HOOFDSTUK I.

Op een zoelen April-avond van het jaar 1812, tegen het ondergaan der

zon, naderde Lodewijk Rosen, een jong Duitscher, het kleine, aan de

afhelling van den Simplon gelegene stadje Duomo d'Ossola. Te voet van

Baveno, aan den Lago Maggiore, gekomen, voelde hij zich vrij vermoeid,

ofschoon zijne wandeling door deze bekoorlijke, door den steilen

rotsmuur der Alpen tegen de barre winden van het noorden beschutte

landstreek verre van bezwaarlijk geweest was, maar hem integendeel

bij elke schrede afwisselende genoegens en nieuwe verrassingen

aangeboden had.

Zij zouden voorzeker een nog levendiger indruk op hem hebben gemaakt,

had hij niet onlangs eerst het zuiden van Italië verlaten, waar

hij, gedeeltelijk op Sicilië en te Napels, gedeeltelijk in Rome,

den winter had doorgebracht. Gaarne zou hij langer in 't schoone

land hebben vertoefd, dat ook nu nog, terwijl het geheele vasteland

door vreeselijke krijgsorkanen werd geteisterd, zijn eigendommelijk

karakter, als eene bij voorkeur door de Goden begunstigde, vreedzame

vrijplaats der kunsten, voor den vreemdeling ten minste, had weten

te bewaren; maar juist die geweldige gebeurtenissen, welke de beide

helften van het overige Europa tegen elkander in het harnas riepen,

waren het, die hem tot eene verhaaste terugreis noodzaakten. Zijne

moeder en zuster woonden te Dresden, in stille afzondering, veeleer

uit neiging dan door de omstandigheden gedrongen, daar het vermogen

der eerste haar eene onbekrompene, zoo al niet luisterrijke wijze van

leven veroorloofde. Zijn vader had hij als kind reeds verloren, hoe?

