Hoewel verleid en lang verdwaald,
Gij wijd en zijd hebt rondgezworven
Heeft Godes oog u steeds bewaakt
En is Zijn genade u verworven.
De Rechtszaal.
Na verloop van een klein uur, hetwelk den wachtenden in hun onzekeren
en gevaarlijken toestand wel driemalen zoo lang voorgekomen was,
hoorden zij de stem van den jongen Hazlewood, die hun reeds uit de
verte toeriep: „Hier ben ik met genoegzame hulp.”
„Kom maar naar binnen,” antwoordde Bertram, zeer verheugd dat hij van
zijn post afgelost werd. Hazlewood verscheen hierop met eenige mannen,
onder welke zich een beambte bij het vredegerecht bevond, in het hol.
Zij tilden Hatteraick op en droegen hem zoo ver, als de ruimte zulks
veroorloofde, in den ingang, waar zij hem vervolgens op den rug
nederlegden en, zoo goed zij konden, naar buiten sleepten, daar hij
zich volstrekt niet liet bewegen, om van zijne zijde eenigszins mede te
werken om door den engen ingang te geraken. Stil en werkeloos, als een
lijk, lag hij op den grond en liet zich, zonder eenigen wederstand te
bieden, voortslepen. Toen hij in het daglicht kwam en tusschen drie of
vier mannen, die buiten het hol gebleven waren, overeind geplaatst was,
scheen hij door den plotselijken overgang uit de duisternis en het
licht verblind en als buiten zich zelven. Terwijl de anderen bezig
waren met Meg Merrilies uit het hol te brengen, wilden Hatteraicks
wachters hem op een stuk rots, hetwelk gedurende den vloed nog juist op
het droge lag, doen nederzitten. Stuiptrekkend, sidderende, verzette
hij zich hiertegen en riep: „Daar niet! wat drommel! daar wilt gij mij
toch niet doen zitten?”
Dit waren de éénige woorden, die hij sprak; maar de zin en de toon,
waarop hij ze uitsprak, toonden genoegzaam wat er in zijn binnenste
omging.
Nadat Meg Merrilies ook met alle mogelijke voorzichtigheid uit het hol
gedragen was, beraadslaagde men waarheen zij gebracht zou worden.
Hazlewood, die reeds om een heelmeester gezonden had, stelde voor haar
intusschen naar de naaste hut te brengen. Maar zij verzette zich
hiertegen en sprak met diepen ernst: „Neen, neen, neen! Naar den toren
van Derncleugh – naar den toren van Derncleugh! Daar alleen kan de ziel
los worden van het lichaam.”
„Wij moeten, dunkt mij, aan haren wensch voldoen,” zeide Bertram; „hare
onrust zal anders de wondkoorts verergeren.”
Men droeg haar dus naar den toren. Onderweg scheen zij zich meer met
het voorgevallene, dan met de gedachte aan haren naderenden dood bezig
te houden. „Er waren er drie, die op hem aanvielen,” mompelde zij; „ik
heb er maar twee medegebracht. – Maar wie was de derde? – Hij zal zelf
wedergekomen zijn, om zich te wreken.”
Het was blijkbaar, dat de onverwachte verschijning van Hazlewood, dien
zij, daar zij bijna op hetzelfde oogenblik doodelijk getroffen werd,
niet had kunnen herkennen, een’ diepen indruk op hare verbeelding
gemaakt had. Zij kwam er dikwijls weder op terug. Voor Bertram was deze
verschijning evenzeer een raadsel, tot dat Hazlewood hem verhaalde, dat
hij hem en zijne beide tochtgenooten, op verzoek van Mannering, gevolgd
was en hen een geruimen tijd in het oog gehouden had; dat hij hen, toen
zij in het hol verdwenen, was nagekropen, om zich zelven en zijn
oogmerk bekend te maken en toen in den donkeren en nauwen ingang het
been van Dinmont gevat had, wat licht de noodlottigste gevolgen had
kunnen hebben, als de tegenwoordigheid van geest en de kloekmoedigheid
van den onverschrokken landman dat niet verhoed hadden.
