HOOFDSTUK II.

Zoo lang men door de straten van het stadje reed en bewoonde huizen aan

den weg ontdekte, nam de schoone gesluierde het diepste stilzwijgen

in acht, terwijl zij Lodewijks begeerte om door eene vraag met den

samenhang van dit hoogst zonderling voorval bekend te worden, door een

stommen angstigen wenk wist in toom te houden. Hij bleef dus eenige

minuten geheel aan zijne eigene vermoedens en gissingen overgelaten en

vond in dat tijdsverloop eene mogelijke, zoo al niet de ware oplossing

van het raadsel. Naar alle waarschijnlijkheid was zijne gezellin eene

Engelsche, misschien wel de dochter van een man van groot aanzien.

De opnieuw losbarstende oorlog had den haat en de waakzaamheid der

Franschen tegen de inwoners van dat land verdubbeld; zij was dus,

vermoedelijk uit staatkundige gronden, genoodzaakt zich van eene list

te bedienen, ten einde een land te kunnen verlaten, dat in het bezit

was der vijanden van haar vaderland en waar men haar zelve misschien

gevangen zou nemen en in gijzeling zou kunnen houden. Het hart van

den jongeling klopte van vreugde bij de gedachte, dat de wonderbare

beschikkingen van het lot juist hem hadden bestemd, om een wezen,

welks zachte bekoorlijkheden hem zoo levendig getroffen, zoo langdurig

geboeid hadden, dezen reddenden dienst te bewijzen. Hij richtte zijne

blikken op haar; sidderende en blijkbaar met moeite ademhalende zat

zij nevens hem. Eindelijk verdwenen de laatste huizen op zijde van den

weg; de landstreek werd eenzaam en woest. Een steil opgaande bocht van

den weg noodzaakte den postiljon den snellen draf zijner paarden met

een langzamen stap te verwisselen, zoodat het verdoovend dreunen van

het rijtuig ophield. Nu greep de schoone gesluierde met onstuimige

hevigheid Lodewijks hand, klemde ze met een warmen, innigen druk in de

hare, en fluisterde uit een overkropten boezem: „Gij zijt mijn redder!

De redder van wat mij op deze aarde het dierbaarst is!” Als door een

doodelijken angst geheel uitgeput, als door het bedwingen der hevigste

gemoedsbewegingen geheel overstelpt, zeeg zij toen, terwijl een

beklemd, hijgend: Ach! hare lippen ontvloeide, op den boezem der tegen

haar over zittende gezellin neder, klemde zich met beide armen aan deze

vast, verborg snikkende het hoofd aan haren schouder en barstte in een

weldadigen stroom van tranen los.

De oude dame, wier voorkomen tot hiertoe slechts koele afgemetenheid

vertoond had, scheen nu toch ook diep geroerd. Zij trachtte intusschen

de weenende tot kalmte te brengen, maar bediende zich daarbij van

eene taal, welke Lodewijk niet verstond en niet voor Engelsch houden

kon.—De onbekende richtte zich weder op, sloeg den sluier terug om

vrijer te kunnen ademhalen, hief de blauwe oogen ten hemel en kruiste

de handen eerbiedig over de borst, tot een ootmoedig dankgebed.

Lodewijk, tot in zijn binnenste getroffen, wilde haar in die heilige

gemoedsstemming niet storen en zag haar lang en verwonderd aan.

