Gelijk aan een hatelijk’ aap
Grijnzend verrast bij zijn geroofden schat,
Schijnt de bedrieger, wiens verachtelijk streven
Ontsluierd wordt.
Graaf Basselius.
Den volgenden morgen was alles te Woodbourne reeds vroeg in beweging,
om het verhoor te Kippletringan bij te wonen. Daar de heer Pleydell
voorheen met het onderzoek, betrekkelijk den vermoedelijken moord op
Kennedy gepleegd, belast was geweest en daardoor reeds eenigermate met
deze duistere zaak bekend geworden was, werd hij, zoo wel om deze
reden, als uit eerbied voor zijne buitengemeene bekwaamheid, door den
heer Mac-Morlan, Sir Robert Hazlewood en een derden, hen vergezellenden
vrederechter verzocht, den post van voorzitter bij het verhoor op zich
te nemen. De kolonel Mannering werd uitgenoodigd de zitting mede bij te
wonen. Dit verhoor, hetwelk het eigenlijke proces voorafging, vond
overigens met gesloten deuren plaats.
De voorheen afgelegde getuigenissen werden nagelezen en de nog levende
getuigen werden op nieuw verhoord. Vervolgens werden de geestelijke en
de heelmeester omtrent de verklaringen door de stervende Meg Merrilies
gedaan ondervraagd. Beiden getuigden, dat Meg duidelijk, stellig en bij
herhaling verklaard had dat zij toevallig ooggetuige was geweest van
den moord, door Hatteraick en twee of drie van zijn scheepsvolk op
Kennedy gepleegd; dat zij geloofde, dat hunne verbittering tegen hem,
als de oorzaak van het verlies van hun schip, hen tot deze misdaad
verleid had; dat er nog een getuige van den moord, die echter geen deel
aan de bloedige daad had willen nemen, leefde, met name haar neef
Gabriël Faa – en dat zij eindelijk nog met een enkel woord van een
derden man, die na, – en niet vóór het plegen van den moord
medeplichtig geworden was, gesproken had, maar dat hare krachten haar
te snel begeven hadden, dan dat zij zich dienaangaande nader kon
verklaren. Verder getuigden zij dat Meg ook nog verteld had, dat zij
het kind eerst gered had, maar dat het haar door de smokkelaars weder
ontrukt was, die het naar Holland voeren wilden. – Al deze
bijzonderheden werden zorgvuldig opgeteekend.
Hierop werd Dirk Hatteraick, zwaar geboeid, binnen gebracht. Men vroeg
hem naar zijn naam; hij antwoordde niet, – naar zijn beroep; hij zweeg.
Even zoo ging het met alle andere vragen, welke hem gedaan werden.
Pleydell wischte de glazen van zijn bril af, keek den gevangene strak
aan en fluisterde Mannering in het oor: „Een woeste, norsche knaap,
maar zoo als Dogberry zegt, ik zal listig met hem te werk gaan.” –
Daarop beval hij een gerechtsdienaar: „Laat Soles, de schoenmaker,
binnen komen” Deze verscheen. „Soles, herinnert gij u nog dat gij op
mijn bevel op den ** November 17** verscheidene afdrukken van
voetstappen in het bosch van Warroch opgemeten hebt?” – Soles
herinnerde zich dit volkomen. – „Bezie dit papier; is dat hetzelfde,
waarop gij de verschillende maten opgeteekend hebt?” – Soles bevestigde
zulks. – „Best! Daar staan een paar schoenen op de tafel; meet ze en
zie, of ze met een van de door u opgeteekende maten overeenkomen.” – De
schoenmaker deed het en verklaarde dat ze met de grootste der
voetstappen volkomen overeenstemden.”
„Wij zullen bewijzen,” zeide Pleydell ter zijde tegen Mannering, „dat
deze schoenen, die in de bouwvallen te Derncleugh gevonden zijn, aan
Brown, den knaap, dien gij bij Woodbourne nedergeschoten hebt,
toebehoord hebben – Soles, meet nu nauwkeurig den voet van dezen
gevangene.”
Mannering sloeg Hatteraick opmerkzaam gade en zag, dat deze eenigszins
ontstelde. „Komen zijne voeten met een van de gemeten voetstappen
overeen?”
De schoenmaker zag van zijne maat op het papier, mat nog eenmaal en
zeide: „Ze komen volmaakt met een voetstap, een weinig breeder en
korter dan de vorige, overeen.”
Hier verloor Hatteraick zijne zelfbeheersching.
„De duivel!” riep hij uit, „hoe konden er voetstappen in den grond
zijn, daar alles door de vorst zoo hard was als een steen?”
