ZES EN VIJFTIGSTE HOOFDSTUK.

Gelijk aan een hatelijk’ aap

Grijnzend verrast bij zijn geroofden schat,

Schijnt de bedrieger, wiens verachtelijk streven

Ontsluierd wordt.

Graaf Basselius.

Den volgenden morgen was alles te Woodbourne reeds vroeg in beweging,

om het verhoor te Kippletringan bij te wonen. Daar de heer Pleydell

voorheen met het onderzoek, betrekkelijk den vermoedelijken moord op

Kennedy gepleegd, belast was geweest en daardoor reeds eenigermate met

deze duistere zaak bekend geworden was, werd hij, zoo wel om deze

reden, als uit eerbied voor zijne buitengemeene bekwaamheid, door den

heer Mac-Morlan, Sir Robert Hazlewood en een derden, hen vergezellenden

vrederechter verzocht, den post van voorzitter bij het verhoor op zich

te nemen. De kolonel Mannering werd uitgenoodigd de zitting mede bij te

wonen. Dit verhoor, hetwelk het eigenlijke proces voorafging, vond

overigens met gesloten deuren plaats.

De voorheen afgelegde getuigenissen werden nagelezen en de nog levende

getuigen werden op nieuw verhoord. Vervolgens werden de geestelijke en

de heelmeester omtrent de verklaringen door de stervende Meg Merrilies

gedaan ondervraagd. Beiden getuigden, dat Meg duidelijk, stellig en bij

herhaling verklaard had dat zij toevallig ooggetuige was geweest van

den moord, door Hatteraick en twee of drie van zijn scheepsvolk op

Kennedy gepleegd; dat zij geloofde, dat hunne verbittering tegen hem,

als de oorzaak van het verlies van hun schip, hen tot deze misdaad

verleid had; dat er nog een getuige van den moord, die echter geen deel

aan de bloedige daad had willen nemen, leefde, met name haar neef

Gabriël Faa – en dat zij eindelijk nog met een enkel woord van een

derden man, die na, – en niet vóór het plegen van den moord

medeplichtig geworden was, gesproken had, maar dat hare krachten haar

te snel begeven hadden, dan dat zij zich dienaangaande nader kon

verklaren. Verder getuigden zij dat Meg ook nog verteld had, dat zij

het kind eerst gered had, maar dat het haar door de smokkelaars weder

ontrukt was, die het naar Holland voeren wilden. – Al deze

bijzonderheden werden zorgvuldig opgeteekend.

Hierop werd Dirk Hatteraick, zwaar geboeid, binnen gebracht. Men vroeg

hem naar zijn naam; hij antwoordde niet, – naar zijn beroep; hij zweeg.

Even zoo ging het met alle andere vragen, welke hem gedaan werden.

Pleydell wischte de glazen van zijn bril af, keek den gevangene strak

aan en fluisterde Mannering in het oor: „Een woeste, norsche knaap,

maar zoo als Dogberry zegt, ik zal listig met hem te werk gaan.” –

Daarop beval hij een gerechtsdienaar: „Laat Soles, de schoenmaker,

binnen komen” Deze verscheen. „Soles, herinnert gij u nog dat gij op

mijn bevel op den ** November 17** verscheidene afdrukken van

voetstappen in het bosch van Warroch opgemeten hebt?” – Soles

herinnerde zich dit volkomen. – „Bezie dit papier; is dat hetzelfde,

waarop gij de verschillende maten opgeteekend hebt?” – Soles bevestigde

zulks. – „Best! Daar staan een paar schoenen op de tafel; meet ze en

zie, of ze met een van de door u opgeteekende maten overeenkomen.” – De

schoenmaker deed het en verklaarde dat ze met de grootste der

voetstappen volkomen overeenstemden.”

„Wij zullen bewijzen,” zeide Pleydell ter zijde tegen Mannering, „dat

deze schoenen, die in de bouwvallen te Derncleugh gevonden zijn, aan

Brown, den knaap, dien gij bij Woodbourne nedergeschoten hebt,

toebehoord hebben – Soles, meet nu nauwkeurig den voet van dezen

gevangene.”

Mannering sloeg Hatteraick opmerkzaam gade en zag, dat deze eenigszins

ontstelde. „Komen zijne voeten met een van de gemeten voetstappen

overeen?”

De schoenmaker zag van zijne maat op het papier, mat nog eenmaal en

zeide: „Ze komen volmaakt met een voetstap, een weinig breeder en

korter dan de vorige, overeen.”

Hier verloor Hatteraick zijne zelfbeheersching.