Eindelijk trof haar verhelderde, open blik den zijnen weder. „Hoe zal

ik u dit ooit kunnen vergelden!” sprak zij.—„Vergelden?” hervatte de

jongeling haastig, maar met innige warmte. „Het noodlot schenkt mij op

de zeldzaamste wijze een geluk, dat ik nooit had durven verwachten,

en gij spreekt van vergelding? Misschien wel omdat ik van uwe lippen

den zoeten naam van broeder hoorde? Wat heb ik voor u gedaan? Ik

weet slechts, dat gij eenen vreemden, onbekenden eensklaps als eene

heilige uit den hemel verschenen zijt en een onuitsprekelijk geluk

bereid hebt!”—„O, gij weet niet, wat gij door uwe snelle en stoute

beradenheid voor mij geweest zijt.”—Zij wilde voortvaren, maar

werd daarin door den ouden dienaar verhinderd, die omziende, haar

eenige vreemde woorden toevoegde, welke zij in eene, aan Lodewijk

eveneens geheel onbekende taal beantwoordde. Daar er slechts weinige,

gedeeltelijk fluisterende woorden gewisseld werden, kon hij onmogelijk

bepalen aan welken landaard ze behoorden; nu eens waande hij spaansche,

dan weder poolsche woordvormen te onderscheiden. Het rijtuig rolde

intusschen sneller voort en ten tweedenmale werd het nauw begonnen

gesprek afgebroken. Men moest, naar des jongelings berekening, de van

de zijde van Italië vooral steil oploopende straat van den Simplon nu

weldra genaderd zijn, zoodat hij zijne begeerte om al deze geheimen

ontraadseld te zien, tot zoo lang besloot te bedwingen.

Men bereikte eene steile hoogte, waar de weg zich zoodanig kronkelde,

dat men nog eens een vrijen blik op Italië kon terugwerpen. Daar lag

het in de diepte, het land der weelde, door het gloeiend avondrood

met een donkeren purpergloed overtogen; de donkere, boschrijke,

voorgebergten der Alpen strekten zich ver over de bloeiende velden

uit; schuimende beken doorsneden de dalen met goud- en zilverkleurige

slingerpaden; het kleine stadje aan den voet van 't gebergte blonk

glansrijk en wit op den donkeren grond; de verte smolt weg in eene

blauwe schemering en liet geen duidelijke omtrekken meer onderkennen.

„Vaarwel!” beefde het van Lodewijks lippen. Ook zijne reisgenoote

wendde nog eens haar gelaat naar het Eden terug, dat zij nu op het punt

stond te verlaten, eene zachte aandoening verlevendigde hare trekken,

en de lippen schenen over den traan te glimlachen, die eensklaps het

blauw kristal van haar oog met een vochtigen nevel overtogen had.

„Vaarwel!” herhaalde zij met zoete welluidendheid en wenkte met de hand

ten afscheidsgroet. Daar de weg thans al steiler en steiler werd, en de

wagen slechts langzaam voortging, was het geschikte oogenblik daar om

het gesprek weder aan te knoopen. Lodewijk wilde dan ook juist zijne

vraag, om opheldering aangaande het gebeurde, herhalen, toen zijne

reisgenoote reeds uit eigen beweging begon.

„Gij moet zekerlijk verwonderd zijn over wat u bejegend is; maar de

gebeurtenissen, door welke landen en volken thans beroerd worden,

wikkelen dikwijls ook enkele personen in moeielijke en gevaarlijke

ongelegenheden. Dat is met mij het geval. Ik waande mij reeds verloren,

ach! en ik sidderde voor een dierbaarder goed dan mijn leven, toen de

hemel mij in u een redder toezond. Zult gij mij echter ook verder uw

bijstand willen verleenen?”

„Tot aan mijn laatsten ademtocht,” riep Lodewijk driftig.—„Verbind u

tot niets,” viel de onbekende hem in de rede, „voor gij weet, wat ik

van uwe grootmoedige gezindheid vorderen moet. Gij zult nog langer voor

mijn broeder doorgaan, mij als zoodanig op een overhaaste reize tot

in Duitschland vergezellen moeten!—En—dit is voor u zelf met gevaar

verbonden!”

Niet zonder hooghartigheid trachtte Lodewijk de verdenking van zich af

te weren, dat eenig gevaar in staat zoude zijn hem af te schrikken.

