Zoo lang men door de straten van het stadje reed en bewoonde huizen aan
den weg ontdekte, nam de schoone gesluierde het diepste stilzwijgen
in acht, terwijl zij Lodewijks begeerte om door eene vraag met den
samenhang van dit hoogst zonderling voorval bekend te worden, door een
stommen angstigen wenk wist in toom te houden. Hij bleef dus eenige
minuten geheel aan zijne eigene vermoedens en gissingen overgelaten en
vond in dat tijdsverloop eene mogelijke, zoo al niet de ware oplossing
van het raadsel. Naar alle waarschijnlijkheid was zijne gezellin eene
Engelsche, misschien wel de dochter van een man van groot aanzien.
De opnieuw losbarstende oorlog had den haat en de waakzaamheid der
Franschen tegen de inwoners van dat land verdubbeld; zij was dus,
vermoedelijk uit staatkundige gronden, genoodzaakt zich van eene list
te bedienen, ten einde een land te kunnen verlaten, dat in het bezit
was der vijanden van haar vaderland en waar men haar zelve misschien
gevangen zou nemen en in gijzeling zou kunnen houden. Het hart van
den jongeling klopte van vreugde bij de gedachte, dat de wonderbare
beschikkingen van het lot juist hem hadden bestemd, om een wezen,
welks zachte bekoorlijkheden hem zoo levendig getroffen, zoo langdurig
geboeid hadden, dezen reddenden dienst te bewijzen. Hij richtte zijne
blikken op haar; sidderende en blijkbaar met moeite ademhalende zat
zij nevens hem. Eindelijk verdwenen de laatste huizen op zijde van den
weg; de landstreek werd eenzaam en woest. Een steil opgaande bocht van
den weg noodzaakte den postiljon den snellen draf zijner paarden met
een langzamen stap te verwisselen, zoodat het verdoovend dreunen van
het rijtuig ophield. Nu greep de schoone gesluierde met onstuimige
hevigheid Lodewijks hand, klemde ze met een warmen, innigen druk in de
hare, en fluisterde uit een overkropten boezem: „Gij zijt mijn redder!
De redder van wat mij op deze aarde het dierbaarst is!” Als door een
doodelijken angst geheel uitgeput, als door het bedwingen der hevigste
gemoedsbewegingen geheel overstelpt, zeeg zij toen, terwijl een
beklemd, hijgend: Ach! hare lippen ontvloeide, op den boezem der tegen
haar over zittende gezellin neder, klemde zich met beide armen aan deze
vast, verborg snikkende het hoofd aan haren schouder en barstte in een
weldadigen stroom van tranen los.
De oude dame, wier voorkomen tot hiertoe slechts koele afgemetenheid
vertoond had, scheen nu toch ook diep geroerd. Zij trachtte intusschen
de weenende tot kalmte te brengen, maar bediende zich daarbij van
eene taal, welke Lodewijk niet verstond en niet voor Engelsch houden
kon.—De onbekende richtte zich weder op, sloeg den sluier terug om
vrijer te kunnen ademhalen, hief de blauwe oogen ten hemel en kruiste
de handen eerbiedig over de borst, tot een ootmoedig dankgebed.
Lodewijk, tot in zijn binnenste getroffen, wilde haar in die heilige
gemoedsstemming niet storen en zag haar lang en verwonderd aan.