„De duivel!” riep hij uit, „hoe konden er voetstappen in den grond

zijn, daar alles door de vorst zoo hard was als een steen?”

„Des avonds, dát stem ik u toe, kapitein Hatteraick! maar niet des

voormiddags. Wilt gij nu wel zoo goed zijn mij te zeggen, waar gij op

dien dag, welker gij u zoo nauwkeurig herinnert, geweest zijt?”

Hatteraick begreep zijn misslag en bewaarde van nu af weder een

hardnekkig stilzwijgen.

„Schrijf de aanmerking, welke hij zich heeft laten ontvallen, toch op,”

zeide Pleydell tegen den klerk.

Op dit oogenblik werd de deur geopend en de heer Gilbert Glossin trad

tot groote verwondering der aanwezenden binnen. Deze waardige man was

op slinksche wijze te weten gekomen, dat Meg hem in hare verklaringen

op haar doodbed niet genoemd had; eene omstandigheid, welke hij zeker

niet aan hare gunstige gezindheid jegens hem, maar alleen aan het te

lang uitstellen van een geregeld verhoor en aan haren spoedigen dood te

danken had. Hij begreep dus, dat hij niets had te vreezen dan de

verklaringen van Hatteraick, en om deze te voorkomen, besloot hij zich

vrijpostig naar de gerechtszaal te begeven en het verhoor bij te wonen.

„Ik zal wel gelegenheid hebben,” dacht hij, „om den schurk te doen

begrijpen, dat zijne veiligheid van zijn zwijgen afhangt; en buitendien

zal mijne tegenwoordigheid tot een bewijs van mijn vertrouwen en van

mijn onschuld strekken. Moet ik de landerijen verliezen – het zij zoo;

maar ik vertrouw, dat het beter zal afloopen.”

Bij het binnentreden maakte hij eene diepe buiging voor Sir Robert

Hazlewood. Sir Robert, die eenigszins begon te vermoeden dat zijn

nederige buurman hem, als het ware, gebruikt had, om de kanstanjes uit

het vuur te halen, knikte koel met het hoofd, nam een snuifje en keek

den anderen kant uit.

„Mijnheer Corsand,” zei Glossin tot den derden vrederechter, „uw

onderdanigste dienaar.”

„Uw onderdanige dienaar, Mijnheer Glossin,” antwoordde de heer Corsand

droogjes en volgde het voorbeeld van den baronet.

„Mac-Morlan, waarde vriend, hoe vaart gij? – Steeds ijverig als de

plicht u roept?”

„Hm!” bromde de eerlijke Mac-Morlan, zonder verder acht op zijne

woorden te slaan.

„Kolonel Mannering, (met eene diepe buiging, welke zeer onachtzaam

beantwoord werd) en Mijnheer Pleydell, (weder eene diepe buiging), „ik

had niet durven hopen dat gij ons in dit saizoen met uwe hulp en

tegenwoordigheid vereeren zoudt.”

Pleydell nam een snuifje, keek hem scherp en schamper aan en zeide

tegen Mannering: „Ik zal hem de waarde van de oude waarschuwing: ne

accesseris in concilium antequam voceris, [34] leeren kennen.”

„Maar misschien kom ik hier ongelegen, Mijne Heeren,” hernam Glossin,

de koele ontvangst opmerkende. „Het is toch eene openbare vergadering?”

„Wat mij betreft,” hernam Pleydell, „ik houd het er in het geheel niet

voor, dat gij ongelegen komt. Ik ben integendeel zeer verheugd, u hier

te zien, daar wij u, naar mijne gedachten, anders nog wel in den loop

van dezen dag hadden moeten verzoeken, ons met uwe tegenwoordigheid te

vereeren.”

„Welaan dan, Mijne Heeren,” hernam Glossin, terwijl hij een stoel bij

de tafel trok en in de papieren begon te bladeren, „waar zijn wij? Hoe

ver zijn wij gekomen? Waar zijn de verklaringen?”

„Geef mij al die papieren,” zeide Pleydell tegen den klerk. „Ik heb

mijne eigene wijze, om mijne stukken te schikken, Mijnheer Glossin, en

raak licht in de war, als een ander ze in handen neemt. Maar ik zal u

straks wel om uwe hulp moeten verzoeken.”

Glossin, die dus van alle werkzaamheid verstoken was, wierp een

heimelijken blik op Dirk Hatteraick, maar kon niets dan boosaardigheid

en haat tegen alle aanwezenden op zijn donker en woest gelaat lezen.

„Maar, Mijne Heeren!” sprak Glossin nu, „is het niet al te streng,

dezen armen man zoo zwaar geboeid te houden, zoolang hij slechts in ’t

verhoor is?” Dit moest een vriendelijke wenk voor den gevangene zijn.