was hem onbewust, daar zijne moeder zich wel somwijlen enkele duistere

uitdrukkingen over het rampspoedig lot van haren echtgenoot had laten

ontvallen, maar steeds zorgvuldig vermeed, zich duidelijker daarover

uit te laten.—De laatste vier jaren, hoe noodlottig ook, waren zoo

kalm voor Noord-Duitschland voorbijgesneld, dat de beide vrouwen

zich, ook zonder mannelijke bescherming, tegen de gebeurtenissen des

dagelijkschen levens genoegzaam bestand konden achten; thans echter

kwamen de krijgsbenden der fransche legers wederom van alle zijden

oprukken, en Duitschland zag zich bij den aanvang der lente opnieuw

in een onmetelijk legerkamp herschapen. Daarom keerde de jongeling

terug; want zijn hart voelde zich gedrongen, de geliefde moeder, welker

gezondheid daarenboven, volgens het laatste bericht zijner zuster, door

eene borstziekte aanmerkelijk verzwakt was, in een zoo bedenkelijk

tijdsgewricht met raad en daad ter zijde te staan. Hij gehoorzaamde

aan de stem van zijn kinderlijken plicht, ofschoon met een beklemd

hart; niet omdat Italië hem zoo onweerstaanbaar boeide, maar wijl hij

huiverde, zijn ongelukkig, vernederd vaderland te betreden, waarin hij

dieper en bezwaarlijker te heelen wonden ontdekte dan die het zwaard

der Franken het had toegebracht. Reeds vroegtijdig was zijne ziel

tot ernst gestemd geworden; want onder ernstige indrukken waren hare

vermogens ontwikkeld en tot rijpheid gekomen. De akademie, voor anderen

niet zelden eene plaats der onbezorgdste vroolijkheid, was voor hem

eene sombere, strenge oefenschool geweest, want ook de vertroosting,

welke de wetenschappen in staat zijn aan te bieden, was toenmaals

nauwelijks vermogend genoeg, om ernstig gestemde duitsche jongelingen

eenigermate op te beuren, zóó ontmoedigend was de blik op het

tegenwoordige, zóó duister het uitzicht in de toekomst. Sinds een jaar

had hij nu den vaderlandschen bodem niet betreden, sedert twee jaren

moeder en zuster niet gezien; want uit Heidelberg, waar hij het laatste

jaar zijner studiën doorbracht, had hij dadelijk de reis aanvaard. Nu

stond hij weder voor den met sneeuw bevrachten, reusachtigen grensmuur,

die den somberen duitschen grond van de velden van het lachend Italië

afscheidt. Ach, hoe verlangend klopte zijn hart naar alles, wat hij aan

gindsche zijde der Alpen beminde en vereerde, hoe vurig wenschte hij

zich in de armen der zijnen, aan de heilige vaderlandsche haardsteden

terug. Maar wat hij beminde, was in rouwfloers gehuld, wat hij vereerde

smadelijk ontwijd! Daarom was zijn voet huiverig, het vaderland te

betreden, naar hetwelk zijn hart hem toch zoo verlangend voortdreef.

Met deze gevoelens in de borst naderde hij het kleine stadje, de

laatste plaats in Italië, die hem een gastvrij dak zou aanbieden. Een

heuvel ter zijde van den rijweg lokte hem uit, dien te beklimmen,

ten einde nog eenmaal, eer de zon in Italië het laatst voor hem

onderging, een afscheidsblik te werpen op het schoone land, dat vaak

door zulke zachte en vleiende vertroostingen het lijden zijner ziel

had in slaap gewiegd. Door het weelderig opgeschoten gras had hij zich

spoedig een pad gebaand en den top bereikt, vanwaar hij midden in het

kleine stadje nederzag, dat, gelijk in het zuiden steeds het geval

is, tegen den avond eerst recht druk en levendig begon te worden. Op

de velden bloeide en tierde alles in den rijksten, niet eens meer

eersten tooi der lente, terwijl de natuur aan gindsche zijde der

reusachtige, achter de stad oprijzende rotsgevaarten waarschijnlijk

nog in doodschen winterslaap lag gedompeld. Hier echter prijkten

de olmen en kastanjeboomen in vollen voorjaarsdos; een welriekend

tapijt, met ontelbare viooltjes en aurikels bezaaid, spreidde zich

over de velden uit; het graan was reeds hoog opgeschoten; ja, zelfs

de wijnstok had zich bereids met een breed loof bekleed en veroverde

met zijne groene ranken de kleine, sneeuwwitte gevels der zindelijke

woningen. Lodewijk kon ter rechterzijde den rijweg in zijne geheele

lengte overzien; ter linker lagen Duomo d'Ossola's kleine markt en

rechte straten als aan zijne voeten uitgestrekt. Hij zag de vroolijke,

levendige Italiaansche meisjes met hare breede stroohoeden zich op het

plein in bont gedrang dooreen mengen; duidelijk kon hij de kleine kraam

der fruitverkoopster onderscheiden, die hare vijgen en oranje-appelen

in volle manden uitstalde, terwijl vlugge knapen den bal behendig in

de lucht sloegen en fransche dragonders, van welke een piket in het

stadje gelegerd was, vreedzaam op de bank voor het stadhuis nederzaten

en in een vertrouwelijk gesprek gewikkeld schenen. Hij hoorde het

verwarde gedruisch der onderscheidene, tot een onverstaanbaar gemompel

ineensmeltende stemmen van jubelende kinderen, lachende meisjes en

gillende warenuitventsters; terwijl nu en dan enkele tonen van het

gezang eens citerspelers, die een talrijke schaar van toehoorders

om zich vergaderd had, door de stilte van den avond tot zijn oor

doordrongen. Dit woelig bont gewemel van menschelijke bedrijvigheid

en vreugde stak wonderlijk af bij den verheven ernst en de plechtig

zwijgende stilte, die op het steile gebergte heerschten, dat achter de

muren van het stadje zijne graniet-klompen opeenhoopte en, aan den voet

met een blauwachtigen nevel omhuld, zijne besneeuwde kruinen tot in de

wolken opstak.

De jongeling stond in gedachten verzonken, toen eensklaps de schelle

toon van een posthoorn en het lustig klappen eener zweep tot zijn oor

doordrongen. Een met vier paarden bespannen, open reiswagen kwam, van

de zijde van Baveno, den straatweg afrollen en ijlde op het stadje toe.