Eindelijk trof haar verhelderde, open blik den zijnen weder. „Hoe zal
ik u dit ooit kunnen vergelden!” sprak zij.—„Vergelden?” hervatte de
jongeling haastig, maar met innige warmte. „Het noodlot schenkt mij op
de zeldzaamste wijze een geluk, dat ik nooit had durven verwachten,
en gij spreekt van vergelding? Misschien wel omdat ik van uwe lippen
den zoeten naam van broeder hoorde? Wat heb ik voor u gedaan? Ik
weet slechts, dat gij eenen vreemden, onbekenden eensklaps als eene
heilige uit den hemel verschenen zijt en een onuitsprekelijk geluk
bereid hebt!”—„O, gij weet niet, wat gij door uwe snelle en stoute
beradenheid voor mij geweest zijt.”—Zij wilde voortvaren, maar
werd daarin door den ouden dienaar verhinderd, die omziende, haar
eenige vreemde woorden toevoegde, welke zij in eene, aan Lodewijk
eveneens geheel onbekende taal beantwoordde. Daar er slechts weinige,
gedeeltelijk fluisterende woorden gewisseld werden, kon hij onmogelijk
bepalen aan welken landaard ze behoorden; nu eens waande hij spaansche,
dan weder poolsche woordvormen te onderscheiden. Het rijtuig rolde
intusschen sneller voort en ten tweedenmale werd het nauw begonnen
gesprek afgebroken. Men moest, naar des jongelings berekening, de van
de zijde van Italië vooral steil oploopende straat van den Simplon nu
weldra genaderd zijn, zoodat hij zijne begeerte om al deze geheimen
ontraadseld te zien, tot zoo lang besloot te bedwingen.
Men bereikte eene steile hoogte, waar de weg zich zoodanig kronkelde,
dat men nog eens een vrijen blik op Italië kon terugwerpen. Daar lag
het in de diepte, het land der weelde, door het gloeiend avondrood
met een donkeren purpergloed overtogen; de donkere, boschrijke,
voorgebergten der Alpen strekten zich ver over de bloeiende velden
uit; schuimende beken doorsneden de dalen met goud- en zilverkleurige
slingerpaden; het kleine stadje aan den voet van 't gebergte blonk
glansrijk en wit op den donkeren grond; de verte smolt weg in eene
blauwe schemering en liet geen duidelijke omtrekken meer onderkennen.
„Vaarwel!” beefde het van Lodewijks lippen. Ook zijne reisgenoote
wendde nog eens haar gelaat naar het Eden terug, dat zij nu op het punt
stond te verlaten, eene zachte aandoening verlevendigde hare trekken,
en de lippen schenen over den traan te glimlachen, die eensklaps het
blauw kristal van haar oog met een vochtigen nevel overtogen had.
„Vaarwel!” herhaalde zij met zoete welluidendheid en wenkte met de hand
ten afscheidsgroet. Daar de weg thans al steiler en steiler werd, en de
wagen slechts langzaam voortging, was het geschikte oogenblik daar om
het gesprek weder aan te knoopen. Lodewijk wilde dan ook juist zijne
vraag, om opheldering aangaande het gebeurde, herhalen, toen zijne
reisgenoote reeds uit eigen beweging begon.
„Gij moet zekerlijk verwonderd zijn over wat u bejegend is; maar de
gebeurtenissen, door welke landen en volken thans beroerd worden,
wikkelen dikwijls ook enkele personen in moeielijke en gevaarlijke
ongelegenheden. Dat is met mij het geval. Ik waande mij reeds verloren,
ach! en ik sidderde voor een dierbaarder goed dan mijn leven, toen de
hemel mij in u een redder toezond. Zult gij mij echter ook verder uw
bijstand willen verleenen?”
„Tot aan mijn laatsten ademtocht,” riep Lodewijk driftig.—„Verbind u
tot niets,” viel de onbekende hem in de rede, „voor gij weet, wat ik
van uwe grootmoedige gezindheid vorderen moet. Gij zult nog langer voor
mijn broeder doorgaan, mij als zoodanig op een overhaaste reize tot
in Duitschland vergezellen moeten!—En—dit is voor u zelf met gevaar
verbonden!”
Niet zonder hooghartigheid trachtte Lodewijk de verdenking van zich af
te weren, dat eenig gevaar in staat zoude zijn hem af te schrikken.