„Hij is reeds eenmaal ontvlucht,” antwoordde Mac-Morlan droogjes, en

Glossin moest zwijgen.

Hierop werd Bertram binnengeleid en, tot Glossin’s spijt en verbazing,

door alle aanwezigen, waaronder ook Sir Robert Hazlewood, zeer

vriendelijk begroet. Hij verhaalde zijne herinneringen uit zijne

kindsche jaren met eene openhartigheid en eenvoudigheid in zijne

uitdrukkingen, welke het beste bewijs voor zijne goede trouw

opleverden.

„Dit schijnt mij meer eene civiele, dan crimineele zaak te zijn,”

hernam Glossin, opstaande; „en daar het u niet onbekend kan zijn, Mijne

Heeren, welken invloed de voorgewende afkomst van dezen jonkman op

mijne belangen kan hebben, zult gij mij wel willen veroorloven, mij te

verwijderen.”

„Volstrekt niet,” antwoordde Pleydell; „wij kunnen u volstrekt niet

missen. Maar waarom noemt gij de aanspraken van dezen jongen man

voorgewend? Ik wil het rechtsgeleerde standpunt dat gij kiezen zult,

niet uitvorschen, maar” –

„Ik geloof, dat ik de zaak met weinige woorden kan verklaren, Mijnheer

Pleydell! – Deze jonkman, dien ik voor een onechten zoon van den

overleden Ellangowan houd, heeft eenige weken onder verschillende namen

in dit oord rondgezworven, met een ondeugend, oud, krankzinnig wijf

(dat, zoo als ik gehoord heb, pas dezer dagen bij eene vechtpartij

doodgeschoten is) allerhande aanslagen gesmeed en, met behulp van

ketellappers, Heidenen en dergelijk gespuis, de pachters tegen hunne

landeigenaars opgeruid, hetwelk, zoo als Sir Robert Hazlewood van

Hazlewood weet” –

„Vergeef mij, dat ik u in de rede val, Mijnheer Glossin,” sprak

Pleydell; „maar ìk moet u nog eenmaal vragen, wie deze jonkman is, naar

uw zeggen.”

„Ik zeg en ik geloof dat die man,” (op Hatteraick wijzende) „het ook

weet, dat hij een onechte zoon is van den overleden Ellangowan. Zijne

moeder, een landmeisje, Janet Lightoheel genaamd, is met zekeren

Helwit, een’ scheepstimmerman in het graafschap Annan, gehuwd. Hij heet

Godfried Bertram Helwit en is onder dien naam op het wachtschip the

Royal Caroline geplaatst.”

„Zoo?” antwoordde Pleydell; „dat is eene zeer waarschijnlijke

geschiedenis! Maar wij zullen ons met het verschil van oogen, kleur en

zoo voorts niet ophouden en liever iemand hier laten komen, die de zaak

oogenblikkelijk beslissen zal. – Treed binnen, jonkman, als het u

belieft!” Een jonge zeeman verscheen. – „Dat is de ware Godfried

Bertram Helwit. Hij is stuurman aan boord van een Westindiëvaarder van

Antigua en gisteren avond uit Liverpool hier aangekomen. Hij bevindt

zich op den goeden weg, om flink in de wereld vooruit te komen, hoewel

hij er wat onregelmatig ingekomen is.”

Terwijl de andere rechters zich met den jongen zeeman onderhielden, nam

Pleydell het oude zakboek van Dirk Hatteraick, hetwelk onder de

papieren op de tafel lag, in de hand. Een blik van den smokkelaar

verried den scherpzienden rechtsgeleerde, dat het iets zeer gewichtigs

bevatten moest. Hij legde dus het zakboek weder op de tafel, begon

weder in de papieren te bladeren en bemerkte oogenblikkelijk, dat de

gevangene dit met een koelen blik aanzag. „Wat het ook zijn moge, het

moet in het zakboekje zijn,” dacht Pleydell, begon het weder nauwkeurig

te onderzoeken en ontdekte eindelijk eene kleine opening tusschen het

leder en het bordpapier, waaruit hij drie smalle reepen papier haalde.

Pleydell wendde zich hierop tot Glossin en vroeg hem heel beleefd, of

hij bij het zoeken naar Kennedy’s lijk en den kleinen Hendrik Bertram,

op den dag, waarop deze verdwenen waren, ook tegenwoordig geweest was.

„Ik was er niet – ja, ik was er toch bij tegenwoordig,” stamelde

Glossin bedremmeld.