In dien wagen zaten twee vrouwen. De oudste scheen eene dienstbare;

de jongere, wier donker kleed een wit, doorschijnend kantboordsel

verlevendigde, droeg over den lichten reishoed een groenen sluier, die

juist door een luchtig windtochtje werd opgeheven. Dit gezicht wekte

eene levendige herinnering in het hart van den wandelaar op. Bij zijne

eerste intrede in Italië, toen hij over den hoogen St. Bernard in het

dal van Aosta afdaalde, had hij een vrouwelijk wezen ontmoet, welks

beeltenis niet uit zijn geheugen was gewischt en aan hetwelk hij in

zijne verbeelding een dergelijk uiterlijk herkenningsteeken verbonden

had. Toenmaals namelijk ontdekte hij, bij het bestijgen van den berg de

herberg naderende, op een geringen afstand voor zich uit eene karavane,

naar het scheen van reizende Engelschen, onder welke eene rijzige, op

een muildier gezetene vrouwelijke gedaante, die haar gelaat met een

groenen sluier bedekt had, om het tegen den verblindenden glans der

flikkerende sneeuw te beschutten, zijne aandacht vooral tot zich trok.

Schoon de reizigers slechts eenige honderden schreden vooruit waren en

hij, door een zonderling gevoel gedrongen, alle krachten inspande om ze

in te halen, gelukte hem dit toch niet, daar zij wel door een korten

afstand, maar tevens door een bezwaarlijk te betreden rotspad van hem

gescheiden bleven. Zoo strekte de groene sluier hem tot wegwijzer

door de glinsterende sneeuwvelden, tot ze eindelijk in de donkere

poort van de herberg verdween. Nu hoopte hij des avonds, aan tafel,

het voorwerp zijner, hemzelven onverklaarbare deelneming te zullen

leeren kennen; maar ook in die verwachting werd hij teleurgesteld. Na

enkele uitdrukkingen moest hij vermoeden, dat de ongesteldheid eener

oudere dame, waarschijnlijk de moeder van het jonge meisje, de reden

was, dat beiden op hare kamer bleven. Den volgenden morgen hadden de

reizigers zich reeds op een buitengewoon vroeg uur op weg begeven.

Nauwelijks had Lodewijk zulks vernomen, of een vurig verlangen naar

de onbekende maakte zich van hem meester en, schoon eenigszins over

zichzelf glimlachende, besloot hij zoo spoedig mogelijk haar spoor te

volgen en zijn vroeger voornemen, om hier een paar dagen te vertoeven,

op te geven. Een geoefend, krachtvol wandelaar als hij moest, naar

zijne berekening, vooral daar de weg afdaalde, eene karavane met zwaar

bepakte lastdieren spoedig inhalen. Inderdaad zag hij ook reeds,

na weinig uren, bij eene kromming van het dal, die een onbelemmerd

uitzicht in de verte vergunde, den groenen sluier diep onder zich in

den helderen zonneschijn blinken, en van toen af bleef hij de banier

der hoop, onder welke hij zijn intocht hield in Italië's velden. Met

onvermoeide inspanning vervolgde hij zijn weg; maar het kronkelend

rotspad onttrok het doelwit van zijn streven dikwijls weder aan zijn

zoekend oog. Hoe gelukkig echter was hij, als hij het bij eene volgende

wending weder meer in zijne nabijheid ontwaarde! Zoo bereikte hij,

onder afwisselende hoop en teleurstelling, de lagere streken van den

berg, waar het pad meer effen en gebaand wordt en eindelijk door de

smalle bergwagens kan bereden worden.