„Dat wist ik, en ik ben in mijn vertrouwen niet bedrogen,” hervatte de
onbekende; „maar nog eene moeielijke bekentenis heb ik te doen. Gij
zult mij voor ondankbaar, voor laag, argwanend moeten houden; want ik
moet uw bijstand inroepen, zonder u mijn geheim te mogen toevertrouwen,
daar het niet het mijne is. Anderen hebben er heilige rechten op en de
strengste, onverbrekelijkste plichten binden mijne tong. Weinig meer
dan gij nu reeds hebt kunnen raden, mag ik u ontdekken; want dat ik
geen gravin Wallersheim, dat ik niet eens eene Duitsche ben, zal u wel
niet twijfelachtig meer zijn.”
„Maar welken naam mag ik u dan geven! Zal het noodlot u mij voor eeuwig
onbekend doen blijven?” vroeg Lodewijk op een smartelijken toon.
„Neen, ik vertrouw neen,” antwoordde zij nauw hoorbaar; „maar noem mij
nu zuster; Bianca, als gij wilt. Die naam moet u vooreerst voldoende
zijn.”
„Zuster Bianca!” riep Lodewijk in zoete verrukking. „Zuster! zuster!”
herhaalde hij nog eens. Die heilige naam verbond hem zoo innig met
het bekoorlijke wezen en ontroofde het tevens voor altijd aan zijn
hart, dat hij bij het uitspreken den volsten beker der zaligheid
en den diepsten, bittersten kelk der smart tegelijk ledigde. De
vertrouwelijkste nabijheid was hem vergund, doch terzelfder tijd was
er, dit zeide hem zijn voorgevoel nu reeds, een vreeselijke klove
tusschen beiden geopend, welke hen des te verder vanéén scheidde,
naarmate zij nauwer verbonden schenen.
Hij staarde haar aan en waande eene bekoorlijke droomgestalte te
aanschouwen, die verdwijnen zou, wanneer hij ontwaakte. Zijn hart
klopte met hevigheid; doch hij bedwong zich en verkropte de smart in
zijn boezem.
Bianca brak opnieuw het stilzwijgen af. „Gij ~moogt~ mij niet alleen
zuster noemen,” zeide zij met een vluchtig blosje, „maar gij ~moet~ het
ook, wanneer gij mij niet verraden wilt. Waarlijk, gij zult spoedig aan
dien naam gewennen, zoowel als aan den ongedwongen, gemeenzamen toon,
dien ik dringend vorderen moet, dat voortaan tusschen ons heersche.”
De beproeving werd gestadig sterker voor den jongeling. „Als ik mij
zelf maar niet vergeet,” sprak hij verlegen.
„Dat zult gij gewis niet,” hervatte Bianca; „de gedachte, dat de
geringste misslag voor u en mij hoogst gevaarlijk zou kunnen worden,
zal u steeds op uwe hoede doen zijn; en bovendien zult gij altijd op
mijn gelaat lezen, dat ik u aan uwe broederlijke plichten herinner.
Maar ik moet u nog iets aangaande mijn toestand ontdekken. Gij ziet
mij hier van de verzorgster mijner jeugd en van een ouden getrouwen
dienaar van ons huis vergezeld, de eenigen, die mijn geheim ten deele
kennen. Wij zouden zonder eenig gevaar reizen, wanneer deze alleen er
de vertrouwden van waren; maar tot mijn ongeluk is het reeds verraden.
Weet dan, dat tot Milaan een ander uwe plaats innam.” Hier scheen
het schoone meisje huiverig om verder te verhalen. „Een schandelijk
misbruik,” vervolgde zij sterk blozende, „dat hij van mijn toestand
wilde maken, dwong mij van een tot vluchten gunstig oogenblik gebruik
te maken. Ik kan er thans niet meer aan twijfelen, of hij is daarop uit
wraak een verrader geworden.