Toen Meg Merrilies bij den toren kwam, haalde zij den sleutel van het
gewelf voor den dag en werd binnengebracht. Zoodra men haar nu op het
bed wilde nederleggen, zeide zij op angstigen toon: „Neen, neen! zóó
niet zóó niet: het hoofd naar het oosten,” en scheen tevreden, toen men
haren wensch vervulde.
„Is hier in de nabijheid geen geestelijke, om deze ongelukkige vrouw in
hare laatste oogenblikken bij te staan?” vroeg Bertram.
De predikant van het kerspel, de voormalige leermeester van Karel
Hazlewood, had, even als vele anderen, het gerucht gehoord, dat de
moordenaar van Kennedy op de plaats zelve, waar de misdaad zoo vele
jaren geleden gepleegd was, gevangen genomen en dat eene vrouw daarbij
doodelijk gewond was. Nieuwsgierigheid, of liever het gevoel dat zijn
plicht hem riep, om lijdenden te vertroosten en bij te staan, voerde
hem naar den toren van Derncleugh, waar hij nu zijn dienst aanbood. De
heelmeester kwam terzelfder tijd en wilde de wond onderzoeken. Meg wees
echter beider hulp van de hand en zeide: „Wat menschen doen kunnen, kan
mij niet heelen of redden. – Laat mij zeggen, wat ik te zeggen heb, en
dan moogt gij doen, wat gij wilt. Ik zal het niet verhinderen. – Maar
waar is Hendrik Bertram?” De omstanders, die dezen naam in zoo vele
jaren niet gehoord hadden, staarden elkander verbaasd aan. – „Ja!”
zeide zij met een sterkere, schorre stem, „ik zeg Hendrik Bertram van
Ellangowan. Gaat uit het licht, opdat ik hem zien kan.”
Aller oogen vestigden zich op Bertram, die de ellendige legerstede
naderde. De gekwetste vrouw vatte zijne hand. „Ziet hem aan,” zeide
zij, „gij allen, die zijn vader of grootvader ooit gekend hebt, en
getuigt, of hij niet hun levend evenbeeld is!”
Een dof gemompel verhief zich onder de menigte. De gelijkenis was te
sprekend, om geloochend te worden, „Hoort mij verder,” vervolgde zij,
„en laat dezen man” (op Hatteraick wijzende, die met zijne wachters op
eene kist zat) „laat dezen man loochenen, wat ik zeg, indien hij kan.
Dit is Hendrik Bertram, de zoon van wijlen Godfried Bertram, heer van
Ellangowan; dit is het kind, hetwelk Dirk Hatteraick op denzelfden dag,
waarop hij den opzichter vermoordde, uit het bosch van Warroch ontvoerd
heeft. Ik was daar, als een dwalende geest: want ik wilde dit bosch nog
eenmaal zien, vóor dat wij de landstreek verlieten. Ik redde den knaap
het leven en bad en smeekte, dat men hem aan mij overlaten zou. – Maar
men voerde hem weg en hij is lang in verre gewesten geweest. Nu is hij
teruggekomen, om zijn eigendom te vorderen; en wie zou hem weerstaan? –
Ik zwoer, het geheim te bewaren tot hij een en twintig jaren oud was; –
ik wist, dat hij zijn noodlot vervullen moest, tot die dag kwam. – Ik
heb dien eed gehouden. Maar ik heb voor mij zelve nog een anderen eed
gezworen, dat ik hem, als ik den dag van zijne terugkomst beleefde,
weder op zijns vaders zetel zetten zoude, al moest elke schrede een
leven kosten. Ik ben zelve het eerste slachtoffer. Hij, (op Hatteraick
wijzende) zal spoedig het tweede zijn en dan komt er nog een derde.”
Hier zweeg zij.
De predikant maakte de aanmerking, dat het jammer was dat deze
verklaring niet behoorlijk opgeteekend was, en de heelmeester drong er
op aan hare wond te onderzoeken, vóor dat zij door vragen verder
uitgeput werd. Toen zij zag, dat men Hatteraick wegbracht en de
omstanders het vertrek verlaten wilden, opdat de wondarts zijn werk
ongestoord zou kunnen verrichten, verhief zij zich op haar leger en
riep met luider stemme: „Dirk Hatteraick! gij en ik zullen elkander
nooit weder zien, vóor dat wij voor den oppersten Rechter staan – wilt
gij bevestigen, wat ik gezegd heb?”