Thans was hij de vreemden tot zeer nabij genaderd; nog eenmaal kromde

zich de weg om een steil vooruitspringend rotsblok; hij verdubbelde

zijne schreden om hen daar te bereiken en voor het overige gedeelte

der wandeling hun metgezel te zijn. Toen hij echter den hoek omsloeg,

ontdekte hij, nauwelijks honderd schreden voor zich uit, eene kleine,

geheel met wijnranken omzoomde woning en, voor die woning, twee lichte

reiswagens, hoedanige men in deze bergachtige streken bestendig voor

vreemdelingen in gereedheid houdt. De gids, die den muilezel der

bevallige onbekende bestuurd had, was haar juist in het afstijgen

behulpzaam, terwijl een bejaard heer haar dadelijk den arm bood en naar

den gereedstaanden char-à-banc geleidde. Zou zij dan voor altijd aan

den jongeling ontrukt worden, in hetzelfde oogenblik, waarop hij had

gehoopt haar te zullen bereiken. Te lang had zijne verbeelding zich met

de liefelijke verschijning bezig gehouden, te prachtige luchtkasteelen

daarop gebouwd, dan dat hij deze wreede verstoring van zijn ingebeeld

geluk koelbloedig had kunnen verdragen. Geheel buiten adem snelde

hij voort; slechts eenmaal wilde hij het gelaat van den liefelijken

genius aanschouwen, die hem als aan een zachten tooverband, het land

der kunsten en der schoonheid had binnengeleid. En echter zou zijne

poging vruchteloos geweest zijn, ware niet een toeval, waarin hij een

nieuwen wenk van het noodlot waande te ontdekken, hem gunstig geweest.

In weerwil van zijn spoed toch, zag hij eensklaps iets glinsterends

voor zich in het stof blinken. Het was een armband met gouden slot.

Vol vreugde hief hij dien op, wijl deze vondst hem eene reden aan de

hand gaf, om het rijtuig, dat op het punt was van voort te rollen,

een luid halt na te roepen. De gidsen, die de vreemdelingen verzeld

hadden, keerden zich om en kwamen hem te gemoet; hij echter ijlde hen

haastig voorbij en snelde op den wagen der gesluierde dame toe. „Zou

ik gelukkig genoeg zijn,” sprak hij, steeds gewoon zijne moedertaal te

bezigen, haar in het hoogduitsch aan, ofschoon hij haar tot hiertoe

voor eene Engelsche gehouden had, „zou ik gelukkig genoeg zijn, u een

verloren eigendom weder ter hand te mogen stellen?” Tegelijk reikte

hij haar den armband over. De jonge dame wierp een verwonderden blik

op den vinder en vervolgens op de kleine hand, waaraan zij nu eerst

de ledige plaats ontdekte. „Het is inderdaad de mijne,” hernam zij;

„ik dank u hartelijk.” De toon dezer woorden, die, hoe vleiend en

welluidend ook, op eene wijze en met een tongval werden uitgesproken,

die dadelijk de uitheemsche verrieden, verraste Lodewijk op eene

zeldzame wijze. Hij voelde een blos in zijn gelaat opstijgen en hief

niet dan met eene zekere schuwheid zijne oogen tot de spreekster op,

die juist, hetgeen zij reeds dadelijk bij zijn naderen had willen doen,

den dichten sluier terugsloeg. Toen hij het teeder gelaat zoo eensklaps

onthuld zag, bracht de zachte glans harer schoonheid hem in de uiterste

verwarring. Het was hem, alsof zich plotseling eene heilige aan zijne

blikken vertoonde, zulk een levendig gevoel van eerbied en bewondering

doorgloeide zijne borst. Hare blauwe oogen, met lange wimpers

overschaduwd, bleven een poos lang met de onmiskenbare uitdrukking

van zachtheid en onschuld op hem gevestigd. Een vriendelijke lach

speelde om hare lippen, en door de innemende, edele bevalligheid, die

in alle hare trekken doorblonk, gevoelde Lodewijk zich onweerstaanbaar

getroffen. Te vergeefs poogde hij een antwoord uit te stamelen;

met den blos der verrassing paarde zich die der verlegenheid, en

alsof de gloed, die zijn gelaat bedekte, op dat der onbekende een

weerschijn vond, vertoonde zich een vluchtig rozerood op hare wangen;