„Dat wist ik, en ik ben in mijn vertrouwen niet bedrogen,” hervatte de

onbekende; „maar nog eene moeielijke bekentenis heb ik te doen. Gij

zult mij voor ondankbaar, voor laag, argwanend moeten houden; want ik

moet uw bijstand inroepen, zonder u mijn geheim te mogen toevertrouwen,

daar het niet het mijne is. Anderen hebben er heilige rechten op en de

strengste, onverbrekelijkste plichten binden mijne tong. Weinig meer

dan gij nu reeds hebt kunnen raden, mag ik u ontdekken; want dat ik

geen gravin Wallersheim, dat ik niet eens eene Duitsche ben, zal u wel

niet twijfelachtig meer zijn.”

„Maar welken naam mag ik u dan geven! Zal het noodlot u mij voor eeuwig

onbekend doen blijven?” vroeg Lodewijk op een smartelijken toon.

„Neen, ik vertrouw neen,” antwoordde zij nauw hoorbaar; „maar noem mij

nu zuster; Bianca, als gij wilt. Die naam moet u vooreerst voldoende

zijn.”

„Zuster Bianca!” riep Lodewijk in zoete verrukking. „Zuster! zuster!”

herhaalde hij nog eens. Die heilige naam verbond hem zoo innig met

het bekoorlijke wezen en ontroofde het tevens voor altijd aan zijn

hart, dat hij bij het uitspreken den volsten beker der zaligheid

en den diepsten, bittersten kelk der smart tegelijk ledigde. De

vertrouwelijkste nabijheid was hem vergund, doch terzelfder tijd was

er, dit zeide hem zijn voorgevoel nu reeds, een vreeselijke klove

tusschen beiden geopend, welke hen des te verder vanéén scheidde,

naarmate zij nauwer verbonden schenen.

Hij staarde haar aan en waande eene bekoorlijke droomgestalte te

aanschouwen, die verdwijnen zou, wanneer hij ontwaakte. Zijn hart

klopte met hevigheid; doch hij bedwong zich en verkropte de smart in

zijn boezem.

Bianca brak opnieuw het stilzwijgen af. „Gij ~moogt~ mij niet alleen

zuster noemen,” zeide zij met een vluchtig blosje, „maar gij ~moet~ het

ook, wanneer gij mij niet verraden wilt. Waarlijk, gij zult spoedig aan

dien naam gewennen, zoowel als aan den ongedwongen, gemeenzamen toon,

dien ik dringend vorderen moet, dat voortaan tusschen ons heersche.”

De beproeving werd gestadig sterker voor den jongeling. „Als ik mij

zelf maar niet vergeet,” sprak hij verlegen.

„Dat zult gij gewis niet,” hervatte Bianca; „de gedachte, dat de

geringste misslag voor u en mij hoogst gevaarlijk zou kunnen worden,

zal u steeds op uwe hoede doen zijn; en bovendien zult gij altijd op

mijn gelaat lezen, dat ik u aan uwe broederlijke plichten herinner.

Maar ik moet u nog iets aangaande mijn toestand ontdekken. Gij ziet

mij hier van de verzorgster mijner jeugd en van een ouden getrouwen

dienaar van ons huis vergezeld, de eenigen, die mijn geheim ten deele

kennen. Wij zouden zonder eenig gevaar reizen, wanneer deze alleen er

de vertrouwden van waren; maar tot mijn ongeluk is het reeds verraden.

Weet dan, dat tot Milaan een ander uwe plaats innam.” Hier scheen

het schoone meisje huiverig om verder te verhalen. „Een schandelijk

misbruik,” vervolgde zij sterk blozende, „dat hij van mijn toestand

wilde maken, dwong mij van een tot vluchten gunstig oogenblik gebruik

te maken. Ik kan er thans niet meer aan twijfelen, of hij is daarop uit

wraak een verrader geworden.