Hij zag haar met een strak gelaat aan en scheen haar door zijne blikken
tegen te spreken.
„Dirk Hatteraick, durft gij, met mijn bloed aan uwe handen, een enkel
woord loochenen van alles, wat mijn stervende mond gezegd heeft?”
Hij keek haar nog steeds met dezelfde onbeschaamdheid en onbuigzame
verstoktheid aan, en bewoog de lippen, maar zonder eenig geluid te doen
hooren.
„Vaarwel dan!” vervolgde zij, „en God moge het u vergeven! Uwe eigene
hand heeft mijne getuigenis verzegeld. – Bij mijn teven was ik de
verachte, krankzinnige Heidin, die gegeeseld, gebannen en gebrandmerkt
was – die van deur tot deur gebedeld had en als een omzwervende hond,
van kerspel tot kerspel gejaagd en vervolgd werd. – Wie zou toen op
hare woorden gelet hebben? – Maar nu ben ik eene stervende vrouw; en
mijne woorden zullen niet in den wind worden geslagen, zoo zeker als de
aarde mijn lichaam bedekken zal.”
Hier zweeg zij weder; en allen verlieten het vertrek, behalve de
heelmeester en een paar vrouwen. Na een zeer kort onderzoek schudde hij
het hoofd en ruimde zijne plaats bij de stervende vrouw aan den
geestelijke in.
Een gerechtsdienaar, die voorzag dat Hatteraick spoedig naar de
gevangenis gebracht zou moeten worden, had een rijtuig, hetwelk ledig
naar Kippletringan terugkeerde, op den weg doen stilhouden. Zoodra de
voerman hoorde, wat er te Derncleugh gaande was, liet hij zijn rijtuig
aan de zorg van een straatjongen over, zich, zoo als men gerust mag
veronderstellen, meer op de jaren en het geduld van zijne paarden, dan
op de voorzichtigheid van den knaap verlatende, en snelde heen, om te
zien wat er toch eigenlijk te doen was. Hij kwam juist op het
oogenblik, dat de verzamelde landlieden, wier aantal van oogenblik tot
oogenblik vermeerderde, hunne aandacht op Bertram vestigden, nadat zij
lang genoeg de woeste, ruwe trekken van Hatteraick aangestaard hadden.
De meesten onder hen, in het bijzonder de bejaarden, die den ouden
Ellangowan in den bloei zijner jaren gezien en gekend hadden, gevoelden
en erkenden dat Meg Merrilies de waarheid had gesproken. Maar de
Schotten zijn voorzichtig; zij bedachten, dat een ander in het bezit
der heerlijkheid Ellangowan was en deelden elkander, voor als nog,
hunne gevoelens slechts fluisterende mede; maar onze vriend Hans Jabos,
de voerman uit Kippletringan, drong met geweld door de menigte en had
nauwelijks het oog op Bertram geslagen, of hij sprong van verbazing
eene schrede terug en riep plechtig uit: „Dat is, zoo waar als ik leef,
de oude Ellangowan, van den dood opgestaan!”
Deze openhartige verklaring van een onpartijdigen getuige was juist de
vonk, die noodig was, om het smeulende gevoel der omstanders in vlammen
te doen uitbarsten. Aanstonds klonk het van alle kanten: „Leve Bertram!
– Lang leve de erfgenaam van Ellangowan! God geve hem het zijne weder,
en late hem onder ons leven, gelijk zijne voorouders sedert eeuwen
deden!”
„Zeventig jaren heb ik op het land van Ellangowan gewoond,” zeide de
eene.
„Ik en de mijnen wonen er sedert tweemaal zeventig jaren,” sprak een
ander; „ik moet dus het gelaat van een Bertram wel kennen.”
„Ik en de mijnen,” hernam een ander oud man, „zijn hier reeds drie
honderd jaren geweest, en de jonge heer zal weder in zijn recht
hersteld worden, al moest ik mijne laatste koe verkoopen.”
