VIJF EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Hoewel verleid en lang verdwaald,

Gij wijd en zijd hebt rondgezworven

Heeft Godes oog u steeds bewaakt

En is Zijn genade u verworven.

De Rechtszaal.

Na verloop van een klein uur, hetwelk den wachtenden in hun onzekeren

en gevaarlijken toestand wel driemalen zoo lang voorgekomen was,

hoorden zij de stem van den jongen Hazlewood, die hun reeds uit de

verte toeriep: „Hier ben ik met genoegzame hulp.”

„Kom maar naar binnen,” antwoordde Bertram, zeer verheugd dat hij van

zijn post afgelost werd. Hazlewood verscheen hierop met eenige mannen,

onder welke zich een beambte bij het vredegerecht bevond, in het hol.

Zij tilden Hatteraick op en droegen hem zoo ver, als de ruimte zulks

veroorloofde, in den ingang, waar zij hem vervolgens op den rug

nederlegden en, zoo goed zij konden, naar buiten sleepten, daar hij

zich volstrekt niet liet bewegen, om van zijne zijde eenigszins mede te

werken om door den engen ingang te geraken. Stil en werkeloos, als een

lijk, lag hij op den grond en liet zich, zonder eenigen wederstand te

bieden, voortslepen. Toen hij in het daglicht kwam en tusschen drie of

vier mannen, die buiten het hol gebleven waren, overeind geplaatst was,

scheen hij door den plotselijken overgang uit de duisternis en het

licht verblind en als buiten zich zelven. Terwijl de anderen bezig

waren met Meg Merrilies uit het hol te brengen, wilden Hatteraicks

wachters hem op een stuk rots, hetwelk gedurende den vloed nog juist op

het droge lag, doen nederzitten. Stuiptrekkend, sidderende, verzette

hij zich hiertegen en riep: „Daar niet! wat drommel! daar wilt gij mij

toch niet doen zitten?”

Dit waren de éénige woorden, die hij sprak; maar de zin en de toon,

waarop hij ze uitsprak, toonden genoegzaam wat er in zijn binnenste

omging.

Nadat Meg Merrilies ook met alle mogelijke voorzichtigheid uit het hol

gedragen was, beraadslaagde men waarheen zij gebracht zou worden.

Hazlewood, die reeds om een heelmeester gezonden had, stelde voor haar

intusschen naar de naaste hut te brengen. Maar zij verzette zich

hiertegen en sprak met diepen ernst: „Neen, neen, neen! Naar den toren

van Derncleugh – naar den toren van Derncleugh! Daar alleen kan de ziel

los worden van het lichaam.”

„Wij moeten, dunkt mij, aan haren wensch voldoen,” zeide Bertram; „hare

onrust zal anders de wondkoorts verergeren.”

Men droeg haar dus naar den toren. Onderweg scheen zij zich meer met

het voorgevallene, dan met de gedachte aan haren naderenden dood bezig

te houden. „Er waren er drie, die op hem aanvielen,” mompelde zij; „ik

heb er maar twee medegebracht. – Maar wie was de derde? – Hij zal zelf

wedergekomen zijn, om zich te wreken.”

Het was blijkbaar, dat de onverwachte verschijning van Hazlewood, dien

zij, daar zij bijna op hetzelfde oogenblik doodelijk getroffen werd,

niet had kunnen herkennen, een’ diepen indruk op hare verbeelding

gemaakt had. Zij kwam er dikwijls weder op terug. Voor Bertram was deze

verschijning evenzeer een raadsel, tot dat Hazlewood hem verhaalde, dat

hij hem en zijne beide tochtgenooten, op verzoek van Mannering, gevolgd

was en hen een geruimen tijd in het oog gehouden had; dat hij hen, toen

zij in het hol verdwenen, was nagekropen, om zich zelven en zijn

oogmerk bekend te maken en toen in den donkeren en nauwen ingang het

been van Dinmont gevat had, wat licht de noodlottigste gevolgen had

kunnen hebben, als de tegenwoordigheid van geest en de kloekmoedigheid

van den onverschrokken landman dat niet verhoed hadden.