„Des avonds, dát stem ik u toe, kapitein Hatteraick! maar niet des
voormiddags. Wilt gij nu wel zoo goed zijn mij te zeggen, waar gij op
dien dag, welker gij u zoo nauwkeurig herinnert, geweest zijt?”
Hatteraick begreep zijn misslag en bewaarde van nu af weder een
hardnekkig stilzwijgen.
„Schrijf de aanmerking, welke hij zich heeft laten ontvallen, toch op,”
zeide Pleydell tegen den klerk.
Op dit oogenblik werd de deur geopend en de heer Gilbert Glossin trad
tot groote verwondering der aanwezenden binnen. Deze waardige man was
op slinksche wijze te weten gekomen, dat Meg hem in hare verklaringen
op haar doodbed niet genoemd had; eene omstandigheid, welke hij zeker
niet aan hare gunstige gezindheid jegens hem, maar alleen aan het te
lang uitstellen van een geregeld verhoor en aan haren spoedigen dood te
danken had. Hij begreep dus, dat hij niets had te vreezen dan de
verklaringen van Hatteraick, en om deze te voorkomen, besloot hij zich
vrijpostig naar de gerechtszaal te begeven en het verhoor bij te wonen.
„Ik zal wel gelegenheid hebben,” dacht hij, „om den schurk te doen
begrijpen, dat zijne veiligheid van zijn zwijgen afhangt; en buitendien
zal mijne tegenwoordigheid tot een bewijs van mijn vertrouwen en van
mijn onschuld strekken. Moet ik de landerijen verliezen – het zij zoo;
maar ik vertrouw, dat het beter zal afloopen.”
Bij het binnentreden maakte hij eene diepe buiging voor Sir Robert
Hazlewood. Sir Robert, die eenigszins begon te vermoeden dat zijn
nederige buurman hem, als het ware, gebruikt had, om de kanstanjes uit
het vuur te halen, knikte koel met het hoofd, nam een snuifje en keek
den anderen kant uit.
„Mijnheer Corsand,” zei Glossin tot den derden vrederechter, „uw
onderdanigste dienaar.”
„Uw onderdanige dienaar, Mijnheer Glossin,” antwoordde de heer Corsand
droogjes en volgde het voorbeeld van den baronet.
„Mac-Morlan, waarde vriend, hoe vaart gij? – Steeds ijverig als de
plicht u roept?”
„Hm!” bromde de eerlijke Mac-Morlan, zonder verder acht op zijne
woorden te slaan.
„Kolonel Mannering, (met eene diepe buiging, welke zeer onachtzaam
beantwoord werd) en Mijnheer Pleydell, (weder eene diepe buiging), „ik
had niet durven hopen dat gij ons in dit saizoen met uwe hulp en
tegenwoordigheid vereeren zoudt.”
Pleydell nam een snuifje, keek hem scherp en schamper aan en zeide
tegen Mannering: „Ik zal hem de waarde van de oude waarschuwing: ne
accesseris in concilium antequam voceris, [34] leeren kennen.”
„Maar misschien kom ik hier ongelegen, Mijne Heeren,” hernam Glossin,
de koele ontvangst opmerkende. „Het is toch eene openbare vergadering?”
„Wat mij betreft,” hernam Pleydell, „ik houd het er in het geheel niet
voor, dat gij ongelegen komt. Ik ben integendeel zeer verheugd, u hier
te zien, daar wij u, naar mijne gedachten, anders nog wel in den loop
van dezen dag hadden moeten verzoeken, ons met uwe tegenwoordigheid te
vereeren.”
„Welaan dan, Mijne Heeren,” hernam Glossin, terwijl hij een stoel bij
de tafel trok en in de papieren begon te bladeren, „waar zijn wij? Hoe
ver zijn wij gekomen? Waar zijn de verklaringen?”
„Geef mij al die papieren,” zeide Pleydell tegen den klerk. „Ik heb
mijne eigene wijze, om mijne stukken te schikken, Mijnheer Glossin, en
raak licht in de war, als een ander ze in handen neemt. Maar ik zal u
straks wel om uwe hulp moeten verzoeken.”
Glossin, die dus van alle werkzaamheid verstoken was, wierp een
heimelijken blik op Dirk Hatteraick, maar kon niets dan boosaardigheid
en haat tegen alle aanwezenden op zijn donker en woest gelaat lezen.
„Maar, Mijne Heeren!” sprak Glossin nu, „is het niet al te streng,
dezen armen man zoo zwaar geboeid te houden, zoolang hij slechts in ’t
verhoor is?” Dit moest een vriendelijke wenk voor den gevangene zijn.