zij boog zich, hem vriendelijk, schoon eenigszins gedwongen, vaarwel

groetende. De heer naast haar nam den hoed af, en 't rijtuig rolde

voort. Sprakeloos oogde de jongeling dat na en bemerkte nauwelijks,

dat nog eene tweede, oudere dame, eveneens onder mannelijk geleide, in

het volgende rijtuig steeg en hem voorbijreed. Zijn oog bleef op den

groenen sluier gericht, die door den wind opgeheven, zich meer en meer

in de verte verloor. Lang bleef hij zoo aan den grond vastgekluisterd

staan, tot eindelijk het laatste spoor der rijtuigen was verdwenen

en de achter hen opstijgende stofwolk zich nedergelegd had. Het was

hem, alsof hij uit een droom ontwaakte!——Dat aanminnige beeld

verliet hem niet weder. Door geheel Italië zocht hij het op te sporen,

doch vruchteloos. Trad het ook somtijds door de menigte van nieuwe

voorwerpen, die zich voor zijn oog als verdrongen en een levendigen

indruk maakten op zijn vurigen geest, voor eenige oogenblikken op

den achtergrond, van tijd tot tijd vertoonde het zich nochtans weder

in vollen luister, en de geringste aanraking met gelijksoortige

verschijningen riep hem telkens in zijne gansche levendigheid voor de

verbeelding terug.

En nu, daar hij op den laatsten drempel stond van het romantische

land, evenals toenmaals aan den voorhof, nu blonk hem dat eindpunt

van zijne hoop, van zijne verwachtingen zoo geheel onverhoeds weder

in het oog! Nauwelijks had hij dus de reizigers bespeurd, of met een

kloppend hart snelde hij den heuvel af, om de vluchtige verschijning

ras te grijpen, eer zij hem weder ontglippen mocht; maar het rijtuig,

dat pijlsnel voortrolde, was voorbij eer hij den straatweg bereikt had.

In het stadje moesten de paarden verwisseld worden; deze omstandigheid

gaf hem hoop, het voertuig dáár nog te zullen inhalen, eer het weder

afreed; want het geluk, om met het bekoorlijke wezen (en was hij dan

reeds verzekerd, dat zij 't was?) onder één dak te vernachten, was

te groot, dan dat hij het zich zou hebben durven voorstellen. Hij

verhaastte zijne schreden meer en meer; eindelijk had hij de kleine

markt, waarop wachthuis en herberg gelegen waren, bereikt. Hij zag het

rijtuig voor de deur staan, maar reeds voerde men versche paarden aan

om het verder te brengen. Eene talrijke schaar van nieuwsgierigen had

zich om de reizigers verzameld. Een officier, van de wacht toegesneld,

drong door de menigte heen en trad, een papier in de hand houdende, op

het portier toe, terwijl de jonge dame bij zijne nadering het rijtuig

verliet en hem een paar schreden te gemoet ging.—De officier boog

zich en sprak haar beleefdelijk aan, terwijl echter zijn herhaald

schouderophalen scheen aan te duiden, dat hij aan haar verlangen geen

gehoor kon verleenen. Lodewijk voegde zich thans bij de omstanders;