Toen Meg Merrilies bij den toren kwam, haalde zij den sleutel van het

gewelf voor den dag en werd binnengebracht. Zoodra men haar nu op het

bed wilde nederleggen, zeide zij op angstigen toon: „Neen, neen! zóó

niet zóó niet: het hoofd naar het oosten,” en scheen tevreden, toen men

haren wensch vervulde.

„Is hier in de nabijheid geen geestelijke, om deze ongelukkige vrouw in

hare laatste oogenblikken bij te staan?” vroeg Bertram.

De predikant van het kerspel, de voormalige leermeester van Karel

Hazlewood, had, even als vele anderen, het gerucht gehoord, dat de

moordenaar van Kennedy op de plaats zelve, waar de misdaad zoo vele

jaren geleden gepleegd was, gevangen genomen en dat eene vrouw daarbij

doodelijk gewond was. Nieuwsgierigheid, of liever het gevoel dat zijn

plicht hem riep, om lijdenden te vertroosten en bij te staan, voerde

hem naar den toren van Derncleugh, waar hij nu zijn dienst aanbood. De

heelmeester kwam terzelfder tijd en wilde de wond onderzoeken. Meg wees

echter beider hulp van de hand en zeide: „Wat menschen doen kunnen, kan

mij niet heelen of redden. – Laat mij zeggen, wat ik te zeggen heb, en

dan moogt gij doen, wat gij wilt. Ik zal het niet verhinderen. – Maar

waar is Hendrik Bertram?” De omstanders, die dezen naam in zoo vele

jaren niet gehoord hadden, staarden elkander verbaasd aan. – „Ja!”

zeide zij met een sterkere, schorre stem, „ik zeg Hendrik Bertram van

Ellangowan. Gaat uit het licht, opdat ik hem zien kan.”

Aller oogen vestigden zich op Bertram, die de ellendige legerstede

naderde. De gekwetste vrouw vatte zijne hand. „Ziet hem aan,” zeide

zij, „gij allen, die zijn vader of grootvader ooit gekend hebt, en

getuigt, of hij niet hun levend evenbeeld is!”

Een dof gemompel verhief zich onder de menigte. De gelijkenis was te

sprekend, om geloochend te worden, „Hoort mij verder,” vervolgde zij,

„en laat dezen man” (op Hatteraick wijzende, die met zijne wachters op

eene kist zat) „laat dezen man loochenen, wat ik zeg, indien hij kan.

Dit is Hendrik Bertram, de zoon van wijlen Godfried Bertram, heer van

Ellangowan; dit is het kind, hetwelk Dirk Hatteraick op denzelfden dag,

waarop hij den opzichter vermoordde, uit het bosch van Warroch ontvoerd

heeft. Ik was daar, als een dwalende geest: want ik wilde dit bosch nog

eenmaal zien, vóor dat wij de landstreek verlieten. Ik redde den knaap

het leven en bad en smeekte, dat men hem aan mij overlaten zou. – Maar

men voerde hem weg en hij is lang in verre gewesten geweest. Nu is hij

teruggekomen, om zijn eigendom te vorderen; en wie zou hem weerstaan? –

Ik zwoer, het geheim te bewaren tot hij een en twintig jaren oud was; –

ik wist, dat hij zijn noodlot vervullen moest, tot die dag kwam. – Ik

heb dien eed gehouden. Maar ik heb voor mij zelve nog een anderen eed

gezworen, dat ik hem, als ik den dag van zijne terugkomst beleefde,

weder op zijns vaders zetel zetten zoude, al moest elke schrede een

leven kosten. Ik ben zelve het eerste slachtoffer. Hij, (op Hatteraick

wijzende) zal spoedig het tweede zijn en dan komt er nog een derde.”

Hier zweeg zij.

De predikant maakte de aanmerking, dat het jammer was dat deze

verklaring niet behoorlijk opgeteekend was, en de heelmeester drong er

op aan hare wond te onderzoeken, vóor dat zij door vragen verder

uitgeput werd. Toen zij zag, dat men Hatteraick wegbracht en de

omstanders het vertrek verlaten wilden, opdat de wondarts zijn werk

ongestoord zou kunnen verrichten, verhief zij zich op haar leger en

riep met luider stemme: „Dirk Hatteraick! gij en ik zullen elkander

nooit weder zien, vóor dat wij voor den oppersten Rechter staan – wilt

gij bevestigen, wat ik gezegd heb?”