Van hier mijn haast, mijn doodelijke beangstheid daar beneden in het
stadje; want elk oogenblik kan het bevel tot onze inhechtenisneming
daar zijn. Wel heb ik een anderen weg genomen, en mijn vroeger
plan, om over Verona te gaan, veranderd, daar de pas, die, zonder
nadere bepaling, van Rome over Florence en Milaan naar Duitschland
wijst, zulks mogelijk maakte; maar hoe spoedig heeft men dat niet
uitgevorscht! Hoe licht kan ook de verrader zelf op dat denkbeeld komen
en ons langs beide wegen laten achtervolgen!—Gij weet nu, wat gij
waagt. Ook dit moet ik er nog bijvoegen; men zou de misdaad, waaraan
gij u schuldig maakt, zeer gestreng straffen.”
„De grootste misdaad ware hier wel lafhartig terug te treden,” sprak
Lodewijk met bedaardheid. „Ik weet niet,” voegde hij er met eenige
aandoening bij, „of voor u te mogen lijden, mij niet nog gelukkiger zou
maken, dan voor u te wagen.”
Bianca zweeg.
De nacht begon intusschen de omliggende voorwerpen met zijn zwarten
sluier te overdekken. De weg werd steiler; reeds verhieven zich aan
weerszijden de zonderlingste, vreemdstaltigste rotsgedaanten, terwijl
de Veriola schuimend en donderend in de diepte neder schoot. Het
reusachtig verhevene van dit schouwspel zoude een sterkeren indruk
op de reizigers hebben teweeg gebracht, wanneer de stemming hunner
gemoederen kalmer en voor het genot vatbaarder geweest ware. Bianca's
krachten schenen daarenboven door de reis en den doorgestanen angst
uitgeput; eene zachte sluimering had haar overvallen. De hevige
gemoedsbeweging verdreef den slaap uit Lodewijks oogen, ofschoon
ook hij door de lange wandeling lichamelijk zeer vermoeid was. De
huiveringwekkende wonderen van den weg, dien hij aflegde, vermeerderden
wel het onrustig golven van zijne borst, doch rotsen, afgrond en
waterval spiegelden zich, als een onstuimige zee, slechts flauw,
verward dooreengemengd en vormloos in zijn oog af. Mijmerend staarde
hij de beelden aan, zonder ze in zijn bewustzijn op te nemen, en dan
eerst, wanneer zij lang voorbijgesneld waren, stegen zij weder als
donkere, onzekere herinneringen in hem op. Zijne ziel zag immers
slechts Bianca's beeld; hij stond verrukt voor de schoone hemelsche
gestalte eener Madonna: hoe kon dan het landschap op den achtergrond
der heilige schilderij zijne oogen van haar aftrekken en aan zich
geboeid houden?
Het was duister toen zij over de eerste, op torenhooge pilaren zwevende
brug heenrolden, waaronder den stroom in den diepsten afgrond zich als
een witte slang sissend heenkronkelde. Spoedig daarop bereikten zij een
posthuis, waar men snel van paarden verwisselde. Bianca was zoo diep
in slaap gezonken, dat zij ook daar niet ontwaakte; het was alsof hare
ziel zulk een vertrouwen stelde op den nieuwen, reddenden vriend, dat
onrust noch zorg haar meer beangstigden.
De weg werd gestadig woester en huiveringwekkender; de Veriola schoot
klaterend in den afgrond neder; hemelhooge rotswanden hieven zich
loodrecht op; slechts weinige starren blonken door de enge opening
der diepgekloofde bergholte. Plotseling kromde de weg en Lodewijks
verwonderd oog zag een wit, reusachtig spooksel voor zich, dat
schrikwekkend tusschen de zwarte granietklompen oprees. Tegelijk
verdoofde een doffe donderslag het gehoor.
Bianca ontwaakte door het gedreun en riep verschrikt: „Hemel, wat is
dat? Waar zijn wij?”