„Daar gij in zulke nauwe betrekking tot de familie Ellangowan stond, is

het toch opmerkelijk, dat gij, zoo ver ik mij herinneren kan, geheel

niet voor mij verschenen zijt, om ook uwe getuigenis af te leggen, toen

ik mij met het onderzoek dier ongelukkige zaak onledig hield.”

„Gewichtige bezigheden riepen mij reeds den volgenden dag naar Londen,”

hernam Glossin.

„Schrijf dit antwoord op,” bevat Pleydell den klerk. – „Ik

veronderstel, Mijnheer Glossin, dat die bezigheden in het verkoopen van

deze drie wissels bestonden, welke op denzelfden dag, waarop de moord

gepleegd werd, door u op de heeren Van Beest en Van Bruggen getrokken

en door Dirk Hatteraick in hun naam geaccepteerd zijn. Ik wensch u er

geluk mede, dat ze gehonoreerd werden, – wat eigenlijk niet te

verwachten was.” – Glossin verbleekte. „Deze papieren bevestigen

volkomen de verklaringen, welke zekere Gabriël Faa, dien wij thans in

verzekerde bewaring hebben en die getuige van uwe onderhandeling met

den waardigen Hatteraick geweest is, aangaande uw gedrag bij die

gelegenheid afgelegd heeft. Of kunt gij uw gedrag anders verklaren?”

„Mijnheer Pleydell,” antwoordde Glossin zeer bedaard, „indien gij mijn

raadgever waart, zoudt gij mij denkelijk niet raden zoo oogenblikkelijk

op eene beschuldiging te antwoorden, welke een laaghartige schurk door

een meineed schijnt te willen bevestigen.”

„Mijn raad zou volgens mijn gevoelen omtrent uwe schuld of onschuld

geregeld worden. Ik geloof dat gij, in uwe omstandigheden, den

voorzichtigsten weg inslaat; maar gij moet, zoo als gij zelf wel

inziet, in hechtenis genomen worden.”

„Hoe, Mijnheer? als beschuldigd van moord?”

„Neen, slechts als medeplichtige bij het rooven van het kind.”

„Daarvoor kan borgtocht gesteld worden.”

„Vergeef mij,” hernam Pleydell, „het is een plagium [35] en plagium is

eene crimineele zaak van ernstigen aard.”

„Verschoon mij, Mijnheer Pleydell; er is stechts één voorbeeld van een

soortgelijk geval voorhanden. Twee vrouwen, Torrence en Waldie genaamd,

zoogenaamde „opstandingsvrouwen,” die er hun werk van maakten,

kortelings begraven lijken weder op te delven, hadden, zoo als gij u

wel herinneren zult, beloofd, een kinderlijk aan eenige jonge

heelkundigen te verschaffen. Daar zij zich hiertoe op hare eer

verbonden hadden, stalen zij, om de studenten bij de avondles niet

teleur te stellen, een levend kind, brachten, het om het leven en

verkochten het lijk voor twee en veertig stuivers. Zij werden

opgehangen, doch om den moord, en niet om het plagium. Uw burgerlijk

recht heeft u een weinig te ver gevoerd.”

„Het is mogelijk; maar wij moeten u intusschen naar de gevangenis doen

brengen op een bevelschrift van den heer Mac-Morlan, ingeval de jonkman

zijne verklaring herhaalt. – Gerechtsdienaren, brengt den heer Glossin

en Hatteraick weg en bewaakt hen in afzonderlijke vertrekken.”

Hierop werd Gabriël, de jonge Heiden, binnengebracht. Deze verhaalde

omstandig, hoe hij van het schip van den kapitein Pritchard, waarop hij

tot straf geplaatst was, ontvlucht was en zich op den noodlottigen dag

bij de smokkelaars bevonden had. Toen Hatteraick zag dat het schip niet

meer te behouden was, had hij het in den brand gestoken en was hij,

onder begunstiging van den rook, met zijn scheepsvolk en zoo vele

goederen, als zij bergen konden, met de booten naar het hol gevlucht,

waar zij zich tot het vallen van den avond verborgen houden wilden.

Hatteraick zelf, zijn stuurman Van Beest Brown en drie anderen onder

wie hij zelf ook was, gingen naar het nabij gelegen bosch, om met

eenigen hunner vrienden in de buurt te raadplegen. Onverwachts

ontmoetten zij Kennedy, en nu besloten Hatteraick en Brown, die wisten

dat hij de bewerker van hunne rampen was, hem te vermoorden. Hij

verklaarde verder, dat hij gezien had, hoe zij den ambtenaar aanvielen

en hem door het bosch sleepten; maar dat hij geen deel had genomen aan

den aanval, en den afloop niet bijgewoond had. Na het plegen van den

moord keerden zij langs verschillende wegen naar het hol terug, waar

Hatteraick juist bezig was te verhalen, dat hij Kennedy nog een stuk

rots achterna geworpen had, terwijl de ongelukkige op het strand lag te

kermen, toen Glossin onverwachts in hun midden verscheen en zich in

zijne tegenwoordigheid door Hatteraick tot geheimhouding liet omkoopen.