daar echter de vreemde, die hem gedurig meer gelijkheid scheen te

hebben met het beeld, dat hij in zijne verbeelding omdroeg, zich

op dit oogenblik naar de tegenovergestelde zijde wendde en het hem

onmogelijk maakte haar gelaat te aanschouwen, sloop hij in allerijl

om den kring van verzamelden heen en mengde zich aan de andere zijde

onder het gedrang.—Hemel, zij was het zelve! Slechts bleek en angstig

waren hare gelaatstrekken en zelfs een traan was in haar helder blauw

oog zichtbaar. Door een onwillekeurig gevoel gedreven, trad Lodewijk

op haar toe; hoeveel opzien het baren mocht, hij wilde de schoone

gestalte, die hem Italië, het land der wonderen, had binnengeleid, bij

het verlaten van dien heiligen bodem opnieuw begroeten en haar het

ras voorbijgesnelde oogenblik dier eerste ontmoeting in het geheugen

terugroepen. Zijn moed daartoe wies aan, daar hij haar zonder geleide

zag; want buiten den grijzen dienaar voor op den bok en de bejaarde

vrouw in den wagen, die insgelijks in eene dienstbare betrekking tot

de reizende scheen te staan, liet zich niemand bespeuren. Haastig trad

hij dus uit den zich verwijdenden hoop der burgers vooruit. Dadelijk

trof haar blik den zijnen en de schielijke, blijde ontsteltenis, welke

zich over haar gelaat verbreidde, liet Lodewijk geen twijfel over,

of zij herkende hem. Juist wilde hij zich buigen en zijne lippen tot

een groet openen, toen zij, met blijkbare overhaasting, de fransche

woorden: „_Voilà mon frère!_” uitriep en op hem toesnelde. Geheel

verbijsterd, vermoedde de jongeling een misverstand, doch eer hij

zich genoegzaam had kunnen herstellen en in staat was, haar eenige

opheldering te vragen, riep zij hem, voor alle omstanders verstaanbaar,

in het Italiaansch toe: „God dank, broeder, dat gij daar zijt!” en

voegde er fluisterend in het hoogduitsch bij: „Ik ben verloren, als gij

mij verloochent.” Even snel wendde zij zich weder tot den officier, nam

het papier uit de hand en gaf het aan Lodewijk over, met de fransche

woorden: „Deze heer wilde onze pas niet voor geldig houden, daar

gij niet bij ons waart. Dat komt van uwe wandeling langs romaneske

zijpaden, lieve broeder!—Gij zijt graaf Wallersheim,” lispelde zij hem

tevens in het hoogduitsch toe.

Hoe bevreemdend en zonderling dit alles ook aan Lodewijk mocht

toeschijnen, zoo begreep hij toch lichtelijk, dat het hier geheel in

zijne macht stond, het bekoorlijke wezen, dat angstig, met tranen in de

oogen voor hem stond, een gewichtigen dienst te bewijzen. Zonder zich

dus lang te beraden, besloot hij haar in hare list te ondersteunen en

antwoordde: „Wees gerust, lieve zuster, ik zal met dien heer spreken.”

Om tijd te winnen en tevens eenigermate met de toedracht der zaak

bekend te worden, wendde hij zich hierop tot den officier met de vraag:

„Gij zult dus zoo goed zijn, mijnheer, mij de bezwaren, welke gij tegen

onzen pas schijnt te hebben nog eens te herhalen? Gij beseft licht, dat

vrouwen in dergelijke zaken minder bedreven zijn.”—„Van dit oogenblik

af,” was het antwoord, „koester ik geen de minste bedenking meer.

Gij stondt op den pas als de begeleider van de gravin, uwe zuster,

vermeld, maar waart niet tegenwoordig. Dat scheen verdacht. Wel is waar

verzekerde mij de gravin, dat gij u slechts voor eenige oogenblikken

hadt verwijderd en te voet een zijpad waart ingeslagen, om u aan gene

zijde der stad weder bij haar te voegen; maar onze bevelen luiden voor

grensplaatsen als Duomo d'Ossola zóó stipt, dat ik genoodzaakt zou

geweest zijn, de jonge dame te verzoeken, zich zoo lang hier op te

houden, tot gij, heer graaf, op wien de pas luidt, weêr zoudt aanwezig

zijn. Wees echter verzekerd, dat ik dadelijk een mijner manschappen

in de richting van Sempione zou hebben uitgezonden, om u van deze

belemmering te onderrichten. Intusschen moet ik u toch waarschuwen, u

niet weder van de zijde der gravin te verwijderen, daar de bevelen,

voor zoo ver ons gebied reikt, overal van dien aard zijn, dat gij licht

weder eene soortgelijke vertraging zoudt kunnen ondervinden. Hebt gij

de zwitsersche grenzen achter u, dan houdt ons gezag op, en gij zult

met meerdere vrijheid kunnen reizen.”

Lodewijk was stom van verbazing, vooral toen de oude dienaar van den

bok steeg, hem zonder omstandigheden van den lichten, over zijne

schouders hangenden reiszak onthief, dien in het rijtuig legde en

hem nederig vroeg of hij verkoos in te klimmen. Vrij verward duwde

hij den officier eenige beleefde woorden toe en reikte hem de hand

tot afscheid. De oude rukte de voettrede naar beneden, de beleefde

Franschman was der jonge dame, die zich thans geheel in haren sluier

gewikkeld had, de bediende Lodewijk tot het opklimmen behulpzaam, het

portier werd gesloten, de officier boog zich en herhaalde zijn _bon

voyage_. Lodewijk nam, zonder bijna te weten wat hij deed, aan de zijde

der raadselachtige onbekende de plaats in, welke de bescheidene duenna

hem had overgelaten, en de wagen rolde voort.

1812: Historische roman · 第 11 / 154 题