„Hij is reeds eenmaal ontvlucht,” antwoordde Mac-Morlan droogjes, en
Glossin moest zwijgen.
Hierop werd Bertram binnengeleid en, tot Glossin’s spijt en verbazing,
door alle aanwezigen, waaronder ook Sir Robert Hazlewood, zeer
vriendelijk begroet. Hij verhaalde zijne herinneringen uit zijne
kindsche jaren met eene openhartigheid en eenvoudigheid in zijne
uitdrukkingen, welke het beste bewijs voor zijne goede trouw
opleverden.
„Dit schijnt mij meer eene civiele, dan crimineele zaak te zijn,”
hernam Glossin, opstaande; „en daar het u niet onbekend kan zijn, Mijne
Heeren, welken invloed de voorgewende afkomst van dezen jonkman op
mijne belangen kan hebben, zult gij mij wel willen veroorloven, mij te
verwijderen.”
„Volstrekt niet,” antwoordde Pleydell; „wij kunnen u volstrekt niet
missen. Maar waarom noemt gij de aanspraken van dezen jongen man
voorgewend? Ik wil het rechtsgeleerde standpunt dat gij kiezen zult,
niet uitvorschen, maar” –
„Ik geloof, dat ik de zaak met weinige woorden kan verklaren, Mijnheer
Pleydell! – Deze jonkman, dien ik voor een onechten zoon van den
overleden Ellangowan houd, heeft eenige weken onder verschillende namen
in dit oord rondgezworven, met een ondeugend, oud, krankzinnig wijf
(dat, zoo als ik gehoord heb, pas dezer dagen bij eene vechtpartij
doodgeschoten is) allerhande aanslagen gesmeed en, met behulp van
ketellappers, Heidenen en dergelijk gespuis, de pachters tegen hunne
landeigenaars opgeruid, hetwelk, zoo als Sir Robert Hazlewood van
Hazlewood weet” –
„Vergeef mij, dat ik u in de rede val, Mijnheer Glossin,” sprak
Pleydell; „maar ìk moet u nog eenmaal vragen, wie deze jonkman is, naar
uw zeggen.”
„Ik zeg en ik geloof dat die man,” (op Hatteraick wijzende) „het ook
weet, dat hij een onechte zoon is van den overleden Ellangowan. Zijne
moeder, een landmeisje, Janet Lightoheel genaamd, is met zekeren
Helwit, een’ scheepstimmerman in het graafschap Annan, gehuwd. Hij heet
Godfried Bertram Helwit en is onder dien naam op het wachtschip the
Royal Caroline geplaatst.”
„Zoo?” antwoordde Pleydell; „dat is eene zeer waarschijnlijke
geschiedenis! Maar wij zullen ons met het verschil van oogen, kleur en
zoo voorts niet ophouden en liever iemand hier laten komen, die de zaak
oogenblikkelijk beslissen zal. – Treed binnen, jonkman, als het u
belieft!” Een jonge zeeman verscheen. – „Dat is de ware Godfried
Bertram Helwit. Hij is stuurman aan boord van een Westindiëvaarder van
Antigua en gisteren avond uit Liverpool hier aangekomen. Hij bevindt
zich op den goeden weg, om flink in de wereld vooruit te komen, hoewel
hij er wat onregelmatig ingekomen is.”
Terwijl de andere rechters zich met den jongen zeeman onderhielden, nam
Pleydell het oude zakboek van Dirk Hatteraick, hetwelk onder de
papieren op de tafel lag, in de hand. Een blik van den smokkelaar
verried den scherpzienden rechtsgeleerde, dat het iets zeer gewichtigs
bevatten moest. Hij legde dus het zakboek weder op de tafel, begon
weder in de papieren te bladeren en bemerkte oogenblikkelijk, dat de
gevangene dit met een koelen blik aanzag. „Wat het ook zijn moge, het
moet in het zakboekje zijn,” dacht Pleydell, begon het weder nauwkeurig
te onderzoeken en ontdekte eindelijk eene kleine opening tusschen het
leder en het bordpapier, waaruit hij drie smalle reepen papier haalde.
Pleydell wendde zich hierop tot Glossin en vroeg hem heel beleefd, of
hij bij het zoeken naar Kennedy’s lijk en den kleinen Hendrik Bertram,
op den dag, waarop deze verdwenen waren, ook tegenwoordig geweest was.
„Ik was er niet – ja, ik was er toch bij tegenwoordig,” stamelde
Glossin bedremmeld.