Van hier mijn haast, mijn doodelijke beangstheid daar beneden in het

stadje; want elk oogenblik kan het bevel tot onze inhechtenisneming

daar zijn. Wel heb ik een anderen weg genomen, en mijn vroeger

plan, om over Verona te gaan, veranderd, daar de pas, die, zonder

nadere bepaling, van Rome over Florence en Milaan naar Duitschland

wijst, zulks mogelijk maakte; maar hoe spoedig heeft men dat niet

uitgevorscht! Hoe licht kan ook de verrader zelf op dat denkbeeld komen

en ons langs beide wegen laten achtervolgen!—Gij weet nu, wat gij

waagt. Ook dit moet ik er nog bijvoegen; men zou de misdaad, waaraan

gij u schuldig maakt, zeer gestreng straffen.”

„De grootste misdaad ware hier wel lafhartig terug te treden,” sprak

Lodewijk met bedaardheid. „Ik weet niet,” voegde hij er met eenige

aandoening bij, „of voor u te mogen lijden, mij niet nog gelukkiger zou

maken, dan voor u te wagen.”

Bianca zweeg.

De nacht begon intusschen de omliggende voorwerpen met zijn zwarten

sluier te overdekken. De weg werd steiler; reeds verhieven zich aan

weerszijden de zonderlingste, vreemdstaltigste rotsgedaanten, terwijl

de Veriola schuimend en donderend in de diepte neder schoot. Het

reusachtig verhevene van dit schouwspel zoude een sterkeren indruk

op de reizigers hebben teweeg gebracht, wanneer de stemming hunner

gemoederen kalmer en voor het genot vatbaarder geweest ware. Bianca's

krachten schenen daarenboven door de reis en den doorgestanen angst

uitgeput; eene zachte sluimering had haar overvallen. De hevige

gemoedsbeweging verdreef den slaap uit Lodewijks oogen, ofschoon

ook hij door de lange wandeling lichamelijk zeer vermoeid was. De

huiveringwekkende wonderen van den weg, dien hij aflegde, vermeerderden

wel het onrustig golven van zijne borst, doch rotsen, afgrond en

waterval spiegelden zich, als een onstuimige zee, slechts flauw,

verward dooreengemengd en vormloos in zijn oog af. Mijmerend staarde

hij de beelden aan, zonder ze in zijn bewustzijn op te nemen, en dan

eerst, wanneer zij lang voorbijgesneld waren, stegen zij weder als

donkere, onzekere herinneringen in hem op. Zijne ziel zag immers

slechts Bianca's beeld; hij stond verrukt voor de schoone hemelsche

gestalte eener Madonna: hoe kon dan het landschap op den achtergrond

der heilige schilderij zijne oogen van haar aftrekken en aan zich

geboeid houden?

Het was duister toen zij over de eerste, op torenhooge pilaren zwevende

brug heenrolden, waaronder den stroom in den diepsten afgrond zich als

een witte slang sissend heenkronkelde. Spoedig daarop bereikten zij een

posthuis, waar men snel van paarden verwisselde. Bianca was zoo diep

in slaap gezonken, dat zij ook daar niet ontwaakte; het was alsof hare

ziel zulk een vertrouwen stelde op den nieuwen, reddenden vriend, dat

onrust noch zorg haar meer beangstigden.

De weg werd gestadig woester en huiveringwekkender; de Veriola schoot

klaterend in den afgrond neder; hemelhooge rotswanden hieven zich

loodrecht op; slechts weinige starren blonken door de enge opening

der diepgekloofde bergholte. Plotseling kromde de weg en Lodewijks

verwonderd oog zag een wit, reusachtig spooksel voor zich, dat

schrikwekkend tusschen de zwarte granietklompen oprees. Tegelijk

verdoofde een doffe donderslag het gehoor.

Bianca ontwaakte door het gedreun en riep verschrikt: „Hemel, wat is

dat? Waar zijn wij?”