Hij zag haar met een strak gelaat aan en scheen haar door zijne blikken

tegen te spreken.

„Dirk Hatteraick, durft gij, met mijn bloed aan uwe handen, een enkel

woord loochenen van alles, wat mijn stervende mond gezegd heeft?”

Hij keek haar nog steeds met dezelfde onbeschaamdheid en onbuigzame

verstoktheid aan, en bewoog de lippen, maar zonder eenig geluid te doen

hooren.

„Vaarwel dan!” vervolgde zij, „en God moge het u vergeven! Uwe eigene

hand heeft mijne getuigenis verzegeld. – Bij mijn teven was ik de

verachte, krankzinnige Heidin, die gegeeseld, gebannen en gebrandmerkt

was – die van deur tot deur gebedeld had en als een omzwervende hond,

van kerspel tot kerspel gejaagd en vervolgd werd. – Wie zou toen op

hare woorden gelet hebben? – Maar nu ben ik eene stervende vrouw; en

mijne woorden zullen niet in den wind worden geslagen, zoo zeker als de

aarde mijn lichaam bedekken zal.”

Hier zweeg zij weder; en allen verlieten het vertrek, behalve de

heelmeester en een paar vrouwen. Na een zeer kort onderzoek schudde hij

het hoofd en ruimde zijne plaats bij de stervende vrouw aan den

geestelijke in.

Een gerechtsdienaar, die voorzag dat Hatteraick spoedig naar de

gevangenis gebracht zou moeten worden, had een rijtuig, hetwelk ledig

naar Kippletringan terugkeerde, op den weg doen stilhouden. Zoodra de

voerman hoorde, wat er te Derncleugh gaande was, liet hij zijn rijtuig

aan de zorg van een straatjongen over, zich, zoo als men gerust mag

veronderstellen, meer op de jaren en het geduld van zijne paarden, dan

op de voorzichtigheid van den knaap verlatende, en snelde heen, om te

zien wat er toch eigenlijk te doen was. Hij kwam juist op het

oogenblik, dat de verzamelde landlieden, wier aantal van oogenblik tot

oogenblik vermeerderde, hunne aandacht op Bertram vestigden, nadat zij

lang genoeg de woeste, ruwe trekken van Hatteraick aangestaard hadden.

De meesten onder hen, in het bijzonder de bejaarden, die den ouden

Ellangowan in den bloei zijner jaren gezien en gekend hadden, gevoelden

en erkenden dat Meg Merrilies de waarheid had gesproken. Maar de

Schotten zijn voorzichtig; zij bedachten, dat een ander in het bezit

der heerlijkheid Ellangowan was en deelden elkander, voor als nog,

hunne gevoelens slechts fluisterende mede; maar onze vriend Hans Jabos,

de voerman uit Kippletringan, drong met geweld door de menigte en had

nauwelijks het oog op Bertram geslagen, of hij sprong van verbazing

eene schrede terug en riep plechtig uit: „Dat is, zoo waar als ik leef,

de oude Ellangowan, van den dood opgestaan!”

Deze openhartige verklaring van een onpartijdigen getuige was juist de

vonk, die noodig was, om het smeulende gevoel der omstanders in vlammen

te doen uitbarsten. Aanstonds klonk het van alle kanten: „Leve Bertram!

– Lang leve de erfgenaam van Ellangowan! God geve hem het zijne weder,

en late hem onder ons leven, gelijk zijne voorouders sedert eeuwen

deden!”

„Zeventig jaren heb ik op het land van Ellangowan gewoond,” zeide de

eene.

„Ik en de mijnen wonen er sedert tweemaal zeventig jaren,” sprak een

ander; „ik moet dus het gelaat van een Bertram wel kennen.”

„Ik en de mijnen,” hernam een ander oud man, „zijn hier reeds drie

honderd jaren geweest, en de jonge heer zal weder in zijn recht

hersteld worden, al moest ik mijne laatste koe verkoopen.”