„Daar gij in zulke nauwe betrekking tot de familie Ellangowan stond, is
het toch opmerkelijk, dat gij, zoo ver ik mij herinneren kan, geheel
niet voor mij verschenen zijt, om ook uwe getuigenis af te leggen, toen
ik mij met het onderzoek dier ongelukkige zaak onledig hield.”
„Gewichtige bezigheden riepen mij reeds den volgenden dag naar Londen,”
hernam Glossin.
„Schrijf dit antwoord op,” bevat Pleydell den klerk. – „Ik
veronderstel, Mijnheer Glossin, dat die bezigheden in het verkoopen van
deze drie wissels bestonden, welke op denzelfden dag, waarop de moord
gepleegd werd, door u op de heeren Van Beest en Van Bruggen getrokken
en door Dirk Hatteraick in hun naam geaccepteerd zijn. Ik wensch u er
geluk mede, dat ze gehonoreerd werden, – wat eigenlijk niet te
verwachten was.” – Glossin verbleekte. „Deze papieren bevestigen
volkomen de verklaringen, welke zekere Gabriël Faa, dien wij thans in
verzekerde bewaring hebben en die getuige van uwe onderhandeling met
den waardigen Hatteraick geweest is, aangaande uw gedrag bij die
gelegenheid afgelegd heeft. Of kunt gij uw gedrag anders verklaren?”
„Mijnheer Pleydell,” antwoordde Glossin zeer bedaard, „indien gij mijn
raadgever waart, zoudt gij mij denkelijk niet raden zoo oogenblikkelijk
op eene beschuldiging te antwoorden, welke een laaghartige schurk door
een meineed schijnt te willen bevestigen.”
„Mijn raad zou volgens mijn gevoelen omtrent uwe schuld of onschuld
geregeld worden. Ik geloof dat gij, in uwe omstandigheden, den
voorzichtigsten weg inslaat; maar gij moet, zoo als gij zelf wel
inziet, in hechtenis genomen worden.”
„Hoe, Mijnheer? als beschuldigd van moord?”
„Neen, slechts als medeplichtige bij het rooven van het kind.”
„Daarvoor kan borgtocht gesteld worden.”
„Vergeef mij,” hernam Pleydell, „het is een plagium [35] en plagium is
eene crimineele zaak van ernstigen aard.”
„Verschoon mij, Mijnheer Pleydell; er is stechts één voorbeeld van een
soortgelijk geval voorhanden. Twee vrouwen, Torrence en Waldie genaamd,
zoogenaamde „opstandingsvrouwen,” die er hun werk van maakten,
kortelings begraven lijken weder op te delven, hadden, zoo als gij u
wel herinneren zult, beloofd, een kinderlijk aan eenige jonge
heelkundigen te verschaffen. Daar zij zich hiertoe op hare eer
verbonden hadden, stalen zij, om de studenten bij de avondles niet
teleur te stellen, een levend kind, brachten, het om het leven en
verkochten het lijk voor twee en veertig stuivers. Zij werden
opgehangen, doch om den moord, en niet om het plagium. Uw burgerlijk
recht heeft u een weinig te ver gevoerd.”
„Het is mogelijk; maar wij moeten u intusschen naar de gevangenis doen
brengen op een bevelschrift van den heer Mac-Morlan, ingeval de jonkman
zijne verklaring herhaalt. – Gerechtsdienaren, brengt den heer Glossin
en Hatteraick weg en bewaakt hen in afzonderlijke vertrekken.”
Hierop werd Gabriël, de jonge Heiden, binnengebracht. Deze verhaalde
omstandig, hoe hij van het schip van den kapitein Pritchard, waarop hij
tot straf geplaatst was, ontvlucht was en zich op den noodlottigen dag
bij de smokkelaars bevonden had. Toen Hatteraick zag dat het schip niet
meer te behouden was, had hij het in den brand gestoken en was hij,
onder begunstiging van den rook, met zijn scheepsvolk en zoo vele
goederen, als zij bergen konden, met de booten naar het hol gevlucht,
waar zij zich tot het vallen van den avond verborgen houden wilden.
Hatteraick zelf, zijn stuurman Van Beest Brown en drie anderen onder
wie hij zelf ook was, gingen naar het nabij gelegen bosch, om met
eenigen hunner vrienden in de buurt te raadplegen. Onverwachts
ontmoetten zij Kennedy, en nu besloten Hatteraick en Brown, die wisten
dat hij de bewerker van hunne rampen was, hem te vermoorden. Hij
verklaarde verder, dat hij gezien had, hoe zij den ambtenaar aanvielen
en hem door het bosch sleepten; maar dat hij geen deel had genomen aan
den aanval, en den afloop niet bijgewoond had. Na het plegen van den
moord keerden zij langs verschillende wegen naar het hol terug, waar
Hatteraick juist bezig was te verhalen, dat hij Kennedy nog een stuk
rots achterna geworpen had, terwijl de ongelukkige op het strand lag te
kermen, toen Glossin onverwachts in hun midden verscheen en zich in
zijne tegenwoordigheid door Hatteraick tot geheimhouding liet omkoopen.