De vrouwen, altijd met het wonderbare ingenomen, en niet minder wanneer
een schoon jongman de held der geschiedenis is, voegden hare schelle
vreugdekreten bij het algemeene gejuich. „God zegene hem!” riepen zij.
„Hij is het ware evenbeeld van zijn vader! De Bertrams waren altijd een
zegen voor het land!”
„O! dat zijne arme moeder, die in kommer en angst om hem gestorven is,
dezen dag had mogen beleven!” riepen eenige stemmen.
„Maar wij zullen hem aan zijn eigendom helpen!” riepen anderen.
„Glossin zal het slot Ellangowan niet behouden, al zouden wij hem met
onze nagels er uitkrabben!”
Anderen omringden Dinmont, die gaarne alles verhaalde, wat hij van zijn
vriend wist, en er zich niet weinig op liet voorstaan, dat hij tot de
ontdekking medegewerkt had. Daar hij bij velen der aanwezigen bekend
was, verhoogde zijne getuigenis de algemeene geestdrift. Om kort te
gaan, het was één van die oogenblikken van opgewondenheid, waarop de
koelheid der Schotten als sneeuw voor de zon smelt en de eenmaal
opgewekte geestdrift, als een woedende stroom, dijken en dammen met
zich medesleept.
Het luide vreugdegeschrei stoorde den geestelijke in het gebed, hetwelk
hij voor de stervende ten hemel opzond. Meg, die in een bewustelooze
sluimering, de gewone verkondigster der nabij zijnde ontbinding, op
haar ellendig leger lag, rees plotseling op en zeide: „Hoort gij het
niet? Hoort gij het niet? – Hij is erkend, hij is erkend! Zóo lang nog
moest ik leven! – Ik ben eene zondige vrouw. Maar heeft mijn vloek hen
ten val gebracht, – mijn zegen heeft hen weder hersteld! En nu wenschte
ik wel, dat ik meer gezegd had! Maar het kan niet zijn. – Wacht,”
vervolgde zij, haar gelaat naar den lichtstraal wendende, die door eene
nauwe spleet, welke de plaats van een venster in den muur vervulde, in
het vertrek viel; „is hij niet hier? Gaat uit het licht, opdat ik hem
nog eenmaal zie! Maar mijne oogen worden duister – alles is voorbij.
Adem, verdwijn!
Dood, verschijn!”
Met deze woorden zonk zij weder op haar strooleger neder en gaf, zonder
een zucht te laten hooren, den geest. De geestelijke en de heelmeester
teekenden alles, wat zij gezegd had, zorgvuldig op en betreurden het,
dat zij haar niet nauwkeuriger ondervraagd hadden. Beiden waren echter
bij zich zelven vast overtuigd, dat hare verklaringen de waarheid
behelsden.
Hazlewood was de eerste, die Bertram met het uitzicht op de spoedige
herwinning van zijn naam en stand in de maatschappij geluk wenschte. De
omstanders, die van Hans hoorden dat Bertram de man was, die Hazlewood
gekwetst had, waren getroffen over zijne grootmoedigheid en mengden ook
zijn naam in hun herhaald vreugdegejuich. Sommigen vroegen den voerman,
waarom hij Bertram niet reeds herkend had, toen hij hem korten tijd
geleden voor de eerste maal te Kippletringan zag. „Hoe kon ik toen aan
Ellangowan denken?” antwoordde hij. „De aangeheven kreet, dat de jonge
Bertram wedergevonden was, deed mij de gelijkenis ontdekken. Het moest
mij wel in het oog vallen, zoodra ik er opzettelijk naar keek.”