„Het is de waterval aan den ingang der groote gaanderij,” sprak de

oude dienaar, zich omwendende. Intusschen hield de wagen stil en een

heldere straal uit verlichte vensters blonk de reizigers in het oog. De

postiljon klapte met de zweep.

„Wat beteekent dat?” vroeg Bianca angstig; „zouden wij hier aangehouden

worden?”

„Hier is, voor zoover ik weet, de grenspaal van Lombardije; aan gene

zijde der kleine brug bevinden wij ons reeds in Zwitserland,” was

Lodewijks antwoord.

„God zij gedankt,” riep Bianca en haalde diep adem. „Tot zoover dan

verlaat gij mij niet, genadige hemel!” voegde zij er zacht bij en hief

den blik op tot de heldere sterren boven haar.

Middelerwijl traden twee in grijze mantels gewikkelde gestalten op den

wagen toe, de eene met eene lantaarn in de hand; de hooge helmen met

paardestaarten lieten fransche dragonders onderkennen.

„_Votre passeport, Monsieur_,” luidde de beleefde, maar korte en

beslissende vraag.

„De pas, lieve broeder,” herhaalde Bianca en drukte hare hand zachtkens

tegen zijn arm, om hem een teeken te geven, dat hij zich niet vergeten

moest.

Lodewijk kreeg het papier te voorschijn en reikte het over. Hoe

weinig hier ook eene ontdekking te duchten was, zoo bewerkte toch het

bewustzijn van zijn toestand, dat hem de pols rasser sloeg. Bij dag

zou een opmerkzamen beschouwer de onrust in zijne trekken niet zijn

ontgaan; hij was aan voorvallen van dezen aard nog niet gewoon.

De officier begaf zich met den pas in huis; na vijf minuten keerde hij

terug en gaf dien aan Lodewijk over met de woorden: „_Votre serviteur,

monsieur le comte._”

„Voorwaarts!” riep de oude dienaar, en de wagen snelde over de brug op

den waterval aan. Zijn gedonder verdoofde het oor, en witte stuivende

stofwolken omhulden het rijtuig met een dichten nevel. Eensklaps waren

zij verdwenen en een ondoordringbaar duister omgaf de reizigers; het

gedruisch van den nederstortenden stroom vernam men nog slechts dof en

murmelend, als uit de verte.

„Waar zijn wij?” vroeg Bianca.

„Ik denk in het gewelf van eene der gaanderijen, waardoor de straat

voert.”

„Dit is de gaanderij van Trissinone,” liet zich de stem hooren van

den postiljon, niet weinig trotsch, dat hij zijne kennis van alle

verschrikkingen en wonderen van dezen weg in het fransch wist mede te

deelen.

Noch Lodewijk noch Bianca, wier blikken op den waterval waren gevestigd

geweest, hadden bemerkt, dat men eene rotspoort was binnengereden. De

wagen kroop langzaam door het gewelf voort, waarin niet het geringste

schijnsel van licht doordrong. Plotseling echter kwam een flauwe,

vale schemering van boven afdalen; verwonderd blikten onze reizigers

opwaarts en ontdekten eenige fonkelende sterren, die even spoedig weder

verdwenen. Men had zich onder de opening bevonden, die bij dag een

twijfelachtig schemerlicht in deze zwarte rotskloof nederwerpt. Na tien

minuten was men weder onder den vrijen hemel.

Bianca haalde diep adem. „God zij dank,” sprak zij; „ik werd toch een

weinig angstig in dien zwarten afgrond. Maar waartoe dienen toch zulke

akelige gewelven?”

„Vooral tot een toevluchtsoord tegen de lawinen; want men heeft ze

meerendeels aangelegd in streken, waar het nederstorten van deze

sneeuwklompen het menigvuldigst plaats grijpt. Dikwijls heeft men zich

ook door het stoutmoedig doorbreken der rotsen een aanmerkelijken

omweg bespaard. De geheele weg is een reuzenarbeid, gelijk alles,

wat de verwonderlijke man onderneemt, die met zulk een scherpen blik

het gewicht van dezen bouw tot enger verbinding zijner volken inzag.