Bertram’s lotgevallen vóor dat deze naar Indië ging, waren Gabriël
volkomen bekend. Toen had hij hem uit het oog verloren, tot hij hem zoo
onverwachts in het Liddesdal weder ontmoette. Hij had zoo wel zijne
moei, Meg Merrilies, als Hatteraick, die zich, zoo als hij wist,
destijds aan de kust bevond, hiervan oogenblikkelijk kennis gegeven;
doch zijne moei was wegens deze kennisgeving aan den smokkelaar ten
uiterste vertoornd op hem geweest. Hij verhaalde verder, dat Meg hierop
verklaard had, dat zij alles doen zou wat in haar vermogen stond, om
den jongen Ellangowan in zijne rechten te herstellen, al zou zij Dirk
Hatteraick ook voor het gerecht moeten beschuldigen, en dat buiten hem
nog vele anderen Heidenen, die algemeen geloofden dat zij met
bovenaardsche ingevingen bezield werd, haar hiertoe behulpzaam wilden
zijn. Met hetzelfde oogmerk had zijne moei den schat der bende, welken
zij in bewaring had, aan Bertram gegeven. Toen het tolhuis overrompeld
werd, had hij zich met drie of vier Heidenen onder den hoop gemengd, om
Bertram te bevrijden, hetwelk hij zelf in eigen’ persoon volvoerd had.
Hij zeide verder dat zij, bij het gehoorzamen aan Meg’s bevelen, nooit
beoordeelden of ze goed en redelijk waren, daar het gezag, hetwelk zij
onder haar volk bekleedde, haar boven zulke oordeelvellingen verhief.
Ten slotte verklaarde Gabriël, dat zijne moei altijd gezegd had, dat
Hendrik Bertram iets op zijne borst droeg, waardoor hij zijne geboorte
bewijzen konde. Het moest eene bezwering, of tooverspreuk, zijn, die
een student uit Oxford voor hem gemaakt had, en Meg had den smokkelaars
doen gelooven, dat zij hun schip onfeilbaar zouden verliezen, als zij
Bertram daarvan beroofden.
Bertram vertoonde hierop een klein fluweelen zakje, hetwelk hij, zoo
als hij zeide, sedert zijne kindsheid op de borst gedragen, en in het
begin uit bijgeloovigen eerbied, maar later in de hoop, dat het tot de
ontdekking van zijne geboorte kon dienen, bewaard had. Bij het openen
er van werd er een tweede blauw zijden zakje in gevonden, waarin een
horoskoop of lotsvoorspelling zich bevond. De kolonel Mannering erkende
het papier oogenblikkelijk als zijn eigen werk, verhaalde hoe hij bij
zijn eerste bezoek te Ellangowan voor sterrewichelaar gespeeld had en
bewees daardoor op beslissende en voldoende wijze, dat de eigenaar er
van de erfgenaam van Ellangowan moest zijn.
„Na deze alles afdoende getuigenis, moeten er bevelen uitgevaardigd
worden,” zeide Pleydell „om Glossin en Hatteraick in hechtenis te
houden, tot dat zij door den bevoegden rechter vrijgesproken, of
gevonnisd worden. Het doet mij leed om Glossin.”
„Naar mijn oordeel,” hernam Mannering, „verdient deze verreweg het
minste medelijden. De andere is, ofschoon hard en ongevoelig als een
keisteen, een stoute knaap.”
„Zeer natuurlijk, kolonel, dat gij belang stelt in den moordenaar en ik
in den bedrieger. Dat is beroepssmaak. – Maar geloof mij, Glossin zou
een flink rechtsgeleerde geweest zijn, indien hij niet eene zoo
onweerstaanbare neiging tot het oneerlijke gedeelte van het beroep
gehad had.”
„De laster zou zeggen, dat hij daarom misschien geen slechter
rechtsgeleerde was.”
„De laster zou liegen als gewoonlijk. Het recht gelijkt in één opzicht
naar opium; het is veel gemakkelijker, het als een kwakzalver te
gebruiken, dan het als een bekwaam geneesheer te leeren aanwenden.”