De verstoktheid van Hatteraick was door dit laatste tooneel eenigszins
geschokt. Hij sloeg de oogen neder, poogde zijne gebonden handen op te
heffen om den hoed dieper in het gezicht te trekken, en zag verdrietig
en ongeduldig naar den weg, alsof bij met verlangen naar het rijtuig
uitzag, hetwelk hem van deze plaats verwijderen zoude. Eindelijk beval
Hazlewood, bezorgd dat de gisting onder de volksmenigte zich tegen den
gevangene mocht richten, dat hij met het rijtuig naar Kippletringan
gebracht en ter beschikking van Mac-Morlan, wien hij terzelfder tijd
door eenen bode van het voorgevallene liet onderrichten, gesteld zoude
worden: „En nu,” zeide hij tegen Bertram, „zou het mij zeer aangenaam
zijn, als gij mij naar Hazlewood-house wildet vergezellen, maar, daar
gij er misschien thans nog niet zoo welkom zoudt zijn, als ik vertrouw
dat binnen een paar dagen het geval zal wezen, moet gij mij
veroorloven, met u naar Woodbourne terug te keeren. Maar gij zijt te
voet.” „O, indien de jongeheer mijn paard wilde nemen!” „Of het mijne!”
„Of het mijne!” riepen ten minste zes stemmen. „Of het mijne! dat kan,
zonder zweep of sporen, tien mijlen in een uur afleggen en de jongeheer
mag het van dit oogenblik af aan behouden, indien hij het als een
geschenk wil aannemen.” – Bertram nam het paard, maar slechts ter leen
aan, en betuigde de verzamelde menigte zijn dank voor den betoonden
goeden wil, wat weder door gejuich en betuigingen van gehechtheid
beantwoord werd.
Terwijl de gelukkige eigenaar van het paard een’ knaap heen zond, om
den nieuwen zadel te halen, een’ ander, om het dier met een droogen
stroowisch af te wrijven, een derde, om de verzilverde stijgbeugels van
Dan Dunkieson te leenen, en zich beklaagde dat er geen tijd was om het
dier eens voeder te geven, opdat de jongeheer eens zien kon hoe vurig
het was; terwijl dit alles plaats had, begaf Bertram zich met den
geestelijke in den toren en sloot de deur achter zich toe. Hij staarde
eenige oogenblikken zwijgende op het lijk van Meg Merrilies. De dood
had hare gelaatstrekken, welke nog steeds het ernstige, krachtige
karakter verkondigden, waardoor zij zich bij haar leven als heerscheres
onder het woeste volk waaronder zij geboren was, had gehandhaafd, nog
scherper geteekend. De jonge krijgsman droogde de tranen af, welke
onwillekeurig in zijn oog opwelden, toen hij het stoffelijk
overblijfsel van deze vrouw aanschouwde, die als een offer van hare
getrouwe verkleefdheid aan zijn geslacht gevallen was. Hierop vatte hij
den geestelijke bij de hand en vroeg hem plechtig, of de gestorvene in
hare laatste oogenblikken in staat geweest was, aan zijne gebeden de
behoorlijke aandacht te wijden.
„Ik vertrouw,” antwoordde de leeraar, „dat deze arme vrouw nog besef
genoeg had om mijne gebeden te verstaan, en daarmede in te stemmen.
Laat ons echter nederig hopen, dat wij naar de gelegenheid, welke wij
voor godsdienstig en zedelijk onderricht hadden, geoordeeld zullen
worden. Zij kon eenigermate als eene onbeschaafde Heidin in het midden
van een Christelijk land beschouwd worden, en wij mogen ook niet
vergeten, dat de dwalingen en ondeugden van een in onkunde doorgebracht
leven door bewijzen van eene belangelooze, zich bijna tot heldenmoed
verheffende verkleefdheid opgewogen werden. Met eerbiedige vrees, maar
niet zonder hoop, laten wij haar over aan Hem, die alleen in staat is,
onze misdaden en dwalingen tegen onze pogingen ten goede te wikken en
te wegen.”
„Mag ik u verzoeken,” hernam Bertram, „te zorgen, dat deze arme vrouw
met de behoorlijke plechtigheid ter aarde besteld wordt? Ik heb iets
van eenige waarde in handen, hetwelk haar eigendom is. In elk geval
blijf ik borg voor de kosten. Te Woodbourne kunt gij mij vinden, of ten
minste bericht van mij krijgen.”
Dinmont, die door een’ zijner kennissen van een paard voorzien was,
riep nu luide dat alles tot hunne terugreis gereed was. Onder een luid
vreugdegejuich begaven Bertram en Hazlewood zich met Dinmont op weg,
nadat zij de omstanders, wier aantal reeds tot verscheidene honderden
geklommen was, ernstig vermaand hadden, bij hunne vreugde toch vooral
de goede orde te bewaren, daar de minste onbezonnenheid den jongen
heer, zoo als zij hem steeds noemden, tot nadeel zou kunnen strekken.