De vrouwen, altijd met het wonderbare ingenomen, en niet minder wanneer

een schoon jongman de held der geschiedenis is, voegden hare schelle

vreugdekreten bij het algemeene gejuich. „God zegene hem!” riepen zij.

„Hij is het ware evenbeeld van zijn vader! De Bertrams waren altijd een

zegen voor het land!”

„O! dat zijne arme moeder, die in kommer en angst om hem gestorven is,

dezen dag had mogen beleven!” riepen eenige stemmen.

„Maar wij zullen hem aan zijn eigendom helpen!” riepen anderen.

„Glossin zal het slot Ellangowan niet behouden, al zouden wij hem met

onze nagels er uitkrabben!”

Anderen omringden Dinmont, die gaarne alles verhaalde, wat hij van zijn

vriend wist, en er zich niet weinig op liet voorstaan, dat hij tot de

ontdekking medegewerkt had. Daar hij bij velen der aanwezigen bekend

was, verhoogde zijne getuigenis de algemeene geestdrift. Om kort te

gaan, het was één van die oogenblikken van opgewondenheid, waarop de

koelheid der Schotten als sneeuw voor de zon smelt en de eenmaal

opgewekte geestdrift, als een woedende stroom, dijken en dammen met

zich medesleept.

Het luide vreugdegeschrei stoorde den geestelijke in het gebed, hetwelk

hij voor de stervende ten hemel opzond. Meg, die in een bewustelooze

sluimering, de gewone verkondigster der nabij zijnde ontbinding, op

haar ellendig leger lag, rees plotseling op en zeide: „Hoort gij het

niet? Hoort gij het niet? – Hij is erkend, hij is erkend! Zóo lang nog

moest ik leven! – Ik ben eene zondige vrouw. Maar heeft mijn vloek hen

ten val gebracht, – mijn zegen heeft hen weder hersteld! En nu wenschte

ik wel, dat ik meer gezegd had! Maar het kan niet zijn. – Wacht,”

vervolgde zij, haar gelaat naar den lichtstraal wendende, die door eene

nauwe spleet, welke de plaats van een venster in den muur vervulde, in

het vertrek viel; „is hij niet hier? Gaat uit het licht, opdat ik hem

nog eenmaal zie! Maar mijne oogen worden duister – alles is voorbij.

Adem, verdwijn!

Dood, verschijn!”

Met deze woorden zonk zij weder op haar strooleger neder en gaf, zonder

een zucht te laten hooren, den geest. De geestelijke en de heelmeester

teekenden alles, wat zij gezegd had, zorgvuldig op en betreurden het,

dat zij haar niet nauwkeuriger ondervraagd hadden. Beiden waren echter

bij zich zelven vast overtuigd, dat hare verklaringen de waarheid

behelsden.

Hazlewood was de eerste, die Bertram met het uitzicht op de spoedige

herwinning van zijn naam en stand in de maatschappij geluk wenschte. De

omstanders, die van Hans hoorden dat Bertram de man was, die Hazlewood

gekwetst had, waren getroffen over zijne grootmoedigheid en mengden ook

zijn naam in hun herhaald vreugdegejuich. Sommigen vroegen den voerman,

waarom hij Bertram niet reeds herkend had, toen hij hem korten tijd

geleden voor de eerste maal te Kippletringan zag. „Hoe kon ik toen aan

Ellangowan denken?” antwoordde hij. „De aangeheven kreet, dat de jonge

Bertram wedergevonden was, deed mij de gelijkenis ontdekken. Het moest

mij wel in het oog vallen, zoodra ik er opzettelijk naar keek.”