Bertram’s lotgevallen vóor dat deze naar Indië ging, waren Gabriël

volkomen bekend. Toen had hij hem uit het oog verloren, tot hij hem zoo

onverwachts in het Liddesdal weder ontmoette. Hij had zoo wel zijne

moei, Meg Merrilies, als Hatteraick, die zich, zoo als hij wist,

destijds aan de kust bevond, hiervan oogenblikkelijk kennis gegeven;

doch zijne moei was wegens deze kennisgeving aan den smokkelaar ten

uiterste vertoornd op hem geweest. Hij verhaalde verder, dat Meg hierop

verklaard had, dat zij alles doen zou wat in haar vermogen stond, om

den jongen Ellangowan in zijne rechten te herstellen, al zou zij Dirk

Hatteraick ook voor het gerecht moeten beschuldigen, en dat buiten hem

nog vele anderen Heidenen, die algemeen geloofden dat zij met

bovenaardsche ingevingen bezield werd, haar hiertoe behulpzaam wilden

zijn. Met hetzelfde oogmerk had zijne moei den schat der bende, welken

zij in bewaring had, aan Bertram gegeven. Toen het tolhuis overrompeld

werd, had hij zich met drie of vier Heidenen onder den hoop gemengd, om

Bertram te bevrijden, hetwelk hij zelf in eigen’ persoon volvoerd had.

Hij zeide verder dat zij, bij het gehoorzamen aan Meg’s bevelen, nooit

beoordeelden of ze goed en redelijk waren, daar het gezag, hetwelk zij

onder haar volk bekleedde, haar boven zulke oordeelvellingen verhief.

Ten slotte verklaarde Gabriël, dat zijne moei altijd gezegd had, dat

Hendrik Bertram iets op zijne borst droeg, waardoor hij zijne geboorte

bewijzen konde. Het moest eene bezwering, of tooverspreuk, zijn, die

een student uit Oxford voor hem gemaakt had, en Meg had den smokkelaars

doen gelooven, dat zij hun schip onfeilbaar zouden verliezen, als zij

Bertram daarvan beroofden.

Bertram vertoonde hierop een klein fluweelen zakje, hetwelk hij, zoo

als hij zeide, sedert zijne kindsheid op de borst gedragen, en in het

begin uit bijgeloovigen eerbied, maar later in de hoop, dat het tot de

ontdekking van zijne geboorte kon dienen, bewaard had. Bij het openen

er van werd er een tweede blauw zijden zakje in gevonden, waarin een

horoskoop of lotsvoorspelling zich bevond. De kolonel Mannering erkende

het papier oogenblikkelijk als zijn eigen werk, verhaalde hoe hij bij

zijn eerste bezoek te Ellangowan voor sterrewichelaar gespeeld had en

bewees daardoor op beslissende en voldoende wijze, dat de eigenaar er

van de erfgenaam van Ellangowan moest zijn.

„Na deze alles afdoende getuigenis, moeten er bevelen uitgevaardigd

worden,” zeide Pleydell „om Glossin en Hatteraick in hechtenis te

houden, tot dat zij door den bevoegden rechter vrijgesproken, of

gevonnisd worden. Het doet mij leed om Glossin.”

„Naar mijn oordeel,” hernam Mannering, „verdient deze verreweg het

minste medelijden. De andere is, ofschoon hard en ongevoelig als een

keisteen, een stoute knaap.”

„Zeer natuurlijk, kolonel, dat gij belang stelt in den moordenaar en ik

in den bedrieger. Dat is beroepssmaak. – Maar geloof mij, Glossin zou

een flink rechtsgeleerde geweest zijn, indien hij niet eene zoo

onweerstaanbare neiging tot het oneerlijke gedeelte van het beroep

gehad had.”

„De laster zou zeggen, dat hij daarom misschien geen slechter

rechtsgeleerde was.”

„De laster zou liegen als gewoonlijk. Het recht gelijkt in één opzicht

naar opium; het is veel gemakkelijker, het als een kwakzalver te

gebruiken, dan het als een bekwaam geneesheer te leeren aanwenden.”

Guy Mannering of de Sterrewichelaar · 第 70 / 75 题