Toen zij de vervallen hutten van Derncleugh voorbij reden, zeide
Dinmont: „Als gij uwe goederen wederkrijgt, kapitein, zult gij zeker
niet vergeten, daar een huisje te laten bouwen? Ik deed het waarachtig
zelf, als ik niet wist dat het in betere handen was. Maar ik wilde er
zelf niet in wonen, na alles wat zij gesproken heeft. – Ik zou het door
de oude Elspith, de weduwe van den doodgraver, laten bewonen; zulke
menschen zijn gewoon, met graven en geesten en dergelijke dingen om te
gaan.”
Een korte, doch snelle rid bracht hen te Woodbourne, waarheen de
tijding van hunne onderneming, welke reeds wijd en zijd bekend was
geworden, ook reeds doorgedrongen was. Alle bewoners kwamen hen te
gemoet en ontvingen hen met luide gelukwenschen. „Dat gij mij levend
wederziet,” sprak Bertram tot Lucie, die het eerst naar hem toeliep,
ofschoon Julia’s oogen haar nog vooruitgesneld waren, „hebt gij aan
deze vrienden te danken.”
Blozende boog Lucie voor Hazlewood, om hem haren dank te betuigen, en
reikte Dinmont met hartelijkheid de hand. In de overmaat zijner vreugde
veroorloofde de eerlijke pachter zich veel grootere vrijheid, dan
waartoe dit bewijs harer dankbaarheid hem scheen uit te noodigen, en
drukte haar een kus op de lippen. Nauwelijks had hij dit echter gedaan,
of hij ontstelde over het onwelvoegelijke van zijn gedrag en zeide: „Om
Godswil, juffrouw, vergeef het mij! het was mij waarlijk, alsof gij
mijne dochter waart. De kapitein is zoo vriendelijk en gemeenzaam, dat
men zich zelven waarlijk vergeet.”
Pleydell kwam intusschen nader en zeide: „Nu, indien er zulke
belooningen uitgedeeld worden” –
„Zacht, zacht, Mijnheer Pleydell” hernam Julia, „gij hebt uw loon reeds
vooruit ontvangen. Denk slechts aan gisteren avond.”
„Dat ontken ik niet,” antwoordde de oude heer; „maar als ik morgen geen
dubbel loon van Lucie en u ontvang, wanneer het verhoor van Dirk
Hatteraick afgeloopen is – ik verzeker u, ik zal hem gedwee maken! Gij
zult het zien, kolonel! en zoo gij het al niet zien kunt, mijne nuffige
dames! dan zult gij er van hooren.”
„Als wij namelijk verkiezen te luisteren, Mijnheer Pleydell!”
„En gij zoudt wel twee tegen één willen wedden, dat gij dit niet
verkiezen zult? – Maar de nieuwsgierigheid leert u, uwe ooren nu en dan
wel eens te gebruiken.”
„En ik verzeker u, dat zulke neuswijze heeren als gij, ons spoedig
zouden leeren, nu en dan onze vingers te gebruiken.”
„Bewaar die liever voor het klavier, mijne lieve! Dat is voor ons allen
beter.”
Onder dit gesnap geleidde de kolonel een eenvoudig gekleed man met een
innemend gelaat, naar Bertram en zeide: „Ik heb het genoegen u den heer
Mac-Morlan voor te stelten.”
„Het verheugt mij u te leeren kennen, edele man, die mijne zuster zoo
belangeloos onder uwe hoede en bescherming naamt, toen zij zich van
alle vrienden en bloedverwanten verlaten zag,” hernam Bertram, hem
hartelijk omhelzende.
Nu trad Sampson ook nader en poogde te glimlachen en te fluiten. Hij
kon echter zijne ontroering niet verbergen en snelde naar buiten, om
zijn gevoel door een stortvloed van tranen lucht te geven.
De avond van dezen gelukkigen dag werd verder in gezellige vreugde en
vroolijkheid doorgebracht.