„Het is de waterval aan den ingang der groote gaanderij,” sprak de
oude dienaar, zich omwendende. Intusschen hield de wagen stil en een
heldere straal uit verlichte vensters blonk de reizigers in het oog. De
postiljon klapte met de zweep.
„Wat beteekent dat?” vroeg Bianca angstig; „zouden wij hier aangehouden
worden?”
„Hier is, voor zoover ik weet, de grenspaal van Lombardije; aan gene
zijde der kleine brug bevinden wij ons reeds in Zwitserland,” was
Lodewijks antwoord.
„God zij gedankt,” riep Bianca en haalde diep adem. „Tot zoover dan
verlaat gij mij niet, genadige hemel!” voegde zij er zacht bij en hief
den blik op tot de heldere sterren boven haar.
Middelerwijl traden twee in grijze mantels gewikkelde gestalten op den
wagen toe, de eene met eene lantaarn in de hand; de hooge helmen met
paardestaarten lieten fransche dragonders onderkennen.
„_Votre passeport, Monsieur_,” luidde de beleefde, maar korte en
beslissende vraag.
„De pas, lieve broeder,” herhaalde Bianca en drukte hare hand zachtkens
tegen zijn arm, om hem een teeken te geven, dat hij zich niet vergeten
moest.
Lodewijk kreeg het papier te voorschijn en reikte het over. Hoe
weinig hier ook eene ontdekking te duchten was, zoo bewerkte toch het
bewustzijn van zijn toestand, dat hem de pols rasser sloeg. Bij dag
zou een opmerkzamen beschouwer de onrust in zijne trekken niet zijn
ontgaan; hij was aan voorvallen van dezen aard nog niet gewoon.
De officier begaf zich met den pas in huis; na vijf minuten keerde hij
terug en gaf dien aan Lodewijk over met de woorden: „_Votre serviteur,
monsieur le comte._”
„Voorwaarts!” riep de oude dienaar, en de wagen snelde over de brug op
den waterval aan. Zijn gedonder verdoofde het oor, en witte stuivende
stofwolken omhulden het rijtuig met een dichten nevel. Eensklaps waren
zij verdwenen en een ondoordringbaar duister omgaf de reizigers; het
gedruisch van den nederstortenden stroom vernam men nog slechts dof en
murmelend, als uit de verte.
„Waar zijn wij?” vroeg Bianca.
„Ik denk in het gewelf van eene der gaanderijen, waardoor de straat
voert.”
„Dit is de gaanderij van Trissinone,” liet zich de stem hooren van
den postiljon, niet weinig trotsch, dat hij zijne kennis van alle
verschrikkingen en wonderen van dezen weg in het fransch wist mede te
deelen.
Noch Lodewijk noch Bianca, wier blikken op den waterval waren gevestigd
geweest, hadden bemerkt, dat men eene rotspoort was binnengereden. De
wagen kroop langzaam door het gewelf voort, waarin niet het geringste
schijnsel van licht doordrong. Plotseling echter kwam een flauwe,
vale schemering van boven afdalen; verwonderd blikten onze reizigers
opwaarts en ontdekten eenige fonkelende sterren, die even spoedig weder
verdwenen. Men had zich onder de opening bevonden, die bij dag een
twijfelachtig schemerlicht in deze zwarte rotskloof nederwerpt. Na tien
minuten was men weder onder den vrijen hemel.
Bianca haalde diep adem. „God zij dank,” sprak zij; „ik werd toch een
weinig angstig in dien zwarten afgrond. Maar waartoe dienen toch zulke
akelige gewelven?”
„Vooral tot een toevluchtsoord tegen de lawinen; want men heeft ze
meerendeels aangelegd in streken, waar het nederstorten van deze
sneeuwklompen het menigvuldigst plaats grijpt. Dikwijls heeft men zich
ook door het stoutmoedig doorbreken der rotsen een aanmerkelijken
omweg bespaard. De geheele weg is een reuzenarbeid, gelijk alles,
wat de verwonderlijke man onderneemt, die met zulk een scherpen blik
het gewicht van dezen bouw tot enger verbinding zijner volken inzag.