De verstoktheid van Hatteraick was door dit laatste tooneel eenigszins

geschokt. Hij sloeg de oogen neder, poogde zijne gebonden handen op te

heffen om den hoed dieper in het gezicht te trekken, en zag verdrietig

en ongeduldig naar den weg, alsof bij met verlangen naar het rijtuig

uitzag, hetwelk hem van deze plaats verwijderen zoude. Eindelijk beval

Hazlewood, bezorgd dat de gisting onder de volksmenigte zich tegen den

gevangene mocht richten, dat hij met het rijtuig naar Kippletringan

gebracht en ter beschikking van Mac-Morlan, wien hij terzelfder tijd

door eenen bode van het voorgevallene liet onderrichten, gesteld zoude

worden: „En nu,” zeide hij tegen Bertram, „zou het mij zeer aangenaam

zijn, als gij mij naar Hazlewood-house wildet vergezellen, maar, daar

gij er misschien thans nog niet zoo welkom zoudt zijn, als ik vertrouw

dat binnen een paar dagen het geval zal wezen, moet gij mij

veroorloven, met u naar Woodbourne terug te keeren. Maar gij zijt te

voet.” „O, indien de jongeheer mijn paard wilde nemen!” „Of het mijne!”

„Of het mijne!” riepen ten minste zes stemmen. „Of het mijne! dat kan,

zonder zweep of sporen, tien mijlen in een uur afleggen en de jongeheer

mag het van dit oogenblik af aan behouden, indien hij het als een

geschenk wil aannemen.” – Bertram nam het paard, maar slechts ter leen

aan, en betuigde de verzamelde menigte zijn dank voor den betoonden

goeden wil, wat weder door gejuich en betuigingen van gehechtheid

beantwoord werd.

Terwijl de gelukkige eigenaar van het paard een’ knaap heen zond, om

den nieuwen zadel te halen, een’ ander, om het dier met een droogen

stroowisch af te wrijven, een derde, om de verzilverde stijgbeugels van

Dan Dunkieson te leenen, en zich beklaagde dat er geen tijd was om het

dier eens voeder te geven, opdat de jongeheer eens zien kon hoe vurig

het was; terwijl dit alles plaats had, begaf Bertram zich met den

geestelijke in den toren en sloot de deur achter zich toe. Hij staarde

eenige oogenblikken zwijgende op het lijk van Meg Merrilies. De dood

had hare gelaatstrekken, welke nog steeds het ernstige, krachtige

karakter verkondigden, waardoor zij zich bij haar leven als heerscheres

onder het woeste volk waaronder zij geboren was, had gehandhaafd, nog

scherper geteekend. De jonge krijgsman droogde de tranen af, welke

onwillekeurig in zijn oog opwelden, toen hij het stoffelijk

overblijfsel van deze vrouw aanschouwde, die als een offer van hare

getrouwe verkleefdheid aan zijn geslacht gevallen was. Hierop vatte hij

den geestelijke bij de hand en vroeg hem plechtig, of de gestorvene in

hare laatste oogenblikken in staat geweest was, aan zijne gebeden de

behoorlijke aandacht te wijden.

„Ik vertrouw,” antwoordde de leeraar, „dat deze arme vrouw nog besef

genoeg had om mijne gebeden te verstaan, en daarmede in te stemmen.

Laat ons echter nederig hopen, dat wij naar de gelegenheid, welke wij

voor godsdienstig en zedelijk onderricht hadden, geoordeeld zullen

worden. Zij kon eenigermate als eene onbeschaafde Heidin in het midden

van een Christelijk land beschouwd worden, en wij mogen ook niet

vergeten, dat de dwalingen en ondeugden van een in onkunde doorgebracht

leven door bewijzen van eene belangelooze, zich bijna tot heldenmoed

verheffende verkleefdheid opgewogen werden. Met eerbiedige vrees, maar

niet zonder hoop, laten wij haar over aan Hem, die alleen in staat is,

onze misdaden en dwalingen tegen onze pogingen ten goede te wikken en

te wegen.”

„Mag ik u verzoeken,” hernam Bertram, „te zorgen, dat deze arme vrouw

met de behoorlijke plechtigheid ter aarde besteld wordt? Ik heb iets

van eenige waarde in handen, hetwelk haar eigendom is. In elk geval

blijf ik borg voor de kosten. Te Woodbourne kunt gij mij vinden, of ten

minste bericht van mij krijgen.”

Dinmont, die door een’ zijner kennissen van een paard voorzien was,

riep nu luide dat alles tot hunne terugreis gereed was. Onder een luid

vreugdegejuich begaven Bertram en Hazlewood zich met Dinmont op weg,

nadat zij de omstanders, wier aantal reeds tot verscheidene honderden

geklommen was, ernstig vermaand hadden, bij hunne vreugde toch vooral

de goede orde te bewaren, daar de minste onbezonnenheid den jongen

heer, zoo als zij hem steeds noemden, tot nadeel zou kunnen strekken.