Wat sinds eeuwen vurig gewenscht was, en waarvoor twintig geslachten

terugbeefden, daar de uitvoering menschelijke krachten scheen te boven

te gaan, heeft deze koen scheppende geest door een enkelen wenk van

zijn machtigen wil tot stand gebracht.”

„Ik bewonder hem! Maar ik geloof toch, dat die duistere genius meer

vreeselijk in het verdelgen dan machtig in het scheppen is,” hernam

Bianca met een siddering terugbevende voor de krijgsgebeurtenissen,

waarop hare woorden schenen te doelen.

„Hij vernielt slechts om te scheppen,” riep Lodewijk met vuur; „op de

lava, die de vulkaan uitwerpt, grondt zich eene schoonere schepping!”

„En vergeet gij hen, die onder den aschhoop bedolven liggen?” vroeg

Bianca.

Lodewijk zuchtte en gevoelde zich tot in de ziel getroffen. Neen, hij

vergat de bedolvenen, vergat zijn vaderland niet, en toch kon hij de

bewondering, die hij voor den man koesterde, voor wien Europa beefde,

onmogelijk onderdrukken. Deze tweestrijd in zijn boezem had hem reeds

meermalen smartelijk gegriefd, en thans zag hij, door zijn terugkeeren

naar het vaderland, waar hij in de nabijheid zou verplaatst zijn van

den vreeselijken krijg, die zijne onweerswolken elken dag dichter en

dichter opeenpakte, nieuwe en nog heviger gemoedsschokken te gemoet.

„Wij zijn geboren,” sprak hij somber en na eenig zwijgen, „om de schuld

onzer vaderen te verzoenen. Het ijzeren rad van het noodlot verplettert

ons; maar niet op hen wentel ik de schuld, die het rechtvaardig vonnis

der onverbiddelijke Nemesis voltrekken. De geschiedenis houdt een

streng, vreeselijk strafgericht. Zij oordeelt daden, niet daders.

Daarom boeten wij voor de schuld onzer voorvaderen, maar ook voor

de eigene; want kunnen wij ons van ontzenuwde slapheid, van diepe

ontaarding vrijspreken? Duitschland——o laat mij zwijgen, want mijn

hart bloedt, als ik daaraan denk!”

Beiden zwegen; de weg kromde zich een weinig in de richting van het

oosten en eensklaps blonk hun de zachte maan, tusschen twee rotskruinen

in den reinsten aether zwevende, vriendelijk tegen, al was zij een

door God gegeven teeken, dat eenmaal na den storm de rust zoude

wederkeeren. Tegelijk rezen boven den zwarten, in de schaduwen van den

nacht gehulden rotswand vóór hen twee zilverblanke sneeuwkruinen op en

kaatsten het maanlicht glanzend terug.

„O God!” fluisterde Bianca, greep de hand harer gezellin en wees op de

flonkerende sneeuwtoppen.

Lodewijk voelde warme tranen over zijne wangen rollen. Hij bracht den

zakdoek voor de oogen en liet den zoeten stroom, die zijne beklemde

borst verlichtte, den vrijen loop.

„Die top links is de Sempione,” sprak de postiljon, zich tot den ouden

bediende wendende.

„Zullen wij dra boven zijn?” vroeg deze.

„In het dorp zijn wij spoedig; dan zijn wij nog twee kleine uren

van den hoogsten top, waar het vreemdelingenhuis gebouwd wordt. Dat

gaat niet voorspoedig sinds een jaar, want het geld ontbreekt. Maar

voorwaarts!” Hij verdubbelde de zweepslagen en weldra had men het dorp

Sempione, dat zeer dicht onder de sneeuwkruin van den berg gelegen

schijnt, bereikt.

