bravo, bravissimo!” juichte de
postiljon, niet weinig over zich zelf voldaan. „Maar nu is het _da
capo_, anders verstaat men het niet.” Hij laadde en vuurde op nieuw,
en ten derdenmale. „Braaf,” riep hij, „nu is er geen bezwaar meer, nu
zullen zij ons niet vergeten. Maar om de lucht wat te zuiveren, willen
wij aan de andere zijde ook zien, wat wij doen kunnen.”
Hij ging met zijn disselboom naar het andere einde der gaanderij, en
bracht daar eene soortgelijke opening door de sneeuw tot stand.
De vrouwen hadden intusschen weder met Lodewijk in den wagen plaats
genomen, om daar het aanbreken van den dag geduldig af te wachten.
Reeds na weinige minuten hoorden zij een verwijderd klokgelui. Het was
de klok, waardoor van posthuis tot posthuis het teeken wordt gegeven,
dat zich op de baan iemand in gevaar bevindt. Zoo waren zij dan van
hunne redding verzekerd, en met kalmte hadden zij het oogenblik kunnen
verbeiden, waren de hun dreigende gevaren door deze vertraging niet,
als golven der zee bij wassenden vloed, al hooger en hooger komen
opstijgen. Nog tweemaal liet zich de donder van neerploffende lawinen,
schoon op grooten afstand, vernemen en vermengde bange siddering
voor die verschrikkelijke natuurverschijnsels niet de smartelijke
gewaarwordingen, welke Bianca's borst doorwoelden. Voor Lodewijk was
elke minuut in dit vertrouwelijk, donker toevluchtsoord aan de zijde
der geliefde doorgebracht, een onschatbaar gewin. Zoo ongelijkmatig
weegt het noodlot zijne gaven in dezelfde schaal aan ons stervelingen
toe!