Toen zij de vervallen hutten van Derncleugh voorbij reden, zeide

Dinmont: „Als gij uwe goederen wederkrijgt, kapitein, zult gij zeker

niet vergeten, daar een huisje te laten bouwen? Ik deed het waarachtig

zelf, als ik niet wist dat het in betere handen was. Maar ik wilde er

zelf niet in wonen, na alles wat zij gesproken heeft. – Ik zou het door

de oude Elspith, de weduwe van den doodgraver, laten bewonen; zulke

menschen zijn gewoon, met graven en geesten en dergelijke dingen om te

gaan.”

Een korte, doch snelle rid bracht hen te Woodbourne, waarheen de

tijding van hunne onderneming, welke reeds wijd en zijd bekend was

geworden, ook reeds doorgedrongen was. Alle bewoners kwamen hen te

gemoet en ontvingen hen met luide gelukwenschen. „Dat gij mij levend

wederziet,” sprak Bertram tot Lucie, die het eerst naar hem toeliep,

ofschoon Julia’s oogen haar nog vooruitgesneld waren, „hebt gij aan

deze vrienden te danken.”

Blozende boog Lucie voor Hazlewood, om hem haren dank te betuigen, en

reikte Dinmont met hartelijkheid de hand. In de overmaat zijner vreugde

veroorloofde de eerlijke pachter zich veel grootere vrijheid, dan

waartoe dit bewijs harer dankbaarheid hem scheen uit te noodigen, en

drukte haar een kus op de lippen. Nauwelijks had hij dit echter gedaan,

of hij ontstelde over het onwelvoegelijke van zijn gedrag en zeide: „Om

Godswil, juffrouw, vergeef het mij! het was mij waarlijk, alsof gij

mijne dochter waart. De kapitein is zoo vriendelijk en gemeenzaam, dat

men zich zelven waarlijk vergeet.”

Pleydell kwam intusschen nader en zeide: „Nu, indien er zulke

belooningen uitgedeeld worden” –

„Zacht, zacht, Mijnheer Pleydell” hernam Julia, „gij hebt uw loon reeds

vooruit ontvangen. Denk slechts aan gisteren avond.”

„Dat ontken ik niet,” antwoordde de oude heer; „maar als ik morgen geen

dubbel loon van Lucie en u ontvang, wanneer het verhoor van Dirk

Hatteraick afgeloopen is – ik verzeker u, ik zal hem gedwee maken! Gij

zult het zien, kolonel! en zoo gij het al niet zien kunt, mijne nuffige

dames! dan zult gij er van hooren.”

„Als wij namelijk verkiezen te luisteren, Mijnheer Pleydell!”

„En gij zoudt wel twee tegen één willen wedden, dat gij dit niet

verkiezen zult? – Maar de nieuwsgierigheid leert u, uwe ooren nu en dan

wel eens te gebruiken.”

„En ik verzeker u, dat zulke neuswijze heeren als gij, ons spoedig

zouden leeren, nu en dan onze vingers te gebruiken.”

„Bewaar die liever voor het klavier, mijne lieve! Dat is voor ons allen

beter.”

Onder dit gesnap geleidde de kolonel een eenvoudig gekleed man met een

innemend gelaat, naar Bertram en zeide: „Ik heb het genoegen u den heer

Mac-Morlan voor te stelten.”

„Het verheugt mij u te leeren kennen, edele man, die mijne zuster zoo

belangeloos onder uwe hoede en bescherming naamt, toen zij zich van

alle vrienden en bloedverwanten verlaten zag,” hernam Bertram, hem

hartelijk omhelzende.

Nu trad Sampson ook nader en poogde te glimlachen en te fluiten. Hij

kon echter zijne ontroering niet verbergen en snelde naar buiten, om

zijn gevoel door een stortvloed van tranen lucht te geven.

De avond van dezen gelukkigen dag werd verder in gezellige vreugde en

vroolijkheid doorgebracht.

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 69 / 75 题