Het was hier reeds gevoelig koud. De reizigers vertoefden slechts

weinig oogenblikken, om zich door eene vluchtig genoten verversching

en een glas warmen wijn te sterken; want Bianca dreef tot onverpoosden

spoed aan. De lente was nu spoedig geweken, want na korten tijd bevond

men zich midden in de sneeuw, die aan beide zijden van den weg lag

opgehoopt. Daar de baan niet steil opliep, ging de reis vliegend

voort. Weldra bereikte men den hoogsten top en nu rolde de wagen met

bliksemsnelheid de helling afwaarts. Na verloop van eenige minuten

hield de postiljon zijne paarden staande.

„Wat is er?” vroeg Lodewijk.

„Hm, Signore,” luidde het antwoord, „het jaargetij is niet zeer

gunstig. Men moet voorzichtig zijn. Wij hebben warme dagen gehad en dan

storten de lawinen naar beneden als sperwers op den leeuwerik. Ik moet

een schot doen.” Hij kreeg een oud, roestig geweer te voorschijn. De

knal dreunde dof over de breede ijsvlakte en werd door een donderenden,

duizendvoudigen weerklank gevolgd; doch daarna bleef alles stil.

„Het zal gaan,” sprak de postiljon en dreef de paarden opnieuw aan.

Men verkeerde in angstige spanning; want ieder schilderde zich in

stilte het vreeselijke van eene mogelijke begraving onder neerstortende

sneeuwklompen af. Weinige oogenblikken waren toereikend, om al de

akelige verhalen weder in het geheugen te roepen, die reeds in de

vroegste jaren de jeugdige verbeelding door berichten van deze

ontzettende natuurtooneelen in Zwitserland zoo levendig getroffen

hadden.

Eensklaps donderde en kraakte het dof in de hoogte.

„_Dio Sànto_!” riep de postiljon en zag naar boven. Tegelijk echter gaf

hij het paard waarop hij gezeten was de sporen, hief de zweep op, en

met duizelingwekkende snelheid kletterde de wagen voorwaarts.

Bianca had angstig de hand harer pleegster vastgeklemd. Lodewijk zocht

zijne kalmte te behouden en sprak: „Er zal geen gevaar zijn; deze

menschen zijn hier bekend en ongemeen voorzichtig.”

Hij wilde voortgaan, toen zich een ontzettend gekraak boven hunne

hoofden deed hooren; het was alsof de geheele berg met hen instortte.

De paarden steigerden en deinsden schuw op zijde, zoodat de wagen tot

dicht aan den rand des afgronds werd teruggeslingerd. Doch de moedige

berijder verloor zijne tegenwoordigheid van geest niet, maar dreef de

snuivende dieren met zweep en sporen rusteloos voorwaarts. Het gevaar

van in de diepte neder te storten duurde slechts ééne seconde; het

grootere was men nog niet ontworsteld, want thans knarste en kraakte en

dreunde het schrikbarend rondom de reizigers, die zich plotseling in

eene witte wolk gehuld zagen. De grond beefde, eene geweldige persing

der lucht sleurde Lodewijk uit zijne zitplaats en dreigde hem ter aarde

neder te ploffen, Bianca klemde zich met de kracht der wanhoop aan

hare zoogster vast; de witte wolk verdonkerde zich als tot eene dichte

zwarte rookzuil; een oogenblik daarna onderging de wagen een hevigen

schok, gelijk het schip, dat op eene rots stoot, en bewoog zich niet

meer. De as kraakte, beide vrouwen gilden luid, ook Lodewijk kon een

bangen angstkreet niet onderdrukken. Ondoordringbare duisternis breidde

zich over hen uit. Nog eenige oogenblikken vernam men het klateren des

rollenden donders, een dof gedreun volgde, en eensklaps was alles stil,

zwijgend en donker als in het graf.

1812: Historische roman · 第 12 / 154 题