Wat sinds eeuwen vurig gewenscht was, en waarvoor twintig geslachten
terugbeefden, daar de uitvoering menschelijke krachten scheen te boven
te gaan, heeft deze koen scheppende geest door een enkelen wenk van
zijn machtigen wil tot stand gebracht.”
„Ik bewonder hem! Maar ik geloof toch, dat die duistere genius meer
vreeselijk in het verdelgen dan machtig in het scheppen is,” hernam
Bianca met een siddering terugbevende voor de krijgsgebeurtenissen,
waarop hare woorden schenen te doelen.
„Hij vernielt slechts om te scheppen,” riep Lodewijk met vuur; „op de
lava, die de vulkaan uitwerpt, grondt zich eene schoonere schepping!”
„En vergeet gij hen, die onder den aschhoop bedolven liggen?” vroeg
Bianca.
Lodewijk zuchtte en gevoelde zich tot in de ziel getroffen. Neen, hij
vergat de bedolvenen, vergat zijn vaderland niet, en toch kon hij de
bewondering, die hij voor den man koesterde, voor wien Europa beefde,
onmogelijk onderdrukken. Deze tweestrijd in zijn boezem had hem reeds
meermalen smartelijk gegriefd, en thans zag hij, door zijn terugkeeren
naar het vaderland, waar hij in de nabijheid zou verplaatst zijn van
den vreeselijken krijg, die zijne onweerswolken elken dag dichter en
dichter opeenpakte, nieuwe en nog heviger gemoedsschokken te gemoet.
„Wij zijn geboren,” sprak hij somber en na eenig zwijgen, „om de schuld
onzer vaderen te verzoenen. Het ijzeren rad van het noodlot verplettert
ons; maar niet op hen wentel ik de schuld, die het rechtvaardig vonnis
der onverbiddelijke Nemesis voltrekken. De geschiedenis houdt een
streng, vreeselijk strafgericht. Zij oordeelt daden, niet daders.
Daarom boeten wij voor de schuld onzer voorvaderen, maar ook voor
de eigene; want kunnen wij ons van ontzenuwde slapheid, van diepe
ontaarding vrijspreken? Duitschland——o laat mij zwijgen, want mijn
hart bloedt, als ik daaraan denk!”
Beiden zwegen; de weg kromde zich een weinig in de richting van het
oosten en eensklaps blonk hun de zachte maan, tusschen twee rotskruinen
in den reinsten aether zwevende, vriendelijk tegen, al was zij een
door God gegeven teeken, dat eenmaal na den storm de rust zoude
wederkeeren. Tegelijk rezen boven den zwarten, in de schaduwen van den
nacht gehulden rotswand vóór hen twee zilverblanke sneeuwkruinen op en
kaatsten het maanlicht glanzend terug.
„O God!” fluisterde Bianca, greep de hand harer gezellin en wees op de
flonkerende sneeuwtoppen.
Lodewijk voelde warme tranen over zijne wangen rollen. Hij bracht den
zakdoek voor de oogen en liet den zoeten stroom, die zijne beklemde
borst verlichtte, den vrijen loop.
„Die top links is de Sempione,” sprak de postiljon, zich tot den ouden
bediende wendende.
„Zullen wij dra boven zijn?” vroeg deze.
„In het dorp zijn wij spoedig; dan zijn wij nog twee kleine uren
van den hoogsten top, waar het vreemdelingenhuis gebouwd wordt. Dat
gaat niet voorspoedig sinds een jaar, want het geld ontbreekt. Maar
voorwaarts!” Hij verdubbelde de zweepslagen en weldra had men het dorp
Sempione, dat zeer dicht onder de sneeuwkruin van den berg gelegen
schijnt, bereikt.
Het was hier reeds gevoelig koud. De reizigers vertoefden slechts
weinig oogenblikken, om zich door eene vluchtig genoten verversching
en een glas warmen wijn te sterken; want Bianca dreef tot onverpoosden
spoed aan. De lente was nu spoedig geweken, want na korten tijd bevond
men zich midden in de sneeuw, die aan beide zijden van den weg lag
opgehoopt. Daar de baan niet steil opliep, ging de reis vliegend
voort. Weldra bereikte men den hoogsten top en nu rolde de wagen met
bliksemsnelheid de helling afwaarts. Na verloop van eenige minuten
hield de postiljon zijne paarden staande.
„Wat is er?” vroeg Lodewijk.
„Hm, Signore,” luidde het antwoord, „het jaargetij is niet zeer
gunstig. Men moet voorzichtig zijn. Wij hebben warme dagen gehad en dan
storten de lawinen naar beneden als sperwers op den leeuwerik. Ik moet
een schot doen.” Hij kreeg een oud, roestig geweer te voorschijn. De
knal dreunde dof over de breede ijsvlakte en werd door een donderenden,
duizendvoudigen weerklank gevolgd; doch daarna bleef alles stil.
„Het zal gaan,” sprak de postiljon en dreef de paarden opnieuw aan.
Men verkeerde in angstige spanning; want ieder schilderde zich in
stilte het vreeselijke van eene mogelijke begraving onder neerstortende
sneeuwklompen af. Weinige oogenblikken waren toereikend, om al de
akelige verhalen weder in het geheugen te roepen, die reeds in de
vroegste jaren de jeugdige verbeelding door berichten van deze
ontzettende natuurtooneelen in Zwitserland zoo levendig getroffen
hadden.
Eensklaps donderde en kraakte het dof in de hoogte.
„_Dio Sànto_!” riep de postiljon en zag naar boven. Tegelijk echter gaf
hij het paard waarop hij gezeten was de sporen, hief de zweep op, en
met duizelingwekkende snelheid kletterde de wagen voorwaarts.
Bianca had angstig de hand harer pleegster vastgeklemd. Lodewijk zocht
zijne kalmte te behouden en sprak: „Er zal geen gevaar zijn; deze
menschen zijn hier bekend en ongemeen voorzichtig.”
Hij wilde voortgaan, toen zich een ontzettend gekraak boven hunne
hoofden deed hooren; het was alsof de geheele berg met hen instortte.
De paarden steigerden en deinsden schuw op zijde, zoodat de wagen tot
dicht aan den rand des afgronds werd teruggeslingerd. Doch de moedige
berijder verloor zijne tegenwoordigheid van geest niet, maar dreef de
snuivende dieren met zweep en sporen rusteloos voorwaarts. Het gevaar
van in de diepte neder te storten duurde slechts ééne seconde; het
grootere was men nog niet ontworsteld, want thans knarste en kraakte en
dreunde het schrikbarend rondom de reizigers, die zich plotseling in
eene witte wolk gehuld zagen. De grond beefde, eene geweldige persing
der lucht sleurde Lodewijk uit zijne zitplaats en dreigde hem ter aarde
neder te ploffen, Bianca klemde zich met de kracht der wanhoop aan
hare zoogster vast; de witte wolk verdonkerde zich als tot eene dichte
zwarte rookzuil; een oogenblik daarna onderging de wagen een hevigen
schok, gelijk het schip, dat op eene rots stoot, en bewoog zich niet
meer. De as kraakte, beide vrouwen gilden luid, ook Lodewijk kon een
bangen angstkreet niet onderdrukken. Ondoordringbare duisternis breidde
zich over hen uit. Nog eenige oogenblikken vernam men het klateren des
rollenden donders, een dof gedreun volgde, en eensklaps was alles stil,
zwijgend en donker als in het graf.